Aanvullende vragen aan Duitsland over rechterlijke toetsing van een door een gedelegeerd Europese aanklager uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel na de feitelijke overlevering

Rechtbank Amsterdam 9 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9509

De rechtbank Amsterdam doet een tussenuitspraak over een Europees aanhoudingsbevel uit Duitsland dat strekt tot vervolging van een opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit. Het bevel is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie in München. De raadslieden voeren aan dat in Duitsland na de feitelijke overlevering geen rechter het bevel kan toetsen en bepleiten niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De officier van justitie acht de rechtsbescherming toereikend en stelt dat de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank kan uit de Duitse informatie niet vaststellen dat zo'n rechterlijke toetsing mogelijk is, omdat de aangehaalde uitspraak uit München een door een rechter uitgevaardigd bevel betreft. Zij heropent en schorst het onderzoek, laat twee aanvullende vragen stellen en verlengt de beslistermijn met 60 dagen.

Inleiding en context

De internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam behandelt in eerste en enige aanleg een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat op 20 oktober 2025 is uitgevaardigd door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie, Centrum München. Het EAB strekt tot aanhouding en overlevering van een natuurlijk persoon, geboren in 1999, met de Nederlandse nationaliteit. Volgens de inhoudsindicatie gaat het om een vervolgings-EAB. De vordering van de officier van justitie dateert van 31 oktober 2025.

In dezelfde zaak zijn tussenuitspraken gedaan op 14 januari, 18 maart, 13 mei en 15 juli 2026. Bij de laatste heropent en schorst de rechtbank het onderzoek, zodat partijen zich kunnen uitlaten over de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juli 2026, C-446/26 PPU (Blerens), ECLI:EU:C:2026:551. De behandeling wordt in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 26 augustus 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Een tenlastelegging is er in deze procedure niet. Voor welke feiten de overlevering wordt verzocht, vermeldt deze tussenuitspraak niet. Over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid, de strafbaarheid, de garantie van artikel 6, eerste lid, OLW en de Duitse detentieomstandigheden (artikel 11 OLW) is op 14 januari 2026 geoordeeld, over de weigeringsgronden van artikel 9, eerste lid, onder a, en artikel 13 OLW op 18 maart 2026.

Voor ligt de vraag of sprake is van effectieve rechterlijke bescherming. De officier van justitie legt op 23 juli 2026 drie vragen voor aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, onder verwijzing naar HvJ EU 13 januari 2021, C-414/20 PPU (MM), ECLI:EU:C:2021:4, punten 72 en 73. De autoriteit antwoordt op 5 augustus 2026 dat volgens een uitspraak van de rechtbank München I van 28 juli 2026 beroep openstaat tegen een door de aanklager uitgevaardigd EAB, dat de verdachte een beroep tegen de voorlopige hechtenis en tegen het EAB kan combineren en dat het EAB zijn geldigheid verliest wanneer de rechter de voorlopige hechtenis onrechtmatig acht of schorst. Zij voegt toe dat het EAB na de overlevering ongeldig is, omdat het zijn doel heeft vervuld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat de overlevering kan worden toegestaan. De beschikking in de zaak Blerens verandert het eerder ingenomen standpunt niet. Uit de zaak MM volgt volgens de officier van justitie niet dat een beroep in rechte uitsluitend een zuiver beroep tegen de uitvaardiging van het EAB kan zijn. Voldoende is dat de voorwaarden en de evenredigheid van het EAB aan rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen, ook wanneer de regelmatigheid van de uitvaardiging incidenteel aan de orde komt bij de betwisting van de voorlopige hechtenis. Duitsland biedt rechterlijke bescherming op twee niveaus, ten aanzien van het nationale aanhoudingsbevel en het EAB. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden bepleiten primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vordering wegens het ontbreken van effectieve rechterlijke bescherming. Subsidiair verzoeken zij prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Uit de Duitse antwoorden blijkt volgens hen niet dat het EAB na de feitelijke overlevering afzonderlijk kan worden getoetst. Een klacht over het EAB kan worden meegenomen bij een klacht over de voorlopige hechtenis, maar dat is geen afzonderlijke beoordeling. Het EAB vervalt bovendien met het nationale aanhoudingsbevel en verliest zijn geldigheid na de overlevering.

De uitspraak van de rechtbank München van 28 juli 2026, waarin een EAB is getoetst op grond van artikel 304 StPO, betreft volgens de raadslieden een andere situatie: dat EAB lijkt te zijn uitgevaardigd door een rechtbank. Zij wijzen op een Duits wetgevingstraject waarin wordt voorgesteld de artikelen 304 en 310 StPO van overeenkomstige toepassing te verklaren op de uitvaardiging van een EAB (§ 173 Abs. 3 IRG-E). Dat voorstel zou overbodig zijn als artikel 304 StPO al gold voor beslissingen van een aanklager.

Mocht een toetsing wel mogelijk zijn, dan is die volgens de raadslieden inhoudelijk ontoereikend. Achteraf wordt alleen beoordeeld of voldoende opsporingsbelang bestond, zonder daadwerkelijke belangenafweging over de proportionaliteit.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bevestigd dat een door een gedelegeerd Europese aanklager uitgevaardigd EAB na de feitelijke overlevering in Duitsland kan worden getoetst, met verwijzing naar de uitspraak uit München. Uit een door de verdediging overgelegde uitspraak van het Italiaanse Hof van Cassatie van 18 juni 2026 blijkt echter dat het in München getoetste EAB door een rechter is uitgevaardigd. Op grond van de verstrekte informatie kan de rechtbank daarom niet vaststellen dat een rechter in Duitsland een door een gedelegeerd Europese aanklager uitgevaardigd EAB na de feitelijke overlevering kan toetsen. Een definitief oordeel over de effectieve rechterlijke bescherming kan zij nog niet geven. Een beslissing op het niet-ontvankelijkheidsverweer en op het verzoek om prejudiciële vragen bevat de tussenuitspraak niet.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie twee vragen voor te leggen. De eerste is uit welke wetsbepaling of jurisprudentie blijkt dat de overgeleverde persoon de voorwaarden voor de uitvaardiging van een dergelijk EAB, met name de evenredigheid, door een rechter kan laten toetsen, nu artikel 304 StPO alleen op beslissingen van rechters ziet. De tweede is of die toetsing ongeclausuleerd is, in die zin dat ook na de feitelijke overlevering een gerechtvaardigd belang daarbij wordt aangenomen. De rechtbank verwijst daarbij naar overweging 9 van de uitspraak uit München.

Zij heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd. Omdat sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen tot 15 november 2026, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zaak wordt uiterlijk op 1 november 2026 opnieuw op zitting gepland. Tegen de uitspraak staat ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW geen gewoon rechtsmiddel open.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^