Oplegging geldboete wegens het opzettelijk vangen van een beschermde inheemse vogel

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2029

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 11 februari 2013 te Gennep tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op en/of in de omgeving van een gebied gelegen aan de Siebengewaldseweg, al dan niet opzettelijk, een putter, althans een of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of bemachtigd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

  1. De zich in het dossier bevindende (kleuren-)foto’s, afdrukken van door verbalisant met betrekking tot het plegen van het delict genomen video-opnamen, zijn te onscherp om de daarop vastgelegde personen te kunnen identificeren. Verdachte ontkent dat hij een van die personen is. De verklaring van de verbalisant dat de personen op de foto’s op het politiebureau te Gennep zijn geïdentificeerd als verdachte en zijn broer, is mede gelet op het ontbreken van een opgemaakt proces-verbaal van die identificering, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
  2. De gevangen vogel is niet meer aangetroffen en de foto’s geven geen uitsluitsel of het inderdaad een putter was. Alleen de verklaring van de verbalisant over zijn waarneming dat het een putter was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
  3. De broer van verdachte is voor hetzelfde feit en op grond van een identiek dossier (onherroepelijk) vrijgesproken. Bij een veroordeling in de onderhavige zaak zou sprake zijn van rechtsongelijkheid.

Het hof overweegt als volgt.

Ad 1. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verbalisant (BOA) gehoord over zijn waarnemingen en over de identificatie van de verdachte.

Hij heeft onder meer verklaard dat:

  • Hij zich deze zaak nog goed kan herinneren;
  • Hij een tip had ontvangen dat er een vangnet/mistnet was opgesteld;
  • Hij daar vervolgens in totaal drie dagen heeft gepost, waarbij hij zich op een afstand van 20-30 meter van het vangnet bevond en waarbij hij de bij dat vangnet aanwezige personen duidelijk heeft kunnen waarnemen met behulp van zijn Swarovski 8x42 verrekijker;
  • Hij met zijn Lumix filmcamera beeldopnames heeft gemaakt van die bij het vangnet aanwezige personen, waarvan hij enkele foto’s heeft gemaakt en aan het dossier heeft toegevoegd;
  • Hij na de tweede actiedag met de foto’s naar het politiebureau te Gennep is gegaan en dat tijdens een briefing op die foto’s verdachte, zijn jongere broer en hun vader zijn herkend door de gebiedsbrigadier en de BOA-coördinator;
  • Hij op de derde dag, 11 februari 2013, bij het vangnet dezelfde personen zag die hij de eerdere dagen bij het vangnet had gezien, welke personen hem toen bekend waren als de broers van verdachte. Die twee personen zijn hem op enig moment tot op zeer korte afstand genaderd. Hij heeft hun gezichten toen goed kunnen zien;
  • Die twee personen toen de vangnetten vangklaar opgesteld hebben en er vervolgens een putter in het vangnet is gevlogen. De putter is vervolgens uit het net gehaald en door beiden meegenomen;
  • Verdachte, enkele weken later (hof: volgens het proces-verbaal: op 5 maart 2013) op het politiebureau als verdachte heeft gehoord en dat hij hem toen herkende als betrokkene bij het vangen van de putter;
  • Hij de verdachte die nu voor het hof is verschenen zonder enige twijfel herkent als verdachte, zijnde een van de personen die hij bij de vangnetten heeft gezien.

Uit deze verklaring volgt dat verbalisant op basis van eigen waarneming verdachte zowel tijdens het politieverhoor als ter terechtzitting in hoger beroep heeft herkend als één van de betrokkenen bij het vangen van de putter. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van deze waarnemingen. Deze waarnemingen bevestigen de herkenning van verdachte door de gebiedsbrigadier en de BOA-coördinator op de foto’s tijdens de briefing na de tweede postdag. Uit het onderzoek is het hof niet gebleken dat de foto’s zodanig onduidelijk zijn geweest dat een herkenning van onder meer de verdachte op die foto’s niet mogelijk zou zijn.

Ad. 2 Zonder nadere onderbouwing, valt niet in te zien waarom de als bewijs gebezigde verklaring van de verbalisant waarin hij uiteenzet waarom hij tot de conclusie komt dat de gevangen vogel een putter is (blz 3 van het proces-verbaal van 25 april 2013), als bewijs voor dit onderdeel onvoldoende zou zijn. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de waarneming van de verbalisant te twijfelen.

Ad 3. De vrijspraak van de broer van verdachte door de economische politierechter te Roermond d.d. 18 september 2014 voor (kennelijk) het onderhavige feit, maakt het oordeel van het hof niet anders.

Het hof verwerpt de verweren.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000.

Het hof heeft bij de straftoemeting enerzijds in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte een beschermde inheemse vogel heeft gevangen waardoor deze vogel uit zijn natuurlijke leefomgeving is gehaald.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft afvalstoffen vanuit Nederland naar Duitsland vervoerd, zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3582 De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij gesteld dat de als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie dient te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EG-verordening Overbrenging Van Afvalstoffen en dat voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan „illegale overbrenging” in de zin van artikel 2 onder 35 van die verordening irrelevant is of op haar in dit geval de verplichting rustte om van de overbrenging van deze afvalstof kennis te geven aan de betrokken bevoegde autoriteit dan wel voor de vereiste toestemming te zorgen. Daarbij heeft de advocaat-generaal verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012, ECLI: BX5023, waaruit volgens hem volgt dat het verbod op overbrenging zonder kennisgeving dan wel toestemming geldt voor eenieder en niet alleen voor de vervoerder of kennisgever. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gesteld dat verdachte had moeten nagaan of de vereiste omgevingsvergunning aanwezig was. De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten opzettelijk heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij het volgende aangevoerd. De als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie is geen afvalstof in de zin van de EVOA, maar een dierlijk bijproduct. Op de overbrenging van dierlijke bijproducten is de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing, zodat er geen kennisgevingsplicht of toestemmingsvereiste geldt. In elk geval mocht verdachte erop vertrouwen dat de betreffende substantie geen afvalstof was, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Bovendien heeft verdachte, die enkel transporteur was van de betreffende substantie, niet te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA. Verdachte was dus niet gehouden om kennis te geven en toestemming te krijgen, zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen. Hierbij merkte de raadsman op dat het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012 in dezen geen betekenis toekomt omdat het betrekking heeft op de oude EVOA. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat betrokkene een milieuvergunning had die de mogelijkheid kende om dierlijke bijproducten op te slaan. Dat is wat verdachte bij betrokkene heeft gedaan. Van het oprichten of veranderen van de inrichting is dan ook geen sprake.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof -grotendeels met de rechtbank- als volgt.

De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Het hof neemt bij de beantwoording van deze vraag als uitgangspunt de definitie van het begrip afvalstoffen zoals deze is opgenomen in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer. Ingevolge dit artikel wordt onder afvalstoffen verstaan: “alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moest ontdoen”. Deze definitie komt overeen met het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) (zie considerans 10). De vraag of er sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met in achtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen zijn, over de vraag wanneer (niet langer) sprake is van een afvalstof, enkele criteria opgenomen. Ingevolge artikel 5 van voornoemde Kaderrichtlijn is een voorwerp of stof een productresidu of een (dierlijk) bijproduct en derhalve geen afvalstof, als ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;
  2. de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;
  3. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en
  4. verder gebruik is rechtmatig (de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en leidt niet tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid).

Het hof stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat houder bedrijf B.V. zich van de betreffende substantie, die voor haar een negatieve waarde had, wilde ontdoen. Daarmee is volgens het hof sprake van een afvalstof (vgl. Hof EU 18 april 2002 Palin Granit ECLI:EU:2002:232). Bovendien stelt het hof vast dat niet is voldaan aan de voorwaarden 2 en 3 gesteld in artikel 5 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Het zuiveringsslib of de bruine eimix waarom het in dit geval gaat, is immers niet een integraal onderdeel van de productie van eieren zoals die bij bedrijf B.V. plaatsvindt, maar het resultaat van een zuiveringsproces van (al) het water dat vrijkomt bij de bedrijfsprocessen van bedrijf en dat hiertoe in een zuiveringsinstallatie wordt gevoerd. In deze installatie wordt het water behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, teneinde de organische fractie uit het water te scheiden dan wel te verminderen. Hiermee is deze substantie volgens het hof ook niet te vergelijken met het separatorslib uit de melkverwerking, bedoeld in artikel 10, onder e, of de bijproducten van eieren, met inbegrip van eierschalen, bedoeld in artikel 10, onder k sub ii, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten, waarnaar de raadsman in zijn pleidooi heeft verwezen.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat er eveneens geen sprake is van een afvalstof nu er sprake is van een nuttige toepassing, is het hof van oordeel dat daarmee wordt miskend dat zelfs wanneer een stof een volledige nuttige toepassing krijgt, zij toch als afvalstof kan worden beschouwd wanneer de houder zich ervan ontdoet of het voornemen of de verplichting heeft zich ervan te ontdoen. Van ontdoen door bedrijf was in dit geval sprake. Naar het oordeel van het hof dient de betreffende substantie te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EVOA, zodat voor de overbrenging van deze stof van Nederland naar Duitsland kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde autoriteit noodzakelijk was.

De (meer) subsidiaire stelling van de raadsman dat verdachte enkel transporteur was van de betreffende substantie en niet heeft te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA, zodat niet kan worden bewezen dat zij geen kennis heeft gegeven aan dan wel geen toestemming heeft verkregen van de betrokken autoriteiten, faalt om de volgende redenen.

Volgens de Hoge Raad in zijn door de advocaat-generaal aangehaalde arrest van 30 oktober 2012 richt het in artikel 10.60 Wet milieubeheer in verbinding met artikel 26 EVOA-oud vervatte verbod zich niet exclusief op "de kennisgever". Volgens de Hoge Raad houden die artikelen in dat het aan een ieder is verboden om afvalstoffen over te brengen, wanneer niet de voorgeschreven kennisgeving is verricht door de kennisgever dan wel de instemming van de bevoegde autoriteiten ontbreekt. Deze uitleg strookt volgens de Hoge Raad niet alleen met de bewoordingen van artikel 26 EVOA-oud maar ook met de strekking van die bepaling. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat deze uitleg ook gelding heeft voor het begrip illegale overbrenging in artikel 2 onder 35 van de huidige EVOA. Bij vergelijking van de boven aangehaalde definities van respectievelijk sluikhandel en illegale overbrenging en ook overigens blijkt uit niets dat de Europese wetgever het verbod van illegale overbrenging heeft willen beperken tot een kleinere groep van normadressaten dan onder de oude EVOA het geval was. Dit zou immers afbreuk doen aan de effectiviteit van het verbod.1 Aan het woordje ‘elke’ in art. 26 EVOA-oud moet volgens het hof in dezen geen bijzondere betekenis worden gehecht. Voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde is dus irrelevant of zij in dezen als “kennisgever” is aan te merken.

Geen medeplegen

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat de verdachte zo nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt, dat van medeplegen kan worden gesproken. In zoverre zal de verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Opzet

De volgende vraag is of de feiten al dan niet opzettelijk zijn gepleegd. In dat kader acht het hof het volgende van belang.

Verdachte drijft een onderneming die zich al jaren op een bedrijfsmatige wijze bezighoudt met de handel in en het transport van stoffen uit de agrarische industrie, waaronder de door haar zo genoemde “bruine eimix”. Op een gegeven moment werd duidelijk dat deze substantie niet meer kon worden afgezet in de diervoedingsindustrie. Verdachte wist dat bedrijf B.V. zich ervan wilde ontdoen en bereid was om voor de afvoer ervan te betalen. Gezien deze omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen en rustte op haar de plicht om op dat moment na te (doen) gaan of het een afvalstof in de zin van de EVOA betrof. Door ieder onderzoek na te laten, heeft verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door haar vervoerde substantie een afvalstof in de zin van de EVOA betrof, voor de overbrenging waarvan kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde autoriteit was vereist. Dat die kans aanmerkelijk was, blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.

Feit 4

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is geen sprake van een dierlijk bijproduct maar van een bedrijfsafvalstof. Voor het opslaan en overslaan daarvan was ingevolge het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist. Vaststaat dat verdachte de “bruine eimix” bij betrokkene opsloeg en dat zij niet over een omgevingsvergunning beschikte. Op verdachte rustte bij de gegeven stand van zaken de plicht na te gaan of de betrokken substantie, die niet meer als diervoeder bruikbaar was, (inmiddels) moest worden aangemerkt als afval en of de opslag ervan een vergunningplichtige activiteit betrof. Door ieder onderzoek na te laten en mede gelet op haar positie als professioneel handelaar en transporteur in agrarische stoffen, heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het een vergunningplichtige activiteit betrof. Dat die kans aanmerkelijk was blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.

Bewezenverklaring

  • Feit 1, 2 en 3: opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gesteld verbod, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling oplichting Belastingdienst

Gerechtshof Den Haag 22 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1228 en ECLI:NL:GHDHA:2015:1229 Verdachte heeft (met zijn bedrijven) gedurende een ruime periode de Belastingdienst opgelicht, door met opzet k.o.t. voor vraagouders aan te (laten) vragen terwijl hij wist dat zij daar geen, of minder dan aangevraagd, recht op hadden. Om de oplichting te kunnen plegen heeft de verdachte (met zijn bedrijven) een veelvoud aan documenten vervalst. De vervalste documenten heeft de verdachte in bedrijfsadministraties opgenomen. Tenslotte heeft de verdachte een gewoonte gemaakt van het witwassen van de uitgekeerde toeslagen.

Wijzigingen tenlastelegging

De raadsvrouw van de verdachte heeft conform de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde, en in het dossier gevoegde, pleitnotities – zakelijk weergegeven - het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie met de wijzigingen van de tenlastelegging op 14 november 2014 en 17 april 2015 heeft gehandeld in strijd met een goede procesorde. Het OM heeft met de wijzigingen van de tenlastelegging volgens de verdediging een beperking van de tenlastelegging bewerkstelligd die in feite neerkomt op een intrekking van de tenlastelegging met betrekking tot feiten waarvan de verdediging meent dat daarvoor vrijgesproken moet worden. Door op deze wijze te handelen wordt de verdachte de mogelijkheid om zich naar behoren te verdedigen ontnomen, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging verzoekt de verdachte vrij te spreken van de (naar het hof begrijpt: oorspronkelijke) tenlastelegging. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw het hof hierover een overweging ten overvloede op te nemen in het arrest.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De wijzigingen van de tenlastelegging zoals die door de advocaat-generaal zijn gevorderd op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 november 2014 en 17 april 2015 – kort gezegd het woord “waaronder” te vervangen door “te weten” - zijn op grond van het bepaalde in artikel 313, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegestaan en reeds door het hof toegewezen.

Het hof ziet geen grond om buiten de tenlastelegging die daardoor thans ter beoordeling voorligt een overweging ten overvloede in dit arrest op te nemen.

Het verweer wordt verworpen.

Geldigheid van de dagvaarding

Feiten 1 en 5

De raadsvrouw van de verdachte heeft het verweer gevoerd dat de tenlastelegging partieel nietig dient te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het onder 1 en 5 ten laste gelegde, ook na de wijzigingen in hoger beroep, onvoldoende feitelijk, innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk is. Het genoemde geldbedrag zou, volgens eerdere mededelingen van het openbaar ministerie, de reikwijdte van het strafrechtelijke verwijt begrenzen. Dit bedrag zou alleen zien op de categorieën I, II en III (categorieën betreffende geregistreerd zijn en betreffende verklaringen omtrent het gedrag), terwijl de in de tenlastelegging met naam genoemde zaken ook categorie IV (een categorie betreffende uren en tarieven) omvatten.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt. Het hof is van oordeel dat het onder 1 en 5 tenlastegelegde een voldoende duidelijke omschrijving bevat van hetgeen de verdachte wordt verweten, zodat de verdachte wist, zoals ook ter terechtzitting is gebleken, waartegen hij zich moet verweren. De dagvaarding voldoet derhalve aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Feit 2

Het hof zal gelet op de hierna te nemen beslissing om proceseconomische redenen niet nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is betoogd strekkende tot nietigverklaring van de dagvaarding voor wat betreft de term ‘omzetten’ bij het onder 2 ten laste gelegde.

Deelvrijspraken

Zowel uit de dossierstukken als uit het verhandelde ter terechtzittingen blijkt dat de verdachte in feite verweten wordt dat hij met de aanvraagformulieren (en wijzigingsformulieren) ter zake van de kinderopvangtoeslag (hierna: k.o.t.) die naar de Belastingdienst zijn gestuurd, de werkelijkheid anders zou hebben voorgedaan dan zij was, zodat de Belastingdienst is bewogen tot afgifte van geldbedragen in het kader van toeslag op grond van de Wet kinderopvang. Niets wijst er op dat de Belastingdienst (of de Staat der Nederlanden of de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) naar aanleiding van iets anders dan die formulieren (bijvoorbeeld de telefoongesprekken) tot afgifte van geldbedragen kon overgaan of is overgegaan.

Beoordeeld moet worden of en in hoeverre door middel van (c.q. aan de hand van) de aanvraagformulieren (en wijzigingsformulieren) ter zake van de kinderopvangtoeslag een valse voorstelling van zaken is gegeven. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

Ter zake van de verklaringen omtrent het gedrag

De k.o.t. aanvraagformulieren vragen niet naar VOG’s. Daar heeft de verdachte ook niets over bijgeschreven op de formulieren. Reeds daarom is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bij de aanvraag k.o.t. of een wijziging k.o.t. de Belastingdienst in dit opzicht heeft misleid.

Dat contractueel gezien zonder VOG de gastouder niet had mogen oppassen of de inschrijving bij het gastouderbureau niet voltooid was, betekent niet dat de verdachte het jegens de Belastingdienst (of de Staat of de minister) deed voorkomen of de gastouder in het bezit was van een VOG.

Ter zake van de registratie

De verdachte heeft [gastouderbureau A] pas in september 2006 bij de gemeente aangemeld. Op 15 november 2006 is [gastouderbureau A] geregistreerd. Vraagouders konden dus al in 2006 met [gastouderbureau A] van een geregistreerd gastouderbureau gebruik maken, zodat zij de vraag daarover (vraag 4a op de papieren k.o.t. formulieren) naar waarheid met “Ja” konden beantwoorden. Echter, de vraag (vraag 11a op de papieren k.o.t. formulieren): “Heeft u één of meer kinderen die, op de datum waarop u wilt dat de toeslag ingaat, gebruikmaken van geregistreerde kinderopvang”, moest met “Nee” worden beantwoord indien voor een datum eerder dan 15 november 2006 toeslag werd aangevraagd. Omdat de Belastingdienst van de juistheid van de antwoorden uitging (en uit moest kunnen gaan) voor de beslissing over de voorschottoekenning, is een ander antwoord misleidend jegens de Belastingdienst.

De digitale aanvragen die zich in het dossier bevinden, bieden onvoldoende aanknopingspunt voor het bewijs dat op een vraag naar registratie vanaf de datum ingang toeslag, onjuist – en daarmee misleidend – is geantwoord. Immers, op de prints van de digitale formulieren die zich het dossier bevinden, staat slechts de tekst “17. Aanvrager.maaktGebruikVanGeregistree J”. Zoals hiervoor is overwogen is ‘J’ (het hof begrijpt: ‘Ja”) voor 2006 t/m 2008 juist en dus niet vals.

Ter zake van het opgegeven aantal uren waarvoor toeslag werd aangevraagd, heeft het hof in aanmerking genomen dat de regelgeving destijds toeliet dat k.o.t. werd gegeven voor uren waarop daadwerkelijk werd opgepast, dus ook voor de uren waarop oppas nodig was vanwege andere bezigheden van de vraagouders dan arbeid. Het enkele feit dat er door vraagouders minder uren arbeid werd verricht dan waarvoor k.o.t. werd aangevraagd is daarom op zichzelf onvoldoende om de tenlastegelegde oplichting of valsheid in geschrift vast te stellen.

Opzet op wederrechtelijke bevoordeling

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het oplichten van de Belastingdienst voor zover dit ziet op de periode waarin [gastouderbureau A] nog niet als gastouderbureau geregistreerd stond. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de ontvangen bedragen, al voor het begin van de strafrechtelijke verdenking zijn terugbetaald. De verdachte heeft derhalve nimmer opzet op de wederrechtelijke bevoordeling gehad.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande het volgende.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij de Belastingdienst heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen in het kader van k.o.t. Daartoe behoren ook de voorschotten k.o.t. De verdachte heeft opzettelijk onjuiste informatie aan de Belastingdienst verstrekt (of laten verstrekken), zoals een te groot aantal oppasuren tegen een te hoog tarief. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst in het kader van k.o.t. de (eerst als voorschot) uit te keren geldbedragen bepaald en uitbetaald. Aldus heeft wederrechtelijke bevoordeling plaatsgevonden. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of opzet op de wederrechtelijke bevoordeling aanwezig was, het hof heeft te beoordelen of de verdachte bewust onjuiste informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt, terwijl hij wist dat dit zou leiden tot afgifte van geldbedragen. De omstandigheid dat de verdachte naar de vraagouders gecommuniceerd zou hebben dat de hoeveelheid uren en daarmee het recht op k.o.t. (pas) aan het eind van het jaar definitief vastgesteld zou worden, maakt niet dat de Belastingdienst niet door de onjuiste opgaven is bewogen tot afgifte van geldbedragen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 2 primair: Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.
  • Feit 3: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
  • Feit 6 primair: Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

OVAR?

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, met name ten aanzien van de registratiedatum. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onder de gegeven omstandigheden de verdachte ervan uit kon gaan dat de gedane aanvragen k.o.t. toelaatbaar waren. De verdachte heeft immers geïnformeerd naar de mogelijkheden voor het aanvragen van k.o.t. met terugwerkende kracht en op basis van die informatie de conclusie getrokken dat het aanvragen van k.o.t. met terugwerkende kracht zou zijn toegestaan.

Het hof stelt het volgende vast. De verdachte heeft pas in september 2006 een meldingsformulier gastouderbureau ingevuld. Hij wist dus dat [gastouderbureau A] pas daarna geregistreerd kon zijn. Terwijl vanaf een eerder moment k.o.t. werd aangevraagd heeft de verdachte op het (papieren) aanvraagformulier geen “Nee” geantwoord (of laten antwoorden) op de vraag of het een geregistreerd gastouderbureau betrof op de datum vanaf wanneer k.o.t. werd aangevraagd (vraag 11a).

Uit niets blijkt dat de gemeente Gorinchem hem gezegd heeft dat hij met terugwerkende kracht geregistreerd was. Ook blijkt niet dat de Belastingdienst hem heeft gezegd dat vraag 11a op het formulier niet met “Nee” moest worden beantwoord. Evenmin is gebleken dat een andere instantie (met zodanig gezag dat de verdachte in redelijkheid op diens mededelingen mocht vertrouwen) bij de verdachte op enige wijze het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het gastouderbureau met terugwerkende kracht geregistreerd stond.

Onder voormelde omstandigheden komt de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe. Het feit dat de verdachte op het meldingsformulier aan de gemeente heeft ingevuld “met terugwerkende kracht vanaf 2006” doet hier niet aan af. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De raadsvrouw heeft ter zake van het witwassen aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege de kwalificatie uitsluitingsgrond (witwassen van eigen misdrijf). Dit verweer gaat niet op, nu in de onderhavige zaak niet het voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen gelden is bewezenverklaard, maar het overdragen daarvan. Dit kwalificeert als witwassen.

Er is voorts geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een werkstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 75.000.

Lees hier en hier de de volledige uitspraken.

 

Print Friendly and PDF ^

Horen van getuige door opsporingsambtenaren buiten aanwezigheid van de verdediging. Hof: handelen OvJ dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1855

Op 25 oktober 2012 is onder leiding van de officier van justitie mr. S.A.L. Kuipers een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van de niet-natuurlijke dood van slachtoffer 1 op die dag te Venlo. Op 7 mei 2013 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd:

  • opzettelijke uitlokking van de moord op voornoemde slachtoffer 1 (feit 1 primair) dan wel de moord op die slachtoffer 1 (feit 1 subsidiair);
  • opzettelijke uitlokking van de poging tot moord op slachtoffer 2 (feit 2 primair) dan wel de poging tot moord op slachtoffer 2 (feit 2 subsidiair).

Bij voornoemde dagvaarding is het voornemen van de officier van justitie om onmiddellijk, nadat de zaak is voorgedragen, schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te vorderen (artikel 282 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering) kenbaar gemaakt.

De eerste terechtzitting van de rechtbank heeft plaatsgehad op 22 augustus 2013. De verdachte bevond zich toen in voorlopige hechtenis. Op de daarop volgende terechtzitting van 1 november 2013 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren tegen verdachte. Vervolgens is op verzoek van de verdediging een terechtzitting gehouden op 25 februari 2014. Op die zitting heeft de verdediging de rechtbank verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De rechtbank heeft toen het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 19 maart 2014, op welke zitting de zaak direct andermaal is onderbroken tot de terechtzitting van 2 april 2014. Op die laatste zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft het openbaar ministerie bij vonnis van 2 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van verdachte naar aanleiding van het na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting door opsporingsambtenaren op 5 en 6 november 2013 verhoren van de getuige 1 buiten aanwezigheid van de verdediging, terwijl die getuige op 7 november 2013 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord zou worden, en de rol van de zaaksofficier hierin.

De rechtbank heeft bij de beoordeling voorop gesteld dat bij de beslissingen over de voorlopige hechtenis van verdachte de verklaring van de getuige 1 in het kader van de ernstige bezwaren een grote, zo niet doorslaggevende rol heeft gespeeld en dat de officier van justitie zich daar ook van bewust was. Niet alleen is getuige 1 een cruciale getuige maar ook een getuige met wier nader verhoor (en de daaruit voortvloeiende verklaring) uiterst behoedzaam omgegaan diende te worden. Door het laten plaatsvinden van de verhoren van de getuige 1 op 5 en 6 november 2013 heeft de officier van justitie zich rechtstreeks gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank zou gaan uitvoeren en dat na herhaalde bezwaren daartegen van de verdediging. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie geen bevredigende uitleg heeft gegeven over de noodzaak van de nadere, geheime, politieverhoren buiten aanwezigheid van de verdediging en vóór het verhoor bij de rechter-commissaris en evenmin ook maar een begin van een aanvaardbare uitleg heeft gegeven over het niet tevoren informeren van de verdediging en de rechtbank over die verhoren en het door de officier van justitie niet informeren van de rechter-commissaris over het feit dat de rechtbank niet op de hoogte was van de geplande verhoren. Een en ander laat, naar het oordeel van de rechtbank, geen andere conclusie toe dan dat de officier van justitie bewust de verdediging uit de politieverhoren heeft willen weren, waarbij zij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen door zich geen rekenschap te geven van de positie van de verdediging en haar belangen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een nader verhoor van de getuige 1, waarbij de belangen van verdachte ten volle tot hun recht zouden kunnen komen, niet meer tot de mogelijkheden behoort.

In haar eindconclusie komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarheidsvinding ter terechtzitting ernstig is bemoeilijkt doordat de officier van justitie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. De rechtbank beslist dan het openbaar ministerie het vervolgingsrecht te ontzeggen omdat:

  • het belang van het geschonden voorschrift - de waarheidsvinding door het ongemoeid laten van deze bijzondere getuige - in de zaak tegen verdachte bijzonder groot is;
  • de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk en blijvend in zijn belangen is geschaad en nadeel lijdt omdat hij op onherstelbare wijze beknot is in zijn verdediging en ondervragingsrecht;
  • het verzuim bijzonder ernstig is nu de verdediging bewust van de nadere verhoren is geweerd en de verdediging opzettelijk in het ongewisse is gelaten, en
  • door de handelwijze van de officier van justitie het wettelijk systeem in de kern geraakt is.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft op 11 april 2014 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De omvang van het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in stand moet blijven.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verlangd dat, indien het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie beslist en het vonnis van de rechtbank vernietigt, het hof de zaak niet zelf afdoet maar deze zal terugwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond.

De verdediging heeft – indien het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie beslist en het vonnis van de rechtbank vernietigt – betoogd dat het hof de zaak zelf afdoet en de verdachte, ten gevolge van de door de verdediging bepleite uitsluiting van de getuigenverklaringen van getuige 1 voor het bewijs, zal vrijspreken van het ten laste gelegde wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend overig bewijs. Indien het hof de verdediging hier niet in volgt, heeft de verdediging betoogd dat het hof de zaak dan niet zelf afdoet maar deze zal terugwijzen naar de rechtbank opdat de zaak door de rechtbank in volle omvang zal worden behandeld.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank.

De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat:

  • hoewel het minder wenselijk is dat de getuige 1 buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord kort voorafgaand aan haar reeds geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, geen sprake is van enig vormverzuim;
  • indien deze handelwijze van de officier van justitie wel als een vormverzuim kan worden bestempeld, geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim;
  • indien het hof mocht oordelen dat wel sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, aangezien geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces (Zwolsman) en evenmin het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd in de kern is aangetast (Karman).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in stand dient te blijven. Hiertoe is aangevoerd dat:

  • de criteria ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing zijn omdat het vormverzuim niet in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de beslissingen van het openbaar ministerie mitsdien moeten worden getoetst aan de beginselen van een behoorlijke procesorde;
  • indien het hof van oordeel mocht zijn dat de beslissingen van het openbaar ministerie wel getoetst dienen te worden aan artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, ook dan is voldaan aan de vereisten voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Oordeel hof t.a.v. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof stelt voorop dat onrechtmatig optreden van opsporings- en vervolgingsambtenaren onder bepaalde omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde kan opleveren dat zulks tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien – ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden – sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van de vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

Het hof heeft in hoger beroep in het bijzonder onderzocht de gang van zaken rond het, buiten aanwezigheid van de verdediging, door de politie horen van de getuige 1 op 5 en 6 november 2013 – derhalve kort voorafgaand aan haar geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 7 november 2013 – en de daaraan ten grondslag liggende motieven.

Het hof stelt vast dat het, na het verhoor van getuige 1 op 21 maart 2013 in Letland, steeds het voornemen van de officier van justitie is geweest om de getuige, voorafgaand aan, na of naast een verhoor door de rechter-commissaris, buiten aanwezigheid van de verdediging in Nederland te laten horen door opsporingsambtenaren. In dat voornemen is geen wijziging gekomen door de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 22 augustus 2013. De rechter-commissaris en de verdediging waren daarmee bekend, immers op 29 augustus 2013 heeft de verdediging zich tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek te bevorderen dat (onder meer) deze getuige voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris, niet meer buiten aanwezigheid van de verdediging gehoord zal worden, welk verzoek de rechter-commissaris op 3 oktober 2013 heeft afgewezen met de navolgende overweging:

“Niet valt in te zien waarom de goede procesorde zou worden verstoord bij het horen van deze verdachten/getuigen buiten aanwezigheid van de rechter-commissaris en van de verdediging, mits de verdediging inzage krijgt in de processen-verbaal van deze verhoren zodra deze beschikbaar zijn vóórdat de verdediging zelf in de gelegenheid wordt gesteld deze verdachten ten overstaan van de rechter-commissaris vragen te stellen”.

De vaststelling van de rechtbank dat de officier van justitie de verdediging bewust uit de politieverhoren heeft willen weren is dus juist. De officier van justitie heeft daarbij gehandeld overeenkomstig voornoemde beslissing van de rechter-commissaris en heeft de verdediging (zij het erg kort) voorafgaand aan het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris de processen-verbaal van de verhoren op 5 en 6 november 2013 ter beschikking gesteld. Dat dat handelen van de officier van justitie was gebaseerd op een bewuste processtrategie harerzijds die enkel tot doel had om de verdediging zoveel mogelijk buiten spel te zetten om daarmee voor zichzelf een zo hoog mogelijk bewijsrechtelijk rendement te verzekeren en om de getuige “te bewerken”, zoals door de verdediging is aangevoerd, is evenwel niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie eenvoudigweg uitvoering gegeven aan haar voornemen, zoals hiervoor weergegeven. Het hof merkt nog op dat de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van verdachte ter terechtzitting van 1 november 2013 was opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren geen rol gespeeld kán hebben in de beslissing van de officier van justitie om de getuige op 5 en 6 november 2013 door opsporingsambtenaren te laten verhoren, omdat die verhoren al voor 1 november 2013 waren gepland. De door de verdediging gestelde bewijsnood aan de zijde van de officier van justitie -zo al juist - kan dan ook geen motivering voor haar handelen zijn geweest.

Het wettelijk systeem in de kern geraakt?

Zoals hiervoor reeds overwogen, waren de verdediging en de rechter-commissaris op de hoogte van bedoeld voornemen van de officier van justitie. Het hof stelt voorts vast dat zowel voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting als daarna de verdediging zich tot de rechter-commissaris heeft gewend met haar bezwaren tegen dat voornemen en de rechter-commissaris daarop heeft beslist. Hieruit volgt dat zowel de officier van justitie als de verdediging als de rechter-commissaris laatstgenoemde - en dus niet de rechtbank - als “leidend” zagen in het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek. Voorts heeft de verdediging noch ter terechtzitting van 22 augustus 2013 noch ter terechtzitting van 1 november 2013 de beslissingen van de rechter-commissaris op haar bezwaren aan de orde gesteld. Het hof kan zich onder die omstandigheden niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de officier van justitie zich door de verhoren van de getuige op 5 en 6 november 2013 door de politie, voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris op 7 november 2013, op onrechtmatige wijze rechtstreeks heeft gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank uitvoerde, dit na herhaald bezwaar van de verdediging, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Daarbij merkt het hof nog op dat ook de rechtbank op grond van het procesdossier kennis had van de procedurele gang van zaken als hiervoor weergegeven en evenmin de wijze waarop invulling werd gegeven aan de rol van de rechter-commissaris in het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld en ook zelf nog steeds ter terechtzitting sprak over de voltooiing van het voorbereidend onderzoek.

Waarom de verdediging er geen rekening mee hoefde te houden dat nadere politieverhoren van de getuige tussen 1 en 7 november 2013 zouden plaatsvinden, zoals de rechtbank heeft overwogen, ziet het hof niet in.

Niet informeren door officier van justitie

Het hof is van oordeel dat het onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig van de officier van justitie is geweest dat zij de rechtbank (en dus ook de verdediging) ter terechtzitting van 1 november 2013 niet heeft geïnformeerd over de verhoren van de getuige op 5 en 6 november 2013. De door haar daarvoor gegeven redenen leiden niet tot een ander oordeel. In de gegeven omstandigheden, te weten het door de officier van justitie “varen op het kompas van de rechter-commissaris”, kan dit handelen, naar het oordeel van het hof, evenwel niet worden aangemerkt als een bewuste misleiding van de rechtbank en de verdediging, waarbij de officier van justitie zich geen rekenschap heeft gegeven van de positie van de verdediging en haar belangen, zoals door de rechtbank is overwogen. Dat de rechter-commissaris niet geïnformeerd was over vorenstaande is een uitvloeisel van dit een en ander en leidt niet tot een ander oordeel.

Gevolgen voor de waarheidsvinding

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige met waarborgen omkleed is geweest. De getuige heeft voorafgaand aan het verhoor met een advocaat gesproken, er was een tolk aanwezig bij het verhoor en ook een gedragsdeskundige. Van het verhoor zijn audiovisuele opnamen gemaakt.

Het hof ziet, anders dan de rechtbank, niet in waarom onderhavige politieverhoren de waarheidsvinding zouden hebben belemmerd en een nader verhoor van de getuige, waarbij de belangen van de verdachte ten volle tot hun recht zouden kunnen komen, niet meer tot de mogelijkheden behoort. Deze zaak onderscheidt zich daarin niet van andere zaken, waarin immers vaker getuigen (en ook getuigen wier verklaringen cruciaal zijn en waarmee behoedzaam dient te worden omgegaan) door opsporingsambtenaren (langdurig) worden gehoord buiten aanwezigheid van de verdediging van een verdachte. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat de wet niet voorschrijft dat de verdediging bij verhoren door de politie van getuigen aanwezig mag/moet zijn.

Het hof stelt vast dat de verdediging van de audiovisuele opnamen van de verhoren kennis kon en kan nemen alsook van de schriftelijke vastlegging daarvan en de gang van zaken tijdens die verhoren dus kon en kan controleren. Het hof neemt wel aan dat de verdediging in onderhavige zaak onvoldoende voorbereidingstijd had voor het verhoor van de getuige bij de rechter-commissaris, maar in dat geval had (een verzoek tot) uitstel in de rede gelegen. De getuige kan nog steeds worden bevraagd door de verdediging, immers niet is gebleken of aannemelijk geworden dat een latere bevraging van de getuige door de verdediging niet mogelijk zou zijn. Het hof verenigt zich dan ook niet met het oordeel van de rechtbank dat door het handelen van de officier van justitie de waarheidsvinding ernstig is bemoeilijkt en de verdediging is beknot in het verdedigings- en ondervragingsrecht.

Conclusie

Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het handelen van de officier van justitie -hoewel onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig op het punt van het niet (volledig) informeren van de rechtbank, de verdediging en de rechter-commissaris- niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging jegens verdachte.

Tot slot merkt het hof nog op dat het niet toekomt aan de bespreking van de stelling van de verdediging omtrent het door de politie stellen van “sturende” vragen aan de getuige en aan de getuige schutter 1. De beoordeling daarvan behoort toe aan de feitenrechter die de verklaringen van die getuigen zal waarderen.

Gevolg van de vernietiging van het vonnis

Nu de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en de vernietiging van het vonnis tot gevolg moet hebben dat de hoofdzaak alsnog moet worden onderzocht, en nu de advocaat-generaal terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft verlangd, zal het hof de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechtbank.

Voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep – zoals de verdediging heeft betoogd en welk betoog in de visie van de verdediging tot vrijspraak moet leiden – is gelet op de vordering van de advocaat-generaal, in welke vorm dan ook, geen plaats.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen: niet kan worden vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn uit het oplichten van de Belastingdienst (fraude met kinderopvangtoeslag)

Gerechtshof Den Haag 22 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1227

In eerste aanleg is verdachte voor witwassen veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de geldbedragen die worden toegeschreven aan respectievelijk [gastouderbureau I], [holding I] en [stichting I] van misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van de geldbedragen van € 40.000,-, € 10.000,- en € 70.000,- overweegt het hof het volgende. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de laatste betaling van kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst dateert van 5 november 2008 en dat op 10 november 2008 beslag is gelegd op de bankrekeningen van de aan de medeverdachte gelieerde B.V.’s. Voornoemde bedragen zijn op de rekening van [gastouderbureau A] bijgeschreven (en later doorgestort naar de verdachte) nadat de Belastingdienst was gestopt met het uitkeren van kinderopvangtoeslag en nadat beslag was gelegd op de betreffende bankrekeningen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat meergenoemde geldbedragen afkomstig zijn uit het oplichten van de Belastingdienst. Van een andere criminele herkomst is het hof niet gebleken.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^