Beklag bank tegen FIOD-beslag op cliëntendossiers ongegrond: geen strijd met proportionaliteit of beginselen behoorlijke procesorde

Rechtbank Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3071

De rechtbank verklaart het beklag van een bank tegen de inbeslagneming van gegevensdragers door de FIOD ongegrond. De bank wordt verdacht van structurele overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De FIOD vordert op grond van de artikelen 18 en 19 van de Wet op de economische delicten de uitlevering van cliëntendossiers van 29 specifiek geselecteerde klanten. De bank stelt dat de inbeslagneming in strijd is met de proportionaliteit, subsidiariteit en het vertrouwensbeginsel, en kwalificeert als een fishing expedition. De rechtbank oordeelt dat klachten over vormverzuimen thuishoren bij de zittingsrechter en niet in de beklagprocedure, en overweegt ten overvloede dat de klachten ook inhoudelijk ongegrond zijn. Het strafvorderlijk belang verzet zich tegen teruggave van de in beslag genomen gegevens nu het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond.

Inleiding en context

Deze zaak betreft een beklagprocedure op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Klaagster is een Nederlandse bank die wordt verdacht van het structureel overtreden van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Het strafrechtelijk onderzoek naar de bank loopt sinds 2021 en is uitgevoerd door de Belastingdienst/FIOD. Aanleiding voor het onderzoek is een melding van De Nederlandsche Bank (DNB), die vaststelt dat de bank sinds 2006 kampt met aanhoudende tekortkomingen in de naleving van de Wwft.

In april 2025 kondigt het Openbaar Ministerie op zijn website aan dat het heeft besloten de bank te dagvaarden. Volgens het persbericht schoot de bank jarenlang tekort in het doen van klantonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties, in de periode van oktober 2016 tot eind 2021. In december 2025 vordert de FIOD op grond van de artikelen 18 en 19 van de Wet op de economische delicten (WED) de uitlevering van gegevens. Op 9, 12 en 15 december 2025 neemt de FIOD in totaal zeven gegevensdragers (USB-sticks en draagbare SSD's) in beslag. De bank dient op 17 december 2025 een klaagschrift in bij de rechtbank.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De bank wordt op basis van een concept-tenlastelegging van 18 december 2025 verdacht van het opzettelijk overtreden, en daarvan een gewoonte maken, van artikel 3 lid 1 en artikel 16 Wwft, in de periode van 1 oktober 2016 tot en met heden. Het gaat om verplichtingen inzake cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties. Deze bepalingen zijn strafbaar gesteld via de Wet op de economische delicten.

De inbeslagneming vindt plaats op grond van de artikelen 18 en 19 WED. Artikel 18 lid 1 WED bepaalt dat opsporingsambtenaren in het belang van de opsporing bevoegd zijn tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak, en daartoe de uitlevering kunnen vorderen. Het toetsingskader voor de beoordeling van het beklag is dat van artikel 94 Sv. De rechter beoordeelt of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Standpunt van de verdediging

De bank verzoekt opheffing van het beslag en teruggave dan wel vernietiging van alle in beslag genomen data, inclusief kopieën. Het klaagschrift richt zich ook tegen de kennisneming en het gebruik van de op vordering verstrekte gegevens.

De bank voert in de kern aan dat de inbeslagneming in strijd is met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, alsmede met de beginselen van een goede procesorde. Volgens de bank heeft het Openbaar Ministerie met het persbericht van april 2025 het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de vervolging zich zou beperken tot de periode 2016 tot en met 2021. De bank betoogt dat het Openbaar Ministerie in juni 2024 het jarenlange onderzoek materieel heeft afgerond en het dossier heeft verstrekt. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie getracht de zaak buitengerechtelijk af te doen en toen dat niet lukte de dagvaarding aangekondigd. De inbeslagneming in december 2025 leidt volgens de bank tot een onnodige uitbreiding van het onderzoek zonder toegevoegde waarde, tot een bezwarende verlenging van de termijn tot berechting en tot ernstige belemmering van de verdedigingsrechten. Daarnaast kwalificeert de bank het optreden als een fishing expedition.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond is. Ten aanzien van de proportionaliteit voert het Openbaar Ministerie aan dat de meest bezwarende wijze van optreden een onverhoedse bedrijfsdoorzoeking zou zijn geweest. In plaats daarvan heeft het opsporingsteam de bank in vergaande mate in de gelegenheid gesteld zich voor te bereiden op de inbeslagneming van vooraf opgegeven informatie die de bank zelf uit haar administratie heeft verzameld. De opsporingsambtenaren waren bij hun bezoek aan het hoofdkantoor in Utrecht voor de buitenwereld niet herkenbaar als zodanig.

Het Openbaar Ministerie wijst erop dat de bank op grond van hoofdstuk 5 Wwft verplicht is de betreffende gegevens op toegankelijke wijze te bewaren en onverwijld en volledig te reageren op vragen. Het opsporingsteam is in de ervaring van het Openbaar Ministerie lange tijd lankmoedig omgegaan met de tekortkomingen van de bank in het voldoen aan informatieverzoeken. Op 3 november 2025 is schriftelijk verzocht om gespecificeerde gegevens. Ondanks meerdere rappels is slechts een beperkt deel verstrekt, waarna op 5 december 2025 onduidelijk bleef of de informatie zou worden geleverd.

Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel voert het Openbaar Ministerie aan dat het op 13 december 2022 schriftelijk aan de verdediging heeft medegedeeld dat het vermoeden bestond dat de overtredingen tot heden voortduurden en dat nog niet viel te zeggen in hoeverre de onderzoeksperiode zou opschuiven. Het persbericht bevat geen toezegging dat de vervolging beperkt zou blijven.

Het Openbaar Ministerie bestrijdt ook dat sprake is van een fishing expedition. De vordering is toegespitst op 29 klanten die zijn geselecteerd op basis van beschikbare informatie en die zijn aangeduid met klant-, KvK- of bankrekeningnummer. De bank heeft ruim 9 miljoen klanten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Van de rechter kan niet worden verlangd dat hij ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak treedt. De rechtbank dient te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek in raadkamer zich kan uitstrekken tot vragen over de rechtmatigheid van het beslag zelf, waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan een inbeslagneming moet voldoen, maar niet tot vragen over de mogelijke onrechtmatigheid van het gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen. De door de bank aangevoerde klachten over proportionaliteit en subsidiariteit hebben niet van doen met de rechtmatigheid van de inbeslagneming zelf in die zin, maar zouden, indien vastgesteld, kwalificeren als onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Gegrondverklaring van het klaagschrift op die gronden zou gelijkstaan aan bewijsuitsluiting en daarmee vooruitlopen op het oordeel van de zittingsrechter, zonder dat de daarvoor vereiste belangenafweging kan worden gemaakt. De rechtbank oordeelt dat voor beoordeling van deze verweren in de beklagprocedure geen plaats is.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de klachten ook inhoudelijk ongegrond zijn. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel oordeelt de rechtbank dat de bank aan het persbericht van april 2025 niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat het opsporingsonderzoek zich zou beperken tot de periode 2016 tot en met 2021. Het persbericht bevat geen toezegging dat de vervolging beperkt zou blijven tot die periode.

Ten aanzien van de proportionaliteit en subsidiariteit overweegt de rechtbank dat de bank op grond van de Wwft verplicht is alle medewerking te verlenen aan opsporingsambtenaren binnen een redelijke termijn. Gelet op het talmen van de bank oordeelt de rechtbank dat de vorderingen tot uitlevering, de daaropvolgende inbeslagneming en de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden niet in strijd zijn met de proportionaliteit en subsidiariteit.

Ook van een fishing expedition is geen sprake. De vordering heeft betrekking op 29 met name genoemde klanten, aangeduid met klant-, KvK- of bankrekeningnummer, van wie de bank op grond van hoofdstuk 5 Wwft verplicht is gegevens te bewaren.

Beslissing

De rechtbank beantwoordt de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert bevestigend. De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in het belang van de opsporing en is redelijkerwijs nodig voor de vervulling van de taak van de FIOD. Het strafrechtelijk onderzoek naar de bank is nog niet afgerond. Het belang van strafvordering, waaronder het aan de dag brengen van de waarheid, verzet zich tegen teruggave. De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Tegen deze beslissing staat voor de bank beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen binnen veertien dagen na betekening van de beslissing.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^