'Geiten in de regen en ander dierenleed'

Artikel 2.2 lid 8 Wet dieren bepaalt dat een dier niet de nodige zorg mag worden onthouden. Overtreding van deze norm kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. De ‘nodige zorg’ is echter een breed en vaag begrip. In het artikel wordt getracht aan dat begrip nader invulling te geven. Hoe kan nu worden vastgesteld of al dan niet de nodige zorg verleend is. Daartoe worden in de eerste plaats de wetssystematiek en wetsgeschiedenis besproken. Nu artikel 2.2 lid 8 Wet dieren een welzijnsbepaling is, wordt ook het welzijnsbegrip nader ingevuld. Vervolgens wordt het ‘nodige zorg’ begrip besproken aan de hand van jurisprudentie. Geconcludeerd wordt dat de vraag of de nodige zorg is verleend, in sterke mate wordt beantwoord aan de hand van het welzijn van het dier. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt verdachte ter zake overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren tot meerdere geldboetes

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3242 Het hof heeft overwogen een gedeelte van de dagvaarding nietig te verklaren. De steller van de tenlastelegging heeft er immers voor gekozen in de tenlastelegging meermalen te volstaan met opname van de zinsnede ‘een hoeveelheid schapen’ en/of ‘een hoeveelheid geiten’. Niet is aangegeven op welk specifiek schaap en/of geit de verdachte verweten gedraging betrekking heeft. De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven zich op deze onderdelen van de tenlastelegging niet te kunnen verweren.

Het hof is niettegenstaande het vorenstaande van oordeel dat de dagvaarding in overeenstemming is met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat de tenlastelegging bezien in samenhang met het dossier voldoende begrijpelijk is, waardoor verdachte kan begrijpen welke strafbare gedragingen hem worden verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Bovendien heeft de raadsman geen beroep op nietigheid van de dagvaarding gedaan maar de onduidelijkheden die voor omschreven wijze van ten laste leggen met zich brengen betrokken in een bewijsverweer.

Tot slot heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat ten aanzien van de feiten 2 en 3 de artikel 47 van de Wet op de economische delicten de mogelijkheid van een verkorte aanduiding van het tenlastegelegde feit biedt.

De wijze waarop de steller van de tenlastelegging deze vorm heeft gegeven, heeft naar het oordeel van het hof wel consequenties voor de bewijs- en kwalificatiebeslissing. Uit het dossier valt immers niet (eenvoudig) af te leiden hoeveel schapen en/of geiten wordt bedoeld met ‘een hoeveelheid’, zodat het in de voorkomende gevallen - gelet op artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht - onmogelijk is om met de voor een veroordeling en strafoplegging vereiste zekerheid vast te stellen hoeveel malen de overtreding is begaan. Het hof zal daarom - ten voordele van verdachte - voor zover het hof komt tot een bewezenverklaring van ‘een hoeveelheid’ hieronder telkens verstaan één schaap dan wel één geit.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt dat de verklaringen van dierenartsen dierenarts 1, dierenarts 2 en dierenarts 3, welke verklaringen, anders dan door de raadsman is betoogd, hebben te gelden als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4 en 5 van het Wetboek van Strafvordering, elkaar ondersteunen en overigens worden ondersteund door de verklaring(en) van verdachte zelf en/of het proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) inhoudende de waarnemingen van buitengewoon opsporingsambtenaren verbalisant 1 en verbalisant 2 en/of het proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent verbalisant 3.

In het bijzonder overweegt het hof nog het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 (tweede gedachtestreepje) tenlastegelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat magerheid een eigenschap is van sommige schapenrassen en, zo begrijpt het hof, dat als er al magere schapen zijn aangetroffen dat niet is te wijten aan een ontoereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer.

Het hof acht dit laatste niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de magerheid voorkomt uit gebrek aan een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder. Daarbij wijst het hof op de erbarmelijke gezondheidstoestand van de betreffende schapen en de in de veterinaire verklaring van dierenarts dierenarts 1 vermelde oorzaken van de vermagering.

Ten aanzien van het onder 2 (eerste gedachtestreepje) tenlastegelegde

De raadsman heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, bepleit dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken aangezien de aanwezige ambtenaren kennelijk de lichtschakelaar niet hebben kunnen vinden.

Uit de veterinaire verklaring van dierenarts 1 in samenhang met de waarneming van verbalisant verbalisant 1 zoals is neergelegd in het proces-verbaal van de NVWA volgt naar het oordeel van het hof dat er lampen kapot waren waardoor er niet voldoende verlichting voor een grondige controle van een dier op elk willekeurig tijdstip aanwezig was.

Ten aanzien van het onder 2 (tweede gedachtestreepje) tenlastegelegde

De raadsman heeft bepleit dat verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken aangezien in onvoldoende mate is geconcretiseerd waar de scherpe randen zich bevonden en op welke wijze deze randen zich manifesteerden. Voorts zijn op de foto’s ook geen scherpe randen te ontwaren. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:11804).

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat op sommige plekken op het erf en in een stal materialen/voorwerpen aanwezig waren waar scherpe randen aan zaten. De materialen/voorwerpen zijn in het proces-verbaal van de NVWA nader omschreven. Dat de scherpe randen die aan deze materialen zaten niet precies zijn gespecificeerd of op de bijgevoegde foto’s zijn te zien, maakt dit niet anders.

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair (tweede gedachtestreepje) tenlastegelegde

De stelling van verdachte, inhoudende dat hij de schurftachtige aandoening van de schapen en geiten adequaat heeft behandeld, deelt het hof niet. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers het tegendeel. In het bijzonder wijst het hof op de veterinaire verklaring van dierenarts 1 waaruit volgt dat de op schurft lijkende huidaandoeningen dermate ernstig waren dat er vanuit kan worden gegaan dat een adequate behandeling heeft ontbroken. Ook waren de meeste schapen niet geschoren, wat als onderdeel van een adequate behandeling wel had dienen te gebeuren. Dat op het bedrijf van verdachte diergeneesmiddelen zijn aangetroffen waarvan verdachte heeft verklaard die ook te hebben gebruikt tegen de schurft, betekent niet dat verdachte die aandoening goed zou hebben behandeld, zoals door de verdediging is bepleit.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd
  • Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd
  • Feit 3: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
  • Feit 4 subsidiair: Overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte:

  • Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde (eerste gedachtestreepje): tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde (tweede gedachtestreepje): tot een een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde (eerste gedachtestreepje): tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde (tweede gedachtestreepje): tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde: tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder in de zaak met parketnummer 81-276639-14 onder 4 subsidiair bewezen verklaarde: tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Daarnaast bepaalt het hof dat € 5.000 niet ten uitvoer zal worden gelegd met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de economische politierechter te Midden-Nederland van 13 maart 2014, parketnummer 81-225790-13, te weten van: een geldboete van € 700.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG m.b.t. illegale overbrenging. Hof zou ten onrechte als beoordelingskader gekozen voor de Kaderrichtlijn afvalstoffen i.p.v. Verordening dierlijke bijproducten.

Hoge Raad 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:687 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur wegens het telkens opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd (feit 1-3) en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gesteld verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (feit 4).

Middel

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte als beoordelingskader heeft gekozen voor Richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008 (Kaderrichtlijn afvalstoffen), in plaats van de Verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 (Verordening dierlijke bijproducten).

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

5.4. Het hof heeft blijkens bewijsmiddel 3 vastgesteld dat het materiaal dat het bedrijf van verdachte vervoerde uit het afvalwater van D wordt gewonnen. Deze materie voldoet niet aan de omschrijving van dierlijke bijproducten in artikel 3 onder 1 van Verordening 1069/2009. De vervoerde materie is immers verkregen uit afvalwater. Ik zie evenmin hoe deze materie kan worden gelijkgesteld met producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten, zoals artikel 3 onder 2 van deze Verordening de zogenaamde afgeleide producten definieert. Dat ligt ook besloten in de overwegingen van het hof, waarin het hof verwijst naar het ontstaan van het zuiveringsslib. Uit de overwegingen van het hof wordt duidelijk dat het hof ook Verordening 1069/2009 in ogenschouw heeft genomen en daarbij tot de conclusie is gekomen dat deze Verordening niet van toepassing is op het zuiveringsslib omdat die materie niet onder de omschrijvingen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten van deze Verordening is te begrijpen. Centrifuge- of separatorslib ontstaat bij het standaardiseren van melkproducten teneinde het vetgehalte van melk op een bepaalde waarde te krijgen. Dat is dus wél een resultaat van een behandeling van een product van dierlijke oorsprong. Het genereren van afvalwater kan bezwaarlijk daarmee worden gelijkgesteld, zelfs al zou dat afvalwater ook organische materie bevatten.

Het hof heeft dus niet aan de hand van de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen vastgesteld dat er geen sprake is van dierlijke bijproducten, maar de vervoerde materie wel degelijk langs de meetlat van Verordening 1069/2009 gehouden. Het heeft niet de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen gebruikt om aan deze materie de hoedanigheid van dierlijke bijproducten te ontzeggen, maar om vast te stellen dat wat geen dierlijk bijproduct bleek te zijn wel voldeed aan de omschrijving van afvalstoffen. Dat het hof, zoals de steller van het middel beweert, niet getoetst heeft aan de criteria van Verordening 1069/2009 geeft blijk van een onjuiste lezing van de overwegingen in het arrest. Wellicht is de steller van het middel op het onjuiste spoor gezet door de volgorde waarin het hof de toetsing heeft voltrokken. Het hof heeft eerst de afvalstoffenwetgeving in zijn beschouwingen betrokken en daarna de wetgeving inzake de dierlijke bijproducten. Maar dat neemt niet weg dat het hof heeft geconstateerd dat de vervoerde materie niet voldoet aan de omschrijving die in Verordening 1069/2009 van dierlijke bijproducten worden gegeven. Artikel 10 onder f en g van deze Verordening zijn irrelevant omdat de vervoerde materie naar de vaststelling van het hof nu eenmaal geen dierlijke bijproduct of een daarvan afgeleid product was.

En § 57 van de considerans voor Verordening 1019/2009 biedt mijns inziens ook al geen steun aan het uitgangspunt van de steller van het middel. Daarin is immers het volgende opgetekend:

"Met het oog op de samenhang van de communautaire wetgeving moet het verband tussen de voorschriften van deze verordening en de communautaire afvalstoffenwetgeving worden verduidelijkt. Met name moet worden gezorgd voor samenhang met het verbod op de uitvoer van afvalstoffen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (4). Om eventuele negatieve milieueffecten te voorkomen, moet de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn om te worden verbrand of gestort, worden verboden. De uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten moet ook worden voorkomen, als de bedoeling is dat zij worden gebruikt in een biogas- of composteerinstallatie in derde landen die geen lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn, om eventuele negatieve milieueffecten en risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid te voorkomen. Bij de toepassing van de afwijkingen van het uitvoerverbod moet de Commissie in haar beschikkingen ten volle rekening houden met het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, namens de Gemeenschap gesloten bij Besluit 93/98/EEG van de Raad (5), en de wijzigingen daarvan die zijn vastgesteld in Besluit III/1 van de Conferentie der partijen, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit 97/640/EG (6) van de Raad en ten uitvoer gelegd door Verordening (EG) nr. 1013/2006.

(4) PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1. (AM: de zgn. EVOA.)

(5) PB L 39 van 16.2.1993, blz. 1.

(6) PB L 272 van 4.10.1997, blz. 45."

De steller van het middel ziet er in zijn verwijzing naar deze § 57 aan voorbij dat het begrip 'uitvoer' niet ziet op enig intracommunautair vervoer maar op verplaatsing vanuit de Gemeenschap naar een derde land.7 Nu het in de onderhavige zaak gaat om vervoer van Nederland naar Duitsland zijn aan § 57 van de considerans geen argumenten te ontlenen voor de beoordeling van zulk vervoer.

De conclusies die de steller van het middel trekt uit de overwegingen 40 en 44 van de considerans voor Verordening 1069/2009 zien over het hoofd dat die overwegingen betrekking hebben op dierlijke bijproducten en afgeleide producten, als hoedanig de vervoerde materie volgens het hof nou eenmaal niet was te kwalificeren.

5.5. Subsidiair ga ik ervan uit dat de vervoerde materie inderdaad dierlijke bijproducten zijn van categorie 3. De substantie die door het bedrijf van verdachte werd vervoerd naar Duitsland was bestemd voor gebruik in biogasinstallaties. Artikel 2 lid 2 onder b van de Kaderrichtlijn afvalstoffen sluit zulke dierlijke bijproducten inclusief verwerkte producten uitdrukkelijk niet uit van het toepassingsgebied van de Kaderrichtlijn. Áls het materiaal dat het bedrijf van verdachte naar Duitsland overbracht al bestond uit dierlijke bijproducten van categorie 3 volgens Verordening 1774/2002, dan gelden voor deze overbrenging niet de kennisgevingseisen van deze Verordening. De artikelen 10 tot en met 18 van Verordening 1774/2002 vullen de voorwaarden in waaraan voldaan moet zijn willen verschillende soorten bedrijven door de bevoegde autoriteiten worden erkend. Maar deze artikelen hebben geen betrekking op de overbrenging van de ene lidstaat naar de andere. Dat betekent dat het derde lid van artikel 1 EVOA in ieder geval categorie 3-materiaal wel onder EVOA doet vallen. Verordening 1069/2009 heeft de verhouding tot de Kaderrichtlijn afvalstoffen en tot de EVOA niet gewijzigd. Aangenomen dat het materiaal dat het bedrijf van verdachte vervoerde inderdaad bestond uit dierlijke bijproducten en wel uit categorie 3-materiaal volgens de classificatie van Verordening 1069/2009, dan golden de eisen van de EVOA onverkort nog steeds voor het vervoer van de ene lidstaat naar de andere. Dat dit categorie 3-materiaal geen noemenswaardige risico's voor de gezondheid van mens en dier meebrengt wil nog niet zeggen dat het vervoer en de toepassing of verwijdering daarvan geen implicaties heeft voor het milieu. Vandaar dat deze dierlijke bijproducten wel degelijk onder de Europese milieuwetgeving vallen, al was het maar omdat de ene lidstaat de capaciteit van de andere lidstaat om zulk categorie 3-materiaal te ontvangen en te verwerken en de invloed van die overbrenging op de mogelijkheid tot verdringing van de binnenlandse productie van zulk materiaal in de ontvangende lidstaat niet behoorlijk kan overzien.

Het zou ook ongerijmd zijn om toe te staan dat dierlijke bijproducten waarvan de producenten zich willen ontdoen en die geen of nagenoeg geen risico's opleveren voor de gezondheid van mens en dier, zonder enige beperking van de ene lidstaat naar de andere mogen worden overgebracht, terwijl vergelijkbare andere producten waarvan de producent zich wil ontdoen daarom als afvalstof worden aangemerkt en wel onder het regime van de EVOA terechtkomen. Zo een verschil tussen deze andere afvalstoffen en dierlijke bijproducten/afvalstoffen is niet te verdedigen. De wens om het beschermingsniveau dat de verschillende Europese instrumenten bieden niet uiteen te laten lopen spreekt mijns inziens ook uit artikel 60 van Verordening 1013/2006 (EVOA), waarin het volgende is opgenomen:

"1. De Commissie voltooit uiterlijk op 15 juli 2006 haar evaluatie van de samenhang tussen de bestaande sectorale wetgeving inzake de gezondheid van dieren en de volksgezondheid, met inbegrip van de regeling van afvalstoffenoverbrengingen die vallen onder Verordening (EG) nr. 1774/2002, en de bepalingen van deze verordening. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen teneinde een gelijkwaardig niveau van procedures en controleregelingen voor de overbrenging van dergelijke afvalstoffen te bewerkstelligen."

Ik onderschrijf dus de uitkomst waartoe het hof is gekomen.

Het middel faalt.

6.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het gaat om een afvalstof en dat het water wordt behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, zonder in te gaan op het verweer dat niet is vastgesteld waar de mix uit bestaat en welke stoffen uit het productieproces in die mix zijn terecht gekomen. Het productieproces is niet helder geworden en de vervoerde materie is niet onderzocht of bemonsterd.

6.2. Het hof heeft zich voor de beschrijving van de behandeling van het afvalwater gebaseerd op de beschrijving van die behandeling in bewijsmiddel 3. De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het hof heeft kunnen oordelen dat de materie die is vervoerd geen product is van dieren en niet het resultaat is van een behandeling van een product van dierlijke oorsprong, maar een substantie is die is verkregen door een bepaalde behandeling van afvalwater. De vraag die dan rijst is of die materie een afvalstof oplevert en daarvoor is de precieze samenstelling niet van belang, maar enkel het door het hof vastgestelde feit dat D zich daarvan wilde ontdoen.

Het middel faalt.

7. Beide voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8.Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Het omgevingsplan: het ‘Zwitsers zakmes’ in de Omgevingswet'

Dit artikel tracht een een introductie te bieden in het instrumentarium van de nieuwe Omgevingswet, in het bijzonder het omgevingsplan. Er wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden die het plan biedt alsmede de reikwijdte van dit instrument. Het omgevingsplan wordt met de mogelijkheden van het ‘oude’ bestemmingsplan vergeleken alsmede met andere ruimtelijke instrumenten op zowel decentraal als nationaal niveau. In de conclusie wordt aangegeven wat de positie van gemeenten onder de nieuwe Omgevingswet zal zijn. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens onrechtmatig bezit en te koop aanbieden van grote hoeveelheid ivoren beeldjes en een bontjas van bedreigde uitheemse diersoorten

Rechtbank Overijssel 18 april 2015, ECLI:NL:RBOVE:2016:1323 Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak bedrijf, gevestigd te woonplaats aan de adres. Hij houdt zich bezig met de in- en verkoop van antieke kunstvoorwerpen. Verdachte handelt voornamelijk via het internet met de domeinnaam website.

Onderzoek

Op 7 januari 2015 heeft de politie een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat via de website tenminste elf vermoedelijk ivoren items en een groepje van zeven bij elkaar horende vermoedelijk ivoren netsuke's (met de hand gesneden gordelknopen) te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze informatie is door de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 op 21 januari 2015 een controle op de legale herkomst van deze vermoedelijk ivoren items bij verdachte thuis uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek onder meer dat:

  • er in meerdere vertrekken in totaal dertig beeldjes van ogenschijnlijk ivoor stonden;
  • verdachte verklaarde dat deze beelden hoofdzakelijk waren gemaakt van olifantenivoor, en een enkele van mammoet- en van walrusivoor;
  • verdachte geen taxatierapporten kon overleggen waarmee aangetoond kon worden dat deze items van vóór 1947 waren;
  • verdachte handtekeningstempels liet zien op de beeldjes waaruit volgens hem zou blijken dat er sprake was van ivoorsnijders van vóór 1947;
  • de totale verkoopwaarde van de vermoedelijk ivoren beeldjes ongeveer € 50.000,-- betrof;
  • verbalisanten diverse van deze beeldjes herkenden als beeldjes die ook op de website website te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze controle is door de genoemde verbalisanten besloten dat een nader onderzoek gewenst was om de herkomst van de vermoedelijk ivoren beeldjes te laten vaststellen. In dat kader was het de bedoeling dat de verzameling beeldjes zou worden beoordeeld door een ivoorexpert van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA).Verdachte zou over de te nemen vervolgstap telefonisch worden benaderd. Verdachte heeft aan de verbalisanten aangegeven dat hij op zoek zou gaan naar een taxateur en dat als het laten taxeren van de beeldjes te duur zou worden, hij die van zijn website zou halen en verder als huisraad onder zich zou gaan houden.

Op 23 maart 2015 is door verbalisant 1 telefonisch contact opgenomen met verdachte, met als doel een afspraak te maken voor een hercontrole samen met een expert van de NVWA. In dat telefoongesprek heeft verdachte meegedeeld dat:

  • hij alle beeldjes naar een veilinghuis in Wenen had gezonden om deze beeldjes daar te laten taxeren op ouderdom;
  • als er door het veilinghuis een redelijke prijs werd geboden het best zou kunnen dat de beeldjes daar bleven en niet meer terugkwamen;
  • hij per e-mail wel aan de verbalisant 1 zou laten weten of de beeldjes getaxeerd waren en of ze terugkwamen;
  • hij niet wilde vertellen welk veilinghuis in Wenen het betrof;
  • hij alleen nog wat houten beeldjes had en langskomen dus geen zin had.

Op 23 maart 2015 is daarom wederom onderzoek gedaan naar de website. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat:

  • op de startpagina stond vermeld bedrijf woonplaats, The Netherlands' en 'Aziatische kunst: Ivoor”;
  • op de startpagina een afbeelding stond van vermoedelijk een ivoren beeldje;
  • indien doorgelinkt werd op deze afbeelding, men terecht kwam op een onderliggende pagina, waar een 80-tal vermoedelijk ivoren beeldjes te koop werd aangeboden;
  • op deze pagina stond vermeld: "!!Alle ivoren kunstvoorwerpen die wij aanbieden zijn toegestaan, volgens de Nederlandse Wetgeving!!".

Op 27 mei 2015 is voornoemde website nogmaals bezocht door verbalisant 1 en daaruit bleek dat er enkele beelden waren verkocht.

Hierop is – na overleg met de officier van justitie – besloten om tweemaal tot pseudokoop over te gaan, namelijk op 29 en 30 juni 2015. Hierbij bleek dat verdachte de beeldjes die waren aangetroffen op 23 maart 2015 nog steeds onder zich had en te koop aanbood. Verdachte heeft op 29 respectievelijk 30 juni 2015 een beeldje aan de pseudokopers verkocht, waarbij het op 29 juni 2015 verkochte beeldje op 30 juni 2015 met bijbetaling van € 150,-- voor een (derde) beeldje werd geruild.

Verdenking

  • Feit 1: op 30 juni 2015 opzettelijk producten van een beschermde uitheemse diersoort, te weten twee beeldjes vervaardigd van olifantenivoor, heeft verkocht of geruild en onder zich heeft gehad;
  • Feit 2: in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 opzettelijk 26 beeldjes van een beschermde uitheemse diersoorten, te weten olifanten-, walrus- en nijlpaardivoor en een bontjas van de diersoort Ocelot in voorraad heeft gehad en ten verkoop heeft aangeboden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. De beeldjes die verdachte heeft verhandeld en te koop heeft aangeboden op zijn website vallen namelijk onder de zogenaamde antiekvrijstellingsregeling, omdat deze beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman tevens betoogd dat de beeldjes genoemd onder de gedachtestreepjes 15 en 16 en 18 t/m 24 niet vervaardigd zijn van ivoor, afkomstig van de beschermde olifant, maar van mammoet. De mammoet is echter uitgestorven en valt dus volgens de raadsman niet meer onder de bescherming van de FFW.

Tenslotte is de bontjas niet te koop aangeboden maar heeft gediend als verfraaiing van verdachtes website. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachtes partner en valt daarmee onder de vrijstelling van art. 11 lid 1 van de regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Wettelijk kader

Op 1 juli 1975 is de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora, ofwel het CITES-Verdrag, in werking getreden. Dit verdrag beoogt wereldwijd de legale handel in wilde dier- en plantensoorten te reguleren om soorten te beschermen tegen overexploitatie en illegale handel tegen te gaan. Het Verdrag is van toepassing op elk dier of elke plant, levend of dood, van een soort die is opgenomen in een Bijlage bij het CITES-Verdrag. Het CITES-Verdrag bevat de Bijlagen I, II en III, waarin zijn opgenomen:

(I) soorten die met uitsterven worden bedreigd,

(II) soorten die zonder maatregelen mogelijk met uitsterven kunnen worden bedreigd en

(III) soorten waarvan één lidstaat de bescherming eist omdat de soort op haar grondgebied wordt bedreigd.

Ter uitvoering van het CITES-Verdrag heeft de Europese Unie de Basisverordening (Verordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het handelsverkeer) uitgevaardigd. De uitvoeringscriteria zijn neergelegd in de Uitvoeringsverordening (Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen (etc.)). De Basisverordening en de Uitvoeringsverordening vormen samen de wettelijke basis voor effectuering van het CITES-Verdrag in de wetgeving van de EU-Lidstaten.

De Basisverordening kent de Bijlagen A, B, C en D, waarin de beschermde soorten worden opgenoemd. In grote lijnen komen Bijlagen A, B en C overeen met Bijlagen I, II, en III van het CITES-Verdrag. Volgens artikel 8, tweede lid van de Basisverordening kunnen de lidstaten het in bezit hebben van beelden, met name van levende dieren die behoren tot de in bijlage A genoemde soorten, verbieden.

In Nederland is het CITES-regime uitgewerkt in de Flora- en Faunawet (FFW) en de op die wet gebaseerde regelgeving.

In artikel 5, tweede lid van de FFW juncto artikel 4, eerste lid, onder a, van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten FFW, worden de diersoorten van Bijlage A van de Basisverordening als beschermde uitheemse diersoorten aangewezen.

Artikel 13, eerste lid, onder a van de FFW verbiedt – onder meer – het onder zich hebben van dieren of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort.

Van dit bezitsverbod is ingevolge artikel 75, tweede, derde en vijfde lid van de FFW bij ministeriële regeling vrijstelling mogelijk, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

De vrijstellingen zijn neergelegd in artikel 11 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten FFW, dat – zakelijk weergegeven – luidt:

  1. van het bezitsverbod geldt een vrijstelling voor dode beelden van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening, indien:
  2. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte beelden betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de Basisverordening (hierna: de antiekvrijstelling);
  3. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de Basisverordening of
  4. kan worden aangetoond dat de beelden overeenkomstig de wet en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

De genoemde antiekvrijstelling, omschreven in art. 2, onder w, van de Basisverordening, ziet op beelden die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van de Basisverordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke beelden gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn. Gelet op de datum van inwerkingtreding van de Basisverordening kunnen beelden alleen onder de antiekregeling vallen indien deze vóór 1947 zijn vervaardigd.

De genoemde vrijstelling voor persoonlijke bezittingen of huisraad, omschreven in artikel 2, onder j, van de Basisverordening ziet op dode beelden alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.

Oordeel rechtbank

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder de feiten 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas

Uit het dossier blijkt dat verdachte de onder feit 1 van de tenlastelegging genoemde ivoren beeldjes op 29 en 30 juni 2015 heeft verkocht c.q. geruild. Ook heeft hij de onder feit 2 genoemde beeldjes in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 als eigenaar onder zich gehad en ten verkoop aangeboden.

Met betrekking tot de antiekvrijstelling

De antiekvrijstelling is van toepassing op specimens die in Bijlage A van de Basisverordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 genoemd worden. De nijlpaard en de walrus worden echter beide in Bijlage B bij genoemde Basisverordening genoemd, zodat deze vrijstelling niet van toepassing is op het beeldje van nijlpaardivoor en het beeldje van walrusivoor, beide vermeld onder feit 2 van de tenlastelegging.

Met betrekking tot de overige beeldjes en de bontjas overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet

‘ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat’ heeft aangetoond dat de onder feit 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas van vóór 1947 stammen. Immers, verdachte is op 21 januari 2015 in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat de beeldjes en de bontjas vóór 1947 zijn vervaardigd, te onderbouwen met taxatierapporten. Bij de controle op 23 maart 2015 bleek hij echter niet in het bezit te zijn van de vereiste taxatierapporten. Ook op 30 juni 2015 waren dergelijke rapporten niet aanwezig.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de antiekvrijstelling.

De rechtbank voegt hier ten overvloede nog het volgende aan toe.

Verdachte heeft op 19 augustus 2015 een 28-tal kopieën van taxatierapporten overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de betreffende beeldjes vóór 1947 zijn vervaardigd. Deze taxatierapporten zijn in de periode van 3 tot 10 augustus 2015 opgemaakt door taxateur. Daarnaast heeft verdachte aangevoerd dat hij uit de handtekeningen die zich op de beeldjes bevinden kan afleiden dat de beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn. Hij

heeft deze handtekeningen jarenlang bestudeerd en hij is overtuigd van de echtheid van deze handtekeningen.

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde delicten niet achteraf ongedaan kunnen worden gemaakt door alsnog taxatierapporten te overleggen. Indien dergelijke rapporten achteraf nog zouden worden geaccepteerd dan zou de beschermende werking van de regeling illusoir worden. De regelgeving bepaalt immers dat de rapporten beschikbaar moeten zijn ten tijde van het voorhanden hebben, te koop aanbieden en verkopen van de beeldjes.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat alleen door de bevoegde nationale autoriteiten erkende documenten als bewijsmiddel gelden voor een beroep op de antiekvrijstelling. De op verzoek van verdachte opgemaakte taxatierapporten van de taxateur kunnen echter niet als zodanig gelden, omdat uit het dossier blijkt dat de Nederlandse autoriteiten deze niet als bewijsmiddel hebben aanvaard. Hetzelfde geldt voor verdachtes beroep op zijn eigen deskundigheid.

De rechtbank merkt gelet op het voorgaande op dat zij nader onderzoek naar de vraag of de beeldjes zijn vervaardigd vóór 1947 niet noodzakelijk acht.

Met betrekking tot de beeldjes van mammoetivoor en het beeldje van onbekend materiaal, vermeld onder feit 2

Ten aanzien van het verweer dat de beeldjes van mammoetivoor en van onbekend materiaal niet onder regelgeving van de FFW vallen overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte deze beeldjes op zijn website heeft aangeboden als olifantenivoor.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in artikel 1 van de FFW is uitgewerkt wat valt onder een product van een dier. Daaronder vallen ook alle zaken waarvan uit de begeleidende documenten, de verpakking, een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van dieren bevatten of daaruit bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieronder ook een vermelding op een website. Door beeldjes van mammoetivoor aan te bieden als olifantenivoor heeft verdachte deze beeldjes onder de reikwijdte van de FFW gebracht en vallen ze onder het regiem van het olifantenivoor. Hetzelfde geldt voor het beeldje van onbekend materiaal, omschreven als “Dierenriembal”.

Met betrekking tot de bontjas van ocelot, vermeld onder feit 2

Verdachte heeft gesteld dat de bontjas van ocelot niet te koop is aangeboden maar ter verfraaiing van zijn website op deze site stond vermeld. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachte’s partner.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het dossier blijkt dat voornoemde bontmantel in de tenlastegelegde periode duidelijk gecatalogiseerd door middel van verschillende foto’s met daarbij een prijsbepaling is weergegeven op de website van verdachte. De andere voorwerpen die te koop stonden op dezelfde website, zijn door verdachte op dezelfde manier aangeprezen. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte ook de bontmantel van ocelot ten verkoop heeft aangeboden. Het verweer hieromtrent wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 120 uur op.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^