Veroordeling conform procesafspraken voor medeplegen van oplichting van klanten van een vliegtuigmaatschappij

Rechtbank Noord-Holland 1 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13205

De rechtbank Noord-Holland veroordeelt een verdachte voor medeplegen van oplichting van klanten van een vliegtuigmaatschappij en voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De verdachte en zijn mededaders sturen klanten bij wie de betaling van een geboekte vlucht nog niet is gelukt uit naam van de maatschappij een betaallink naar bankrekeningen van derden. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben procesafspraken gemaakt over de bewezenverklaring, de straf en de vordering van de vliegtuigmaatschappij. De rechtbank toetst die afspraken aan de eisen van een eerlijk proces en legt een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 180 uur. De vordering van de vliegtuigmaatschappij wijst zij toe voor een derde deel van de schade, € 2.579,67, zonder hoofdelijke betalingsverplichting. Volgens de rechtbank worden de belangen van de benadeelde partij daarmee net voldoende geëerbiedigd.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon. Zijn geboortedatum is in de gepubliceerde uitspraak geanonimiseerd; de rechtbank omschrijft hem als nog relatief jong. Hij heeft zijn opleiding tot sociaal werker bijna voltooid en loopt stage. De zaak dient in eerste aanleg voor de meervoudige strafkamer, zittingsplaats Alkmaar, en wordt afgedaan met een verkort vonnis.

In april 2023 benadert de verdachte samen met anderen via e-mail en WhatsApp klanten van een vliegtuigmaatschappij die kort daarvoor een vlucht hebben geboekt en bij wie de betaling nog niet is gelukt. Zij krijgen een nieuwe online betaallink toegestuurd. In de veronderstelling dat zij contact hebben met een medewerker van de maatschappij maken verschillende klanten geld over, dat op bankrekeningen van derden terechtkomt. De vliegtuigmaatschappij stelt deze klanten schadeloos. Op 25 juli 2023 worden in de slaapkamer van de verdachte een vuurwapen en munitie aangetroffen. De voorlopige hechtenis is op 6 september 2023 geschorst; sindsdien staat de verdachte onder toezicht van de reclassering.

Op 9 januari 2026 sluiten de verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst met procesafspraken. De verdediging dient geen onderzoekswensen in en voert geen bewijsverweren. Partijen stellen geen hoger beroep in als de rechtbank conform de overeenkomst beslist. De zaak wordt behandeld op de zitting van 18 augustus 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 14 tot en met 18 april 2023 te Diemen en/of Schiphol samen met anderen de vliegtuigmaatschappij en acht bij naam genoemde klanten heeft opgelicht, door uit naam van de maatschappij e-mails, betaalverzoeken en berichten te versturen met het verzoek geld over te maken op bankrekeningen die niet aan de maatschappij toebehoren (feit 1, artikel 326 Sr in verbinding met artikel 47 Sr). De feiten 2 en 3 betreffen het voorhanden hebben op 25 juli 2023 te Diemen van een vuurwapen van categorie III, een pistool van het merk Glock, en van vier getransformeerde kogelpatronen van het kaliber 7,65 Br. (artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie rekwireert onder verwijzing naar de procesafspraken tot bewezenverklaring van de drie feiten. De eis luidt een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 180 uur. Zonder procesafspraken zou een taakstraf van 240 uur zijn gevorderd.

De vordering van de vliegtuigmaatschappij acht het Openbaar Ministerie toewijsbaar tot € 7.739, te verdelen over de drie bij de oplichting betrokken verdachten, ieder voor een derde deel. Een post van € 668 komt volgens het Openbaar Ministerie niet voor toewijzing in aanmerking, omdat deze ziet op een slachtoffer dat geen aangifte heeft gedaan en niet in de tenlastelegging is genoemd. Ten aanzien van twee klanten die zich als benadeelde partij hebben gevoegd, concludeert de officier van justitie tot niet-ontvankelijkheid.

Standpunt van de verdediging

Uit het vonnis blijken geen formele verweren. Bewijsverweren voert de verdediging conform de procesafspraken niet. Een strafmaatverweer blijft eveneens achterwege: de verdediging wil de procesafspraken handhaven en verzoekt de zaak overeenkomstig die afspraken af te doen. Zij verzet zich niet tegen toewijzing van de vordering van de vliegtuigmaatschappij tot € 2.579,67, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Een standpunt van de verdediging over de vorderingen van de twee klanten is in het vonnis niet opgenomen.

Oordeel gerecht

De rechtbank bespreekt de procesafspraken op de zitting met partijen en vraagt op enkele punten een nadere toelichting, waaronder over de vorderingen van de benadeelde partijen. De verdachte verklaart de afspraken en de gevolgen daarvan te begrijpen, de overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en deze te willen nakomen. De rechtbank concludeert dat hij vrijwillig en op basis van voldoende en duidelijke informatie ondubbelzinnig heeft besloten mee te werken, en dat hij zich bewust is van de rechtsgevolgen en van de afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is voldaan aan de eisen van artikel 6 EVRM. De afspraken over de bewezenverklaring passen bij de verdenking en de strafeis is voldoende in lijn met straffen in vergelijkbare zaken. De rechtbank weegt mee dat de afspraken tot een snellere afdoening leiden, waarmee ook de belangen van de benadeelde partijen zijn gediend.

Onder verwijzing naar HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, stelt de rechtbank voorop dat zij geen partij is bij de procesafspraken en daaraan niet is gebonden. Zij beantwoordt de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv zelfstandig. De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. De drie feiten acht de rechtbank bewezen op grond van de bewijsmiddelen, die zij alleen uitwerkt als de wet een aanvulling van het verkort vonnis vereist.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • Feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, in de periode van 14 tot en met 18 april 2023 te Diemen en/of Schiphol, ten aanzien van de vliegtuigmaatschappij en verschillende van haar klanten.

  • Feit 2: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, op 25 juli 2023 te Diemen.

  • Feit 3: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie door het voorhanden hebben van vier getransformeerde kogelpatronen van categorie III, op 25 juli 2023 te Diemen.

Van wat meer of anders is tenlastegelegd, spreekt de rechtbank de verdachte vrij.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 120 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Het onvoorwaardelijke deel is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast legt zij een taakstraf op van 180 uur, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis. De straf is gelijk aan de eis.

De rechtbank rekent de feiten zwaar aan. De verdachte heeft op gewiekste wijze het vertrouwen van klanten geschaad en de vliegtuigmaatschappij financiële schade toegebracht, en hij heeft geen inzicht gegeven in zijn motieven. Ongecontroleerd wapenbezit brengt een onaanvaardbaar veiligheidsrisico mee. Het strafblad van 6 juli 2026 vermeldt geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke delicten en weegt niet in zijn nadeel mee. De rechtbank betrekt de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude en voor vuurwapen- en munitiebezit. Uit die voor vuurwapenbezit volgt een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is overeengekomen. De rechtbank sluit toch aan bij de procesafspraken, omdat de feiten ruim drie jaar oud zijn en het reclasseringstoezicht sinds 6 september 2023 zonder bijzonderheden is verlopen.

De vliegtuigmaatschappij vordert € 8.407 aan materiële schade, bestaande uit acht bedragen die zij aan klanten heeft vergoed. De post van € 668 is niet toewijsbaar: de rechtbank kan dit bedrag niet koppelen aan een van de aangiftes. Voor het resterende bedrag van € 7.739 bestaat voldoende rechtstreeks verband met de oplichting. De rechtbank vraagt partijen op de zitting waarom geen hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag is overeengekomen. De beperking tot een derde deel blijkt voor de verdachte een belangrijke reden te zijn geweest om met de procesafspraken in te stemmen. De zaken van de twee medeverdachten staan op relatief korte termijn gepland bij de politierechter, waar het Openbaar Ministerie volgens de rechtbank hetzelfde standpunt wil innemen. Mede gelet op het proceseconomische belang oordeelt de rechtbank dat de overeenkomst ook op dit punt recht doet aan de zaak en dat de belangen van de benadeelde partij "(net) voldoende" worden geëerbiedigd. Zij wijst € 2.579,67 toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2023, en legt voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel op, met gijzeling van maximaal 25 dagen.

Twee klanten zijn niet-ontvankelijk in hun vordering. De eerste vordert € 6.478, waarvan € 3.750 smartengeld. Het bedrag van € 750 dat hij via een betaalverzoek heeft overgemaakt, is door de vliegtuigmaatschappij vergoed; de overige materiële posten staan in een te ver verwijderd verband met de oplichting. Het smartengeld toetst de rechtbank aan artikel 6:106 sub b BW. Geestelijk letsel is niet met gegevens onderbouwd en een aantasting in de persoon op andere wijze kan de rechtbank niet vaststellen. Nadere onderbouwing zou de strafprocedure te zwaar belasten. De schade van de tweede klant, € 648, is eveneens door de maatschappij vergoed. De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^