Artikel 81 Wet RO onder druk: Hof van Justitie EU eist motivering bij weigering prejudiciële vragen
/Op 24 maart 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen in de zaak C-767/23 (Remling). Het Hof oordeelt dat een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, altijd moet motiveren waarom zij weigert een prejudiciële vraag te stellen. Die verplichting geldt ook wanneer het nationale recht toestaat dat zaken met een verkorte motivering worden afgedaan. Het arrest is van directe betekenis voor de Nederlandse cassatiepraktijk, waar de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State regelmatig gebruikmaken van verkorte afdoening. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk is het arrest relevant omdat in zaken over btw-fraude, sanctieschendingen en andere Unierechtelijke onderwerpen met regelmaat vragen over de uitleg van het Unierecht rijzen.
De zaak Remling: achtergrond en prejudiciële vraag
De zaak betrof een Marokkaans staatsburger wiens echtgenote en kinderen in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. Hij had in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning die geldig is voor het grondgebied van de Europese Unie. Nadat dit verzoek was afgewezen omdat hij al over een verblijfsvergunning in Spanje beschikte, stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. Na verwerping van dat beroep stelde hij hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State was van oordeel dat het antwoord op de door de betrokkene opgeworpen vraag over de uitlegging van het Unierecht duidelijk bleek uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daarom achtte de Raad van State zich niet verplicht prejudiciële vragen te stellen en kon hij het geding met een verkorte motivering afdoen. Die mogelijkheid tot verkorte afdoening is neergelegd in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en weerspiegelt het door de wetgever beoogde evenwicht tussen het openstellen van hoger beroep in alle vreemdelingenzaken en de noodzaak om de Raad van State in staat te stellen zich op de belangrijkste vragen te concentreren.
De Raad van State vroeg zich in deze zaak echter af of hij uitvoerig moet motiveren waarom hij zich niet verplicht acht prejudiciële vragen te stellen en legde die vraag voor aan het Hof van Justitie.
Het oordeel van het Hof van Justitie
Het Hof herinnert er eerst aan dat nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden zijn zich tot het Hof te wenden. Op die verplichting bestaan drie uitzonderingen, die teruggaan op het arrest Cilfit uit 1982: de opgeworpen vraag van Unierecht is irrelevant, de betrokken regel van Unierecht is al door het Hof uitgelegd (acte éclairé), of het antwoord is zo evident dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan (acte clair).
Het kernpunt van het arrest is vervolgens helder. Het Hof oordeelt dat een hoogste rechterlijke instantie, als zij beslist om zich op grond van een van die uitzonderingen niet tot het Hof te wenden, haar beslissing in alle gevallen moet onderbouwen. Zij moet specifiek en concreet, aan de hand van de feitelijke en juridische omstandigheden, uiteenzetten waarom een van de drie uitzonderingen van toepassing is.
Het feit dat een lidstaat een rechterlijke instantie toestaat een verkorte motivering te geven om de duur van gerechtelijke procedures te verkorten, maakt daarvoor niet uit. Zelfs in die situatie blijft een hoogste rechterlijke instantie verplicht om specifiek en concreet uiteen te zetten waarom zij van oordeel is dat zij het Hof niet om een prejudiciële beslissing hoeft te verzoeken.
Het Hof biedt wel enige flexibiliteit in de wijze waarop aan die motiveringsplicht kan worden voldaan. Een hoogste rechterlijke instantie kan de gronden overnemen die door de lagere rechterlijke instantie in het betrokken geding in aanmerking zijn genomen, mits die lagere rechterlijke instantie heeft uiteengezet waarom zij heeft geoordeeld dat een van de drie Cilfit-uitzonderingen zich voordeed.
Van Cilfit naar Consorzio naar Remling
Het arrest in de zaak Remling bouwt voort op een lijn die het Hof van Justitie in 2021 heeft ingezet met het arrest Consorzio Italian Management (C-561/19). In dat arrest verduidelijkte de Grote Kamer van het Hof van Justitie de Cilfit-criteria en voegde daaraan toe dat de hoogste rechter zijn beslissing om niet te verwijzen moet motiveren, waarbij uit de motivering moet blijken dat sprake is van een van de drie Cilfit-uitzonderingen. BijzonderStrafrecht.nl berichtte destijds al over dat arrest.
Na het Consorzio-arrest rees in de Nederlandse praktijk de vraag of de verkorte afdoening op grond van artikel 81 Wet RO en artikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 nog verenigbaar was met die motiveringsplicht. Zoals Hertoghs advocaten in maart 2024 signaleerde, stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 maart 2024 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de vraag of verkort motiveren aan de voorwaarden uit het Consorzio-arrest voldoet. De zaak Remling is het antwoord op die vragen.
Betekenis voor de Nederlandse cassatiepraktijk
Hoewel het arrest betrekking heeft op de Raad van State en de Vreemdelingenwet 2000, reikt de strekking ervan verder. Het Hof van Justitie formuleert een algemene regel die geldt voor iedere nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet. Dat omvat ook de Hoge Raad der Nederlanden.
De Hoge Raad maakt in alle rechtsgebieden, inclusief strafzaken en belastingzaken, veelvuldig gebruik van artikel 81, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Dat artikel geeft de Hoge Raad de mogelijkheid zaken zonder inhoudelijke motivering af te doen als het cassatieberoep ongegrond is en er geen juridisch belangrijke nieuwe vragen aan de orde zijn. Volgens een overzicht op Fiscaal up to Date werden in 2020 bij de belastingkamer van de Hoge Raad 866 zaken afgehandeld, waarvan circa 60% werd afgedaan met toepassing van artikel 80a of artikel 81 Wet RO.
De vraag die het arrest Remling oproept, is of de Hoge Raad bij toepassing van artikel 81 Wet RO nog kan volstaan met de standaardmotivering wanneer in een cassatiezaak vragen over de uitleg van het Unierecht aan de orde zijn. Op grond van het arrest lijkt het antwoord ontkennend: ook bij verkorte afdoening moet de hoogste rechter specifiek en concreet motiveren waarom een van de drie Cilfit-uitzonderingen zich voordoet.
Hertoghs advocaten betoogde eerder al in een editie van hun Cassatienieuws (januari 2026) dat de Hoge Raad in ieder geval bij een gemotiveerd verzoek om prejudiciële vragen te stellen het cassatiemiddel niet met artikel 81 Wet RO mag afdoen, zeker niet in zaken waarin artikel 6 EVRM van toepassing is. Hertoghs advocaten
Eerdere EHRM-rechtspraak en de grenzen daarvan
In 2018 aanvaardde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Baydar nog dat de Hoge Raad een cassatieberoep waarin om prejudiciële verwijzing was verzocht, met toepassing van artikel 81 Wet RO kon afdoen. Zoals het Expertisecentrum Europees Recht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken destijds toelichtte, oordeelde het EHRM dat een summiere motivering niet in strijd was met het recht op een eerlijk proces, mits uit de omstandigheden bleek dat de beslissing niet willekeurig of kennelijk onredelijk was.
Het arrest Remling stelt nu vanuit het Unierecht hogere eisen dan het EHRM in Baydar deed. Het Hof van Justitie verlangt niet slechts dat de beslissing niet-willekeurig is, maar eist een specifieke en concrete motivering waarin de hoogste rechter uiteenzet op welke van de drie Cilfit-gronden hij afziet van verwijzing.
Bij het EHRM loopt overigens een procedure over de Nederlandse praktijk van verkorte afdoening, die door de Grote Kamer inhoudelijk wordt beoordeeld. De pleitzitting bij de Grote Kamer heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Hertoghs advocaten De uitkomst van die procedure kan de discussie over artikel 81 Wet RO verder beïnvloeden.
Relevantie voor het financieel-economisch strafrecht
Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk is het arrest om meerdere redenen van belang. In strafzaken met een Unierechtelijke dimensie, zoals btw-fraude, witwassen met grensoverschrijdende aspecten, sanctieschendingen en marktmisbruik, kunnen vragen over de uitleg van het Unierecht rijzen. Wanneer de Hoge Raad in dergelijke zaken het cassatieberoep afdoet met artikel 81 Wet RO zonder in te gaan op een verzoek tot prejudiciële verwijzing, lijkt die praktijk na het arrest Remling niet langer te voldoen aan de eisen die het Unierecht stelt.
Daarnaast is relevant dat de Hoge Raad in de strafkamer ook eerder cassatieberoepen met een Unierechtelijke component verkort heeft afgedaan. De zaak Baydar, die uiteindelijk tot het EHRM leidde, betrof een strafzaak.
Afsluiting
Het arrest in de zaak Remling markeert een volgende stap in de rechtspraak van het Hof van Justitie over de verwijzingsplicht van hoogste nationale rechters. De boodschap is ondubbelzinnig: een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, moet altijd specifiek en concreet motiveren waarom zij afziet van het stellen van prejudiciële vragen. De mogelijkheid om zaken verkort af te doen, ontheft haar niet van die verplichting. Het is nu aan de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om te bepalen hoe zij hun praktijk in het licht van dit arrest inrichten.
