Bitcoinwitwasser krijgt herkansing: Hoge Raad vindt verwerping herkomstverweer onbegrijpelijk
/Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:441
Hoge Raad vernietigt witwasbewezenverklaring bitcoins omdat het hof Den Haag het herkomstverweer van de verdachte ontoereikend heeft beoordeeld. De verdachte voert aan dat hij in 2012 circa 2.000 bitcoins heeft gekocht voor EUR 12.000 en dat de waardestijging de latere tegenwaarde van EUR 613.260 verklaart. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet zonder meer voorbij kon gaan aan die verklaring, ondersteund door getuigenverklaringen en een borgstellingsverklaring. Daarnaast vernietigt de Hoge Raad de onttrekking aan het verkeer van horloges en kleding, omdat die voorwerpen naar hun aard niet vatbaar zijn voor die maatregel op grond van artikel 36c Sr. De zaak wordt teruggewezen naar het hof Den Haag voor een nieuwe behandeling van het witwassen, de straf en de beslagbeslissing.
Achtergrond
De verdachte, een in 1969 geboren natuurlijk persoon, is bij arrest van 14 december 2023 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor drie feiten. Ten eerste betreft het gewoontewitwassen van bitcoins in de zin van artikel 420ter juncto artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tweede gaat het om het meermalen medeplegen van de uitvoer van harddrugs als bedoeld in artikel 2 onder A van de Opiumwet. Ten derde is de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van het verkopen, afleveren en vervoeren van harddrugs als bedoeld in artikel 2 onder B van de Opiumwet. Het hof legt een gevangenisstraf op van 54 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast verklaart het hof een groot aantal in beslag genomen voorwerpen verbeurd, onttrekt het een aantal voorwerpen aan het verkeer en gelast het de teruggave respectievelijk de bewaring van andere voorwerpen.
De kern van het feitencomplex is de volgende. Uit informatie van het buitenlandse bedrijf waar de verdachte een account heeft, blijkt dat hij in totaal 625,3 bitcoins op dat account heeft gestort. Die bitcoins zijn op verschillende wijzen besteed. In oktober 2017 wordt een bedrag van EUR 5.412 overgeschreven naar bankrekeningen op naam van twee andere personen. In de maanden oktober 2016 tot en met september 2017 worden 193,1 bitcoins, met een tegenwaarde van EUR 199.326, overgeboekt naar bitcoinadressen die behoren bij een ander bedrijf. In november en december 2016 worden 107,47 bitcoins met een tegenwaarde van EUR 76.165 naar een onbekend bitcoinadres verstuurd. Verder zijn aan het account van de verdachte twee Visa prepaid debetkaarten gekoppeld. Op de ene kaart vinden stortingen plaats tot een totaalbedrag van USD 20.695 (omgerekend EUR 19.012) en op de andere kaart stortingen tot een totaalbedrag van EUR 313.344. In totaal vertegenwoordigen de omgezette bitcoins een geldwaarde van EUR 613.260.
Uit onderzoek naar het inkomen en de bezittingen van de verdachte komt naar voren dat zijn laatst bekende loongegevens dateren uit 2011, toen hij een UWV-uitkering ontving van EUR 3.802. Vanaf 2012 zijn er geen loongegevens meer bekend. De verdachte heeft weliswaar vanaf 1 april 2000 een eenmanszaak gehad in de handel in auto's, maar de inschrijving daarvan bij de Kamer van Koophandel is op 10 januari 2011 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing. In 2014 en 2015 heeft de verdachte een bankrekening met een saldo van EUR 0, en sinds 2015 zijn er geen bankrekeningen meer van hem bekend in Nederland.
Het hof oordeelt dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen voor de herkomst van de bitcoins, maar dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte beschikt immers vanaf 2012 niet over een legale inkomensbron, terwijl hij wel kan beschikken over een groot aantal bitcoins met een aanzienlijke waarde. Het hof verklaart vervolgens bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 29 november 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van bitcoins, gelet op de omvang van de geldbedragen en de frequentie van de transacties. Het hof spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen van het witwassen, nu er geen aanwijzingen zijn dat anderen daarbij een zodanige rol hebben gespeeld dat sprake is van medeplegen.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. De advocaten J.C. Reisinger en M.N. Greeven stellen bij schriftuur en aanvullende schriftuur tien cassatiemiddelen voor. De advocaat-generaal P.M. Frielink concludeert tot partiële vernietiging en terugwijzing. De zaak hangt samen met de zaak 23/04894 P.
Derde middel: bewijsklacht gewoontewitwassen
Het derde cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen van bitcoins, in het bijzonder over het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf".
De verdediging stelt op de terechtzitting in hoger beroep dat de bitcoins een legale herkomst hebben. De verdachte voert aan dat hij in de periode 2012 tot 2013, door tussenkomst van een tussenpersoon, 1.982 bitcoins heeft verkregen van een derde tegen betaling van EUR 12.000. Die uitgave kan hij doen uit geld dat hij heeft verdiend uit de handel in auto's. De verdediging stelt voorts dat de bitcoins in de periode van 2012 tot eind 2017 een exponentiële waardevermeerdering hebben doorgemaakt en dat daaruit kan worden verklaard dat de verdachte in 2017 voor EUR 613.260 aan bitcoins bezit. Ter ondersteuning van deze stellingen wijst de verdediging op een borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen die onder meer zijn afgelegd door de tussenpersoon en twee andere getuigen.
Het hof oordeelt dat de verdachte met die verklaring niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van de bitcoins. Het hof overweegt daartoe onder meer dat de verdachte niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de relatie is tussen de door hem verkregen bitcoins en de bitcoins die zijn gestort op zijn account bij het buitenlandse bedrijf. Het hof wijst er ook op dat de verdachte niet meer informatie heeft verschaft en geen USB-stick heeft verstrekt aan politie en justitie.
Beoordeling Hoge Raad: derde middel
De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352. Daaruit volgt het vaste toetsingskader voor het bewijs van het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" in de witwasbepalingen. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, wanneer op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het is aan het openbaar ministerie om bewijs aan te dragen van feiten en omstandigheden die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Wanneer die feiten en omstandigheden een dergelijk vermoeden rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Daarbij geldt uitdrukkelijk dat de omstandigheid dat zo'n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, niet inhoudt dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Geeft de verdachte een dergelijke verklaring, dan ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat het derde cassatiemiddel terecht klaagt. Het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat de verdachte, onder verwijzing naar getuigenverklaringen, heeft verklaard over de aanschaf van de bitcoins in 2012 dan wel 2013 en de waardestijging die deze bitcoins daarna hebben doorgemaakt. De verdachte heeft immers verklaard dat hij 1.982 bitcoins heeft gekocht voor EUR 12.000 en dat de exponentiële waardestijging van bitcoin in de jaren daarna verklaart waarom hij in 2017 over een bedrag van EUR 613.260 aan bitcoins beschikt. Die verklaring wordt ondersteund door een borgstellingsverklaring en meerdere getuigenverklaringen.
De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof er niet begrijpelijker op wordt door de vaststelling dat de verdachte niet meer informatie heeft verschaft of een USB-stick heeft verstrekt. Die omstandigheden staan namelijk niet in de weg aan de door de verdachte gegeven verklaring en aan de mogelijkheid om daarnaar nader onderzoek te doen. Met andere woorden: het hof had niet mogen volstaan met de vaststelling dat de verdachte onvoldoende informatie heeft verstrekt, maar had moeten beoordelen of de gegeven verklaring, in samenhang met de overgelegde stukken en getuigenverklaringen, op zichzelf beschouwd voldoende concreet en verifieerbaar was.
Negende middel: onttrekking aan het verkeer van horloges en kleding
Het negende cassatiemiddel richt zich tegen de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van een groot aantal in beslag genomen voorwerpen. Het gaat om de voorwerpen die op beslaglijst I staan vermeld onder de nummers 6 tot en met 44, 49 tot en met 51, 56 tot en met 59 en 61 tot en met 114.
Uit de inhoudsindicatie van het arrest en de conclusie van de advocaat-generaal volgt dat het hier gaat om horloges en kleding.
Beoordeling Hoge Raad: negende middel
De Hoge Raad oordeelt dat het negende cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad verwijst daartoe naar de redenen die zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal, ECLI:NL:PHR:2025:1113.
Het relevante wettelijke kader is artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt als voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer dat de desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het moet dus gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat ongecontroleerd bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Het oordeel van het hof dat de aan het verkeer onttrokken verklaarde horloges en kleding van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Horloges en kleding zijn immers voorwerpen waarvan het ongecontroleerd bezit naar hun aard niet in strijd is met de wet of het algemeen belang. Zij zijn daarom niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer in de zin van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht.
Overige middelen
De Hoge Raad beoordeelt ook het eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en achtste cassatiemiddel, evenals het zesde cassatiemiddel voor zover dat betrekking heeft op het verzoek om twee getuigen te horen in verband met de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad motiveert dit niet nader en past daarmee artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie toe.
De bespreking van het restant van het zesde cassatiemiddel en van het tiende cassatiemiddel is niet nodig, gelet op de beslissing die volgt uit de gegrondheid van het derde en het negende middel.
Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof Den Haag, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde gewoontewitwassen en de strafoplegging, alsmede de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de op beslaglijst I genoemde voorwerpen. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van die onderdelen opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep.
Dit betekent dat de veroordelingen voor de drugsfeit in stand blijven, maar dat het hof Den Haag opnieuw moet oordelen over het witwassen van de bitcoins en over de opgelegde straf. Ook zal het hof opnieuw moeten beslissen over de in beslag genomen horloges en kleding, die niet langer via de weg van onttrekking aan het verkeer kunnen worden afgenomen.
