Veroordeling oplichting Belastingdienst

Gerechtshof Den Haag 22 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1228 en ECLI:NL:GHDHA:2015:1229 Verdachte heeft (met zijn bedrijven) gedurende een ruime periode de Belastingdienst opgelicht, door met opzet k.o.t. voor vraagouders aan te (laten) vragen terwijl hij wist dat zij daar geen, of minder dan aangevraagd, recht op hadden. Om de oplichting te kunnen plegen heeft de verdachte (met zijn bedrijven) een veelvoud aan documenten vervalst. De vervalste documenten heeft de verdachte in bedrijfsadministraties opgenomen. Tenslotte heeft de verdachte een gewoonte gemaakt van het witwassen van de uitgekeerde toeslagen.

Wijzigingen tenlastelegging

De raadsvrouw van de verdachte heeft conform de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde, en in het dossier gevoegde, pleitnotities – zakelijk weergegeven - het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie met de wijzigingen van de tenlastelegging op 14 november 2014 en 17 april 2015 heeft gehandeld in strijd met een goede procesorde. Het OM heeft met de wijzigingen van de tenlastelegging volgens de verdediging een beperking van de tenlastelegging bewerkstelligd die in feite neerkomt op een intrekking van de tenlastelegging met betrekking tot feiten waarvan de verdediging meent dat daarvoor vrijgesproken moet worden. Door op deze wijze te handelen wordt de verdachte de mogelijkheid om zich naar behoren te verdedigen ontnomen, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging verzoekt de verdachte vrij te spreken van de (naar het hof begrijpt: oorspronkelijke) tenlastelegging. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw het hof hierover een overweging ten overvloede op te nemen in het arrest.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De wijzigingen van de tenlastelegging zoals die door de advocaat-generaal zijn gevorderd op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 november 2014 en 17 april 2015 – kort gezegd het woord “waaronder” te vervangen door “te weten” - zijn op grond van het bepaalde in artikel 313, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegestaan en reeds door het hof toegewezen.

Het hof ziet geen grond om buiten de tenlastelegging die daardoor thans ter beoordeling voorligt een overweging ten overvloede in dit arrest op te nemen.

Het verweer wordt verworpen.

Geldigheid van de dagvaarding

Feiten 1 en 5

De raadsvrouw van de verdachte heeft het verweer gevoerd dat de tenlastelegging partieel nietig dient te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het onder 1 en 5 ten laste gelegde, ook na de wijzigingen in hoger beroep, onvoldoende feitelijk, innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk is. Het genoemde geldbedrag zou, volgens eerdere mededelingen van het openbaar ministerie, de reikwijdte van het strafrechtelijke verwijt begrenzen. Dit bedrag zou alleen zien op de categorieën I, II en III (categorieën betreffende geregistreerd zijn en betreffende verklaringen omtrent het gedrag), terwijl de in de tenlastelegging met naam genoemde zaken ook categorie IV (een categorie betreffende uren en tarieven) omvatten.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt. Het hof is van oordeel dat het onder 1 en 5 tenlastegelegde een voldoende duidelijke omschrijving bevat van hetgeen de verdachte wordt verweten, zodat de verdachte wist, zoals ook ter terechtzitting is gebleken, waartegen hij zich moet verweren. De dagvaarding voldoet derhalve aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Feit 2

Het hof zal gelet op de hierna te nemen beslissing om proceseconomische redenen niet nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is betoogd strekkende tot nietigverklaring van de dagvaarding voor wat betreft de term ‘omzetten’ bij het onder 2 ten laste gelegde.

Deelvrijspraken

Zowel uit de dossierstukken als uit het verhandelde ter terechtzittingen blijkt dat de verdachte in feite verweten wordt dat hij met de aanvraagformulieren (en wijzigingsformulieren) ter zake van de kinderopvangtoeslag (hierna: k.o.t.) die naar de Belastingdienst zijn gestuurd, de werkelijkheid anders zou hebben voorgedaan dan zij was, zodat de Belastingdienst is bewogen tot afgifte van geldbedragen in het kader van toeslag op grond van de Wet kinderopvang. Niets wijst er op dat de Belastingdienst (of de Staat der Nederlanden of de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) naar aanleiding van iets anders dan die formulieren (bijvoorbeeld de telefoongesprekken) tot afgifte van geldbedragen kon overgaan of is overgegaan.

Beoordeeld moet worden of en in hoeverre door middel van (c.q. aan de hand van) de aanvraagformulieren (en wijzigingsformulieren) ter zake van de kinderopvangtoeslag een valse voorstelling van zaken is gegeven. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

Ter zake van de verklaringen omtrent het gedrag

De k.o.t. aanvraagformulieren vragen niet naar VOG’s. Daar heeft de verdachte ook niets over bijgeschreven op de formulieren. Reeds daarom is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bij de aanvraag k.o.t. of een wijziging k.o.t. de Belastingdienst in dit opzicht heeft misleid.

Dat contractueel gezien zonder VOG de gastouder niet had mogen oppassen of de inschrijving bij het gastouderbureau niet voltooid was, betekent niet dat de verdachte het jegens de Belastingdienst (of de Staat of de minister) deed voorkomen of de gastouder in het bezit was van een VOG.

Ter zake van de registratie

De verdachte heeft [gastouderbureau A] pas in september 2006 bij de gemeente aangemeld. Op 15 november 2006 is [gastouderbureau A] geregistreerd. Vraagouders konden dus al in 2006 met [gastouderbureau A] van een geregistreerd gastouderbureau gebruik maken, zodat zij de vraag daarover (vraag 4a op de papieren k.o.t. formulieren) naar waarheid met “Ja” konden beantwoorden. Echter, de vraag (vraag 11a op de papieren k.o.t. formulieren): “Heeft u één of meer kinderen die, op de datum waarop u wilt dat de toeslag ingaat, gebruikmaken van geregistreerde kinderopvang”, moest met “Nee” worden beantwoord indien voor een datum eerder dan 15 november 2006 toeslag werd aangevraagd. Omdat de Belastingdienst van de juistheid van de antwoorden uitging (en uit moest kunnen gaan) voor de beslissing over de voorschottoekenning, is een ander antwoord misleidend jegens de Belastingdienst.

De digitale aanvragen die zich in het dossier bevinden, bieden onvoldoende aanknopingspunt voor het bewijs dat op een vraag naar registratie vanaf de datum ingang toeslag, onjuist – en daarmee misleidend – is geantwoord. Immers, op de prints van de digitale formulieren die zich het dossier bevinden, staat slechts de tekst “17. Aanvrager.maaktGebruikVanGeregistree J”. Zoals hiervoor is overwogen is ‘J’ (het hof begrijpt: ‘Ja”) voor 2006 t/m 2008 juist en dus niet vals.

Ter zake van het opgegeven aantal uren waarvoor toeslag werd aangevraagd, heeft het hof in aanmerking genomen dat de regelgeving destijds toeliet dat k.o.t. werd gegeven voor uren waarop daadwerkelijk werd opgepast, dus ook voor de uren waarop oppas nodig was vanwege andere bezigheden van de vraagouders dan arbeid. Het enkele feit dat er door vraagouders minder uren arbeid werd verricht dan waarvoor k.o.t. werd aangevraagd is daarom op zichzelf onvoldoende om de tenlastegelegde oplichting of valsheid in geschrift vast te stellen.

Opzet op wederrechtelijke bevoordeling

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het oplichten van de Belastingdienst voor zover dit ziet op de periode waarin [gastouderbureau A] nog niet als gastouderbureau geregistreerd stond. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de ontvangen bedragen, al voor het begin van de strafrechtelijke verdenking zijn terugbetaald. De verdachte heeft derhalve nimmer opzet op de wederrechtelijke bevoordeling gehad.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande het volgende.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij de Belastingdienst heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen in het kader van k.o.t. Daartoe behoren ook de voorschotten k.o.t. De verdachte heeft opzettelijk onjuiste informatie aan de Belastingdienst verstrekt (of laten verstrekken), zoals een te groot aantal oppasuren tegen een te hoog tarief. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst in het kader van k.o.t. de (eerst als voorschot) uit te keren geldbedragen bepaald en uitbetaald. Aldus heeft wederrechtelijke bevoordeling plaatsgevonden. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of opzet op de wederrechtelijke bevoordeling aanwezig was, het hof heeft te beoordelen of de verdachte bewust onjuiste informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt, terwijl hij wist dat dit zou leiden tot afgifte van geldbedragen. De omstandigheid dat de verdachte naar de vraagouders gecommuniceerd zou hebben dat de hoeveelheid uren en daarmee het recht op k.o.t. (pas) aan het eind van het jaar definitief vastgesteld zou worden, maakt niet dat de Belastingdienst niet door de onjuiste opgaven is bewogen tot afgifte van geldbedragen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 2 primair: Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.
  • Feit 3: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
  • Feit 6 primair: Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

OVAR?

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, met name ten aanzien van de registratiedatum. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onder de gegeven omstandigheden de verdachte ervan uit kon gaan dat de gedane aanvragen k.o.t. toelaatbaar waren. De verdachte heeft immers geïnformeerd naar de mogelijkheden voor het aanvragen van k.o.t. met terugwerkende kracht en op basis van die informatie de conclusie getrokken dat het aanvragen van k.o.t. met terugwerkende kracht zou zijn toegestaan.

Het hof stelt het volgende vast. De verdachte heeft pas in september 2006 een meldingsformulier gastouderbureau ingevuld. Hij wist dus dat [gastouderbureau A] pas daarna geregistreerd kon zijn. Terwijl vanaf een eerder moment k.o.t. werd aangevraagd heeft de verdachte op het (papieren) aanvraagformulier geen “Nee” geantwoord (of laten antwoorden) op de vraag of het een geregistreerd gastouderbureau betrof op de datum vanaf wanneer k.o.t. werd aangevraagd (vraag 11a).

Uit niets blijkt dat de gemeente Gorinchem hem gezegd heeft dat hij met terugwerkende kracht geregistreerd was. Ook blijkt niet dat de Belastingdienst hem heeft gezegd dat vraag 11a op het formulier niet met “Nee” moest worden beantwoord. Evenmin is gebleken dat een andere instantie (met zodanig gezag dat de verdachte in redelijkheid op diens mededelingen mocht vertrouwen) bij de verdachte op enige wijze het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het gastouderbureau met terugwerkende kracht geregistreerd stond.

Onder voormelde omstandigheden komt de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe. Het feit dat de verdachte op het meldingsformulier aan de gemeente heeft ingevuld “met terugwerkende kracht vanaf 2006” doet hier niet aan af. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De raadsvrouw heeft ter zake van het witwassen aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege de kwalificatie uitsluitingsgrond (witwassen van eigen misdrijf). Dit verweer gaat niet op, nu in de onderhavige zaak niet het voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen gelden is bewezenverklaard, maar het overdragen daarvan. Dit kwalificeert als witwassen.

Er is voorts geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een werkstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 75.000.

Lees hier en hier de de volledige uitspraken.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF