Hoge Raad past regels over stellen en betwisten toe op de drie categorieën van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze

Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822

De Hoge Raad doet uitspraak in een zaak over medeplegen van een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld, gericht op het horloge van een slachtoffer dat op klaarlichte dag is beschoten en met een vuurwapen op het hoofd is geslagen. Het gerechtshof Amsterdam wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade toe tot € 2.000 en legt daarbij een schadevergoedingsmaatregel op. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het hof die toewijzing ontoereikend heeft gemotiveerd, mede omdat de vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist. De Hoge Raad herhaalt het kader uit zijn arrest van 28 mei 2019 over aantasting in de persoon op andere wijze en werkt de regels over stellen en betwisten uit voor de drie categorieën van gevallen. Omdat uit de overwegingen van het hof niet blijkt op welke grond van artikel 6:106 BW en op welke vastgestelde omstandigheden de toewijzing berust, kan dat oordeel en daarmee ook de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak op deze punten en wat betreft de strafduur wegens overschrijding van de redelijke termijn, en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Raad van de EU keurt herziene richtlijn slachtofferrechten definitief goed

Op 8 juni 2026 gaf de Raad van de Europese Unie, Council of the European Union, de definitieve goedkeuring aan de herziene richtlijn slachtofferrechten, de Victims' Rights Directive. Daarmee is de gewone wetgevingsprocedure afgerond. De richtlijn wijzigt Richtlijn 2012/29/EU, die in 2012 minimumnormen vastlegde voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en het eerdere Kaderbesluit 2001/220/JBZ verving. De herziening volgt op een evaluatie door de Europese Commissie uit 2022, waarin tekortkomingen werden vastgesteld bij de toegang tot informatie, de toegang tot ondersteuning en de bescherming op maat van individuele slachtoffers. De Raad stelt dat de geactualiseerde regels betrekking hebben op alle slachtoffers van alle strafbare feiten.

Read More
, , ,
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Schadevergoeding als publieke genoegdoening

De schadevergoedingsmaatregel is een niet meer weg te denken onderdeel van de Nederlandse strafprocedure. Deze maatregel, neergelegd in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (Sr), kan door de strafrechter worden opgelegd aan de veroordeelde en betreft de verplichting tot betaling van een geldsom aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer of de benadeelde partij. De populariteit van deze maatregel illustreert het feit dat slachtoffers van strafbare feiten binnen de kaders van het strafproces in de afgelopen decennia steeds meer gezien en gehoord worden. Terwijl bij het slachtofferspreekrecht de nadruk ligt op het immateriële belang van slachtoffers om in de rechtszaal te worden gehoord, faciliteert de schadevergoedingsmaatregel het schadeverhaal op de veroordeelde dader, waarbij civielrechtelijke hindernissen ten behoeve van het slachtoffer zijn weggenomen. Daarbij geldt dat in het bijzonder de inning, de kosten daarvan en, via de aan de maatregel verbonden voorschot­regeling, de risico’s van een insolvabele schuldenaar geheel (of grotendeels) zijn overgenomen door de Staat. Voorts geldt dat de schuld die voortvloeit uit de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden gegratieerd of kwijtgescholden, ook niet in het kader van een schuldsaneringstraject.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Efficiënte genoegdoening of obstakel?

Het strafproces draait allang niet meer alleen om de berechting van de verdachte. Waar het slachtoffer aanvankelijk lange tijd is genegeerd als volwaardig procesdeelnemer en geen proces­positie toebedeeld had gekregen in de wettelijke regeling of de zittingszaal, is in de afgelopen decennia intensief vorm en inhoud gegeven aan diens strafvorderlijke emancipatie. Dit heeft ertoe geleid dat het slachtoffer weliswaar meer bescherming krijgt in het strafproces en meer gelegenheid heeft van zich te laten horen om de loop en uitkomst van het strafproces te beïnvloeden, maar ook dat het strafproces als zodanig niet eenvoudiger of doelmatiger is geworden en zelfs niet altijd soelaas biedt voor de genoegdoening en schadecompensatie aan het slachtoffer. Er zijn veel praktische obstakels die de ­effectuering van slachtofferrechten in het strafproces bemoeilijken en voor alle procesdeelnemers – rechter, officier van justitie, verdediging én slachtoffer – nadelige gevolgen met zich brengen. Wellicht dat dit voortvloeit uit een onmatigheid in het denken over slachtofferemancipatie: nog voordat nieuwe voorzieningen ten behoeve van het slachtoffer hun beslag hebben ge­kregen, worden andere gecreëerd om die positie nog verder te verbeteren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Collectieve actie voor personenschade van benadeelde partijen in het strafproces?

In deze bijdrage richt ik mij op de positie van een stichting of vereniging die op grond van artikel 3:305a BW (hierna: 305a-organisatie) ten behoeve van partijen die benadeeld zijn door de verdachte (hierna: benadeelde(n) of slachtoffer(s)) hun schadevergoeding vordert bij de strafrechter. Met de ­inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA)-regeling per 1 januari 2020 kunnen 305a-organisaties (verenigingen en stichtingen) collectieve schadevergoedingsvorderingen instellen bij de rechter. Het verbod op het instellen van een rechtsvordering tot schade­vergoeding in geld (art. 3:305a lid 3 (oud) BW) is hiermee vervallen. In de meeste gevallen wordt deze collectieve schade­vergoedings­vordering ingesteld bij de burgerlijke rechter. Echter, benadeelden die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit kunnen zich met hun civiele schade­vergoedingsvordering voegen in het strafproces. Deze benadeelden zijn alleen ontvankelijk in hun vordering als de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd en de schade rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.Daarnaast kan de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Slachtoffer en benadeelde partij in 7 mei 2026 Tweede aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering : financiële uitkering, zelfstandig hoger beroep en zes versterkingen

In de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering krijgt het slachtoffer en de benadeelde partij in zes onderdelen een verdere versterking van de positie binnen het strafproces. Voor de bijzonder-strafrechtspraktijk zijn met name de uitwerking van het zelfstandig hoger beroep van de benadeelde partij in de artikelen 5.4.36a tot en met 5.4.36d en de geheel nieuwe regeling van een financiële uitkering wegens niet-naleving van wettelijke voorschriften jegens het slachtoffer in Hoofdstuk 7 van Boek 6 relevant.

Read More
, , ,
Print Friendly and PDF ^

Vergoeding van misdrijfschade: naar een trauma-geïnformeerde aanpak

De mogelijkheden voor slachtoffers en nabestaanden van criminaliteit om misdrijfschade geheel of gedeeltelijk vergoed te krijgen, zijn de afgelopen decennia fors uitgebreid. Allereerst is het door de inwerkingtreding van de Wet Terwee halverwege de jaren negentig voor hen aantrekkelijker geworden om zich in het strafproces te voegen als benadeelde partij; de hoogte van het bedrag waarvoor zij schadevergoeding kunnen vorderen, is sindsdien niet meer tot een maximum beperkt. Dit betekent dat ook vorderingen van hoge schadebedragen aan de strafrechter kunnen worden voorgelegd. Daarnaast heeft de wet ook de voorwaarden waaronder slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven een financiële tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven kunnen krijgen voor psychisch letsel versoepeld; het vereiste dat dit letsel het gevolg moest zijn van door het misdrijf veroorzaakt fysiek letsel kwam te vervallen. Ten slotte heeft ook de inwerkingtreding van de Wet vergoeding affectieschade in 2019 de mogelijkheden tot het verkrijgen van een schadevergoeding via het strafproces en een tegemoetkoming uit het genoemde schadefonds vergroot. Dit soort schade kwam daarvoor immers niet voor zo’n vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking. Met name voor de nabestaanden van door een misdrijf overleden slachtoffers is deze wetswijziging erg belangrijk geweest. Hoewel geld nooit het verdriet en de pijn kan wegnemen die met het verlies van een dierbare gepaard gaan, kan het voor hen wel voelen als een bron van erkenning.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Het nemo tenetur-beginsel en het dilemma van de gedaagde verdachte

Hoewel het zijn van verdachte in zijn algemeenheid al nicht unkompliziert is, krijgen sommige verdachten te maken met aanvullende juridische procedures die hun positie er niet bepaald eenvoudiger op kunnen maken. De casus die ten grondslag lag aan het in deze bijdrage te bespreken arrest van de Hoge Raad illustreert dat. Het arrest draait om een verdachte die niet alleen strafrechtelijk vervolgd wordt, maar tegelijkertijd in een civiele procedure is betrokken door het (beweerdelijke) slachtoffer van het feit waar de strafrechtelijke vervolging op ziet. Deze ‘gedaagde verdachte’ krijgt een aanvullend dilemma voor de kiezen: voert hij verweer in de civiele procedure, dan kan alles wat hij aanvoert tegen hem worden gebruikt in zijn strafzaak, terwijl hij in die strafzaak nu juist gebruik kan maken van zijn recht om te zwijgen (art. 29 Wetboek van ­Strafvordering; Sv). Voert hij daarentegen geen (of onvoldoende) verweer in de civiele zaak, dan moeten de vorderingen van het slachtoffer in principe worden toegewezen (art. 149 Rv).

Read More
Print Friendly and PDF ^

Civielrechtelijke groepsaansprakelijkheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan collectieven: een appel en een peer naast elkaar gelegd

Artikel 6:166 lid 1 BW biedt de civielrechtelijke grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid van groepsdeelnemers als in groepsverband onrechtmatige schade is toegebracht. In verschillende zaken, zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk, waarin sprake is van twee of meer veroordeelden wordt die hoofdelijke aansprakelijkheid betwist. Een voorbeeld biedt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 april 2025. De daders betwisten dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, omdat zij niet zijn veroordeeld voor openlijk geweld maar voor mishandeling en zij daarom ieder voor zich alleen aansprakelijk zijn voor het zelf toegebrachte letsel. Het hof verwerpt dit standpunt en komt tot het oordeel dat beide daders op grond van artikel 6:166 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die in groepsverband is toegebracht. Deze hoofdelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid heeft vergaande consequenties voor een groepsdeelnemer, namelijk de individuele verplichting om (in beginsel) volledige schade­vergoeding te bieden aan de benadeelde. Deze vorm van ‘collectieve aansprakelijkheid’ (in het civiele recht ook wel groeps­aansprakelijkheid genoemd), inclusief een remedie die voor alle groepsdeelnemers hetzelfde is, komt in zijn zuiverste vorm niet voor in het strafrecht. Wel kent het strafrecht een ruime deelnemingsregeling en delictsbepalingen die zien op bij­dragen aan collectieven, zoals openlijke geweldpleging en deel­name aan een criminele organisatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onbegrijpelijke aanvangsdatum wettelijke rente

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:688

De Hoge Raad oordeelt dat het hof Arnhem-Leeuwarden de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade van EUR 5.518,95 in een doodslag- en diefstalzaak onbegrijpelijk heeft vastgesteld op 31 maart 2020, terwijl de bewezenverklaarde diefstalperiode pas op 27 april 2020 aanvangt. De Hoge Raad bevestigt dat wettelijke rente op grond van artikel 6:83 onder b BW zonder ingebrekestelling verschuldigd is vanaf het moment waarop de schade door de onrechtmatige daad is ingetreden, met verwijzing naar HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 21 oktober 2020, de laatste dag van de pleegperiode. Het tweede cassatiemiddel wordt afgedaan met artikel 81 lid 1 RO. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de gevangenisstraf van twaalf jaren ambtshalve verminderd tot elf jaren en elf maanden, terwijl de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in stand blijft.

Read More
Print Friendly and PDF ^