Horen van getuige door opsporingsambtenaren buiten aanwezigheid van de verdediging. Hof: handelen OvJ dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1855

Op 25 oktober 2012 is onder leiding van de officier van justitie mr. S.A.L. Kuipers een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van de niet-natuurlijke dood van slachtoffer 1 op die dag te Venlo. Op 7 mei 2013 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd:

  • opzettelijke uitlokking van de moord op voornoemde slachtoffer 1 (feit 1 primair) dan wel de moord op die slachtoffer 1 (feit 1 subsidiair);
  • opzettelijke uitlokking van de poging tot moord op slachtoffer 2 (feit 2 primair) dan wel de poging tot moord op slachtoffer 2 (feit 2 subsidiair).

Bij voornoemde dagvaarding is het voornemen van de officier van justitie om onmiddellijk, nadat de zaak is voorgedragen, schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te vorderen (artikel 282 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering) kenbaar gemaakt.

De eerste terechtzitting van de rechtbank heeft plaatsgehad op 22 augustus 2013. De verdachte bevond zich toen in voorlopige hechtenis. Op de daarop volgende terechtzitting van 1 november 2013 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren tegen verdachte. Vervolgens is op verzoek van de verdediging een terechtzitting gehouden op 25 februari 2014. Op die zitting heeft de verdediging de rechtbank verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De rechtbank heeft toen het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 19 maart 2014, op welke zitting de zaak direct andermaal is onderbroken tot de terechtzitting van 2 april 2014. Op die laatste zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft het openbaar ministerie bij vonnis van 2 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van verdachte naar aanleiding van het na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting door opsporingsambtenaren op 5 en 6 november 2013 verhoren van de getuige 1 buiten aanwezigheid van de verdediging, terwijl die getuige op 7 november 2013 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord zou worden, en de rol van de zaaksofficier hierin.

De rechtbank heeft bij de beoordeling voorop gesteld dat bij de beslissingen over de voorlopige hechtenis van verdachte de verklaring van de getuige 1 in het kader van de ernstige bezwaren een grote, zo niet doorslaggevende rol heeft gespeeld en dat de officier van justitie zich daar ook van bewust was. Niet alleen is getuige 1 een cruciale getuige maar ook een getuige met wier nader verhoor (en de daaruit voortvloeiende verklaring) uiterst behoedzaam omgegaan diende te worden. Door het laten plaatsvinden van de verhoren van de getuige 1 op 5 en 6 november 2013 heeft de officier van justitie zich rechtstreeks gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank zou gaan uitvoeren en dat na herhaalde bezwaren daartegen van de verdediging. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie geen bevredigende uitleg heeft gegeven over de noodzaak van de nadere, geheime, politieverhoren buiten aanwezigheid van de verdediging en vóór het verhoor bij de rechter-commissaris en evenmin ook maar een begin van een aanvaardbare uitleg heeft gegeven over het niet tevoren informeren van de verdediging en de rechtbank over die verhoren en het door de officier van justitie niet informeren van de rechter-commissaris over het feit dat de rechtbank niet op de hoogte was van de geplande verhoren. Een en ander laat, naar het oordeel van de rechtbank, geen andere conclusie toe dan dat de officier van justitie bewust de verdediging uit de politieverhoren heeft willen weren, waarbij zij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen door zich geen rekenschap te geven van de positie van de verdediging en haar belangen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een nader verhoor van de getuige 1, waarbij de belangen van verdachte ten volle tot hun recht zouden kunnen komen, niet meer tot de mogelijkheden behoort.

In haar eindconclusie komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarheidsvinding ter terechtzitting ernstig is bemoeilijkt doordat de officier van justitie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. De rechtbank beslist dan het openbaar ministerie het vervolgingsrecht te ontzeggen omdat:

  • het belang van het geschonden voorschrift - de waarheidsvinding door het ongemoeid laten van deze bijzondere getuige - in de zaak tegen verdachte bijzonder groot is;
  • de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk en blijvend in zijn belangen is geschaad en nadeel lijdt omdat hij op onherstelbare wijze beknot is in zijn verdediging en ondervragingsrecht;
  • het verzuim bijzonder ernstig is nu de verdediging bewust van de nadere verhoren is geweerd en de verdediging opzettelijk in het ongewisse is gelaten, en
  • door de handelwijze van de officier van justitie het wettelijk systeem in de kern geraakt is.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft op 11 april 2014 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De omvang van het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in stand moet blijven.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verlangd dat, indien het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie beslist en het vonnis van de rechtbank vernietigt, het hof de zaak niet zelf afdoet maar deze zal terugwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond.

De verdediging heeft – indien het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie beslist en het vonnis van de rechtbank vernietigt – betoogd dat het hof de zaak zelf afdoet en de verdachte, ten gevolge van de door de verdediging bepleite uitsluiting van de getuigenverklaringen van getuige 1 voor het bewijs, zal vrijspreken van het ten laste gelegde wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend overig bewijs. Indien het hof de verdediging hier niet in volgt, heeft de verdediging betoogd dat het hof de zaak dan niet zelf afdoet maar deze zal terugwijzen naar de rechtbank opdat de zaak door de rechtbank in volle omvang zal worden behandeld.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank.

De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat:

  • hoewel het minder wenselijk is dat de getuige 1 buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord kort voorafgaand aan haar reeds geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, geen sprake is van enig vormverzuim;
  • indien deze handelwijze van de officier van justitie wel als een vormverzuim kan worden bestempeld, geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim;
  • indien het hof mocht oordelen dat wel sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, aangezien geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces (Zwolsman) en evenmin het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd in de kern is aangetast (Karman).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in stand dient te blijven. Hiertoe is aangevoerd dat:

  • de criteria ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing zijn omdat het vormverzuim niet in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de beslissingen van het openbaar ministerie mitsdien moeten worden getoetst aan de beginselen van een behoorlijke procesorde;
  • indien het hof van oordeel mocht zijn dat de beslissingen van het openbaar ministerie wel getoetst dienen te worden aan artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, ook dan is voldaan aan de vereisten voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Oordeel hof t.a.v. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof stelt voorop dat onrechtmatig optreden van opsporings- en vervolgingsambtenaren onder bepaalde omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde kan opleveren dat zulks tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien – ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden – sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van de vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

Het hof heeft in hoger beroep in het bijzonder onderzocht de gang van zaken rond het, buiten aanwezigheid van de verdediging, door de politie horen van de getuige 1 op 5 en 6 november 2013 – derhalve kort voorafgaand aan haar geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 7 november 2013 – en de daaraan ten grondslag liggende motieven.

Het hof stelt vast dat het, na het verhoor van getuige 1 op 21 maart 2013 in Letland, steeds het voornemen van de officier van justitie is geweest om de getuige, voorafgaand aan, na of naast een verhoor door de rechter-commissaris, buiten aanwezigheid van de verdediging in Nederland te laten horen door opsporingsambtenaren. In dat voornemen is geen wijziging gekomen door de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 22 augustus 2013. De rechter-commissaris en de verdediging waren daarmee bekend, immers op 29 augustus 2013 heeft de verdediging zich tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek te bevorderen dat (onder meer) deze getuige voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris, niet meer buiten aanwezigheid van de verdediging gehoord zal worden, welk verzoek de rechter-commissaris op 3 oktober 2013 heeft afgewezen met de navolgende overweging:

“Niet valt in te zien waarom de goede procesorde zou worden verstoord bij het horen van deze verdachten/getuigen buiten aanwezigheid van de rechter-commissaris en van de verdediging, mits de verdediging inzage krijgt in de processen-verbaal van deze verhoren zodra deze beschikbaar zijn vóórdat de verdediging zelf in de gelegenheid wordt gesteld deze verdachten ten overstaan van de rechter-commissaris vragen te stellen”.

De vaststelling van de rechtbank dat de officier van justitie de verdediging bewust uit de politieverhoren heeft willen weren is dus juist. De officier van justitie heeft daarbij gehandeld overeenkomstig voornoemde beslissing van de rechter-commissaris en heeft de verdediging (zij het erg kort) voorafgaand aan het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris de processen-verbaal van de verhoren op 5 en 6 november 2013 ter beschikking gesteld. Dat dat handelen van de officier van justitie was gebaseerd op een bewuste processtrategie harerzijds die enkel tot doel had om de verdediging zoveel mogelijk buiten spel te zetten om daarmee voor zichzelf een zo hoog mogelijk bewijsrechtelijk rendement te verzekeren en om de getuige “te bewerken”, zoals door de verdediging is aangevoerd, is evenwel niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie eenvoudigweg uitvoering gegeven aan haar voornemen, zoals hiervoor weergegeven. Het hof merkt nog op dat de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van verdachte ter terechtzitting van 1 november 2013 was opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren geen rol gespeeld kán hebben in de beslissing van de officier van justitie om de getuige op 5 en 6 november 2013 door opsporingsambtenaren te laten verhoren, omdat die verhoren al voor 1 november 2013 waren gepland. De door de verdediging gestelde bewijsnood aan de zijde van de officier van justitie -zo al juist - kan dan ook geen motivering voor haar handelen zijn geweest.

Het wettelijk systeem in de kern geraakt?

Zoals hiervoor reeds overwogen, waren de verdediging en de rechter-commissaris op de hoogte van bedoeld voornemen van de officier van justitie. Het hof stelt voorts vast dat zowel voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting als daarna de verdediging zich tot de rechter-commissaris heeft gewend met haar bezwaren tegen dat voornemen en de rechter-commissaris daarop heeft beslist. Hieruit volgt dat zowel de officier van justitie als de verdediging als de rechter-commissaris laatstgenoemde - en dus niet de rechtbank - als “leidend” zagen in het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek. Voorts heeft de verdediging noch ter terechtzitting van 22 augustus 2013 noch ter terechtzitting van 1 november 2013 de beslissingen van de rechter-commissaris op haar bezwaren aan de orde gesteld. Het hof kan zich onder die omstandigheden niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de officier van justitie zich door de verhoren van de getuige op 5 en 6 november 2013 door de politie, voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris op 7 november 2013, op onrechtmatige wijze rechtstreeks heeft gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank uitvoerde, dit na herhaald bezwaar van de verdediging, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Daarbij merkt het hof nog op dat ook de rechtbank op grond van het procesdossier kennis had van de procedurele gang van zaken als hiervoor weergegeven en evenmin de wijze waarop invulling werd gegeven aan de rol van de rechter-commissaris in het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld en ook zelf nog steeds ter terechtzitting sprak over de voltooiing van het voorbereidend onderzoek.

Waarom de verdediging er geen rekening mee hoefde te houden dat nadere politieverhoren van de getuige tussen 1 en 7 november 2013 zouden plaatsvinden, zoals de rechtbank heeft overwogen, ziet het hof niet in.

Niet informeren door officier van justitie

Het hof is van oordeel dat het onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig van de officier van justitie is geweest dat zij de rechtbank (en dus ook de verdediging) ter terechtzitting van 1 november 2013 niet heeft geïnformeerd over de verhoren van de getuige op 5 en 6 november 2013. De door haar daarvoor gegeven redenen leiden niet tot een ander oordeel. In de gegeven omstandigheden, te weten het door de officier van justitie “varen op het kompas van de rechter-commissaris”, kan dit handelen, naar het oordeel van het hof, evenwel niet worden aangemerkt als een bewuste misleiding van de rechtbank en de verdediging, waarbij de officier van justitie zich geen rekenschap heeft gegeven van de positie van de verdediging en haar belangen, zoals door de rechtbank is overwogen. Dat de rechter-commissaris niet geïnformeerd was over vorenstaande is een uitvloeisel van dit een en ander en leidt niet tot een ander oordeel.

Gevolgen voor de waarheidsvinding

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige met waarborgen omkleed is geweest. De getuige heeft voorafgaand aan het verhoor met een advocaat gesproken, er was een tolk aanwezig bij het verhoor en ook een gedragsdeskundige. Van het verhoor zijn audiovisuele opnamen gemaakt.

Het hof ziet, anders dan de rechtbank, niet in waarom onderhavige politieverhoren de waarheidsvinding zouden hebben belemmerd en een nader verhoor van de getuige, waarbij de belangen van de verdachte ten volle tot hun recht zouden kunnen komen, niet meer tot de mogelijkheden behoort. Deze zaak onderscheidt zich daarin niet van andere zaken, waarin immers vaker getuigen (en ook getuigen wier verklaringen cruciaal zijn en waarmee behoedzaam dient te worden omgegaan) door opsporingsambtenaren (langdurig) worden gehoord buiten aanwezigheid van de verdediging van een verdachte. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat de wet niet voorschrijft dat de verdediging bij verhoren door de politie van getuigen aanwezig mag/moet zijn.

Het hof stelt vast dat de verdediging van de audiovisuele opnamen van de verhoren kennis kon en kan nemen alsook van de schriftelijke vastlegging daarvan en de gang van zaken tijdens die verhoren dus kon en kan controleren. Het hof neemt wel aan dat de verdediging in onderhavige zaak onvoldoende voorbereidingstijd had voor het verhoor van de getuige bij de rechter-commissaris, maar in dat geval had (een verzoek tot) uitstel in de rede gelegen. De getuige kan nog steeds worden bevraagd door de verdediging, immers niet is gebleken of aannemelijk geworden dat een latere bevraging van de getuige door de verdediging niet mogelijk zou zijn. Het hof verenigt zich dan ook niet met het oordeel van de rechtbank dat door het handelen van de officier van justitie de waarheidsvinding ernstig is bemoeilijkt en de verdediging is beknot in het verdedigings- en ondervragingsrecht.

Conclusie

Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het handelen van de officier van justitie -hoewel onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig op het punt van het niet (volledig) informeren van de rechtbank, de verdediging en de rechter-commissaris- niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging jegens verdachte.

Tot slot merkt het hof nog op dat het niet toekomt aan de bespreking van de stelling van de verdediging omtrent het door de politie stellen van “sturende” vragen aan de getuige en aan de getuige schutter 1. De beoordeling daarvan behoort toe aan de feitenrechter die de verklaringen van die getuigen zal waarderen.

Gevolg van de vernietiging van het vonnis

Nu de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en de vernietiging van het vonnis tot gevolg moet hebben dat de hoofdzaak alsnog moet worden onderzocht, en nu de advocaat-generaal terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft verlangd, zal het hof de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechtbank.

Voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep – zoals de verdediging heeft betoogd en welk betoog in de visie van de verdediging tot vrijspraak moet leiden – is gelet op de vordering van de advocaat-generaal, in welke vorm dan ook, geen plaats.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF