Van rechtmatigheid naar doelmatigheid: de ultimum remedium-gedachte in het bijzonder

Binnen het strafrecht wordt de ultimum remedium-gedachte van oudsher breed omarmd. Het is een belangrijk onderdeel van de invloedrijke strafrechtstheorie van Beccaria,[1] en Modderman positioneerde deze gedachte als dominant ‘beginsel’ bij de totstandbrenging van het Wetboek van Strafrecht in 1886. De gedachte brengt een zuinig en terughoudend gebruik van het strafrecht met zich, omdat het gebruik van het strafrecht als probleemoplossend instrument een zware belasting oplevert voor (verdachte) natuurlijke personen of rechtspersonen. Daarnaast zijn de maatschappelijke (financiële) kosten van strafrechtelijk optreden hoog, en is capaciteit in de strafrechtketen schaars.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Strafrecht als ultimum of optimum remedium. Heeft de ultimum remedium-gedachte dan toch haar beste tijd gehad?

Het strafrecht wordt van oudsher gekenschetst als ultimum remedium, ook wel het ultima ratio- of subsidiariteitsbeginsel genoemd, waarmee de gedachte tot uitdrukking wordt gebracht dat het strafrecht moet worden beschouwd als laatste redmiddel en daarom niet lichtvaardig mag worden ingezet. In 2012 hield de auteur de ultimum remedium-gedachte al eens tegen het licht met het oog op de beantwoording van de vraag of de ultimum remedium-gedachte een relict uit het verleden was of nog altijd de nodige normatieve zeggingskracht had. Die beschouwing mondde uit in de conclusie dat dit laatste toch wel degelijk het geval was, maar dat de ultimum remedium-gedachte in het licht van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen wel aan verandering onderhevig was. Hierbij kende de auteur  met name betekenis toe aan de opkomende veiligheidscultuur, de opkomst van en de verhouding met het punitief bestuursrecht en de proliferatie van Europeesrechtelijke verplichtingen die verplichten tot de inzet van het strafrecht. Wie de situatie anno 2025 beziet, treft een goeddeels vergelijkbaar beeld aan, in de zin dat voornoemde ontwikkelingen als zodanig nog onverminderd opgeld doen en de geldingskracht van de ultimum remedium-gedachte tot op zekere hoogte beïnvloeden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Het kleurloos opzet: geen vrijbrief voor lichtvaardig bewijs

Een veelgelezen rechtsoverweging in de feitenrechtspraak binnen het economisch strafrecht is dat kan worden volstaan met kleurloos opzet. Deze overweging heeft echter geen toegevoegde waarde. In het commune strafrecht geldt immers hetzelfde criterium. Het opzet van de verdachte hoeft niet gericht te zijn op de wederrechtelijkheid van zijn gedrag ('boos opzet'). Toch wordt in de praktijk aan de term kleurloos opzet een onjuiste, afgezwakte betekenis gegeven. Dit leidt tot een te snelle (en daarmee onterechte) aanname van opzet in het economisch strafrecht.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Een goed begin is het halve werk: van fiscale fraudemelding tot strafrechtelijk onderzoek

Dat fiscale fraude wordt bestreden, moge bekend zijn. Belastingfraude ondermijnt de samenleving en zowel de Belastingdienst, de FIOD als het Openbaar Ministerie zetten zich in om deze vorm van fraude te onderzoeken en aan te pakken. Gezamenlijk beschikken de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie over diverse mogelijkheden om hieraan uitvoering te geven. Fiscale fraude kan bestuursrechtelijk worden aangepakt door de Belastingdienst, bijvoorbeeld door het opleggen van vergrijpboetes. Het Openbaar Ministerie kan overgaan tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek en tot strafrechtelijke vervolging, wat bij een uiteindelijke veroordeling voor fiscale fraude kan leiden tot andere strafmodaliteiten, zoals een gevangenisstraf of een taakstraf.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Btw in de advocatuur: wie is de afnemer van de dienst?

Deze bijdrage vormt een uitwerking van een discussiemiddag van de Nederlandse Vereniging van Advocaten-Belastingkundigen en het Functioneel Parket. Tijdens die middag werd het debat gevoerd over de tenaamstelling van en omschrijvingen op declaraties van advocaten in het licht van btw-wetgeving en recente jurisprudentie. Uit de praktijk blijkt dat de tenaamstelling van declaraties en de fiscale en administratieve verantwoording daarvan geregeld onderwerp van geschil zijn tijdens procedures over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand (artikel 530 Sv). Niet gehinderd door specifieke kennis van het straf(proces)recht gaan de auteurs van deze bijdrage in op de btw-technische uitgangspunten van het inschakelen van rechtsbijstand in strafzaken voor de advocaat en cliënt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Fiscale informatieverplichtingen in het ­licht van het nemo tenetur-beginsel: de ­(tussen)stand van zaken

De verwezenlijking van het belastingrecht zou zonder fiscale informatieverplichtingen vrijwel ondenkbaar zijn. De inspecteur, het bestuursorgaan dat belast is met het opleggen van belastingaanslagen, is in belangrijke mate afhankelijk van informatie van en over belastingplichtigen. De Nederlandse belastingwet bevat daarom een hele reeks informatie- en meewerkverplichtingen op grond waarvan de belastingplichtige inlichtingen en inzage moet geven aan de inspecteur. Op de niet-nakoming van deze wettelijke verplichtingen staan sancties van uiteenlopende aard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel 6 EVRM, het nemo tenetur-beginsel en de restrictie bij het afdwingen van wilsafhankelijk materiaal: wie o wie

De rechtsbescherming in het fiscale recht is de afgelopen decennia een regelmatig bediscussieerd onderwerp geweest. Bepalend hiervoor is de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) geweest, waaruit volgt dat het ‘criminal charge’-begrip uit artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) zich ook uitstrekt tot fiscale boetes. Dat heeft gevolgen voor het niveau van de rechtsbescherming die moet worden geboden in fiscale boetezaken. Omdat de waarborgen van artikel 6 EVRM zich echter niet uitstrekken tot de belastingheffing, is het voor de rechtsbescherming van belang om de ene sfeer (belastingheffing) van de andere sfeer (beboeting/strafvervolging) te onderscheiden, zeker in de gevallen dat sprake is van sfeeroverlap.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Tussen belastingmoraal en sanctiearsenaal

Met genoegen presenteer ik u de nieuwe editie van het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving met als thema ‘fiscaal strafrecht’. Hoewel we binnen de redactie nog af en toe discussie voeren over de vraag wat onder de definitie ‘bijzonder strafrecht’ valt, is het fiscale strafrecht daar zonder twijfel onderdeel van. Het onderscheid tussen belastingbesparing, belastingontwijking en belastingfraude is al jaren voer voor discussie. Volgens de hoogste belastingrechter is het streven van de belastingplichtige naar het voor hem meest gunstige belastingtarief nog steeds geoorloofd, mits binnen zekere grenzen. De grens tussen belastingontwijking en belastingfraude blijft desondanks onderwerp van internationaal maatschappelijk debat en ook de wetgever neemt maatregelen om belastingregels in dat kader aan te scherpen. Toch zit tussen belastingontwijking en belastingfraude nog steeds één wezenlijk verschil, namelijk de intentie van de belastingplichtige.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Over de aangifteverplichting, bestraffing en de rol van de uitnodiging

De aangifteplicht staat wellicht wel op nummer één in de top drie van fiscale verplichtingen. In een themanummer over het ‘fiscaal strafrecht’ kan een bijdrage over de belastingaangifte dan ook niet ontbreken. Daarbij neem ik de conclusie van A-G Sinnige van 1 april 2025 tot uitgangspunt, hetgeen ook zorgt voor een afbakening van deze bijdrage. In deze conclusie is onder andere de vraag behandeld of de aanwezigheid van de uitnodiging tot het doen van aangifte vereist is om tot een bewezenverklaring van de fiscale fraudebepaling van artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) – het opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte – te kunnen komen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Strafrecht als ultimum, symbolicum of optimum remedium?

De gedachte dat het strafrecht slechts als uiterste middel mag worden ingezet – de zogeheten ultimum remedium-gedachte – heeft diepe wortels in het Europese rechtsdenken. Die gedachte kan worden teruggevoerd naar denkers als Beccaria uit de vroege Verlichting die een rationeel strafrecht voorstonden met een beperkte omvang, borging van de individuele vrijheid van (verdachte) burgers en proportionele straffen. Beccaria pleitte voor een systeem waarbij de wet duidelijk maakt aan welke voorwaarden een gedraging moet voldoen voor zij een strafbaar feit oplevert en welke straf van toepassing is.

Read More
Print Friendly and PDF ^