Marktplaatsfraude: Hoge Raad vernietigt straf wegens niet toegestane combinatie van gevangenisstraf en taakstraf

Hoge Raad 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:476

In deze uitspraakvernietigt de Hoge Raad de straf in een zaak over marktplaatsfraude, medeplegen van gewoontewitwassen en deelname als leider aan een criminele organisatie. Het gerechtshof Den Haag had een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden gecombineerd met een taakstraf van 180 uren, wat in strijd is met artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Die bepaling verbiedt het opleggen van een taakstraf naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het ten uitvoer te leggen deel meer dan zes maanden bedraagt. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe strafbeslissing. De bewezenverklaring en de schadevergoedingsmaatregel blijven in stand.

Achtergrond

Deze zaak draait om grootschalige marktplaatsfraude. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1995, is bij arrest van 8 augustus 2024 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor drie feiten. Het gaat ten eerste om diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 311 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Ten tweede betreft het medeplegen van gewoontewitwassen, strafbaar gesteld in artikel 420ter lid 1 in verbinding met artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht. Ten derde is de verdachte veroordeeld voor het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld in artikel 140 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Deze laatste kwalificatie, het leiderschap van een criminele organisatie, onderstreept de ernst van de rol die de verdachte volgens het hof heeft vervuld.

Het hof legt de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast legt het hof een taakstraf op van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht. Het hof neemt verder beslissingen over inbeslaggenomen goederen en over de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het bestreden arrest. De uitspraak bevat geen nadere details over het concrete feitencomplex achter de marktplaatsfraude, zoals de specifieke werkwijze, het aantal slachtoffers of de omvang van het financieel nadeel.

De zaak kent samenhang met zaak 24/03216 J, waarin de advocaat-generaal op dezelfde datum concludeert.

Middel

Namens de verdachte stellen de advocaten J.L. L'Homme en J.E. Kötter, beiden advocaat in Amsterdam, één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt dat het gerechtshof Den Haag een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd. Concreet richt het middel zich op de samenloop van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en een taakstraf van 180 uren. Volgens het middel is deze combinatie in strijd met artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bevat een wettelijke beperking op het combineren van strafmodaliteiten. De bepaling schrijft voor dat een taakstraf niet kan worden opgelegd naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel meer dan zes maanden bedraagt. Deze begrenzing beoogt te voorkomen dat een rechter naast een substantiële onvoorwaardelijke vrijheidsstraf ook nog een taakstraf oplegt, omdat de combinatie van beide straffen in dat geval als disproportioneel wordt beschouwd. De wetgever heeft hiermee een duidelijke keuze gemaakt: bij ernstige feiten die een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, past een taakstraf niet meer als aanvullende sanctie.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verklaart het cassatiemiddel gegrond. Het arrest verwijst voor de motivering naar de conclusie van advocaat-generaal V.M.A. Sinnige. In die conclusie zet de advocaat-generaal de redenering als volgt uiteen. Het hof heeft de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van twaalf maanden. Aangezien het volledige gedeelte van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk ten uitvoer moet worden gelegd, bedraagt het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel dus twaalf maanden. Dat is aanzienlijk meer dan de in artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht genoemde grens van zes maanden. Naast deze gevangenisstraf heeft het hof een taakstraf van 180 uren opgelegd, subsidiair te vervangen door 90 dagen hechtenis. De strafoplegging in haar geheel is daarmee in strijd met artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest, uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan. De Hoge Raad volgt deze conclusie.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. De door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel blijft in stand en wordt uitdrukkelijk uitgezonderd van de vernietiging. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag, opdat het hof opnieuw over de strafoplegging beslist. Het beroep wordt voor het overige verworpen, wat betekent dat de bewezenverklaring en de kwalificatie van de feiten in stand blijven. Het gerechtshof Den Haag zal dus een nieuwe strafbeslissing moeten nemen die in overeenstemming is met de wettelijke kaders van artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof kan daarbij kiezen voor een andere strafcombinatie, bijvoorbeeld door de gevangenisstraf te verlagen tot zes maanden of minder zodat een taakstraf ernaast mogelijk wordt, of door uitsluitend een gevangenisstraf op te leggen zonder aanvullende taakstraf.

Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.

Belang voor de praktijk

Dit arrest onderstreept het belang van de strafcombinatiebepaling van artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht voor de straftoemetingspraktijk. Het betreft een relatief eenvoudige cassatiegrond, maar de frequentie waarmee deze fout in de rechtspraktijk voorkomt, toont aan dat de wettelijke begrenzing niet altijd voldoende scherp op het netvlies staat van rechters en advocaten bij het bepalen en controleren van de strafmaat. De regel is helder: zodra het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf de grens van zes maanden overschrijdt, is het opleggen van een taakstraf daarnaast uitgesloten. Het gaat daarbij om het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel, niet om de totale gevangenisstraf. Wanneer een gevangenisstraf deels voorwaardelijk wordt opgelegd, is bepalend of het onvoorwaardelijke deel de zesmaandengrens overschrijdt.

Voor de verdediging biedt dit arrest een helder aanknopingspunt. Bij het controleren van de straftoemeting in hoger beroep of cassatie verdient de combinatie van strafmodaliteiten altijd aandacht. Voor de zittende magistratuur geldt dat de wettelijke kaders van artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bij de straftoemeting consequent moeten worden nagelopen, om vernietiging in cassatie en de daarmee gepaard gaande vertraging te voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^