Mensensmokkelaar verliest strijd om ontnemingsvordering: Hoge Raad accepteert ruime uitleg van 'andere strafbare feiten'

Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:422

Het hof 's-Hertogenbosch legt een betalingsverplichting op van EUR 215.059 op basis van zowel bewezenverklaarde feiten als andere strafbare feiten waarvan voldoende aanwijzingen bestaan. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de voldoende aanwijzingen mocht baseren op de overeenkomst in modus operandi tussen bewezenverklaarde en niet-bewezenverklaarde mensensmokkel. De klacht dat het hof de aanwijzingen enkel baseert op betalingen door vreemdelingen berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. De redelijke termijn in cassatie is overschreden maar leidt niet tot compensatie in de ontnemingszaak omdat deze in de samenhangende strafzaak wordt beoordeeld.

Achtergrond

Deze zaak draait om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in het kader van een veroordeling wegens mensensmokkel. De betrokkene, een natuurlijk persoon geboren in 1964, is in de samenhangende strafzaak (zaaknummer 23/04841) veroordeeld voor mensensmokkel van vluchtelingen door hen in de uitoefening van een beroep behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. De exacte tenlastegelegde feiten en de daarbij toepasselijke wetsartikelen worden in de uitspraak niet nader gespecificeerd, al volgt uit de context dat het gaat om overtreding van de Vreemdelingenwet in samenhang met het beroepsmatige karakter van de hulpverlening.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 december 2023 (parketnummer 20-001457-20) de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van EUR 215.059 aan de Staat, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft daarbij de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bij niet-betaling bepaald op drie jaren. De in de samenhangende strafzaak opgelegde straf blijkt niet uit de onderhavige ontnemingsuitspraak.

De kern van het geschil betreft de vraag of het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel mocht schatten op basis van niet alleen de bewezenverklaarde feiten, maar ook op grond van zogenoemde "andere strafbare feiten" als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Die bepaling maakt het mogelijk om ook voordeel te ontnemen dat is verkregen door middel van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.

Procesverloop

Het procesverloop in deze zaak kent een opmerkelijke wending tussen eerste aanleg en hoger beroep. De rechtbank oordeelt in eerste aanleg dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde "andere strafbare feiten" overweegt de rechtbank echter dat zij niet kan vaststellen dat sprake is van strafbare feiten in die gevallen en dus ook niet van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank houdt de schatting van het voordeel dus beperkt tot het voordeel uit de bewezenverklaarde feiten.

In hoger beroep komt het hof tot een ruimer oordeel. Het hof oordeelt dat de betrokkene niet alleen door middel van de bewezenverklaarde feiten, maar ook door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof gaat daarmee verder dan de rechtbank en betrekt ook het voordeel uit de niet-bewezenverklaarde feiten bij de schatting. Het openbaar ministerie had in zijn vordering zowel de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld als andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr ten grondslag gelegd aan de ontnemingsvordering.

Cassatiemiddel

Namens de betrokkene stellen de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, een cassatiemiddel voor dat uit meerdere klachten bestaat. De centrale klacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat "voldoende aanwijzingen" bestaan dat de betrokkene "andere strafbare feiten" in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. De stellers van het middel betogen kennelijk dat het hof het bestaan van voldoende aanwijzingen ontoereikend heeft gemotiveerd, althans dat het hof dit oordeel niet zonder meer had mogen baseren op de omstandigheid dat vreemdelingen geldbedragen aan de betrokkene hebben betaald.

Daarnaast bevat het cassatiemiddel verdere klachten over de uitspraak van het hof, die betrekking hebben op de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De precieze inhoud van deze aanvullende klachten wordt in het arrest niet nader uiteengezet.

Beoordeling door de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt de centrale klacht en verwijst daartoe naar de overwegingen in de conclusie van advocaat-generaal P.M. Frielink (onder 3.2 tot en met 3.7). Uit die conclusie volgt dat het hof met "andere strafbare feiten" het oog heeft op mensensmokkel van vreemdelingen met wie de betrokkene eveneens contracten heeft getekend, maar die niet worden genoemd in de bewezenverklaring. Het gaat dus om soortgelijke feiten als de bewezenverklaarde mensensmokkel, maar dan ten aanzien van andere vreemdelingen.

De advocaat-generaal overweegt dat uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof de in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde "voldoende aanwijzingen" heeft aangenomen op de grond dat de modus operandi van de asielaanvragen van die andere vreemdelingen overeenkomt met de modus operandi van de asielaanvragen van de vreemdelingen die wel worden genoemd in de bewezenverklaarde strafbare feiten. Met die laatstgenoemde vreemdelingen had de betrokkene eveneens contracten getekend. Het hof baseert het bestaan van voldoende aanwijzingen dus niet uitsluitend op de omstandigheid dat vreemdelingen geldbedragen aan de betrokkene hebben betaald, maar op de overeenkomst in werkwijze. De klacht berust daarmee op een verkeerde lezing van de uitspraak van het hof en mist feitelijke grondslag, zo concludeert de advocaat-generaal.

Dit oordeel is juridisch relevant omdat het verduidelijkt welke maatstaf geldt voor het aannemen van "voldoende aanwijzingen" bij ontnemingsvorderingen op grond van artikel 36e lid 2 Sr. Het hof hoeft niet voor elk afzonderlijk feit zelfstandig bewijs te leveren, maar mag de aanwijzingen baseren op de overeenkomst in modus operandi tussen de bewezenverklaarde feiten en de andere strafbare feiten. De omstandigheid dat de rechtbank in eerste aanleg tot een ander oordeel was gekomen, staat daar niet aan in de weg, nu het hof als feitenrechter een eigen beoordeling maakt.

Ten aanzien van de overige klachten in het cassatiemiddel oordeelt de Hoge Raad dat ook deze niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof kunnen leiden. De Hoge Raad motiveert dit niet nader en past daarbij artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie toe: bij de beoordeling van deze klachten is het niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.

Overschrijding redelijke termijn

De Hoge Raad constateert ambtshalve dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Het cassatieberoep is op 12 december 2023 ingesteld en de Hoge Raad doet uitspraak op 17 maart 2026, zodat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Tot cassatie leidt deze overschrijding echter niet. De Hoge Raad overweegt dat ook in de samenhangende strafzaak (zaaknummer 23/04841) de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. In die strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daaraan enig ander rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn eerdere arrest van 19 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ3575), waarin deze benadering voor samenhangende zaken reeds is aanvaard.

Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^