Asbestzaak: OM niet-ontvankelijk. Proces-verbaal van politie niet naar waarheid opgemaakt.

Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:757

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van € 10.000 waarvan € 5.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar wegens overtreding van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Woningwet (oud).

De (vertegenwoordiger van de) verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zich op 20 februari 2008 geen asbest op het terrein van verdachte bevond, anders dan aan de panden die zich daar bevonden. De politie heeft stukken asbest verplaatst en, gelet op de verse breukranden welke op de foto’s zichtbaar zijn, mogelijk zelfs afgebroken van een gevel. Het proces-verbaal is in strijd met de waarheid en onvolledig opgemaakt, als gevolg waarvan het in zijn geheel onbetrouwbaar is.

Verder bevat het proces-verbaal verschillende conclusies die onjuist zijn en onvoldoende zijn onderbouwd en die door de verdediging gemotiveerd zijn betwist.

Ten slotte heeft de verdediging bepaalde stukken, zoals de verschillende sets van foto’s, eerst in hoger beroep ontvangen en is het dossier mogelijk nog steeds niet compleet.

De raadsman verzoekt het hof primair de zaak aan te houden voor nader onderzoek naar meer onderzoeksmateriaal. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verdachte vrij te spreken.

Standpunt OM

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal weliswaar onvolkomenheden bevat, maar dat geen sprake is geweest van manipulatie van bewijsmateriaal (dat was immers niet nodig, gezien de staat van het terrein). Wel is sprake geweest van een goed bedoelde poging van de verbalisanten om alles vast te leggen, waarbij verzuimd is de gang van zaken te verbaliseren, dan wel een toelichting op de foto’s te geven.

Oordeel Gerechtshof

Het hof stelt allereerst vast dat het dossier feitelijk slechts bestaat uit het door verbalisant  op 11 juni 2008 opgemaakte proces-verbaal. Onderliggende stukken ter onderbouwing van de bevindingen van genoemde verbalisant, anders dan een set foto’s, ontbreken grotendeels. Van een dergelijk proces-verbaal mag alsdan verwacht worden dat dit volledig, duidelijk en controleerbaar is.

Het hof constateert evenwel dat dit proces-verbaal daaraan niet voldoet. Zo is niet gerelateerd hoe de verbalisant aan bepaalde constateringen komt. Dit maakt controle op de juistheid van deze bevindingen onmogelijk.

Het hof stelt vervolgens vast dat naar zijn oordeel uit hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot het asbest en bepaalde die zich in het dossier bevinden, kan worden opgemaakt dat de verbalisanten tijdens het onderzoek asbestdelen hebben verplaatst, waarover niet is geverbaliseerd.

In het proces-verbaal is opgenomen dat op diverse plaatsen op het terrein losse delen asbest zijn aangetroffen, maar daarvan zijn geen foto’s toegevoegd aan het dossier. Dit acht het Hof opmerkelijk, omdat tijdens de controle op 21 februari 2008 wel veel foto’s zijn genomen van andere vermoedelijke overtredingen. De enkele constatering van verbalisant, dat op diverse plaatsen van het terrein delen los asbest lagen, wordt weersproken door de verklaring van asbestsaneerder.

Daarnaast heeft verbalisant in eerste instantie verklaard, dat hij de situatie op 21 februari 2008 op het terrein niet heeft veranderd. Pas op 20 februari 2012 heeft hij op vragen van de raadsheer-commissaris medegedeeld, dat hij in de container scherven asbest op betonschollen heeft gelegd, teneinde deze te fotograferen. Dat zich in de container stukken asbest zouden hebben bevonden is overigens niet op enige foto vastgelegd, althans niet zichtbaar. Ten slotte, bij schrijven van 5 augustus 2012 aan de raadsheer-commissaris, heeft verbalisant aangegeven zich te herinneren dat hij een vijftal asbestscherven aangetroffen nabij de achterzijde van de sorteerloods en de zijkant van de kapschuur op de betonschollen in de container heeft gelegd en heeft gefotografeerd.

Op grond van het bovenstaande kan het Hof niet vaststellen of, en zo ja waar op het terrein (op de onbeschermde bodem), losse asbestdelen lagen en evenmin of, en zo ja op welke wijze, deze zijn verplaatst.

Uit foto’s welke genomen zijn op 21 februari 2008 blijkt verder dat vier minuten nadat de eerste foto genomen is zich een gat in het met asbestplaten beklede dak bevindt dat zich daar eerst niet bevond. Daarnaar gevraagd heeft geen van de bij de controle van 21 februari 2008 aanwezige ambtenaren hiervoor een verklaring kunnen geven. Op andere  foto’s is voorts een verse breuklijn te zien, waarvoor evenmin een verklaring is gekomen.

Uiteindelijk komt het hof tot de conclusie dat de genoemde verbalisant bewust niet volledig dan wel niet juist heeft gerelateerd. Hij heeft ten onrechte, want in strijd met zijn verbaliseringsplicht (op grond van artikel 152 en 153 Sv), niet volledig alle relevante feiten in het proces-verbaal opgenomen en daarmee een zuivere juridische beoordeling van de feitelijke gang van zaken door de rechter en andere procesdeelnemers bemoeilijkt en zelfs onmogelijk gemaakt. Dat hij zich daarvan bewust was, blijkt uit het hierboven weergegeven verhoor bij de raadsheer-commissaris (dat vier jaar na het onderzoek plaatsvond) en uit de een half jaar daarna verzonden brief aan de raadsheer-commissaris.

Het proces-verbaal dat de basis vormt voor de beschuldigingen tegen de verdachte is zodoende geen correcte weergave van hetgeen door de verbalisanten ter plekke is aangetroffen en geeft het hof aanleiding ernstig te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmiddel als geheel.

Nu het genoemde proces-verbaal met bijlagen voor alle ten laste gelegde feiten het enige bewijsmiddel is dat zich in het dossier bevindt en nu het hof vaststelt dat dit bewijsmiddel niet naar waarheid is opgemaakt en dat voorts met bewijsstukken is gemanipuleerd, kan niet meer worden achterhaald hoe de situatie ter plekke was ten tijde van de pleegdatum. Naar het oordeel van het hof is er daarom in dit geval sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Door het - ten minste - zeer onzorgvuldig handelen van de zijde van de politie is de waarheidsvinding in het geding gekomen en is de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen geschaad, nu het ook voor de verdediging niet meer mogelijk is - alleen al gezien het tijdsverloop - te reconstrueren wat exact de situatie op het terrein van de verdachte was op de pleegdatum. Er is niet alleen sprake van handelen in strijd met de wet, maar ook van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan.

Conclusie

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder de eerste drie gedachtestreepjes van feit 1 ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF