'Onterechte verwachtingen van de stoffenlijst via artikel 21 Brzo'

Deze bijdrage gaat over de eisen die op grond van artikel 21 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 aan ‘Brzo-bedrijven’ worden gesteld. Artikel 21 Brzo bepaalt dat een bijgewerkte lijst van de aanwezige gevaarlijke stoffen moet worden bijgehouden en dat die lijst door één ieder moet kunnen worden geraadpleegd. De voorschriften van het Brzo zijn van toepassing op bedrijven die door de (toegestane) aanwezigheid of mogelijke vorming van bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen grote risico’s met zich brengen voor mens en milieu.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Asbestzaak: OM niet-ontvankelijk. Proces-verbaal van politie niet naar waarheid opgemaakt.

Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:757

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van € 10.000 waarvan € 5.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar wegens overtreding van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Woningwet (oud).

De (vertegenwoordiger van de) verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zich op 20 februari 2008 geen asbest op het terrein van verdachte bevond, anders dan aan de panden die zich daar bevonden. De politie heeft stukken asbest verplaatst en, gelet op de verse breukranden welke op de foto’s zichtbaar zijn, mogelijk zelfs afgebroken van een gevel. Het proces-verbaal is in strijd met de waarheid en onvolledig opgemaakt, als gevolg waarvan het in zijn geheel onbetrouwbaar is.

Verder bevat het proces-verbaal verschillende conclusies die onjuist zijn en onvoldoende zijn onderbouwd en die door de verdediging gemotiveerd zijn betwist.

Ten slotte heeft de verdediging bepaalde stukken, zoals de verschillende sets van foto’s, eerst in hoger beroep ontvangen en is het dossier mogelijk nog steeds niet compleet.

De raadsman verzoekt het hof primair de zaak aan te houden voor nader onderzoek naar meer onderzoeksmateriaal. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verdachte vrij te spreken.

Standpunt OM

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal weliswaar onvolkomenheden bevat, maar dat geen sprake is geweest van manipulatie van bewijsmateriaal (dat was immers niet nodig, gezien de staat van het terrein). Wel is sprake geweest van een goed bedoelde poging van de verbalisanten om alles vast te leggen, waarbij verzuimd is de gang van zaken te verbaliseren, dan wel een toelichting op de foto’s te geven.

Oordeel Gerechtshof

Het hof stelt allereerst vast dat het dossier feitelijk slechts bestaat uit het door verbalisant  op 11 juni 2008 opgemaakte proces-verbaal. Onderliggende stukken ter onderbouwing van de bevindingen van genoemde verbalisant, anders dan een set foto’s, ontbreken grotendeels. Van een dergelijk proces-verbaal mag alsdan verwacht worden dat dit volledig, duidelijk en controleerbaar is.

Het hof constateert evenwel dat dit proces-verbaal daaraan niet voldoet. Zo is niet gerelateerd hoe de verbalisant aan bepaalde constateringen komt. Dit maakt controle op de juistheid van deze bevindingen onmogelijk.

Het hof stelt vervolgens vast dat naar zijn oordeel uit hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot het asbest en bepaalde die zich in het dossier bevinden, kan worden opgemaakt dat de verbalisanten tijdens het onderzoek asbestdelen hebben verplaatst, waarover niet is geverbaliseerd.

In het proces-verbaal is opgenomen dat op diverse plaatsen op het terrein losse delen asbest zijn aangetroffen, maar daarvan zijn geen foto’s toegevoegd aan het dossier. Dit acht het Hof opmerkelijk, omdat tijdens de controle op 21 februari 2008 wel veel foto’s zijn genomen van andere vermoedelijke overtredingen. De enkele constatering van verbalisant, dat op diverse plaatsen van het terrein delen los asbest lagen, wordt weersproken door de verklaring van asbestsaneerder.

Daarnaast heeft verbalisant in eerste instantie verklaard, dat hij de situatie op 21 februari 2008 op het terrein niet heeft veranderd. Pas op 20 februari 2012 heeft hij op vragen van de raadsheer-commissaris medegedeeld, dat hij in de container scherven asbest op betonschollen heeft gelegd, teneinde deze te fotograferen. Dat zich in de container stukken asbest zouden hebben bevonden is overigens niet op enige foto vastgelegd, althans niet zichtbaar. Ten slotte, bij schrijven van 5 augustus 2012 aan de raadsheer-commissaris, heeft verbalisant aangegeven zich te herinneren dat hij een vijftal asbestscherven aangetroffen nabij de achterzijde van de sorteerloods en de zijkant van de kapschuur op de betonschollen in de container heeft gelegd en heeft gefotografeerd.

Op grond van het bovenstaande kan het Hof niet vaststellen of, en zo ja waar op het terrein (op de onbeschermde bodem), losse asbestdelen lagen en evenmin of, en zo ja op welke wijze, deze zijn verplaatst.

Uit foto’s welke genomen zijn op 21 februari 2008 blijkt verder dat vier minuten nadat de eerste foto genomen is zich een gat in het met asbestplaten beklede dak bevindt dat zich daar eerst niet bevond. Daarnaar gevraagd heeft geen van de bij de controle van 21 februari 2008 aanwezige ambtenaren hiervoor een verklaring kunnen geven. Op andere  foto’s is voorts een verse breuklijn te zien, waarvoor evenmin een verklaring is gekomen.

Uiteindelijk komt het hof tot de conclusie dat de genoemde verbalisant bewust niet volledig dan wel niet juist heeft gerelateerd. Hij heeft ten onrechte, want in strijd met zijn verbaliseringsplicht (op grond van artikel 152 en 153 Sv), niet volledig alle relevante feiten in het proces-verbaal opgenomen en daarmee een zuivere juridische beoordeling van de feitelijke gang van zaken door de rechter en andere procesdeelnemers bemoeilijkt en zelfs onmogelijk gemaakt. Dat hij zich daarvan bewust was, blijkt uit het hierboven weergegeven verhoor bij de raadsheer-commissaris (dat vier jaar na het onderzoek plaatsvond) en uit de een half jaar daarna verzonden brief aan de raadsheer-commissaris.

Het proces-verbaal dat de basis vormt voor de beschuldigingen tegen de verdachte is zodoende geen correcte weergave van hetgeen door de verbalisanten ter plekke is aangetroffen en geeft het hof aanleiding ernstig te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmiddel als geheel.

Nu het genoemde proces-verbaal met bijlagen voor alle ten laste gelegde feiten het enige bewijsmiddel is dat zich in het dossier bevindt en nu het hof vaststelt dat dit bewijsmiddel niet naar waarheid is opgemaakt en dat voorts met bewijsstukken is gemanipuleerd, kan niet meer worden achterhaald hoe de situatie ter plekke was ten tijde van de pleegdatum. Naar het oordeel van het hof is er daarom in dit geval sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Door het - ten minste - zeer onzorgvuldig handelen van de zijde van de politie is de waarheidsvinding in het geding gekomen en is de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen geschaad, nu het ook voor de verdediging niet meer mogelijk is - alleen al gezien het tijdsverloop - te reconstrueren wat exact de situatie op het terrein van de verdachte was op de pleegdatum. Er is niet alleen sprake van handelen in strijd met de wet, maar ook van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan.

Conclusie

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder de eerste drie gedachtestreepjes van feit 1 ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Medewerkers recyclingbedrijf & Statutair directeur vrijgesproken van medeplegen van dan wel feitelijk leiding geven aan het in strijd met de verleende omgevingsvergunninig overtollig water lozen

Rechtbank Oost-Brabant 17 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1374

Verdachte is als operationeel manager in loondienst werkzaam bij het bedrijf, gevestigd aan adres 2. In die hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de wijze waarop de werkzaamheden bij het bedrijf worden uitgevoerd.

In de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 is op het terrein van het bedrijf, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning overtollig water via de wasplaats geloosd. Bij vonnis van 17 maart 2015 is het bedrijf als medepleger voor dit feit veroordeeld.

Primair wordt verdachte verweten dat hij dit feit mede heeft gepleegd. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij voor dit feit opdracht heeft gegeven, dan wel dat hij aan dat feit feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

De operationeel manager in loondienst bij een recyclingbedrijf wordt vrijgesproken van medeplegen van dan wel het feitelijk leiding geven aan het in strijd met de verleende omgevingsvergunninig overtollig water via de wasplaats lozen.

Uit het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting van 3 maart 2015 is niet gebleken dat verdachte enige handeling heeft verricht die er toe strekte dat in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 op het bedrijfsterrein van het bedrijf water op de wasplaats werd geloosd. Evenmin is gebleken dat verdachte op zodanig nauwe en bewuste wijze met een ander heeft samengewerkt dat hij op grond daarvan als medepleger van deze handeling kan worden aangemerkt.

De rechtbank dient ten slotte de vraag te beantwoorden of verdachte als opdrachtgever dan wel als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. In dit verband zijn de criteria zoals door de Hoge Raad geformuleerd in de arresten Slavenburg I en II van belang. In het eerstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van feitelijk leidinggeven als de verdachte van de verboden gedraging op de hoogte was. In het arrest Slavenburg II is dit vereiste genuanceerd door te bepalen dat onder omstandigheden sprake kan zijn van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging, indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.

Uit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting van 3 maart 2015 is de rechtbank niet gebleken dat verdachte van voormelde gedraging – het lozen van water op de wasplaats in strijd met de aan het bedrijf verleende vergunning – op de hoogte was, of daarvan op de hoogte had kunnen of moeten zijn.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden maken dat er onvoldoende redenen zijn om verdachte voor de verboden gedraging aansprakelijk te achten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte het plegen van de ten laste gelegde overtreding heeft aanvaard. Verdachte zal van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Oost-Brabant 17 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1373

De statutair directeur van de vennootschap die het recyclingbedrijf bestuurt wordt vrijgesproken van feitelijk leiding geven aan het in strijd met de verleende omgevingsvergunninig overtollig water via de wasplaats lozen.

Verdachte is statutair directeur verbonden aan bedrijf 2. Deze vennootschap is de bestuurder van bedrijf 1, gevestigd aan adres 2. In die hoedanigheid is verdachte verantwoordelijk voor de wijze waarop de werkzaamheden bij bedrijf 1 worden uitgevoerd.

In de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 is op het terrein van bedrijf 1, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning overtollig water via de wasplaats geloosd. Bij vonnis van 17 maart 2015 is bedrijf 1 als medepleger voor dit feit veroordeeld.

Verdachte wordt verweten dat hij voor dit feit opdracht heeft gegeven, dan wel dat hij aan dat feit feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

De rechtbank dient ten slotte de vraag te beantwoorden of verdachte als opdrachtgever dan wel als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. In dit verband zijn de criteria zoals door de Hoge Raad geformuleerd in de arresten Slavenburg I en II van belang. In het eerstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van feitelijk leidinggeven als de verdachte van de verboden gedraging op de hoogte was. In het arrest Slavenburg II is dit vereiste genuanceerd door te bepalen dat onder omstandigheden sprake kan zijn van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging, indien de verdachte (in strijd met de op hem rustende zorgplicht) maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.

Uit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting van 3 maart 2015 is de rechtbank niet gebleken dat verdachte van voormelde gedraging – het lozen van water op de wasplaats in strijd met de aan bedrijf 1 verleende vergunning – op de hoogte was, of daarvan op de hoogte had kunnen of moeten zijn. Niet is gebleken dat verdachte zich min of meer bewust onwetend heeft gehouden voor het feit dat op het terrein van bedrijf 1 in strijd met de aan bedrijf 1 verleende omgevingsvergunning werd gehandeld.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden maken dat er onvoldoende redenen zijn om verdachte voor de verboden gedraging aansprakelijk te achten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte het plegen van de ten laste gelegde overtreding heeft aanvaard. Verdachte zal van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Oost-Brabant 17 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1372

Een planner in loondienst bij het recyclingbedrijf wordt vrijgesproken van medeplegen van dan wel het feitelijk leiding geven aan het in strijd met de verleende omgevingsvergunninig overtollig water via de wasplaats lozen.

Verdachte is als planner in loondienst werkzaam bij bedrijf 1, gevestigd aan adres 2. In die hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de dagelijkse verdeling van de werkzaamheden die bij bedrijf 1 worden uitgevoerd.

In de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 is op het terrein van bedrijf 1, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning overtollig water via de wasplaats geloosd. Bij vonnis van 17 maart 2015 is bedrijf 1 als medepleger voor dit feit veroordeeld.

Primair wordt verdachte verweten dat hij dit feit mede heeft gepleegd. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij voor dit feit opdracht heeft gegeven, dan wel dat hij aan dat feit feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Uit het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting van 3 maart 2015 is niet gebleken dat verdachte enige handeling heeft verricht die er toe strekte dat in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 op het bedrijfsterrein van bedrijf 1 water op de wasplaats werd geloosd. Evenmin is gebleken dat verdachte op zodanig nauwe en bewuste wijze met een ander heeft samengewerkt dat hij op grond daarvan als medepleger van deze handeling kan worden aangemerkt.

Gelet hierop acht de rechtbank het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank dient ten slotte de vraag te beantwoorden of verdachte als opdrachtgever dan wel als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. In dit verband zijn de criteria zoals door de Hoge Raad geformuleerd in de arresten Slavenburg I en II van belang. In het eerstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van feitelijk leidinggeven als de verdachte van de verboden gedraging op de hoogte was. In het arrest Slavenburg II is dit vereiste genuanceerd door te bepalen dat onder omstandigheden sprake kan zijn van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging, indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert. Het louter toelaten dat de verboden gedraging wordt verricht, is daartoe niet voldoende.

Uit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting van 3 maart 2015 is de rechtbank niet gebleken dat verdachte van voormelde gedraging – het lozen van water op de wasplaats in strijd met de aan bedrijf 1 verleende vergunning – op de hoogte was, of daarvan op de hoogte had kunnen of moeten zijn.

Deze omstandigheden maken dat er onvoldoende redenen zijn om verdachte voor de verboden gedraging aansprakelijk te achten. Evenmin is gebleken dat verdachte zich min of meer bewust onwetend heeft gehouden voor het feit dat op het terrein van bedrijf 1 in strijd met de verleende omgevingsvergunning werd gehandeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte het plegen van de ten laste gelegde overtreding heeft aanvaard. Verdachte zal ook van het subsidiair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Medewerker in loondienst bij recyclingbedrijf veroordeeld voor medeplegen van het in strijd met de verleende omgevingsvergunninig overtollig water lozen

Rechtbank Oost-Brabant 17 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1376

Verdachte staat terecht omdat hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden bij zijn werkgever (bedrijf), in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning overtollig water via de wasplaats heeft geloosd.

Het standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit, in de misdrijfvariant, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Mocht verdachte toch worden veroordeeld dan kan slechts de overtredingsvariant worden bewezen omdat niet is komen vast te staan dat verdachte dit feit opzettelijk heeft gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Lozingen op de wasplaats en de herkomst van het geloosde water

Op grond van de inhoud van de in de bewijsbijlage weergegeven bewijsmiddelen en op grond van hetgeen verder ter terechtzitting van 3 maart 2015 is gebleken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op diverse tijdstippen in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 ongeveer 200 lozingen van water op de wasplaats van het perceel van verdachte hebben plaatsgevonden en dat in elk geval van 48 van die lozingen vaststaat dat het water, nadat dit van de bassins naar de wasplaats is vervoerd, daar is geloosd.

Aldus is in elk geval 48 keer gehandeld in strijd met voorschrift 4.1.10 verbonden aan de omgevingsvergunning die Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant op 9 november 2006 aan verdachte heeft verleend. Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2.3 aanhef onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Uit deze vergunning of de daaraan verbonden voorwaarden, blijkt niet dat het verdachte is vergund water op de wasplaats te lozen, ongeacht de herkomst van dat water. Door desondanks op grote schaal water op de wasplaats te lozen, heeft verdachte de werking van de inrichting veranderd. Voor zover de herkomst van het geloosde water niet is vast te stellen, is de lozing van dat water op de wasplaats in strijd met het bepaalde in artikel 2.1 eerste lid aanhef onder e sub 2o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Overtollig water in de zin van vergunningvoorschrift 4.1.10

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging aangevoerd dat er eerst sprake van “overtollig” water kan zijn indien de opslagcapaciteit voor water in de inrichting niet toereikend zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Reeds uit het enkele feit dat het bedrijf zich van het water heeft willen ontdoen, volgt dat [bedrijf] dit water niet langer nuttig kon gebruiken. Daarmee werd dat water voor het bedrijf overtollig.

Medeplegen

In de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 was verdachte werkzaam bij [bedrijf]. In het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft verdachte in die periode een groot aantal keer water op de wasplaats van het bedrijf geloosd. Dit handelen is in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften. Het handelen van verdachte kan aan bedrijf worden toegerekend nu de rechtbank van oordeel is dat [bedrijf] het handelen van verdachte heeft aanvaard. Bedrijf voldoet aan de in de rechtspraak bestendig gebruikte oriëntatiepunten om gedragingen van haar werknemers aan het bedrijf te kunnen toerekenen. De rechtbank verwijst hiertoe onder meer naar de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, NJ 1954, 178 [IJzerdraadcriteria] en van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 [Drijfmestarrest].

Nu verdachte de feitelijke handeling van het lozen van water op de wasplaats, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorwaarden, feitelijk heeft gepleegd in het kader van de uitvoering van zijn dagelijkse werkzaamheden voor het bedrijf en het bedrijf heeft nagelaten die zorg te betrachten die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de overtreding van de aan haar verleende omgevingsvergunning c.q. de daaraan verbonden voorschriften, is de rechtbank van oordeel dat tussen verdachte en [bedrijf] sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat zij als medeplegers in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt.

Al dan niet opzettelijk handelen

Verdachte heeft vanaf oktober 2010 werkzaamheden voor het bedrijf verricht, hoofdzakelijk bestaande uit het stofvrij en schoon houden van de bedrijfslocatie. Uit niets is gebleken dat het lozen van overtollig water tot de werkzaamheden van verdachte behoorden.

Desondanks heeft verdachte in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 op grote schaal water op de wasplaats geloosd. Gelet op de grootschaligheid van de door verdachte uitgevoerde lozingen en de bestemming van de wasplaats bij het bedrijf, die bestond uit het wassen van motorvoertuigen of onderdelen daarvan en niet uit het lozen van water, had het op de weg van verdachte gelegen navraag te doen of het lozen van water op de afwasplaats binnen de bestaande regelgeving toelaatbaar was.

Nu niet is gebleken dat verdachte deze informatie heeft ingewonnen, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn handelen, het lozen van water op de wasplaats, in strijd met de geldende regelgeving kon zijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank het door de raadsvrouwe van verdachte gevoerde verweer dat verdachte dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd.

Conclusie

De door de verdediging gevoerde verweren die hiervoor niet zijn besproken, worden verworpen door de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor dit feit heeft gebezigd. De rechtbank zal daar niet expliciet op ingaan. De door de raadsvrouwe aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet van die aard en ernst, dat de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

Bewezenverklaring

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3. aanhef en onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd of medeplegen van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
Strafoplegging

Geldboete van EUR 750.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Overtreding Wet Milieubeheer door overbrengen afvalstoffen van Duitsland naar Nederland zonder vereiste kennisgeving aan de betrokken autoriteiten

Rechtbank Gelderland 5 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1400

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de Wet Milieubeheer heeft overtreden door het overbrengen van afvalstoffen zonder vereiste kennisgeving daarvan aan de betrokken autoriteiten en het inzamelen en verhandelen van (gevaarlijke) afvalstoffen zonder als inzamelaar en handelaar ingeschreven te staan.

Verdachte zou gedurende de periode 21 augustus 2013 tot en met 24 oktober 2013 in de gemeente Rijnwaarden en in Duiven, Zeist, Doetinchem en Deventer opzettelijk autowrakken, accu’s, metaal, schroot, witgoed en bruingoed hebben ingezameld, zonder dat hij als inzamelaar ingeschreven stond op de VIHB-lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars.

Bewijsuitsluitingsverweer

De raadsman heeft bepleit dat de door zijn cliënt afgelegde verklaring nadat hij in verzekering is gesteld, dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het betreft de verklaring zoals die is afgelegd tijdens het vierde verhoor. De raadsman stelt hiertoe dat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat de melding van inverzekeringstelling aan de Raad voor de Rechtsbijstand is verzonden. De raadsman is van mening dat dit een vormverzuim wegens schending van de Salduz-jurisprudentie is en dat dit op grond van artikel 359a Sv dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs.

Volgens de rechtbank betreft de zaak op grond van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor een ‘categorie B-zaak’. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de informatie in het dossier niet met zekerheid is vast te stellen dat de melding van inverzekeringstelling daadwerkelijk aan de Raad voor de Rechtsbijstand is gefaxt. Dit had volgens de Aanwijzing wel moeten geschieden. Er is derhalve sprake van een vormverzuim. Het faxen van de melding van inverzekeringstelling aan de piketcentrale betreft op grond van de Aanwijzing echter een formaliteit, die niet leidt tot het stilleggen of het niet aanvangen van het verhoor van verdachte, nu verdachte, naar het oordeel van de rechtbank: ondubbelzinnig, afstand had gedaan van zijn recht op consultatiebijstand, hetgeen door de verdachte ter terechtzitting ook is bevestigd. Ook indien er met zekerheid zou kunnen worden vastgesteld dat er een fax was verstuurd, hadden verbalisanten verdachte zonder tussenkomst van een advocaat mogen verhoren. Om die reden volstaat de rechtbank met het vaststellen dat sprake is van vormverzuim en zal zij hier geen consequenties aan verbinden, nu de verdachte door dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Aldus zal de verklaring van verdachte, zoals afgelegd in het vierde verhoor, niet worden uitgesloten van het bewijs.

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin Sv en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Feit 2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om zijn cliënt vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt afvalstoffen heeft ingezameld als (civielrechtelijk) werknemer van het familiebedrijf. Hij stond zelf niet ingeschreven in de VIHB-lijst, maar werkte onder de vergunning en onder de VIHB-inschrijving van dit bedrijf. Voorts is de raadsman van mening dat niet kan worden bewezen dat zijn cliënt voor zichzelf bedrijfsmatig afvalstoffen heeft verhandeld.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt het volgende.

Door de verdediging is bepleit dat er sprake was van een civielrechtelijke arbeidsverhouding tussen bedrijfsnaam 1 en verdachte. De rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden. Voorwaarden om van een civielrechtelijke arbeidsverhouding te kunnen spreken zijn onder meer het uitbetalen van salaris door de werkgever aan de werknemer en een hiërarchische zeggenschapsverhouding tussen beide partijen. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Verdachte heeft ter terechtzitting geen duidelijkheid over zijn inkomsten verschaft. Hij heeft enkel verklaard dat hij zo nu en dan slechts wat kleine bedragen van zijn broer, ontving als extraatje, maar geen (maandelijks) salaris. Er is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst getekend, aldus verdachte. Ook volgt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier dat verdachte als werknemer in opdracht van zijn broer handelde en dus dat er sprake zou zijn van een hiërarchische zeggenschapsverhouding. Verdachte gebruikte voor het inzamelen van afvalstoffen immers zijn eigen auto en plaatste in eigen naam een advertentie ten behoeve van het ophalen van onder andere oud ijzer op www.marktplaats.nl. Dat verdachte deze advertentie uitsluitend voor zijn broer heeft geplaatst, zoals ter terechtzitting is bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank niet uit de advertentie af te leiden. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat zijn broer pas op het moment van aankomst van de afvalstoffen bij het bedrijf op de hoogte kwam van de door verdachte ingezamelde afvalstoffen. Tot aan dat moment zorgde verdachte voor de advertentie op internet, voor de telefonische contacten met de klanten en voor het ophalen en afleveren van de afvalstoffen. De rechtbank concludeert daaruit dat het inzamelen van afvalstoffen kennelijk verdachtes initiatief was en geschiedde onder zijn eigen verantwoordelijkheid.

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij wel eens voor zichzelf afvalstoffen inzamelde. Als hij de afvalstoffen in die gevallen naar zijn broer bracht, kreeg hij door hem betaald. Hij bracht echter ook afvalstoffen naar bedrijfsnaam 2 in Deventer, bedrijfsnaam 3 in Zeist en, onder meer koelkasten, naar bedrijfsnaam 4 in Doetinchem. Ook dan kreeg hij daarvoor geld, zo heeft verdachte verklaard.

Uit tapgesprekken die zich in het dossier bevinden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de tenlastegelegde periode auto’s aankocht en de katalysators verkocht aan in ieder geval bedrijfsnaam 2 en 4. Zo heeft hij in een telefoongesprek met ene man 1 op 16 oktober 2013 gezegd dat hij katalysatoren weg moest brengen in Deventer en de volgende dag bij die man 1 een auto komt ophalen. Op 2 oktober 2013 voert verdachte een gesprek met bedrijfsnaam 4, waarin verdachte zegt dat hij zo twee autootjes komt brengen en dat hij graag wil weten wat de katalysatoren opbrengen. In een gesprek met ene man 2 op 23 september 2013 biedt man 2 een Toyota Celeca te koop aan, waarop verdachte reageert dat hij die wel wil voor 175 euro, waar man 2 vervolgens mee akkoord gaat. Op 15 oktober 2013 belt verdachte met bedrijfsnaam 2 (de rechtbank begrijpt: bedrijfsnaam 2) en meldt hij dat hij weer 9 katalysatoren heeft. Ze maken een afspraak dat verdachte de volgende dag om 7 uur bij bedrijfsnaam 2 zal zijn.

De rechtbank is gelet op het vorengaande van oordeel dat verdachte een eigen verantwoordelijkheid had om bij het inzamelen en verhandelen van afvalstoffen de daarvoor bestemde regels in acht te nemen. Verdachte heeft dit nagelaten. Hij stond niet vermeld op de VIHB-lijst, terwijl hij afvalstoffen van Duitsland naar Nederland vervoerde. Naar eigen zeggen was hij niet op de hoogte van de voor zijn handelen geldende regelgeving. Verdachte heeft desalniettemin opzettelijk bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen ingezameld en verhandeld. Daarmee is voldaan aan het vereiste van kleurloos opzet, dat in het economisch strafrecht volstaat. Dat verdachte op de hoogte was dat het onder meer om gevaarlijke afvalstoffen ging, blijkt uit zijn eigen verklaring. Bij de politie heeft hij namelijk verklaard dat hij weet dat er een vies stofje in koelkasten zit en dat hij er daarom ook verder niets mee te maken wil hebben.

Gelet op het vorengaande, alles in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^