Vrijspraak: Geluidsmetingen van de toezichthoudend ambtenaar voldoen niet aan de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai

Gerechtshof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2471 

Aan verdachte is in twee (gevoegde) zaken als drijver van een inrichting overschrijding van de geluidsnorm (overtreding van art. 8.40, eerste lid, Wet milieubeheer) ten laste gelegd. De verdediging heeft betoogd dat de feiten in beide zaken niet kunnen worden bewezen, omdat de aan de berekeningen (geluidsmetingen)  “beoordelingsniveau vereenvoudigde methode 1” ten grondslag liggende metingen en analyses niet correct zijn uitgevoerd door toezichthoudend ambtenaar J. Mosman en de rapporten mitsdien niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De verdachte dient in beide zaken te worden vrijgesproken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon en feitelijk leidinggever: Ondanks huur met BTW werd ontvangen, is geen BTW afgedragen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6034 (rechtspersoon) Verdachte, een stichting, heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Al die jaren is er telkens een nihilaangifte ingediend, terwijl uit het dossier blijkt dat de Stichting gedurende deze jaren wel degelijk belaste huurinkomsten ontving. Stichting bracht bij de huurder de omzetbelasting in rekening en kreeg deze ook betaald, maar heeft deze gelden vervolgens niet aan de Belastingdienst afgedragen. De Belastingdienst dient erop te kunnen vertrouwen dat de aangifte duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschiedt. Door de Stichting is op grove wijze misbruik gemaakt van dit stelsel. Voorts wordt het handelen van Stichting in de maatschappij als zeer verwerpelijk ervaren. Door zo te handelen zijn de Belastingdienst en dus de Staat willens en wetens benadeeld. Daarbij komt dat de administratie van de Stichting niet aan de Belastingdienst is overgelegd en er geen inzicht in de financiële huishouding van de Stichting werd gegeven. Door zo te handelen heeft de verdachte de Nederlandse Staat voor een bedrag van ongeveer €100.000 benadeeld.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Daarbij overweegt het hof het volgende.

Uit het dossier blijkt dat op 1 mei 1993 een beschikking ex artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten vijfde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 door de belastingdienst is afgegeven met betrekking tot het pand te Duiven. Afschrift van die beschikking is verstuurd naar de verhuurder, Stichting en de huurder, bedrijf B.V. Zowel verhuurder als huurder wisten derhalve dat over de huur omzetbelasting moest worden betaald (en vervolgens dan ook afgedragen aan de belastingdienst). De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 september 2012 verklaard dat niet hij maar de Stichting verdachte de verhuurder was van het pand te Duiven. Uit het dossier is niet gebleken dat het huurcontract van Stichting verdachte is overgedragen aan een andere partij. In het verhoor van de vertegenwoordiger van verdachte door de FIOD op 15 november 2006 heeft deze verklaard dat er bij verdachte twee bestuurders zijn, maar dat de zaken aan hem, betrokkene, zijn overgelaten. Voorts heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij de aangiften heeft ingevuld, dat zijn handtekening eronder staat en dat hij ze daarna op de bus heeft gedaan. Nu over de huur BTW is berekend volgt hieruit dat de omzetbelasting had moeten worden aangegeven op de aangiften.

Daderschap rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De onjuiste aangiften voor de omzetbelasting van de Stichting verdachte zijn door de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder van de stichting opgemaakt en verzonden. Verdachte heeft als doel de exploitatie van onroerend goed. De ten laste gelegde gedragingen hebben derhalve alle plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn de rechtspersoon dienstig geweest terwijl de rechtspersoon er over vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet plaatsvonden.

Op grond van de hierboven beschreven gang van zaken met betrekking tot het doen van de aangiften en de bij de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder aanwezige kennis wordt vastgesteld dat bij de rechtspersoon het vereiste opzet en het oogmerk aanwezig was.

Het door de vertegenwoordiger van verdachte en de verdediging geschetste scenario als zou niet verdachte de verhuurder zijn en de huurpenningen zou hebben ontvangen wordt als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde geschoven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk niet beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €72.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6029 (feitelijk leidinggever)

De feitelijk leidinggever wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Geen strafrechtelijke vervolging van boekhandel voor Moederdagactie

Gerechtshof Den Haag 3 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2344

Een boekhandel in Den Haag, die moeders op Moederdag een gratis kopje koffie aanbood, hoeft niet strafrechtelijk vervolgd te worden voor discriminatie. Dat heeft het gerechtshof Den Haag bepaald in een hierover aangespannen procedure in het kader van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

Een Haagse boekhandel bood moeders in 2014 en 2015 voor Moederdag een gratis kopje koffie aan. Een man deed hierop aangifte van discriminatie bij de politie, omdat hij het standpunt had dat hier sprake was van een verboden onderscheid op grond van geslacht. Het Openbaar Ministerie stelde echter geen strafrechtelijk vervolging in, waarop de man een klacht indiende bij het gerechtshof in het kader van art. 12 SV. Hiermee wilde hij bewerkstelligen dat het Openbaar Ministerie alsnog opdracht zou krijgen tot strafrechtelijke vervolging van de boekhandel. De man baseerde zijn klacht op een eerdere uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens dat met een dergelijke actie sprake zou zijn van een ongeoorloofd onderscheid tussen mannen en vrouwen.

Het gerechtshof Den Haag heeft de klacht van de man ongegrond verklaard. Het Haagse hof stelt allereerst vast dat een onderscheid tussen moeders en niet-moeders niet identiek is aan een onderscheid tussen mannen en vrouwen. Het hof is van oordeel dat het aanbieden van een kopje koffie aan moeders op Moederdag als een vriendelijk gebaar bedoeld was om moeders ‘in het zonnetje’ te zetten. Hoewel er met dit gebaar een onderscheid gemaakt wordt tussen moeders en niet-moeders, valt dit volgens het hof niet aan te merken als een bij wet strafbaar gesteld onderscheid. De boekhandel handelde met deze actie niet in strijd met de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden, zoals beschreven in de strafwet.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Wel ernstige bezwaren ten aanzien van witwassen ondanks aangifte van aanwezigheid groot contant geldbedrag

Gerechtshof Amsterdam 6 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2704

Verdachte is in beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Schiphol van 8 juni 2016, houdende afwijzing van de vordering tot de gevangenhouding van verdachte. Naar het oordeel van het hof zijn voldoende ernstige bezwaren aanwezig voor het op de vordering inbewaringstelling vermelde feit. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het feit dat de verklaring van de verdachte over de aanwezigheid en de bestemming van het geld aanzienlijk verschilt van de verklaringen van de door hem genoemde geldverstrekkers.

Voorts heeft het hof gelet op de omvang van het geldbedrag en de omstandigheden waaronder het geld op de verdachte zou zijn overgedragen. Daar komt bij dat het bedrijf waarvoor de verdachte zegt werkzaam te zijn vooralsnog niet te vinden is.

Nu verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland en gelet op het feit waarvoor ernstige bezwaren aanwezig zijn en nu uit het dossier naar voren komt dat de verdachte veel internationale reisbewegingen maakt, is het hof van oordeel dat er sprake is van vluchtgevaar.

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte zich klaarblijkelijk vaker bezighoudt met transacties als thans aan de orde. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld.

Het hof ziet geen reden, gelet op het feit dat de verdachte al enige tijd op vrije voeten is (geweest) om de onderzoeksgrond mede aan de voorlopige hechtenis ten grondslag te leggen.

Gelet op het bovenstaande is het hof met het openbaar ministerie van oordeel dat er ernstige bezwaren en gronden zijn voor de voorlopige hechtenis van de verdachte en zal het hof de beschikking van de rechtbank vernietigen en de gevangenhouding van de verdachte bevelen voor een termijn van 60 dagen, zoals door de officier van justitie bij de rechtbank gevorderd.

Het hof beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor de duur van 60 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Advocaat Cornegoor wederom door het hof vrijgesproken in havenfraude na OM-cassatie

Gerechtshof Den Haag 15 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2134

Het gerechtshof Den Haag heeft op 15 juli verdachte advocaat Cornegoor vrijgesproken van valsheid in geschrifte. Zowel de rechtbank in Rotterdam (in 2010) als het Hof Den Haag (in 2013) spraken de advocaat eerder vrij. Tegen die uitspraken is door het openbaar ministerie hoger beroep resp. cassatie ingesteld. Met de uitspraak van het hof is de zaak nu definitief tot een einde gekomen. Een mooi resultaat voor zowel Cornegoor als zijn advocaat Willem Koops.

Cornegoor werd – na terugwijzing van de HR – verweten dat hij betrokken was bij het vals opmaken van legal opinions en certificates voor het verkrijgen van leningen voor een Rotterdams bedrijf. Cornegoor stelde de legal opinions op voor een overeenkomst tussen RDM, de Commerzbank en het Rotterdams havenbedrijf.

Het Haagse hof heeft vastgesteld dat de advocaat in zogenaamde legal opinions en daarbij behorende certificaten niet had opgenomen dat er voor garantstellingen in belangrijke kredietovereenkomsten tussen de toenmalige RDM, de Commerzbank en het Rotterdams Havenbedrijf toestemming van de raad van commissarissen van het Havenbedrijf nodig was. Het openbaar ministerie verdacht de advocaat daarbij van opzettelijke valsheid in geschrifte om de kredietverlening te bewerkstelligen.

Het verwijt was dat de advocaat de legal opinions en de certificaten opzettelijk onjuist heeft opgesteld om op die manier te verdoezelen dat er wel toestemming nodig was en dat die toestemming niet was gegeven. Volgens het hof is niet komen vast te staan dat de advocaat dat opzettelijk heeft gedaan. Dat betekent dat, wat er van het handelen van de advocaat ook zij, hij van het strafrechtelijke verwijt van valsheid in geschrifte wordt vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^