Bewuste aanvaarding van crimineel salaris leidt tot onherroepelijke veroordeling voor witwassen

Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:76

De verdachte ontving tussen december 2016 en maart 2017 salaris dat afkomstig was uit beleggingsfraude. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem op 5 december 2023 voor witwassen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand (proeftijd twee jaar) en een taakstraf van 72 uur, subsidiair 36 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast legt het hof schadevergoedingsmaatregelen op aan de verdachte ten gunste van de benadeelde partijen. In cassatie klaagt de verdachte over de bewijsvoering, maar de Hoge Raad verwerpt het middel.

Achtergrond

De verdachte, geboren in 1960, heeft in de periode van december 2016 tot en met maart 2017 salaris ontvangen terwijl hij werkzaam was bij een onderneming die betrokken was bij grootschalige beleggingsfraude. Het openbaar ministerie verdenkt hem ervan dat hij zich in die periode schuldig heeft gemaakt aan witwassen, als bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht. In eerste aanleg is hij vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam heeft die vrijspraak vernietigd.

Bij arrest van 5 december 2023 acht het hof bewezen dat de verdachte wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het ontvangen salaris afkomstig was uit misdrijf. Het hof overweegt dat de verdachte zich niet slechts onvoorzichtig heeft gedragen, maar actief heeft bijgedragen aan het in stand houden van een constructie waarbij criminele gelden werden uitgekeerd als zogenaamd legitiem loon. Uit het bewijs volgt dat hij kennis had van de activiteiten van het bedrijf en dat hij, ondanks aanwijzingen van criminele herkomst, het salaris bleef accepteren.

Het gerechtshof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 72 uur, subsidiair 36 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast beslist het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen en legt aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen op als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De precieze omvang en motivering van deze maatregelen zijn in het arrest van het hof opgenomen.

Middel

In cassatie voert de verdediging één middel aan, gericht tegen de motivering van het bewezenverklaarde witwassen. Volgens de stellers van het middel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het ontvangen salaris. De verdediging stelt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Het middel beoogt met name aan te tonen dat er slechts sprake was van onvoorzichtigheid of goedgelovigheid, hetgeen onvoldoende zou zijn voor een veroordeling wegens witwassen. Daarmee wordt betoogd dat het vereiste opzet – in de vorm van (voorwaardelijke) wetenschap van de criminele herkomst – onvoldoende is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Hij stelt vast dat het aangevoerde middel niet tot cassatie kan leiden en verwijst daarbij naar de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, D.J.M.W. Paridaens. Volgens die conclusie heeft het hof toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het salaris.

De advocaat-generaal wijst erop dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte niet slechts nalatig was, maar daadwerkelijk handelde met het besef dat hij gelden ontving die uit misdrijf afkomstig waren. De verdachte aanvaardde bewust de risico’s verbonden aan zijn positie binnen het frauduleuze beleggingsbedrijf en bleef salaris ontvangen, ondanks signalen van onregelmatigheden. Zijn gedrag gaat daarmee volgens het hof verder dan passieve onachtzaamheid en voldoet aan de criteria voor (voorwaardelijk) opzet op witwassen.

De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en vindt dat het hof zijn motivering voldoende heeft onderbouwd. Daarmee faalt de bewijsklacht.

Overschrijding redelijke termijn

Ambtshalve constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor behandeling in cassatie is overschreden. Tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak van de Hoge Raad is meer dan twee jaar verstreken, hetgeen in strijd is met artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad acht deze schending geconstateerd, maar verbindt hieraan geen gevolgen voor de opgelegde straf, gelet op de aard en de omvang daarvan. Het blijft derhalve bij de oorspronkelijke veroordeling.

Samenhang met andere zaken

De zaak hangt samen met vier andere procedures met zaaknummers 23/04870, 23/04893, 23/04938 en 23/04940. Hoewel deze zaken inhoudelijk afzonderlijk zijn behandeld, wijst de Hoge Raad op een duidelijke thematische samenhang: alle zaken betreffen betrokkenheid bij dezelfde beleggingsfraude en het witwassen van opbrengsten daaruit.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Het hof heeft mogen oordelen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het ontvangen salaris afkomstig was uit beleggingsfraude en dus uit misdrijf. De opgelegde straf en schadevergoedingsmaatregelen blijven in stand. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot strafvermindering.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^