Medewerker in loondienst bij recyclingbedrijf veroordeeld voor medeplegen van het in strijd met de verleende omgevingsvergunninig overtollig water lozen

Rechtbank Oost-Brabant 17 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1376

Verdachte staat terecht omdat hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden bij zijn werkgever (bedrijf), in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning overtollig water via de wasplaats heeft geloosd.

Het standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit, in de misdrijfvariant, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Mocht verdachte toch worden veroordeeld dan kan slechts de overtredingsvariant worden bewezen omdat niet is komen vast te staan dat verdachte dit feit opzettelijk heeft gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Lozingen op de wasplaats en de herkomst van het geloosde water

Op grond van de inhoud van de in de bewijsbijlage weergegeven bewijsmiddelen en op grond van hetgeen verder ter terechtzitting van 3 maart 2015 is gebleken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op diverse tijdstippen in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 ongeveer 200 lozingen van water op de wasplaats van het perceel van verdachte hebben plaatsgevonden en dat in elk geval van 48 van die lozingen vaststaat dat het water, nadat dit van de bassins naar de wasplaats is vervoerd, daar is geloosd.

Aldus is in elk geval 48 keer gehandeld in strijd met voorschrift 4.1.10 verbonden aan de omgevingsvergunning die Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant op 9 november 2006 aan verdachte heeft verleend. Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2.3 aanhef onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Uit deze vergunning of de daaraan verbonden voorwaarden, blijkt niet dat het verdachte is vergund water op de wasplaats te lozen, ongeacht de herkomst van dat water. Door desondanks op grote schaal water op de wasplaats te lozen, heeft verdachte de werking van de inrichting veranderd. Voor zover de herkomst van het geloosde water niet is vast te stellen, is de lozing van dat water op de wasplaats in strijd met het bepaalde in artikel 2.1 eerste lid aanhef onder e sub 2o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Overtollig water in de zin van vergunningvoorschrift 4.1.10

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging aangevoerd dat er eerst sprake van “overtollig” water kan zijn indien de opslagcapaciteit voor water in de inrichting niet toereikend zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Reeds uit het enkele feit dat het bedrijf zich van het water heeft willen ontdoen, volgt dat [bedrijf] dit water niet langer nuttig kon gebruiken. Daarmee werd dat water voor het bedrijf overtollig.

Medeplegen

In de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 was verdachte werkzaam bij [bedrijf]. In het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft verdachte in die periode een groot aantal keer water op de wasplaats van het bedrijf geloosd. Dit handelen is in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften. Het handelen van verdachte kan aan bedrijf worden toegerekend nu de rechtbank van oordeel is dat [bedrijf] het handelen van verdachte heeft aanvaard. Bedrijf voldoet aan de in de rechtspraak bestendig gebruikte oriëntatiepunten om gedragingen van haar werknemers aan het bedrijf te kunnen toerekenen. De rechtbank verwijst hiertoe onder meer naar de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, NJ 1954, 178 [IJzerdraadcriteria] en van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 [Drijfmestarrest].

Nu verdachte de feitelijke handeling van het lozen van water op de wasplaats, in strijd met de aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorwaarden, feitelijk heeft gepleegd in het kader van de uitvoering van zijn dagelijkse werkzaamheden voor het bedrijf en het bedrijf heeft nagelaten die zorg te betrachten die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de overtreding van de aan haar verleende omgevingsvergunning c.q. de daaraan verbonden voorschriften, is de rechtbank van oordeel dat tussen verdachte en [bedrijf] sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat zij als medeplegers in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt.

Al dan niet opzettelijk handelen

Verdachte heeft vanaf oktober 2010 werkzaamheden voor het bedrijf verricht, hoofdzakelijk bestaande uit het stofvrij en schoon houden van de bedrijfslocatie. Uit niets is gebleken dat het lozen van overtollig water tot de werkzaamheden van verdachte behoorden.

Desondanks heeft verdachte in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013 op grote schaal water op de wasplaats geloosd. Gelet op de grootschaligheid van de door verdachte uitgevoerde lozingen en de bestemming van de wasplaats bij het bedrijf, die bestond uit het wassen van motorvoertuigen of onderdelen daarvan en niet uit het lozen van water, had het op de weg van verdachte gelegen navraag te doen of het lozen van water op de afwasplaats binnen de bestaande regelgeving toelaatbaar was.

Nu niet is gebleken dat verdachte deze informatie heeft ingewonnen, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn handelen, het lozen van water op de wasplaats, in strijd met de geldende regelgeving kon zijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank het door de raadsvrouwe van verdachte gevoerde verweer dat verdachte dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd.

Conclusie

De door de verdediging gevoerde verweren die hiervoor niet zijn besproken, worden verworpen door de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor dit feit heeft gebezigd. De rechtbank zal daar niet expliciet op ingaan. De door de raadsvrouwe aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet van die aard en ernst, dat de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

Bewezenverklaring

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3. aanhef en onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd of medeplegen van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
Strafoplegging

Geldboete van EUR 750.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF