Veroordeling wegens onrechtmatig bezit en te koop aanbieden van grote hoeveelheid ivoren beeldjes en een bontjas van bedreigde uitheemse diersoorten

Rechtbank Overijssel 18 april 2015, ECLI:NL:RBOVE:2016:1323 Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak bedrijf, gevestigd te woonplaats aan de adres. Hij houdt zich bezig met de in- en verkoop van antieke kunstvoorwerpen. Verdachte handelt voornamelijk via het internet met de domeinnaam website.

Onderzoek

Op 7 januari 2015 heeft de politie een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat via de website tenminste elf vermoedelijk ivoren items en een groepje van zeven bij elkaar horende vermoedelijk ivoren netsuke's (met de hand gesneden gordelknopen) te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze informatie is door de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 op 21 januari 2015 een controle op de legale herkomst van deze vermoedelijk ivoren items bij verdachte thuis uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek onder meer dat:

  • er in meerdere vertrekken in totaal dertig beeldjes van ogenschijnlijk ivoor stonden;
  • verdachte verklaarde dat deze beelden hoofdzakelijk waren gemaakt van olifantenivoor, en een enkele van mammoet- en van walrusivoor;
  • verdachte geen taxatierapporten kon overleggen waarmee aangetoond kon worden dat deze items van vóór 1947 waren;
  • verdachte handtekeningstempels liet zien op de beeldjes waaruit volgens hem zou blijken dat er sprake was van ivoorsnijders van vóór 1947;
  • de totale verkoopwaarde van de vermoedelijk ivoren beeldjes ongeveer € 50.000,-- betrof;
  • verbalisanten diverse van deze beeldjes herkenden als beeldjes die ook op de website website te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze controle is door de genoemde verbalisanten besloten dat een nader onderzoek gewenst was om de herkomst van de vermoedelijk ivoren beeldjes te laten vaststellen. In dat kader was het de bedoeling dat de verzameling beeldjes zou worden beoordeeld door een ivoorexpert van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA).Verdachte zou over de te nemen vervolgstap telefonisch worden benaderd. Verdachte heeft aan de verbalisanten aangegeven dat hij op zoek zou gaan naar een taxateur en dat als het laten taxeren van de beeldjes te duur zou worden, hij die van zijn website zou halen en verder als huisraad onder zich zou gaan houden.

Op 23 maart 2015 is door verbalisant 1 telefonisch contact opgenomen met verdachte, met als doel een afspraak te maken voor een hercontrole samen met een expert van de NVWA. In dat telefoongesprek heeft verdachte meegedeeld dat:

  • hij alle beeldjes naar een veilinghuis in Wenen had gezonden om deze beeldjes daar te laten taxeren op ouderdom;
  • als er door het veilinghuis een redelijke prijs werd geboden het best zou kunnen dat de beeldjes daar bleven en niet meer terugkwamen;
  • hij per e-mail wel aan de verbalisant 1 zou laten weten of de beeldjes getaxeerd waren en of ze terugkwamen;
  • hij niet wilde vertellen welk veilinghuis in Wenen het betrof;
  • hij alleen nog wat houten beeldjes had en langskomen dus geen zin had.

Op 23 maart 2015 is daarom wederom onderzoek gedaan naar de website. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat:

  • op de startpagina stond vermeld bedrijf woonplaats, The Netherlands' en 'Aziatische kunst: Ivoor”;
  • op de startpagina een afbeelding stond van vermoedelijk een ivoren beeldje;
  • indien doorgelinkt werd op deze afbeelding, men terecht kwam op een onderliggende pagina, waar een 80-tal vermoedelijk ivoren beeldjes te koop werd aangeboden;
  • op deze pagina stond vermeld: "!!Alle ivoren kunstvoorwerpen die wij aanbieden zijn toegestaan, volgens de Nederlandse Wetgeving!!".

Op 27 mei 2015 is voornoemde website nogmaals bezocht door verbalisant 1 en daaruit bleek dat er enkele beelden waren verkocht.

Hierop is – na overleg met de officier van justitie – besloten om tweemaal tot pseudokoop over te gaan, namelijk op 29 en 30 juni 2015. Hierbij bleek dat verdachte de beeldjes die waren aangetroffen op 23 maart 2015 nog steeds onder zich had en te koop aanbood. Verdachte heeft op 29 respectievelijk 30 juni 2015 een beeldje aan de pseudokopers verkocht, waarbij het op 29 juni 2015 verkochte beeldje op 30 juni 2015 met bijbetaling van € 150,-- voor een (derde) beeldje werd geruild.

Verdenking

  • Feit 1: op 30 juni 2015 opzettelijk producten van een beschermde uitheemse diersoort, te weten twee beeldjes vervaardigd van olifantenivoor, heeft verkocht of geruild en onder zich heeft gehad;
  • Feit 2: in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 opzettelijk 26 beeldjes van een beschermde uitheemse diersoorten, te weten olifanten-, walrus- en nijlpaardivoor en een bontjas van de diersoort Ocelot in voorraad heeft gehad en ten verkoop heeft aangeboden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. De beeldjes die verdachte heeft verhandeld en te koop heeft aangeboden op zijn website vallen namelijk onder de zogenaamde antiekvrijstellingsregeling, omdat deze beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman tevens betoogd dat de beeldjes genoemd onder de gedachtestreepjes 15 en 16 en 18 t/m 24 niet vervaardigd zijn van ivoor, afkomstig van de beschermde olifant, maar van mammoet. De mammoet is echter uitgestorven en valt dus volgens de raadsman niet meer onder de bescherming van de FFW.

Tenslotte is de bontjas niet te koop aangeboden maar heeft gediend als verfraaiing van verdachtes website. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachtes partner en valt daarmee onder de vrijstelling van art. 11 lid 1 van de regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Wettelijk kader

Op 1 juli 1975 is de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora, ofwel het CITES-Verdrag, in werking getreden. Dit verdrag beoogt wereldwijd de legale handel in wilde dier- en plantensoorten te reguleren om soorten te beschermen tegen overexploitatie en illegale handel tegen te gaan. Het Verdrag is van toepassing op elk dier of elke plant, levend of dood, van een soort die is opgenomen in een Bijlage bij het CITES-Verdrag. Het CITES-Verdrag bevat de Bijlagen I, II en III, waarin zijn opgenomen:

(I) soorten die met uitsterven worden bedreigd,

(II) soorten die zonder maatregelen mogelijk met uitsterven kunnen worden bedreigd en

(III) soorten waarvan één lidstaat de bescherming eist omdat de soort op haar grondgebied wordt bedreigd.

Ter uitvoering van het CITES-Verdrag heeft de Europese Unie de Basisverordening (Verordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het handelsverkeer) uitgevaardigd. De uitvoeringscriteria zijn neergelegd in de Uitvoeringsverordening (Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen (etc.)). De Basisverordening en de Uitvoeringsverordening vormen samen de wettelijke basis voor effectuering van het CITES-Verdrag in de wetgeving van de EU-Lidstaten.

De Basisverordening kent de Bijlagen A, B, C en D, waarin de beschermde soorten worden opgenoemd. In grote lijnen komen Bijlagen A, B en C overeen met Bijlagen I, II, en III van het CITES-Verdrag. Volgens artikel 8, tweede lid van de Basisverordening kunnen de lidstaten het in bezit hebben van beelden, met name van levende dieren die behoren tot de in bijlage A genoemde soorten, verbieden.

In Nederland is het CITES-regime uitgewerkt in de Flora- en Faunawet (FFW) en de op die wet gebaseerde regelgeving.

In artikel 5, tweede lid van de FFW juncto artikel 4, eerste lid, onder a, van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten FFW, worden de diersoorten van Bijlage A van de Basisverordening als beschermde uitheemse diersoorten aangewezen.

Artikel 13, eerste lid, onder a van de FFW verbiedt – onder meer – het onder zich hebben van dieren of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort.

Van dit bezitsverbod is ingevolge artikel 75, tweede, derde en vijfde lid van de FFW bij ministeriële regeling vrijstelling mogelijk, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

De vrijstellingen zijn neergelegd in artikel 11 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten FFW, dat – zakelijk weergegeven – luidt:

  1. van het bezitsverbod geldt een vrijstelling voor dode beelden van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening, indien:
  2. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte beelden betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de Basisverordening (hierna: de antiekvrijstelling);
  3. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de Basisverordening of
  4. kan worden aangetoond dat de beelden overeenkomstig de wet en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

De genoemde antiekvrijstelling, omschreven in art. 2, onder w, van de Basisverordening, ziet op beelden die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van de Basisverordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke beelden gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn. Gelet op de datum van inwerkingtreding van de Basisverordening kunnen beelden alleen onder de antiekregeling vallen indien deze vóór 1947 zijn vervaardigd.

De genoemde vrijstelling voor persoonlijke bezittingen of huisraad, omschreven in artikel 2, onder j, van de Basisverordening ziet op dode beelden alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.

Oordeel rechtbank

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder de feiten 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas

Uit het dossier blijkt dat verdachte de onder feit 1 van de tenlastelegging genoemde ivoren beeldjes op 29 en 30 juni 2015 heeft verkocht c.q. geruild. Ook heeft hij de onder feit 2 genoemde beeldjes in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 als eigenaar onder zich gehad en ten verkoop aangeboden.

Met betrekking tot de antiekvrijstelling

De antiekvrijstelling is van toepassing op specimens die in Bijlage A van de Basisverordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 genoemd worden. De nijlpaard en de walrus worden echter beide in Bijlage B bij genoemde Basisverordening genoemd, zodat deze vrijstelling niet van toepassing is op het beeldje van nijlpaardivoor en het beeldje van walrusivoor, beide vermeld onder feit 2 van de tenlastelegging.

Met betrekking tot de overige beeldjes en de bontjas overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet

‘ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat’ heeft aangetoond dat de onder feit 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas van vóór 1947 stammen. Immers, verdachte is op 21 januari 2015 in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat de beeldjes en de bontjas vóór 1947 zijn vervaardigd, te onderbouwen met taxatierapporten. Bij de controle op 23 maart 2015 bleek hij echter niet in het bezit te zijn van de vereiste taxatierapporten. Ook op 30 juni 2015 waren dergelijke rapporten niet aanwezig.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de antiekvrijstelling.

De rechtbank voegt hier ten overvloede nog het volgende aan toe.

Verdachte heeft op 19 augustus 2015 een 28-tal kopieën van taxatierapporten overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de betreffende beeldjes vóór 1947 zijn vervaardigd. Deze taxatierapporten zijn in de periode van 3 tot 10 augustus 2015 opgemaakt door taxateur. Daarnaast heeft verdachte aangevoerd dat hij uit de handtekeningen die zich op de beeldjes bevinden kan afleiden dat de beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn. Hij

heeft deze handtekeningen jarenlang bestudeerd en hij is overtuigd van de echtheid van deze handtekeningen.

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde delicten niet achteraf ongedaan kunnen worden gemaakt door alsnog taxatierapporten te overleggen. Indien dergelijke rapporten achteraf nog zouden worden geaccepteerd dan zou de beschermende werking van de regeling illusoir worden. De regelgeving bepaalt immers dat de rapporten beschikbaar moeten zijn ten tijde van het voorhanden hebben, te koop aanbieden en verkopen van de beeldjes.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat alleen door de bevoegde nationale autoriteiten erkende documenten als bewijsmiddel gelden voor een beroep op de antiekvrijstelling. De op verzoek van verdachte opgemaakte taxatierapporten van de taxateur kunnen echter niet als zodanig gelden, omdat uit het dossier blijkt dat de Nederlandse autoriteiten deze niet als bewijsmiddel hebben aanvaard. Hetzelfde geldt voor verdachtes beroep op zijn eigen deskundigheid.

De rechtbank merkt gelet op het voorgaande op dat zij nader onderzoek naar de vraag of de beeldjes zijn vervaardigd vóór 1947 niet noodzakelijk acht.

Met betrekking tot de beeldjes van mammoetivoor en het beeldje van onbekend materiaal, vermeld onder feit 2

Ten aanzien van het verweer dat de beeldjes van mammoetivoor en van onbekend materiaal niet onder regelgeving van de FFW vallen overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte deze beeldjes op zijn website heeft aangeboden als olifantenivoor.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in artikel 1 van de FFW is uitgewerkt wat valt onder een product van een dier. Daaronder vallen ook alle zaken waarvan uit de begeleidende documenten, de verpakking, een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van dieren bevatten of daaruit bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieronder ook een vermelding op een website. Door beeldjes van mammoetivoor aan te bieden als olifantenivoor heeft verdachte deze beeldjes onder de reikwijdte van de FFW gebracht en vallen ze onder het regiem van het olifantenivoor. Hetzelfde geldt voor het beeldje van onbekend materiaal, omschreven als “Dierenriembal”.

Met betrekking tot de bontjas van ocelot, vermeld onder feit 2

Verdachte heeft gesteld dat de bontjas van ocelot niet te koop is aangeboden maar ter verfraaiing van zijn website op deze site stond vermeld. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachte’s partner.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het dossier blijkt dat voornoemde bontmantel in de tenlastegelegde periode duidelijk gecatalogiseerd door middel van verschillende foto’s met daarbij een prijsbepaling is weergegeven op de website van verdachte. De andere voorwerpen die te koop stonden op dezelfde website, zijn door verdachte op dezelfde manier aangeprezen. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte ook de bontmantel van ocelot ten verkoop heeft aangeboden. Het verweer hieromtrent wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 120 uur op.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Top Chemie-Pack in hoger beroep opnieuw veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen

In het hoger beroep van de strafzaak naar aanleiding van de brand bij het bedrijf Chemie-Pack in januari 2011 in Moerdijk, zijn de directeur en 2 leidinggevenden van Chemie-Pack veroordeeld tot taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De directeur en de veiligheidscoördinator moeten een taakstraf verrichten van 216 uur. De productieleider is veroordeeld tot een taakstraf van 162 uur. Daarnaast zijn de directeur en de veiligheidscoördinator veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en de productieleider tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Aan de directeur en de veiligheidscoördinator is ook een beroepsverbod voor 2 jaar opgelegd. Het bedrijf Chemie-Pack krijgt een geldboete van 730.000 euro. Ook de rechtbank in Breda veroordeelde de 3 leidinggevenden eerder tot taakstraffen, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een beroepsverbod en het bedrijf tot een boete.

Brand

Op 5 januari 2011 veroorzaakte een productiemedewerker van Chemie-Pack brand toen hij op het buitenterrein met een gasbrander een bevroren pomp probeerde te ontdooien. Daarbij ontstond in een lekbak met een restje brandbare stof (xyleen) een brandje dat  oversloeg op daar opgeslagen kunststofcontainers met brandbare stoffen. Er volgde een enorme brand, waarbij omwonenden tot in de wijde omtrek te maken kregen met een grote rookwolk met mogelijk schadelijke stoffen. De brand heeft veel schade aan het milieu aangericht doordat chemische stoffen met het bluswater zijn weggespoeld.

Brand door schuld

Anders dan het Openbaar Ministerie is het gerechtshof evenals de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van opzettelijke brandstichting. Het hof vindt wel dat Chemie-Pack het ontstaan van de brand kan worden verweten. Dat verwijt treft alleen Chemie-Pack als bedrijf en niet de 3 door het OM vervolgde leidinggevenden. Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat zij wisten van de werkwijze met de gasbrander van de werknemer.

Vergunningsvoorschriften overtreden

Het hof is van oordeel dat alle verdachten vergunningsvoorschriften hebben overtreden en onvoldoende oog hebben gehad voor de risico’s die zijn verbonden aan het werken met gevaarlijke stoffen. De bedrijfsleiding moet op de hoogte zijn geweest van de inhoud van de vergunningen, maar toch werden vergunningsvoorschriften overtreden en de risico’s daarvan te laag ingeschat. Zo werden – in verband met ruimtegebrek in de opslaghallen – in strijd met de vergunning grote hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen opgeslagen in kunststof containers (IBC’s) op het buitenterrein, waar onvoldoende blusvoorzieningen aanwezig waren. Hierdoor kon het door de werknemer veroorzaakte brandje overgaan in een enorme vuurzee.

De directeur, de veiligheidscoördinator en de productieleider van Chemie-Pack hebben volgens het hof een groot gebrek aan bewustzijn van de veiligheidsrisico’s laten zien. Het hof rekent dit de leidinggevenden aan, juist omdat Chemie-Pack een zeer risicovol bedrijf was waar veiligheid hoog in het vaandel zou moeten staan.

Geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Het hof is niet tot het opleggen van onvoorwaardelijke gevangenisstraffen gekomen. Dat was wel geëist door het OM. Maar het OM ging uit van opzettelijke brandstichting en dat vindt het hof niet bewezen. Verder hadden de verdachten een blanco strafblad.

Beroepsverbod

Het hof heeft – net als de rechtbank - een beroepsverbod opgelegd aan de directeur en de veiligheidscoördinator. Zij mogen 2 jaar lang geen leidinggevende of anderszins verantwoordelijke positie bekleden in een chemisch bedrijf in de hoogste risicocategorie.

 

De uitspraken zijn nog niet gepubliceerd.

 

Gerelateerde berichten:

 

Print Friendly and PDF ^

Edelchemie Panheel moet kosten vergoeden voor opruimen terrein

Edelchemie Panheel B.V., Phoenica B.V. en hun twee bestuurders moeten de kosten vergoeden die het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft gemaakt om het terrein van de voormalige afvalverwerker aan de Sint Antoniusstraat in Heel op te ruimen. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2016.

Achtergrond

Het provinciebestuur en het gemeentebestuur van Maasgouw besloten op 16 april 2013 bestuursdwang toe te passen. De overheden wilden dat de bedrijven en de bestuurders die op het terrein actief waren binnen 22 weken afvalstoffen, chemicaliën en gevaarlijk afvalwater van het terrein zouden verwijderen. Omdat de bedrijven en de bestuurders niet binnen de termijn alle afvalstoffen hadden verwijderd, besloten de overheden de resterende afvalstoffen zelf te verwijderen en de kosten daarvan op hen te verhalen.

Kosten

Het provinciebestuur en het gemeentebestuur hebben terecht besloten dat het terrein van de voormalige afvalverwerker opgeruimd moest worden. Ze hadden echter niet ook Edelchemie Benelux B.V., haar bestuurder en een werknemer van Phoenica B.V. als overtreders mogen aanmerken op wie de kosten kunnen worden verhaald, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook mocht het provinciebestuur, op wiens kosten het terrein uiteindelijk is opgeruimd, niet de kosten verhalen voor het verwijderen van twee methanoltanks. Edelchemie Panheel B.V., Phoenica B.V. en hun bestuurders, die wel terecht zijn aangemerkt als overtreders, moeten nu het resterende bedrag van bijna € 990.000 terugbetalen aan de provincie Limburg.

Spoedeisende bestuursdwang

Eerder, op 16 augustus 2012, besloot het provinciebestuur om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Het had op 8 augustus 2012 ontdekt dat op het terrein sprake was van een zeer gevaarlijke situatie. Op het terrein werd een grote hoeveelheid afvalstoffen opgeslagen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Op 17 augustus 2012 werd het terrein op last van de provincie afgesloten met een hek. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het provinciebestuur "niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks dat het zelf eerst negen dagen heeft laten verstrijken, de situatie niet toeliet dat Edelchemie een begunstigingstermijn zou worden gegund". Het provinciebestuur had naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak geen spoedeisende bestuursdwang mogen toepassen en had Edelchemie tijd moeten geven om zelf het terrein goed af te sluiten met een hek.

Noodbevel

Op 17 augustus 2012 heeft de burgemeester van Maasgouw een noodbevel gegeven. Op grond hiervan moest het terrein worden afgesloten met een hek en is bewaking ingesteld. Tegen dit besluit was Edelchemie ook in hoger beroep gekomen. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstige vrees voor een ramp bestond die een noodbevel rechtvaardigde. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt hiermee een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg.

Bassins

Voorafgaand aan het bestuursdwangbesluit van 16 april 2013 over het opruimen van het hele terrein, is op 30 augustus 2012 besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen en slib- waterbassins die op het terrein waren achtergebleven te legen en op te ruimen. Dit besluit blijft wel in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Lees de uitspraken met zaaknummers 201500935/1 (bestuursdwang opruimen terrein), 201500937/1 en 201500941/1 (spoedeisende bestuursdwang en noodbevel afsluiten terrein) en 201500935/1 (spoedeisende bestuursdwang slib- en waterbassins).

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon en dierenarts wegens fraude met documenten om Blue Tongue Virus positieve runderen te kunnen exporteren naar het buitenland. Vrijspraak voor directeur.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2961 Verdachte heeft samen met haar mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

De bloedmonsters van deze 50 runderen zijn vervangen door bloedmonsters afkomstig van (een of meer) andere runderen die negatief op het BTV waren getest en die derhalve wel geschikt waren voor genoemde export. De op deze te exporteren runderen betrekking hebbende formulieren zijn vervolgens valselijk door verdachte en haar mededaders opgemaakt. Zij hebben daarop vermeld dat de betreffende runderen, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen, alle BTV vrij waren en hebben de data van monstername van genoemde 50 runderen veranderd. Vervolgens hebben zij opzettelijk van deze formulieren gebruik gemaakt door deze, vergezeld van laatstgenoemde bloedmonsters, te doen toekomen aan het Centraal Instituut voor dierziekte Controle - Lelystad Wageningen UR (thans genaamd het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR), teneinde van dit instituut een rapport te kunnen verkrijgen waarin was vermeld dat al deze runderen BTV vrij waren, om te kunnen bewijzen dat al deze runderen geschikt waren voor de export naar Roemenië. Met dit valse rapport is de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelicht. Door de inhoud van dit rapport is deze autoriteit bewogen tot de afgifte van (een) gezondheidscertific(a)t(en) voor de export van al deze runderen naar Roemenië, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en die derhalve niet geschikt waren voor genoemde export. Vervolgens zijn al deze runderen geëxporteerd naar Roemenië.

Aannemelijk is geworden dat verdachte kort na het ontdekken van de feiten de nodige maatregelen heeft getroffen om soortgelijk handelen als bewezenverklaard te voorkomen.

Toerekening

Medeverdachte was ten tijde van de onder 1A, 2A en 3A gepleegde feiten als inkoopcoördinator in dienstbetrekking bij verdachte. Hij werd binnen het bedrijf niet gecontroleerd en hield geen administratie bij van zijn handelen. Hij had vergaande bevoegdheden om voor het bedrijf te handelen en kon zijn gang gaan. Het handelen van [medeverdachte 3] paste in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het handelen van [medeverdachte3] is verdachte voorts dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Als gevolg van het door het hof bewezen geachte handelen zijn runderen geëxporteerd, een bedrijfsactiviteit van verdachte, die zonder dit handelen niet hadden mogen worden geëxporteerd. De gedragingen van [medeverdachte 3] werden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard. Onder dat aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen van [medeverdachte 3] . Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het onder 1A, 2A en 3A tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1A: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2A: medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon;

Feit 3A: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2960 (vrijspraak directeur)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte in zijn functie van directeur van de rechtspersoon, dan wel in persoon, eerder wetenschap heeft gekregen van, of betrokken is geweest bij, de ten laste gelegde feiten, dan nadat deze feiten door een medewerker van die rechtspersoon en de dierenarts, die in die functie werkzaamheden voor deze rechtspersoon verrichtte, waren gepleegd. Verdachte wordt dan ook van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2959 (veroordeling dierenarts)

Verdachte heeft als dierenarts gefraudeerd met documenten zodat Blue Tongue Virus positieve runderen konden worden geëxporteerd naar het buitenland.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2958

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

Voorts heeft verdachte 5 rapporten van het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR vervalst door daarin enkele positieve uitslagen van bloedonderzoeken van runderen op een specifieke dierziekte te vervalsen in negatieve uitslagen om daarmee aan te kunnen tonen dat deze runderen, die eerder positief op die specifieke dierziekte waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export buiten Nederland, wel geschikt waren voor genoemde export. Van twee van deze vervalste rapporten heeft verdachte vervolgens opzettelijk gebruik gemaakt door deze te overleggen aan de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten einde gezondheidscertificaten voor deze runderen ten behoeve van genoemde export te verkrijgen. Met de vervalste rapporten heeft verdachte deze autoriteit bewogen tot de afgifte van genoemde gezondheidscertificaten.

Verdachte is aan te merken als medepleger van de onder 1A, 2A en 3A ten laste gelegde feiten.

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 5C, 5D en 5E ten laste gelegde nu daarin het bestanddeel "opzettelijk" ontbreekt, zodat het ten laste gelegde niet oplevert enig strafbaar feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2962 (medepleger)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof stelt vast dat verdachte de (mede-)plegers mogelijk heeft uitgelokt tot het plegen van deze gedragingen, maar uitlokking is niet ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Toezicht op het verbod op asbestdaken: schone taak of hopeloze zaak?'

Asbestdaken op woningen en bedrijfspanden moeten vanaf 2024 voorgoed tot het verleden behoren. De 29 omgevingsdiensten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op asbestverwijdering. Een onmogelijke opgave of een kwestie van de schouders eronder? Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuw per 1 mei 2016: kosten aanvullende controles voor veehouders

Per 1 mei 2016 brengt de NVWA de kosten van aanvullende controles bij diergeneesmiddelen, dierenwelzijn en diergezondheid in rekening bij de veehouder. Dit volgt uit het kabinetsstandpunt over het doorberekenen van handhavingskosten, zoals dat staat in het rapport ‘Maat houden 2014’. De basis voor het in rekening brengen van aanvullende controles ligt in Europese regelgeving - artikel 28 van Verordening (EG) nr. 882/2004. Aanvullende controles tegen betaling zijn al gangbaar in de industriële productie, horeca en ambachtelijke productie en worden nu ook ingevoerd bij de veehouders.

Wat zijn aanvullende controles?

Aanvullende controles zijn controles buiten de gebruikelijke controleactiviteiten om en worden op een bedrijf gehouden als gevolg van een geconstateerde overtreding door dat bedrijf. Het gaat om hercontroles (de zogenaamde herinspecties) of aanvullende controles die nodig zijn om de omvang/oorzaak van een probleem/overtreding vast te stellen. Bij de meeste reguliere inspecties blijkt overigens niets aan de hand te zijn. Deze reguliere inspectie brengt de NVWA niet in rekening.

Wat houdt de aanvullende controle in bij diergeneesmiddelen?

Toezicht op diergeneesmiddelen, zoals het gebruik van antibiotica, is een speerpunt in het beleid van het ministerie van Economische zaken. Verkeerd gebruik van diergeneesmiddelen kan risico’s opleveren voor mens en milieu. Daarom gelden er strenge regels voor het toedienen en gebruik van diergeneesmiddelen. Aanvullende controles diergeneesmiddelen richten zich op:

  • onderzoek bij de veehouder nadat in het slachthuis is vastgesteld dat het maximum residu-limiet voor diergeneesmiddelen is overschreden;
  • onderzoek bij de veehouder nadat op het slachthuis is vastgesteld dat het Voedselketeninformatieformulier (VKI-formulier) niet overeenkomt met de feitelijke situatie van het dier. Voor de voedselveiligheid is het noodzakelijk dat dit formulier correct is ingevuld. Dat betreft ook het vermelden van diergeneesmiddelen waarvoor geen wachttermijn geldt.

Welke tarieven hanteert de NVWA?

Het bedrag dat de NVWA bij u in rekening brengt voor de aanvullende controles, bestaat uit een starttarief en een tarief per kwartier dat nodig is voor het uitvoeren van de aanvullende controle.

Werkformulier

Op de locatie houdt de NVWA-inspecteur de tijd bij die nodig is om de aanvullende controle uit te voeren. Deze tijd staat op een werkformulier. Als de aanvullende controle(s) door de inspecteur is afgerond, ontvangt u een doordruk van het werkformulier. Deze doordruk kunt u met de factuur vergelijken.

Gefaseerde invoering aanvullende controles

Het invoeren van het beleid waarbij de kosten van aanvullende controles voor diergeneesmiddelen, dierenwelzijn en diergezondheid bij veehouders in rekening worden gebracht, gebeurt in 3 fasen:

  • Fase 1 Diergeneesmiddelen (aanvullend onderzoek bij VoedselKetenInformatie (VKI) en overschrijdingen maximum residu limiet bij dieren die afgeleverd zijn aan slachthuis) per 1 mei 2016
  • Fase 2 Levende Dieren en Diergezondheid voor Identificatie en registratie van dieren en Dierenwelzijn  (Hoofdstuk 2 Besluit houders van dieren) in juni/juli 2016.
  • Fase 3 voor de resterende categorieën worden in januari 2017 aanvullende controles in rekening gebracht.

 Meer informatie:

 

Bron: NVWA

 

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe wet voor milieuvergunningen en toezicht

Vanaf 14 april is de wet VTH in werking waarin het vernieuwde milieutoezicht is vastgelegd. Deze wet legt de basis voor de 29 nieuw gevormde omgevingsdiensten. Deze werken al enige tijd volgens de principes van een betere vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zo zijn veel medewerkers van provincies en gemeenten bijeengebracht in de omgevingsdiensten. De wet VTH is het resultaat van een traject waarin door de Rijksoverheid, het IPO en de VNG meerdere jaren nauw is samengewerkt om de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van milieuregels beter te organiseren.

Aanleiding voor de wetswijziging was het rapport van de commissie Mans in 2008, waarin werd geconcludeerd dat milieutoezicht en handhaving in de praktijk niet altijd goed georganiseerd was. De provincies, gemeenten en de rijksoverheid hebben sinds 2008 gezamenlijk gewerkt aan vernieuwing van het stelsel van vergunningverlening en handhaving op milieugebied. Van de 29 omgevingsdiensten zijn er zes gespecialiseerde omgevingsdiensten aangewezen om toezicht te houden op complexe en risicovolle bedrijven in heel Nederland, zoals de chemische industrie.

De wet regelt dat een basistakenpakket op milieugebied voortaan door de omgevingsdiensten wordt uitgevoerd. Gemeenten en provincies blijven wel bevoegd gezag voor deze taken, maar door de bundeling van de uitvoering van de taken en deskundigheid bij de omgevingsdiensten die een hele regio bestrijken, wordt de kwaliteit verbeterd. De wet legt tevens vast dat provincies en gemeenten voorschriften over de gewenste kwaliteit van de vergunningverlening en handhaving van hun milieutaken moeten opnemen in verordeningen. Ook zijn er bepalingen opgenomen over informatie-uitwisseling en samenwerking tussen onder andere provincies, gemeenten, waterschappen, Openbaar Ministerie en de politie bij de uitvoering en de handhaving van milieuregels.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling feitelijk leidinggever en rechtspersoon voor overtreding Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:2087 Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van de rechtspersoon (medeverdachte 1) gedurende een periode van ruim anderhalf jaar schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Twee in Nederland niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen zijn ingevoerd vanuit Rusland naar Nederland en hier op de markt gebracht door deze middelen te verkopen waarna de middelen ook daadwerkelijk gebruikt zijn door (rozen)kwekers.

Daarnaast heeft de rechtspersoon zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van verkoopfacturen. Ook aan die verboden gedragingen heeft verdachte feitelijk leiding gegeven. Ten slotte heeft ook verdachte zelf zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door zakken waarin de gewasbeschermingsmiddelen zaten om te stickeren.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de als overtreding tenlastegelegde feiten onder feit 1. verjaard zijn nu het gaat om feiten die zouden hebben plaatsgevonden in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 december 2010. Daarbij is gewezen op de verjaringstermijn van drie jaren. Verzocht is de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de opzetvariant kan komen, de tenlastegelegde overtredingsvariant verjaard is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De economische delicten, bedoeld in artikel 1a, onder 1° van de Wet op de economische delicten zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. Ingevolge het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvervolging door verjaring voor overtredingen in drie jaren.

De tenlastegelegde periode beslaat 1 april 2009 tot en met 31 december 2010. Verdachte is op 3 oktober 2014 voor het eerst gedagvaard in deze zaak. Deze dagvaarding dient te worden gezien als een eerste daad van vervolging. Gelet hierop is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover overtredingen zijn tenlastegelegd nu deze tenlastegelegde overtredingsvariant is verjaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide niet in Nederland zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB) en derhalve niet voorkomen in het register met in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Uit onderzoek van de Nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) is gebleken dat in de periode van 2009 tot en met 2010 door importbedrijf 1, importbedrijf 3 en importbedrijf 2 de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn ingevoerd vanuit Rusland naar Nederland welke middelen vervolgens zijn doorverkocht aan medeverdachte 1 die het op haar beurt weer heeft doorverkocht als bladvoeding en bladglans aan voornamelijk Nederlandse rozenkwekers.

Uit onderzoek is verder gebleken dat daarbij facturen en verpakkingen zijn vervalst.

De officier van justitie baseert zich hierbij op bevindingen van de NVWA, op verklaringen van diverse getuigen, op verklaringen van verdachte en medeverdachten en op valselijk opgemaakte in- en verkoopfacturen en verpakkingen. Verdachte heeft naar de opvatting van de officier van justitie aan de verboden gedragingen feitelijk leiding gegeven; hij heeft welbewust aangestuurd op deze wijze van werken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Gesteld is dat verdachte in strijd met de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten niet op de hoogte is gebracht van de resultaten van de genomen monsters en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een contra-analyse te verzoeken. Contramonsters zijn vernietigd ruim voordat de verdediging op de hoogte was van de resultaten. Naar de mening van de verdediging is sprake van een formeel beletsel om de onderzoeksresultaten voor het bewijs te gebruiken.

Geconcludeerd is dat, nu is gehandeld in strijd met eerdergenoemde Aanwijzing, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Daarnaast is aangevoerd dat in strijd met de Wet deskundigen in strafzaken en de Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek het onderzoek door het RIKILT niet is beschouwd als een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) en als zodanig had moeten worden behandeld, waardoor de rechten en belangen van verdachte in alle opzichten met voeten getreden zijn. Ook ten aanzien hiervan is sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Beide vormverzuimen dienen tot gevolg te hebben dat de resultaten van het onderzoek door het RIKILT niet mogen bijdragen aan het bewijs.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de gehanteerde meetmethode is aangevoerd, kort samengevat, dat ten tijde van de monstername geen sprake was van een gevalideerde onderzoeksmethode. Weliswaar beschikte het RIKILT over een algemene accreditatie maar geen specifieke accreditatie voor de onderhavige meetmethode. Naar de opvatting van de verdediging is het volstrekt onduidelijk of de analyses zijn uitgevoerd volgens de daarvoor ontwikkelde criteria als genoemd in het zogenoemde SANCO-document.

Verder is aangevoerd dat het goed denkbaar is dat sprake is geweest van contaminatie door vermenging van de monsters met een externe bron.

Op de gronden zoals hiervoor aangegeven, zowel op zichzelf, als in combinatie met de eerder aangevoerde gronden, meent de verdediging dat de onderzoeksresultaten niet gebruikt kunnen worden als bewijsmiddel voor de aanwezigheid van de niet-toegelaten stof.

Gelet hierop zal verdachte moeten worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Uit het dossier kan verder niet worden afgeleid dat de tenlastegelegde invoer door verdachte heeft plaatsgevonden. Van enige betrokkenheid van verdachte blijkt niets, laat staan dat sprake zou zijn van een nauwe en volledige samenwerking.

Subsidiair is aangevoerd dat niet blijkt dat in de door importbedrijf 1 bij bedrijf 1 aangekochte producten de niet toegelaten bacillus heeft gezeten. Daarbij is onder meer gewezen op verklaringen van diverse afnemers die aangegeven hebben dat zij bladvoeding hebben gekocht en ook als zodanig hebben toegepast.

Verder wordt uitdrukkelijk gesteld dat verdachte niet op de hoogte was, noch hoefde te zijn van de aanwezigheid van de niet toegelaten stoffen. Verdachte had niet de intentie bestrijdingsmiddelen met die stoffen te kopen.

In een eerder stadium heeft verdachte van medeverdachte 2 bladvoeding aangeboden gekregen. Een van de afnemers van verdachte heeft deze bladvoeding laten analyseren waarna bleek dat het om kippenmist ging.

Het product werd door importbedrijf 1 verkocht als bladvoeding. Uit het dossier blijkt niet dat zulks op verzoek van verdachte gebeurde.

Van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, is dan ook geen sprake.

Geconcludeerd wordt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder feit 1 tenlastegelegde opzettelijke overtreding, subsidiair dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van dat feit.

Onder verwijzing naar hetgeen is aangevoerd met betrekking tot feit 1 is ten aanzien van feit 2 eveneens vrijspraak bepleit. Bij nagenoeg alle bedoelde afnemers is geen monster genomen en/of geanalyseerd. Het is verder onaannemelijk dat de facturen betrekking kunnen hebben op leveringen ten aanzien waarvan wel monsters genomen zijn. Derhalve kan niet vastgesteld worden dat het geleverde product iets anders is geweest dan op de factuur is omschreven.

Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat op de zakken waarop de tenlastelegging ziet, de aanduidingen “Bitoxybacillin” en/of “Lepidocide” hebben gestaan. Daarnaast is ten aanzien van het omstickeren gesteld dat dat in alle openheid heeft plaatsgevonden en derhalve een activiteit betrof die in de perceptie van de personen die daarbij betrokken waren, niets illegaals behelsde. Uit het dossier blijkt niet dat het omstickeren de strekking had om de vermeende werkelijke inhoud van de zakken te verhullen. Het stickeren is een voor verdachte geen ongebruikelijke bezigheid als het gaat om uit het buitenland afkomstige producten met een tekst die voor de gemiddelde afnemer niet begrijpelijk is. In Nederland gebeurt dit met alle consumentenproducten in een vreemde taal.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Ten aanzien van dit feit dient de rechtbank, kort samengevat, de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Zijn Bitoxybacillin en Lepidocide gewasbeschermingsmiddelen en biociden in de zin van artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (WGB)?
  2. Zijn deze gewasbeschermingsmiddelen toegelaten op de Nederlandse markt?
  3. Wanneer is sprake van invoer, voorhanden hebben, in voorraad hebben en op de markt brengen van die middelen als bedoeld in de van toepassing zijnde regelgeving?
  4. Heeft medeverdachte 1 zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB?
  5. Zo ja, heeft zij daarop ook het opzet gehad? en
  6. Heeft verdachte hiervoor opdracht en/of hieraan feitelijk leiding gegeven?

De rechtbank beantwoordt deze vragen als volgt.

De WGB is in werking getreden op 17 oktober 2007 ter vervanging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Blijkens de aanhef van deze wet is deze mede gebaseerd op richtlijn 91/414/EEG van de Raad van de Europese Unie (Raad) van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden. Op 14 juni 2011 is eerstgenoemde Europese richtlijn vervangen door de verordening (EG) nummer 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009. Bij de beantwoording van de hiervoor aangehaalde vragen gaat de rechtbank uit van de hiervoor aangehaalde nationale en Europese regelgeving.

Uitgangspunt van beide Europese verordeningen is dat goedkeuring van werkzame stoffen plaats vindt op Europees niveau waarna de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen op nationaal niveau plaats vindt.

Zijn Bitoxybacillin en Lepidocide gewasbeschermingsmiddelen en biociden in de zin van artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (WGB)?

 

De werkzame stof van het Russische gewasbeschermingsmiddel Bitoxybacillin is Bacillus Thuringiensis subsp. Thuringiensis. Bacillus Thuringiensis is een bacterie die een gif afscheidt. Wanneer het bacteriepreparaat Bitoxybacillin op een plant wordt gespoten en waarna de bacterie haar werk verricht, sterven de op de plant aanwezige schadelijke zuiginsecten.

De werkzame stof van het Russische gewasbeschermingsmiddel Lepidocide is Bacillus Thuringiensis var. Kurstaki. Deze stof heeft dezelfde werking als de hiervoor genoemde stof, maar leidt niet tot het giftige beta exotoxine, dat wel door Bacillus Thuringiensis subsp. Thuringiensis wordt geproduceerd.

Beide middelen worden door de fabrikant ook verkocht als insecticide.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat genoemde middelen, die tevens gebruikt kunnen worden als insecticide, ten tijde van de verweten gedragingen en ook thans, gewasbeschermingsmiddelen in de zin van artikel 1 van de WGB zijn.

Zijn deze gewasbeschermingsmiddelen toegelaten op de Nederlandse markt?

De werkzame stof van Bitoxybacillin, te weten Bacillus Thuringiensis subsp. Thuringiensis komt niet voor op Bijlage 1 van de hiervoor aangehaalde Richtlijn 91/414/EEG. Deze werkzame stof is niet goedgekeurd door de European Chemicals Agency.

Verder blijkt uit informatie van het CTGB dat, vanwege de gevaarzetting, commerciële producten geen beta exotoxine mogen bevatten. Het middel Bitoxybacillin heeft in Nederland geen (aanvraag) tot toelating. Een aanvraag tot toelating in Nederland zou sowieso sneuvelen, nu deze stof niet voorkomt op voornoemde bijlage van de Richtlijn.

De werkzame stof van Lepidocide is Bacillus Thuringiensis subsp. Kurstaki. Deze stof komt wel voor op Bijlage 1 van laatstgenoemde Richtlijn. Het gewasbeschermingsmiddel Lepidocide is echter door het CTGB niet toegelaten en komt niet voor in het register met in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide niet zijn toegelaten op de Nederlandse markt.

Wanneer is sprake van invoer, voorhanden hebben, in voorraad hebben en op de markt brengen van die middelen als bedoeld in de van toepassing zijnde regelgeving?

Ingevolge het bepaalde in artikel 20 WGB, zoals dat artikel luidde ten tijde van de verweten gedragingen, is het verboden een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten (…).

Wat onder “het op de markt brengen” dient te worden verstaan is bepaald in artikel 1 WGB: op de markt brengen: iedere vorm van distribueren, leveren, afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van Nederland.

 

Met de inwerkingtreding per 14 juni 2011 van Verordening (EG) 1107/2009 luiden de van belang zijnde bepalingen als volgt:

 

De rechtbank is, gelet op het wettelijk kader, van oordeel dat zowel het op de markt brengen, het voorhanden/in voorraad hebben, het invoeren en het gebruiken zowel ten tijde van de verweten gedragingen als nu verboden is. Van een situatie als bedoeld in artikel 74 WBG (zowel oud als nieuw), te weten doorvoer, is de rechtbank niet gebleken.

Heeft medeverdachte 1 zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB?

Om rozenkwekers te (blijven) bewegen tot een betere naleving van de bepalingen gesteld in de WGB is in het kader van het controleplan “Rozen 2010” door de Werkvoorbereidingsunit van de Algemene Inspectiedienst een aantal bedrijven geselecteerd dat zich bezighoudt met de teelt van rozen onder glas. In dat kader is op 10 november 2010 controle uitgevoerd bij rozenkweker bedrijf 2 te Almere. Bij een tweede bezoek aan het bedrijf toonde eigenaar bedrijf 2 een factuur van medeverdachte 1 van 12 augustus 2010. Verbalisanten zagen dat door medeverdachte 1 op 5 augustus 2010 15 kilogram bladvoeding was geleverd aan eigenaar bedrijf 2. eigenaar bedrijf 2 toonde vervolgens de verpakking bladvoeding die hij nog op voorraad had staan, dit betrof een onaangebroken bruine zak.

Deze onaangebroken bruine papieren zak werd vervolgens in beslag genomen. eigenaar bedrijf 2 gaf aan dat dit de bladvoeding betrof die vermeld stond op de getoonde factuur. Het betrof de verpakking die door verdachte was geleverd en gefactureerd. De onaangebroken bruine zak werd voorzien van zegelnummer 7429 en overhandigd aan het RIKILT. De inhoud van deze zak is bemonsterd en onderzocht door het RIKILT. Ten aanzien van zegelnummer 7429 werd na analyse vastgesteld dat in het monster Thuringiensis (beta-exotoxine) was aangetoond.

De rechtbank overweegt omtrent de verweren ten aanzien van de door het RIKILT uitgevoerde analyse het volgende.

De verdediging heeft een beroep gedaan op de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten. Ingevolge deze Aanwijzing wordt een verdachte zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld indien er monsters zijn genomen. De analyseresultaten worden eveneens zo spoedig mogelijk aan de verdachte bekend gemaakt. Het hiervoor aangehaalde monster is genomen uit de onaangebroken bruine zak, welke onder eigenaar bedrijf 2 in beslag werd genomen. eigenaar bedrijf 2 werd als verdachte aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat eigenaar bedrijf 2 rechten heeft kunnen ontlenen aan deze Aanwijzing. Dit geldt echter niet voor verdachte nu de Aanwijzing zich richt op de verdachte onder wie het monster in beslag is genomen.

Ten overvloede merkt de rechtbank hieromtrent op dat verdachte tijdens zijn verhoor van 25 februari 2011 is geconfronteerd met de analyseresultaten van 23 februari 2011 van het RIKILT. verdachte is dus wel degelijk op de hoogte gesteld van de resultaten van het RIKILT van 23 februari 2011.

In zoverre treft het verweer geen doel.

De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van strijd met de Wet deskundigen in strafzaken. Het type onderzoek als hier bedoeld wordt in de wet niet gelijkgesteld aan een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv. Het betreft in casu immers onderzoek naar sporen en de analyse daarvan. Dit onderzoek kan ook door deskundigen van buiten de opsporingsinstanties worden verricht.

Zoals hiervoor al overwogen is verdachte op 25 februari 2011 gewezen op de onderzoeksresultaten. Op dat moment had verdachte al rechtsbijstand van een advocaat. Op grond van het bepaalde in artikel 30 Sv. had verdachte of zijn raadsman kennisneming van processtukken kunnen verzoeken, eventueel door tussenkomst van de rechter-commissaris bij weigering van de officier van justitie. Verdachte of zijn toenmalige raadsman hebben echter zo’n verzoek toen niet gedaan.

Van enig vormverzuim is de rechtbank niet gebleken.

Ten aanzien van de gehanteerde onderzoeksmethode overweegt de rechtbank het volgende.

Een risico op contaminatie heeft zich in het hiervoor aangehaalde onderzoek niet kunnen voordoen omdat het gaat om een monster uit een onaangebroken zak en niet om een monster uit een spuit of een emmer of iets dergelijks.

Ten aanzien van de deskundigheid van het RIKILT en de gehanteerde onderzoeksmethode overweegt de rechtbank dat het RIKILT onderdeel is van de internationale kennisorganisatie Wageningen UR (University & Research Centre). Het RIKILT doet onafhankelijk onderzoek naar de veiligheid en kwaliteit van voedsel. Het instituut is gespecialiseerd in de detectie, identificatie, functionaliteit en (mogelijk schadelijke) effectiviteit van stoffen in voedingsmiddelen en diervoeders.

Het RIKILT is dus een gespecialiseerd instituut dat in 2009 een analysemethode heeft ontwikkeld om de aanwezigheid van de subspecies Thuringiensis vast te stellen in gewasbeschermingsmiddelen. Deze methode wordt tot op heden nog steeds gebruikt. Het RIKILT heeft in 2013 over deze methode gepubliceerd in het tijdschrift ‘Analytical and Bioanalytical Chemistry’.

Monsters worden twee keer getest door twee verschillende medewerkers op twee verschillende tijdstippen. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank testresultaten met voldoende waarborgen omkleed en betrouwbaar te achten.

Ook in zoverre treft het verweer geen doel.

Door de verdediging is nog een analyserapport overgelegd van het onderzoekslaboratorium naam onderzoekslaboratorium. Uit niets blijkt dat naam onderzoekslaboratorium het monster dat is aangeboden heeft onderzocht op de aanwezigheid van subspecies Thuringiensis. Voorts is ook niet gebleken dat naam onderzoekslaboratorium daartoe de vereiste deskundigheid had. Verder valt uit het rapport op geen enkele wijze op te maken van welk bedrijf het monster van afkomstig is en wanneer het is genomen.

Naar aanleiding van het aantreffen van het middel Bitoxybacillin is onderzoek gedaan bij medeverdachte 1 te Oosteind. Een van de verbalisanten werd te woord gestaan door mevrouw echtgenote verdachte, echtgenote van directeur verdachte. Nadat haar was meegedeeld dat er onderzoek naar het middel met de naam “bladvoeding” werd gedaan, werd door haar, nadat zij de administratie had geraadpleegd, meegedeeld dat het middel werd betrokken van het bedrijf importbedrijf 1. Een aantal documenten werd inbeslaggenomen.

Ook bij importbedrijf 1, importbedrijf 2 en importbedrijf 3 werd onderzoek ingesteld en werden documenten inbeslaggenomen.

Op 1 maart 2010 is een overeenkomst gesloten tussen importbedrijf 1 en medeverdachte 1.

Uit rekeningafschriften van de Rabobank en ING blijkt dat door medeverdachte 1. Bedragen zijn overgemaakt op de rekening van importbedrijf 2 en importbedrijf 1 Verder blijkt dat op diverse data in 2010 door importbedrijf 2 bedragen zijn overgemaakt op de rekening van bedrijf 1.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij onder meer aan eigenaar bedrijf 2 geleverd heeft. Verder heeft hij verklaard dat de verpakkingen bij importbedrijf 1 werden geleverd en aldaar meteen gestickerd werden waarna het merendeel van de zakken meteen uitgeleverd werd aan klanten, die voor een deel in de buurt van importbedrijf 1 gevestigd waren. Ook op het bedrijf had medeverdachte 1. een voorraad liggen.

Tijdens het opsporingsonderzoek heeft verdachte verklaard dat hij bij importbedrijf 1 bladvoeding zag staan en dat het daarna is gaan lopen. De bladglans werkte niet maar de bladvoeding liep heel goed. De zendingen werden door verdachte zelf opgehaald bij bedrijf 3. Na geconfronteerd te zijn met een aantal facturen heeft verdachte verklaard dat de bladvoeding en bladglans is geleverd door importbedrijf 1. Verklaard is ten slotte dat hij niet ontkent dat de bladvoeding de BN3 (oftewel Bitoxybacillin) is.

Medeverdachte medeverdachte 2 heeft verklaard dat verdachte op kantoor kwam en aan de balie leveringen doorgaf.Verklaard is dat hij, medeverdachte 2, wist dat de Bitoxybacillin niet geregistreerd was in Nederland. De Bitoxybacillin moest onder een andere naam naar Nederland gehaald worden, te weten als bladvoeding. Bitoxybacillin werd vanaf 2009 gekocht bij bedrijf 1. in Rusland. verdachte wilde hebben dat op de factuur bladvoeding werd vermeld. Als het product in Nederland was gearriveerd werd verdachte hiervan in kennis gesteld; hij kon dan het product afhalen bij bedrijf 3 in Den Haag.

Medeverdachte 2 is geconfronteerd met facturen van importbedrijf 2 Over deze facturen heeft hij verklaard dat deze zijn verzonden aan medeverdachte 1 Voor de Bitoxybacillin werd de omschrijving bladvoeding gebruikt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat medeverdachte 1 zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB. Samen met de “ gezamenlijke naam importbedrijven ” heeft medeverdachte 1 de in Nederland niet toegelaten gewasbestrijdingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide ingevoerd en voorhanden gehad en vervolgens op de Nederlandse markt gebracht.

De Russische fabrikant bedrijf 1 heeft blijkens de facturen de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide geleverd aan de “gezamenlijke naam importbedrijven”; insecticiden die volgens de website van bedrijf 1 de werkzame stoffen Bacillus Thuringiensis subspecies Thurigiensis en subspecies Kurstaki bevatten. Dat de zakken van bedrijf 1 ook daadwerkelijk deze inhoud hebben, blijkt uit de testresultaten van het monster uit de zak bij rozenkweker eigenaar bedrijf 2. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het voorgaande voldoende vast dat bedrijf 1 meerdere malen Bitoxybacillin en Lepidocide heeft geleverd aan importbedrijf 1.

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte 1 en importbedrijf 1 De vertegenwoordigers van deze rechtspersonen hebben elkaar opgezocht en zijn een handel in Bitoxybacillin en Lepidocide begonnen. Daarbij zorgde importbedrijf 1 voor de invoer van die middelen uit Rusland waarna de middelen werden verkocht aan medeverdachte 1 die de middelen vervolgens verkocht aan zijn klanten.

Heeft zij daarop ook het opzet gehad?

Door verdachte is aangevoerd dat de wetenschap dat het zou gaan om gewasbeschermingsmiddelen met daarin een niet toegelaten stof ontbreekt.

Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat opzettelijk is gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen. Voldoende is dat het opzet is gericht op het verrichten van de tenlastegelegde handelingen, te weten het invoeren, voorhanden hebben en op de markt brengen van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Vastgesteld is dat medeverdachte 1 handelde in gewasbeschermingsmiddelen. Dit brengt met zich mee dat zij geacht wordt te weten hoe de wetgeving op het gebied van gewasbescherming werkt. De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte 1 een onderzoeksplicht heeft. Onderzoek naar de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen zou ook heel simpel geweest zijn. Verdachte had eenvoudigweg kunnen googlen of kunnen informeren bij de Servicedesk van het CTGB of de door haar gekochte middelen in Nederland waren toegelaten. Al snel zou blijken dat die middelen in Nederland niet waren toegelaten. Door zulks na te laten heeft verdachte op z’n minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de in artikel 20 WGB genoemde handelingen.

De rechtbank wijst overigens in dit kader nog op de verklaring van medeverdachte medeverdachte 2. Verklaard is dat op verzoek van verdachte op de facturen in plaats van Bitoxybacillin bladvoeding werd vermeld. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor aan bewijsmiddelen is opgenomen, stelt de rechtbank vast dat verdachte wel degelijk wist dat sprake was van invoer, voorhanden hebben en op de markt brengen van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Heeft verdachte hiervoor opdracht en/of hieraan feitelijk leiding gegeven?

Het is verdachte geweest die een overeenkomst is aangegaan met medeverdachte 2 en deze overeenkomst heeft ondertekend. Alle hieruit voortvloeiende werkzaamheden, zoals het bestellen, afhalen en verkopen, zijn door verdachte verricht. Deze betrokkenheid van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als opdracht geven tot en feitelijk leiding geven aan de verboden gedragingen, als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2 Sr.

Conclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte opdracht heeft gegeven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van het opzettelijk overtreden van artikel 20 van de WGB, meermalen gepleegd door een rechtspersoon.

Feit 2

In het kader van het hiervoor al aangehaalde controleplan “Rozen 2010” door de Werkvoorbereidingsunit van de Algemene Inspectiedienst is een aantal bedrijven geselecteerd dat zich bezighoudt met de teelt van rozen. In dat kader is op 10 november 2010 een controle uitgevoerd bij rozenkweker bedrijf 2 te Almere. Bij een tweede bezoek aan het bedrijf toonde eigenaar eigenaar bedrijf 2 een verkoopfactuur van medeverdachte 1 van 12 augustus 2010. Deze factuur zag op een levering van 15 kilogram bladvoeding door medeverdachte 1 Door eigenaar bedrijf 2 werden nog vier verkoopfacturen afkomstig van medeverdachte 1 overhandigd, eveneens met de vermelding “bladvoeding”.

Naar aanleiding van het aantreffen van het middel Bitoxybacillin is ook onderzoek gedaan bij medeverdachte 1 te Oosteind. Een groot aantal documenten is daarbij in beslag genomen, onder meer verkoopfacturen voor de levering van “bladvoeding” en “bladglans” aan diverse afnemers in de periode van 19 mei 2009 tot en met 31 december 2010.

Verdachte heeft verklaard dat als er bladvoeding werd geleverd er een pakbon en vervolgens een factuur werden gemaakt.

De rechtbank overweegt dat het in werkelijkheid ging om Bitoxybacillin en Lepidocide. Dit volgt onder meer uit het hiervoor onder feit 1 aangehaalde analyserapport van het RIKILT, de documenten 126, 127 en 711 en uit de verklaring van medeverdachte 2. Deze heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte op de facturen in plaats van Bitoxybacillin “bladvoeding” heeft vermeld en in plaats van Lepidocide “bladglans”.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat medeverdachte 1 opzettelijk verkoopfacturen heeft vervalst.

Zoals hiervoor ten aanzien van feit 1 al is overwogen is de rechtbank ook ten aanzien van feit 2 van oordeel dat het verdachte is geweest die opdracht heeft geven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Feit 3

In het kader van het hiervoor aangehaalde controleplan “Rozen 2010” is door eigenaar bedrijf 2 een onaangebroken papieren zak getoond welke geleverd was door medeverdachte 1.

 

De inhoud van deze zak is bemonsterd en geanalyseerd door het RIKILT. Vastgesteld werd dat in het monster Thuringiensis (beta-exotoxine) was aangetoond.

Dergelijke zakken met dezelfde tekst zijn ook aangetroffen bij andere bedrijven. Deze zakken waren geleverd door verdachte.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij stickers op zakken heeft geplakt. Hij nam zelf de stickers mee. Verpakkingen kwamen aan bij importbedrijf 1 in ’s-Gravenhage waarna ze meteen gestickerd en vervolgens uitgeleverd werden aan klanten. Verklaard is ook dat er misschien de eerste keer al stickers op zaten.

Medeverdachte 2 heeft over de bruine zakken verklaard dat de stickers er door verdachte zijn opgebracht. Hij bracht ze mee. Bij binnenkomst van de Bitoxybacillin vanuit Rusland waren getuige 1 en hijzelf aanwezig. Op de bruine zakken was een sticker met aanduidingen door bedrijf 1 gedaan. Op de sticker stond in elk geval vermeld “Bitoxybacillin”. Op verzoek van verdachte heeft hij samen met zijn medewerkers getuige 2, getuige 3 en getuige 1 bij de omstickering geholpen. Of de stickers werden geheel verwijderd of er werd over de bestickering heen geplakt.

medeverdachte 2 zijn ook een afbeeldingen getoond van groen/witte zakken. Hierover heeft hij verklaard dat dit de zakken zijn zoals deze werden aangeleverd door bedrijf 1.

De verklaring van medeverdachte 2 dat de zakken zijn omgestickerd vindt steun in de verklaringen van getuigen getuige 1, getuige 2 en getuige 3.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich, tezamen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door het aanbrengen van stickers op zakken, op welke stickers een andere aanduiding van de inhoud stond, dan in werkelijkheid in de zakken zat, gedurende de periode als hiervoor onder feit 1 aangegeven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: medeplegen van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
  • Feit 2: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
  • Feit 3: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.

Ongecontroleerd en ondeskundig bezit en gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide kan een ongunstige werking hebben op mens, dier en milieu. Daarom is op nationaal en Europees niveau strenge regelgeving ontwikkeld. Alleen die gewasbeschermingsmiddelen die uitgebreid onderzocht zijn, zullen, na te zijn voorgelegd ter toetsing aan het CTGB, worden toegelaten en geregistreerd. De onderhavige middelen zijn niet toegelaten en geregistreerd in Nederland. Evenmin is een verzoek gedaan tot toelating van deze middelen. Door deze middelen toch in te voeren en op de Nederlandse markt te brengen heeft verdachte het nationale en Europese beleid doorkruist.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat het verdachte is geweest die het initiatief heeft genomen voor de handel in genoemde middelen. Het lijkt er op dat enkel uit financieel gewin is gehandeld.

Dat de naam van verdachte te grabbel is gegooid en dat hij zijn vergunning is kwijtgeraakt is vervelend voor verdachte, echter dat heeft hij geheel aan zichzelf te wijten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:2088

De rechtspersoon wordt veroordeeld tot een geldboete van € 80.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Environmental Crime and Collaborative State Intervention'

This book examines the role and practical dynamics of governmental environmental law enforcement agencies and individuals who combat environmental crime. It will inform researchers about the 'real world' experiences of practitioners and provide an intellectual space for practitioners to examine critically what it is they do and why.

Praktische Informatie

  • Editors: White, Rob, Pink, Grant (Eds.)
  • ISBN 978-1-137-56257-9
  • Sample Chapter

Table of contents

  1. Collaboration in Combating Environmental Crime — Making it Matter
  2. International Compliance and Enforcement Networks: The Critical Role of Collaboration in Environmental Protection
  3. Capacity Building and Collaboration: Enforcement Training to Build Capacity that Ensures Environmental Protection
  4. Interagency Collaboration and Combating Wildlife Crime
  5. Organisational Consortiums: The International Consortium on Combating Wildlife Crime (ICCWC)
  6. Collaboration at the Front Line: INTERPOL and NGOs in the Same NEST
  7. Collaboration and Consultancy, Tackling Environmental Crime, and Delivering Environment Protection
  8. Collaborative Relationships with the Courts: The Prosecutor’s Perspective
  9. Port-to-Port Collaboration
  10. Coordinating Research Efforts on Environmental Crime
  11. Collaborative Research as a Tool for Building Environmental Regulatory Capability
  12. Researchers and Practitioners: Building Collaboration for Evidence-Based Policy-Making

 

Klik hier om het boek te bestellen via Bol.com.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Overtreding Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Verdachte heeft op zijn bedrijf niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

Rechtbank Den Haag 5 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3575 De verdachte heeft op zijn bedrijf niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Dit is in strijd met de regelgeving die bedoeld is om te garanderen dat in de land- en tuinbouw geen werkzame stoffen of middelen worden gebruikt die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu.

Het gedrag van de verdachte is kwalijk te noemen, te meer omdat hij blijkens een overzicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in het verleden meerdere malen forse bestuurlijke boetes heeft gekregen voor het gebruik van niet toegelaten werkzame stoffen. Daartegenover staat dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatie-register d.d. 8 februari 2016 in strafrechtelijke zin niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij feit 1 onder e en f is tenlastegelegd zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte deze middelen gedurende de tenlastegelegde periode heeft gebruikt.

Ten aanzien van het verweer van de verdachte dat hij zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van de stof Aldicarb, zoals tenlastegelegd bij feit 1 onder d, overweegt de rechtbank het volgende. Deze stof is aangetroffen in monsters die zijn genomen van rozenbladeren uit de kwekerij van verdachte. De rechtbank acht uitgesloten dat, zoals verdachte naar voren heeft gebracht, deze stof per ongeluk op de bladeren terecht gekomen kan zijn door het opdwarrelen van deze stof die in een ver verleden gebruikt is en waarvan restanten zich nu nog op plantenresten op de bodem zouden bevinden. Dat verdachte geen idee heeft hoe deze stof op zijn rozen is gekomen in de tenlastegelegde periode, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk geworden. Uit het dossier (p. 421 en 422) blijkt immers dat de halfwaardetijd van deze stof (dat wil zeggen de tijd die benodigd is om de concentratie van de stof in bodem/omgeving met de helft te laten afnemen) 2-12 dagen is. Daar komt nog bij dat de verdachte, blijkens het dossier (p. 130), in 2012 een bestuurlijke boete heeft gekregen van € 3.000,00 omdat op zijn bedrijf in bladmonsters een aantal niet toegelaten werkzame stoffen, waaronder Aldicarb, was aangetroffen. Verdachte kende deze stof dus vanwege eerder gebruik. Het verweer zal dan ook worden verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 19 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
  • Feit 2: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur.

De verdachte heeft er ter terechtzitting oprecht blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien en is nu in dienst bij een ander bedrijf waar de biologische teelt zonder het gebruik van verboden middelen hoog in het vaandel staat, zodat de kans op herhaling minimaal moet worden geacht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^