Miskenning van einde-afvalstatus leidt tot veroordeling producent bouwstof
/Rechtbank Rotterdam 23 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:14115
Een producent van immobilisaat wordt veroordeeld voor het foutief melden van afvalstoffen als afval in plaats van als bouwstof. De rechtbank oordeelt dat het materiaal bij afgifte geen afvalstof meer is en dus gemeld had moeten worden met een GN-code. Daarnaast zijn afvalstoffen ontvangen met begeleidingsbrieven waarop een andere rechtspersoon stond vermeld dan de werkelijke ontvanger. De verdediging stelt dat sprake is van vergissingen zonder milieu-impact, maar de rechtbank verwerpt die verweren. De rechtspersoon krijgt een voorwaardelijke geldboete van 3.000 euro met een proeftijd van één jaar.
Context van de zaak
De rechtbank Rotterdam buigt zich over een milieustrafzaak tegen een rechtspersoon, [rechtspersoon A], gevestigd te Gorinchem. Deze onderneming produceert zogenoemd "immobilisaat" uit afvalstoffen, dat vervolgens wordt toegepast als bouwstof in infrastructurele werken. De zaak betreft twee strafdossiers: enerzijds het gebruik van onjuiste meldcodes bij afgifte van het geproduceerde materiaal, anderzijds onregelmatigheden bij de ontvangst van afvalstoffen zonder correcte begeleidingsbrieven. De onderneming wordt vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordigster en bijgestaan door een strafrechtadvocaat.
De tenlastelegging
De rechtspersoon wordt verweten dat zij:
In de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2022 bij de afgifte van in totaal 100.273.663 kilogram immobilisaat, onjuiste meldingen heeft gedaan door gebruik van een Eural-code in plaats van de wettelijk vereiste GN-code (parketnummer 83/148497-23);
In de periode van 18 februari 2021 tot en met 23 november 2021 ruim 50 vrachten bodemas in ontvangst heeft genomen zonder dat de bijbehorende begeleidingsbrieven de juiste ontvanger vermeldden (parketnummer 83/015316-23).
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het OM stelt zich op het standpunt dat sprake is van structurele milieudelicten. In de eerste zaak gaat het om een langdurige periode waarin opzettelijk verkeerde codes zijn gebruikt, waardoor de geproduceerde bouwstof ten onrechte als afvalstof is afgemeld. In de tweede zaak is door foutieve vermelding van de ontvanger op begeleidingsbrieven de afvalketen ondoorzichtig geworden. Aangezien het hier geen incidentele fouten betreft, maar systematische overtredingen, acht het OM strafrechtelijke vervolging aangewezen. De officier van justitie vordert vernietiging van eerdere strafbeschikkingen en oplegging van geldboetes van 4.500 euro respectievelijk 3.000 euro.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de gebruikte meldcodes voortkomen uit interpretatiegeschillen over de status van het product en dat er geen sprake is van opzet of verhulling. Volgens de raadsman blijft het afvalkarakter behouden tot het moment van daadwerkelijke toepassing van het immobilisaat in een bouwproject. Tot dat moment mag de afgifte plaatsvinden met een Eural-code. Daarnaast bestaat er volgens hem geen passende GN-code voor dit specifieke product. In de tweede zaak voert de verdediging aan dat het juiste ontvangstadres wel is vermeld, en dat de vermelding van een aanverwante rechtspersoon slechts een administratieve vergissing betreft, zonder gevolgen voor traceerbaarheid of milieubelangen.
Het oordeel van de rechtbank
De economische politierechter verwerpt alle gevoerde verweren. Zij oordeelt dat het door de verdachte geproduceerde immobilisaat op het moment van afgifte reeds voldoet aan de vier cumulatieve voorwaarden uit artikel 1.1, achtste lid, van de Wet milieubeheer, om als einde-afvalstof te kwalificeren. Er is een markt voor het product, het voldoet aan technische voorschriften (zoals blijkt uit BRL 9322), en het gebruik ervan leidt niet tot milieuschade. Derhalve is het product bij afgifte geen afvalstof meer, en had de melding moeten plaatsvinden onder een GN-code. Het gebruik van een Eural-code is dus in strijd met de Wet milieubeheer.
Ten aanzien van de begeleidingsbrieven oordeelt de rechtbank dat vermelding van een andere rechtspersoon, ook al behoort deze tot hetzelfde concern en is het afleveradres correct, niet voldoet aan de wettelijke eisen. Volgens artikel 10.38 Wet milieubeheer moet ondubbelzinnig de naam van de ontvanger worden vermeld. Door deze onvolledige documentatie wordt de afvalketen onnodig ondoorzichtig.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon:
In de periode van 1 juli 2020 tot 31 december 2022, bij de afgifte van 100.273.663 kilogram bouwstof, in strijd met artikel 10.38 van de Wet milieubeheer geen gebruik heeft gemaakt van de voorgeschreven GN-code;
Tussen 18 februari 2021 en 23 november 2021, zonder correcte begeleidingsbrieven, afvalstoffen in ontvangst heeft genomen, terwijl de documenten een andere rechtspersoon als ontvanger vermeldden.
Voor de periode vóór 1 juli 2020 volgt vrijspraak, nu onvoldoende is gebleken dat aan de toen geldende voorwaarden voor einde-afvalstatus werd voldaan.
De strafoplegging
De economische politierechter legt aan de verdachte rechtspersoon een voorwaardelijke geldboete van 3.000 euro op. Daarbij houdt zij rekening met de ernst van de feiten, de duur van de overtredingen, en de professionele status van de onderneming. De rechtbank onderkent dat er inmiddels aanpassingen zijn doorgevoerd in de bedrijfsvoering en dat er geen eerdere veroordelingen zijn. Ook speelt mee dat er geen financieel voordeel uit de gedragingen is behaald en dat de feiten van enige ouderdom zijn. Mede daarom wijkt de rechtbank af van de hogere eis van het OM.
De voorwaardelijke geldboete is bedoeld als waarschuwing en heeft een proeftijd van één jaar. Indien binnen deze periode opnieuw een strafbaar feit wordt gepleegd, kan de boete alsnog ten uitvoer worden gelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
