Odfjell moet boete van drie miljoen euro betalen

De rechtbank in Rotterdam heeft het tankterminalbedrijf Odfjell in de Botlek veroordeeld voor handelen in strijd met vergunningsvoorschriften en het niet nemen van maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen. Ook heeft de rechtbank Odfjell veroordeeld voor handelen in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet.

Tal van omstandigheden op het terrein van Odfjell waren niet in orde. Zo waren blusmiddelen niet gebruiksklaar en was er geen goedgekeurd inspectieplan. Daarnaast werden drukventielen van tanks niet periodiek gecontroleerd en werden werknemers zonder bescherming bloot gesteld aan giftige stoffen. Ook heeft Odfjell geen aangifte gedaan van verschillende incidenten. Met al deze handelingen heeft Odfjell mens en milieu in gevaar gebracht.

De rechtbank rekent Odfjell deze handelingen zwaar aan, mede omdat zij gelegen is in een dichtbevolkt gebied. Bovendien blijkt sprake te zijn van een structureel probleem, en niet slechts van incidenten. De rechtbank laat ook meewegen dat Odfjell al vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft Odfjell voor al deze handelingen een boete van drie miljoen euro opgelegd. Dit is even hoog als door de officier van justitie was gevorderd. De officier had ook gevorderd dat het bedrijf van Odfjell voorwaardelijk zou worden stil gelegd voor de duur van een jaar. Die eis heeft de rechtbank niet gevolgd.

Daarbij speelt een rol dat Odfjell inmiddels heeft laten zien serieus werk te maken van verbetering, terwijl bovendien inmiddels door verschillende bestuursorganen strak toezicht wordt gehouden op de omstandigheden binnen het bedrijf. Dat geeft de rechtbank voldoende vertrouwen dat Odfjell niet opnieuw in de fout zal gaan.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Milieuhandhavers tekenen overeenkomst voor delen van digitale informatie

Voor een efficiëntere en effectievere milieuhandhaving is het noodzakelijk om digitale informatie tussen de handhavende instanties met elkaar te delen. In juli 2008 concludeerde de commissie Mans dit al in haar rapport ‘De tijd is rijp'. Nu is het dan zover. Woensdag 20 november zijn de eerste ‘Aansluitovereenkomsten' op Inspectieview Milieu ondertekend.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft meststoffen in strijd met de geldende regelgeving niet emissiearm, maar volgens de FIR-methode aangewend. Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7135

Verdenking

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 22 februari 2010, al dan niet opzettelijk, dierlijke meststoffen en/of zuiveringsslib en/of een mengsel met dierlijke meststoffen en zuiveringsslib heeft gebruikt op een perceel grasland gelegen aan of nabij adres, terwijl die dierlijke meststoffen en/of dat zuiveringsslib en/of dat mengsel niet emissiearm werd(en) aangewend.

Beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid faalt omdat de wetgeving op het gebied van het uitrijden van dierlijke meststoffen, ondanks allerlei kritische geluiden – onveranderd is gebleven en die wetgeving derhalve gehandhaafd dient te worden. De advocaat-generaal heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op een tweetal uitspaken van het gerechtshof Arnhem, waarin het hof heeft beslist dat in gevallen als thans aan de orde het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid niet opgaat.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het achterliggende doel van de meststoffenwetgeving is gelegen in het terugdringen van de uitstoot van ammoniak. Dit doel kan volgens de raadsman beter worden gediend door de meststoffen bovengronds uit te rijden en te verdunnen met water, dan door het toepassen van de in de wet voorgeschreven methode. De raadsman heeft gewezen op de nadelen en schadelijke gevolgen van het ondergronds uitrijden van de mest. Verzocht is de verdachte vanwege het ontbreken van de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde gedraging van alle rechtsvervolging te ontslaan.

Oordeel hof

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was de volgende wetgeving geldend.

Ingevolge artikel 7 lid 1 van de Wet bodembescherming ‘kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, aan de bodem worden toegevoegd ten einde de structuur of de kwaliteit van de bodem te beïnvloeden’.

Artikel 5 lid 1 van het Besluit gebruik meststoffen bepaalt vervolgens:

‘Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op grasland of bouwland, tenzij de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib emissiearm worden aangewend’.

Het begrip ‘emissiearm aanwenden’ is in artikel 1 van het Besluit gedefinieerd als: ‘gebruiken overeenkomstig de voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I.’

Bijlage I bepaalt: ‘Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib op grasland gelegen op zand- of lössgrond, wordt tot 1 januari 2012 de mest of het slib onmiddellijk op of in de grond gebracht.’ (...)

‘Indien de mest of het slib op de grond wordt gebracht, geschiedt dit door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in strookjes tussen het gras wordt gebracht, waarbij het gras tevoren wordt opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. De strookjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastgelegen strookje is minimaal 15 centimeter.’

Voor wat betreft de wetsgeschiedenis van deze regelgeving volgt uit de nota van toelichting van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (de voorganger van het Besluit gebruik meststoffen) het volgende: ‘Met ingang van 1 januari 1998 wordt een stelsel van regulerende mineralenheffingen ingevoerd. Dit heffingenstelsel is uitgewerkt in een nieuw hoofdstuk IV van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360). Invoering van dit stelsel betekent dat het Besluit gebruik dierlijke meststoffen (BGDM) op onderdelen moet worden gewijzigd. Met het oog op de overzichtelijkheid is ervoor gekozen het BGDM in te trekken en te vervangen door het onderhavige besluit, dat wordt genoemd: Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (BGDM 1998).

In het systeem van de regulerende mineralenheffingen nemen de verlies- en aanvoernormen de plaats in van de fosfaatgebruiksnormen. Het heffingensysteem strekt mede ter voldoening aan richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1993 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375), hierna te noemen: EG-Nitraatrichtlijn. De richtlijn beoogt de kwaliteit van het water bestemd voor de drinkwaterproductie te verzekeren en eutrofiëring tegen te gaan. Om deze – in artikel 1 van de richtlijn geconcretiseerde doelstelling – te bereiken, dienen de lidstaten onder meer te waarborgen dat de hoeveelheid stikstof die met dierlijke meststoffen op het land wordt aangewend een bepaald niveau niet overschrijdt. Daarin voorziet het nieuwe systeem van regulerende mineralenheffingen. Het onderhavige besluit voorziet – evenals ook het BGDM dat deed – in fosfaatgebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, in bepalingen omtrent de toegestane uitrijperiode en bepalingen omtrent emissie-arme aanwending van dierlijke meststoffen’.

Het Besluit gebruik dierlijke meststoffen is nadien een aantal keer gewijzigd en de titel van het Besluit veranderde in de loop van de tijd in het Besluit gebruik meststoffen.

Voor wat betreft het aanwenden van dierlijke meststoffen is in de nota van toelichting bij de laatste wijziging, ingaande op 1 januari 2010, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen het volgende opgenomen:

‘Het Besluit gebruik meststoffen (hierna: Bgm) heeft tot doel de belasting van de bodem en het water door fosfaat- en stikstofverbindingen afkomstig uit dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest terug te dringen. Tevens dient dit besluit om de stankhinder en de emissie van potentieel verzurende stoffen te beperken. Het besluit bevat daartoe voorschriften die, overeenkomstig de goede landbouwpraktijk, beperkingen stellen aan de periode waarin, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop deze meststoffen kunnen worden aangewend.’

Voor zover het gaat om artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen blijkt uit voornoemde nota van toelichting:

‘Om aan de NEC-richtlijn (Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen) te voldoen zijn in het Bgm voorschriften opgenomen die tot doel hebben het gevaar te beperken dat ammoniak bij het toedienen van drijfmest vervluchtigt. Uit onderzoek is gebleken dat de grootste emissiereductie wordt verkregen indien de mest geheel of gedeeltelijk in de bodem wordt gewerkt.’

De verdachte heeft, in strijd met deze regelgeving, zijn mest bovengronds uitgereden en vervolgens verdund met water. Op die manier was de mest volgens de verdachte voldoende verdund om de uitstoot van ammoniak te beperken. Gelet op de hiervoor genoemde regelgeving was deze manier van werken echter niet toegestaan. Hoewel het hof zich bewust is van de problematiek omtrent de geldende regelgeving en de verschillen van inzicht die op dit terrein spelen, is het hof van oordeel dat gedurende deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de verdachte, door de mest bovengronds uit te rijden en onmiddellijk daarna met water te verdunnen, het doel van de geldende regelgeving beter heeft gediend dan wanneer hij de mest, conform die regelgeving, ondergronds zou hebben uitgereden. Anders dan de verdediging is het hof niet van oordeel dat de verdachte, door de mest bovengronds uit te rijden, het achterliggende doel van de regelgeving die dit ter beperking van de uitstoot van ammoniak verbood, meer of beter heeft gediend dan bij naleving van de wettelijke regeling het geval zou zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien gebleken dat voor verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen vrijstelling gold en dat hij geen ontheffing had, dat voorts een vrijstelling of ontheffing binnen de komende paar jaren ook niet te verwachten valt en dat een wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ten gunste van het bovengrond uitrijden van mest in die periode evenmin te verwachten is.

Onder deze omstandigheden faalt een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Niet kan immers worden ingezien waarom verdachtes subjectieve inzicht in dit geval boven dat van de wetgever of bevoegde overheidsdiensten zou moeten gaan.

Beroep op overmacht

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op overmacht niet kan slagen. 

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit overmacht (in de zin van noodtoestand) omdat sprake was van conflicterende belangen omdat het Besluit gebruik meststoffen emissiearme aanwending van meststoffen voorschrijft terwijl artikel 1 van de Wet bodembescherming het belang van de bescherming van de bodem – kort gezegd – definieert in die zin dat de bodem beschermd dient te worden tegen veranderingen van de hoedanigheid van de bodem die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft. Door het Besluit gebruik meststoffen na te leven, wordt de Wet bodembescherming geschonden. De verdachte kon niet beide regelingen tegelijkertijd naleven, reden waarom volgens de raadsman sprake is van overmacht in de zin van noodtoestand.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof was geen sprake van een zodanig conflict van belangen dat de verdachte niet anders kon dan de mest bovengronds uitrijden. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verdachte, door de mest conform de geldende regelgeving aan te wenden, in strijd zou handelen met artikel 1 van de Wet bodembescherming, welk artikel enkel definities geeft van in die wet gehanteerde begrippen. Daarbij verdient opmerking dat het Besluit mede gebaseerd is op bepalingen van de Wet bodembescherming. Voor het overige verwijst het hof naar de motivering van de verwerping van het beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Het hof verwerpt om die redenen het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof heeft ten voordele van de verdachte bij de strafoplegging echter meegewogen dat de verdachte, nadat onderhavig feit was geconstateerd, onmiddellijk is gestopt met het niet emissiearm aanwenden van de meststoffen en is overgestapt op een wel toelaatbare methode. Bovendien heeft het hof ten voordele van de verdachte meegewogen dat niet is gebleken dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. De verdachte hoefde weliswaar geen apparatuur aan te schaffen voor emissiearme aanwending van de meststoffen, maar hij heeft apparatuur aangeschaft om de niet-emissiearm aangewende meststoffen onmiddellijk na het aanwenden te verdunnen met water.

Voorts is ten voordele van de verdachte meegewogen dat de verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2013 niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie.

Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheid. De huidige situatie duurt al vele jaren voort. Het gevoerde beleid van niet-emissiearm uitrijden is regelmatig aan de hand van uitgevoerde studies ter discussie gesteld van de kant van boeren die te goeder trouw de FIR-methode (willen) toepassen. Weliswaar is enkele jaren geleden een experiment gestart waarin een beperkt aantal boeren een ontheffing heeft gekregen om de FIR-methode toe te passen. Maar het hof heeft evenmin als verdachte duidelijkheid kunnen krijgen over een tijdstip waarop het onderzoek zal worden afgerond dan wel naar afronding zal worden gestreefd.

Het hof volstaat om deze redenen met het opleggen van een voorwaardelijke geldboete van € 400,- met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Malafide asbestsaneerder opgespoord met afvalstortgegevens

Door gebruikmaking van informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen door de Inspectie SZW is komen vast te staan dat een bedrijf ruim 1.000 kilo asbesthoudend materiaal illegaal heeft gesaneerd. Er is een boete van € 29.400 tegen het bedrijf uit Friesland opgelegd.

Inspecteurs van de Inspectie SZW treffen begin dit jaar bij een opslagloods in Friesland beschadigde asbesthoudende wandplaten aan. Ook in de omgeving van de loods liggen restanten asbesthoudende platen. Enkele maanden eerder zijn door een aannemersbedrijf nieuwe asbestvrije wand- en dakplaten gemonteerd op de opslagloods.

Na controle van informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, blijkt uit gegevens dat 1.000 kilo asbesthoudend afval afgevoerd is naar een stortplaats in Drachten. Aan de hand van deze stortgegevens kan de Inspectie een onderzoek instellen en het bedrijf die de werkzaamheden had verricht achterhalen.

Het aannemersbedrijf dat het asbest illegaal heeft gesaneerd heeft hiervoor een boete opgelegd gekregen van € 29.400. De boete is onder meer gebaseerd op het feit dat door het bedrijf het asbesthoudend materiaal onbeschermd en ondeskundig is verwijderd en onverpakt is afgevoerd. Het bedrijf heeft daarnaast een waarschuwing ontvangen dat bij herhaling van eenzelfde of soortgelijke overtreding kan worden besloten om het bedrijf gedurende langere tijd stil te leggen.

De eigenaar van de loods was bekend met het feit dat het om asbesthoudende golfbeplating ging. Hij moet een nieuw inventarisatierapport laten opstellen, een besmettingsonderzoek laten uitvoeren en het afval rond de loods door een gecertificeerd saneringsbedrijf laten verwijderen.

Voor de Inspectie SZW is de aanpak van misstanden in de asbestsector een van de speerpunten. Daarom is een speciaal team geformeerd met inspecteurs, die zijn vrijgemaakt voor de aanpak van misstanden. Sinds januari 2013 zijn de boetebedragen voor het overtreden van de arbeidsomstandighedenwet fors aangescherpt.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Artikel 1 lid 2 Sr & Flora- en Faunawet

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:885

Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 10 februari 2012 voor 1 en 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora-en Faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur.

Verdachte heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verweer heeft afgewezen dat sprake zou zijn van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 Sr. Het inzicht van de wetgever over de strafbaarheid van het gebruik van ringen met een grotere diameter is gewijzigd en het gebruik van die ringen is in het nieuwe stelsel geoorloofd.

Het arrest van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

“De raadsman heeft betoogd dat verdachte door het gebruik van andere dan de voorgeschreven ringen heeft geageerd tegen de ten tijde van het ten laste gelegde geldende "Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens" en dat deze regeling per 1 juli 2009 is gewijzigd. Door die wijziging is de koppeling tussen ringmaat en vogelsoort niet meer zo strikt als voorheen. Volgens de raadsman doet zich het geval voor van artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht en dient aan die nieuwe regeling toepassing te worden gegeven zodat het bewezen verklaarde niet meer strafbaar is en verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De toelichting bij de wijziging op 1 juli 2009 van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens houdt het volgende in:

"Op grond van artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en artikel 12 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geldt een aantal vrijstellingen van onder meer het verbod op het onder zich hebben van in gevangenschap geboren en gefokte vogels.

Omdat lastig controleerbaar is of een vogel gefokt is, dan wel in het wild is gevangen, is aan de vrijstellingen de voorwaarde verbonden dat de vogel - buiten enkele specifieke situaties - voorzien moet zijn van een naadloos gesloten pootring. De regeling voorziet in technische eisen waaraan gesloten pootringen moeten voldoen en nadere regels over de aanvraag, afgifte, kosten en het gebruik van in Nederland uit te reiken gesloten pootringen.

Met de regeling is beoogd om een systeem te creëren dat waarborgt dat naadloos gesloten pootringen uitsluitend worden aangebracht op vogels die daadwerkelijk in gevangenschap geboren en gefokt zijn. Dit systeem kent de volgende elementen. De bijlage bij de regeling bevat per vogelsoort voorgeschreven ringmaten.

(...)

Met de wijziging van de regeling worden voorts enkele knelpunten in de praktijk opgelost. Het tweede knelpunt betreft het systeem van maximale diametermaten voor de gesloten pootringen per vogelsoort. De voorgeschreven maten zijn afgestemd op de gemiddelde dikte van de poten van gefokte vogels die pas geboren zijn. Naarmate met vogels doorgefokt wordt, worden de vogels in de regel forser en worden de poten dikker. Gelet hierop past de voorgeschreven ringmaat per vogelsoort niet altijd om de poot van een in gevangenschap gefokte vogel van deze soort. De voorziening die daarvoor in de regeling is opgenomen

betreft het introduceren van de mogelijkheid voor de vogelhouders om voor het ringen van in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels gesloten pootringen te gebruiken met een diameter die groter is dan de maximale diameters die genoemd zijn in de bijlage bij de regeling. Hiertoe wordt aan artikel 5 een tweede lid toegevoegd (artikel I, onderdeel B). Op het moment dat een jonge vogel geringd moet worden en de voorgeschreven ringmaat blijkt te klein te zijn, mag een ring met een grotere diameter worden gebruikt. De houder van de vogel dient dan wel aannemelijk te kunnen maken dat het gebruik van een pootring met de in de bijlage vastgestelde maximale diameter niet mogelijk is. "

Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven is het hof van oordeel dat de wijziging niet voortvloeit uit een verandering van inzicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van voor de inwerkingtreding van de wijziging gepleegde overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en Faunawet. Derhalve zal het hof geen toepassing geven aan het bepaalde in art. 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nu er ook voor het overige niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten, zijn de bewezenverklaarde feiten strafbaar.”

Beoordeling Hoge Raad

Onder de thans geldende regeling geldt als uitgangspunt dat het verboden is beschermde inheemse vogels onder zich te hebben, zij het dat de regeling in ruimere mate dan voorheen voorziet in uitzonderingen op dit verbod. Uit de wet- en regelgeving en de ontstaans geschiedenis daarvan moet worden afgeleid dat het huidige regiem niet berust op een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het onder zich hebben van genoemde vogels vóór de inwerkingtreding van de thans geldende bepalingen, maar dat dit regiem is ingegeven door de gedachte, kort gezegd, enige knelpunten in de praktijk op te lossen, meer in het bijzonder in verband met de omstandigheid dat de voorgeschreven maximale diameter van die pootringen bij (doorgefokte) vogels niet altijd voldoende is gebleken.

Het oordeel van het Hof dat de wijziging als hiervoor bedoeld niet voortvloeit uit een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de regelwijziging begane strafbare feiten geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het Hof zijn oordeel toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geen behoefte aan additioneel EU juridisch instrument voor toegang tot milieurechter

Op de consultatie van de Commissie inzake de Europese procedure inzake “Access to justice in environmental matters – options for improving access to justice at Member States level” reactie van het kabinet op

Op 28 juni 2013 is door de Commissie inzake de Europese procedure inzake “Access to justice in environmental matters – options for improving access to justice at Member States level” een Consultatie gelanceerd betreffende toegang tot de rechter in milieuzaken – opties ter verbetering van de toegang tot de rechter op het niveau van de Lidstaten.

Van de twee opties die worden beschreven in de toelichting bij de consultatie, namelijk:

  1. doorgaan met steunen op geschillenbeslechting en andere niet- legislatieve activiteiten om een bevredigend niveau van toegang tot de milieurechter te verzekeren en
  2. nieuwe EU-regelgeving die toegang tot de milieurechter uitbreidt naar terreinen die niet gedekt worden door EU-regelgeving over het onderwerp

geeft Nederland zeker de voorkeur aan de eerste optie.

Het kabinet reageert als volgt: “We zijn niet overtuigd van de noodzaak en waarde van een additioneel juridisch instrument betreffende toegang tot de milieurechter; naar onze mening werkt het huidige stelsel in de praktijk al jaren naar tevredenheid. Een EU juridisch instrument inzake toegang tot de rechter wordt door ons dan ook niet gemist. Voorts hebben we twijfels over de onderwerpen subsidiariteit en proportionaliteit van een juridisch initiatief.”

 

Print Friendly and PDF ^

Voor tonnen beslag in onderzoek naar stelselmatige fraude met Spijsolie

De Politie heeft afgelopen week in totaal vijf schepen, drie bedrijven en 10 woningen doorzocht in een strafrechtelijk onderzoek naar circa 20 natuurlijke en rechtspersonen, die allen betrokken zijn bij de handel in vetten, spijsolie en afvalstoffen uit die handel. De verdenking is dat zij deel uit maken van een criminele organisatie die stelselmatig fraudeerde met spijsolie en afvalstoffen. Ze hebben vermoedelijk tonnen verdiend met de fraude.

Schepen die spijsolie en vetten vervoeren, geven meermalen per jaar hun slobs -met daarin afvalwater dat is ontstaan na het reinigen van de laadruimten- af aan een vethandelaar, die het op zijn beurt weer afgeeft aan de vetverwerker. Het afvalwater bevat altijd hoeveelheden bruikbare spijsolie. Voor de bruikbare spijsolie uit het afvalwater ontvangen schepen geld. Voor de verantwoorde verwerking van het water en vuil moet betaald worden. De verdenking is dat verdachten zich op grote schaal hebben bezig gehouden met het afgeven van meer afvalstoffen dan vermeld, het stelselmatig vervalsen van administratie en het witwassen van illegaal verdiende gelden.

Bij de doorzoekingen is er administratie in beslag genomen, de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft monsters genomen en de schepen technisch onderzocht. Ook is er voor tonnen beslag gelegd op bankrekeningen, onroerend goed en op circa 20 auto's - waaronder veel oldtimers. Er zijn één bedrijf en vier woningen in de omgeving van Werkendam doorzocht, twee bedrijven en één woning in Moerdijk, vijf schepen en woningen van schippers in Zeeland (1), Zuid Holland (2) en Limburg (1).

Het onderzoek staat onder leiding van het Functioneel Parket en wordt uitgevoerd door de politie Zeeland-West Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Milieu, in samenwerking met de Landelijke Eenheid, Dienst Infra Afdeling EXO/TMC.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Boete voor illegaal verwijderen asbesttegels

De Inspectie SZW heeft een boete van € 16.200,- opgelegd aan een installatiebedrijf voor het illegaal saneren van asbest op een locatie in IJmuiden. De illegale sanering werd ontdekt door de Milieudienst IJmond.

Op een locatie in IJmuiden trof een inspecteur van de Milieudienst IJmond een groot aantal cementtegels aan waarin asbest is verwerkt. De cementtegels bleken afkomstig van een bitumendak en waren deels gebroken. Op het dak zelf liggen nog meer van deze tegels te wachten totdat ze verwijderd worden. Het werk is direct stilgelegd. Het bedrijf dat de werkzaamheden uitvoert geeft aan dat ze niet wist dat het om asbesthoudend afval ging.

De samenwerking tussen de Milieudienst IJmond en de Inspectie SZW is zodanig dat de bevindingen en waarnemingen van de opsporingsambtenaren van de milieudienst direct gebruikt kunnen worden. Dit maakt een snelle afhandeling door de Inspectie SZW mogelijk.  Deze vorm van samenwerking tussen de verschillende toezichthouders komt ook voor in andere regio’s.

Er bleek in dit geval sprake van verschillende overtredingen. Zo waren de werkzaamheden niet gemeld, is  onbeschermd en door een niet-gecertificeerd bedrijf het asbest verwijderd en is het afval niet op de juiste wijze verpakt. Het bedrijf krijgt hiervoor een boete van € 16.200,-.

Het bedrijf heeft een waarschuwing ontvangen dat bij herhaling van eenzelfde of soortgelijke overtreding kan worden besloten om de werkzaamheden van het bedrijf gedurende langere tijd te staken. Deze sanctie - de zogenaamde ‘(waarschuwing) preventieve stillegging’ - kan sinds januari 2013 door de Inspectie SZW worden toegepast bij ernstige en zware overtredingen.

Voor de Inspectie SZW is de aanpak van misstanden in de asbestsector een van de speerpunten. Daarom is een speciaal team geformeerd met inspecteurs, die zijn vrijgemaakt voor de aanpak van misstanden. Sinds januari 2013 zijn de boetebedragen voor het overtreden van de arbeidsomstandighedenwet fors aangescherpt.

Het gebruik van asbest is in Nederland al sinds 1994 verboden. Alle bedrijven in Nederland die asbest verwijderen, moeten dat vooraf bij de Inspectie SZW melden. In ons land zijn er ongeveer 300 bedrijven die gecertificeerd zijn om asbest te verwijderen.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens medeplegen van overtreding van artikel 8 Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, vrijspraak van overtreding van artikel 13

Rechtbank Oost-Brabant 26 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4731

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1: artikel 13 Wet bodembescherming

dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 9 maart 2010 tot en met 27 juli 2010 te Vlijmen, gemeente Heusden, op een perceel grond (kadastraal bekend Vlijmen, gelegen aan of nabij adres 2, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten het (linksachter op het terrein) opslaan van een hoeveelheid (ongeveer 3366 ton) met minerale olie (verontreiniging tot boven de klasse Industrie) en/of zink en/of PAK en/of PCB's (overschrijding van respectievelijk de achtergrondwaarde en de klasse wonen) verontreinigde grond zonder bodembeschermende maatregelen op of in de bodem, althans een partij verontreinigde grond op en/of in de bodem heeft gebracht en/of (vervolgens) die partij grond toen aldaar heeft laten liggen zonder bodembeschermende maatregelen, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden/kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

Feit 2: artikel 8 Wet bodembescherming jo artikel 38 Besluit bodemkwaliteit

dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 12 maart 2010 tot en met 2 juni 2010 te Vlijmen, gemeente Heusden, op een perceel gelegen aan of nabij adres 2, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met bedrijf 2 en/of (een) ander(en), althans alleen, als degene die voornemens was grond of baggerspecie toe te passen in een bouwput aldaar, niet overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63, heeft laten vaststellen, immers werd een hoeveelheid grond, zonder dat de kwaliteit ervan bekend was en/of was onderzocht, tussen en/of in en/of rondom de funderings(vakken) toegepast;

Oordeel rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten behoeve van de te plegen nieuwbouw aan adres 2 te Vlijmen werden na afronding van de sanering op 9 maart 2010, in opdracht van bedrijf 2 op het bouwterrein door bedrijf 3 opgegaan in bedrijf 1 bouwputten uitgegraven. De vrijgekomen grond werd achter op het terrein in depot gezet. Bij de opslag van deze grond werden geen bodembeschermende maatregelen genomen. Uit bemonsteringen die werden uitgevoerd in opdracht van de Grondbank Noord-Oost Brabant b.v. en bedrijf 1 d.d. 10 mei 2010 bleek dat deze grond op basis van verontreiniging met minerale olie, zink, PAK en PCB’s niet toepasbaar was. De resultaten van de genomen monsters werden op 20 mei 2010 schriftelijk aan de opdrachtgevers medegedeeld en tevens werd op 20 mei 2010 aan persoon 1 van bedrijf 2 een mail verzonden met de mededeling dat de grond van het depot niet herbruikbaar was. Ook uit bemonstering door Bureau Milieumetingen van de provincie d.d. 27 mei 2010 bleek dat dit depot in zijn geheel niet toepasbaar was op basis van verontreiniging met minerale olie. Dat de grond mogelijk vervuild was blijkt ook al uit een mail vanpersoon 2 van bedrijf 4 van 1 maart 2010 aan persoon 1 van bedrijf 2 waarin zij te kennen geeft dat een partijkeuring van de grond wordt vereist en dat de kans zeer groot is dat uit de partijkeuring zal blijken dat de grond niet voldoet aan de kwaliteit “wonen” en dat er dan toch schoon zand zal moeten worden aangeleverd. Verder bevindt zich bij de stukken een mail van persoon 3 van bedrijf 4 d.d. 18 december 2009 aan persoon 1 van bedrijf 2, waarin staat dat naar aanleiding van een rapport van de bedrijf 6 de grond van het overige terrein licht verontreinigd is met diverse stoffen en dat bij graafwerkzaamheden alle vrijkomende grond gekeurd dient te worden conform het Besluit Bodemkwaliteit.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bedrijf 2 al vanaf het begin van de werkzaamheden op de hoogte was van een mogelijke verontreiniging van de grond. Dit ligt echter anders bij bedrijf 1. Verdachte ontkent de wetenschap dat de grond verontreinigd was met minerale olie, zink, PAK en PCB’s. Bedrijf 1 ging uit van schone niet vervuilde grond. Uit het dossier blijkt niet dat voornoemde mails vanpersoon 3 en  persoon 2 aan bedrijf 1 zijn gericht of dat zij daarvan kennis heeft genomen. Evenmin blijkt uit andere verklaringen en bewijsmiddelen dat bedrijf 1 wist of redelijkerwijze had kunnen vermoeden dat er sprake was van een mogelijke verontreiniging van de grond.

Feit 2:

Bedrijf 1 heeft verklaard dat in opdracht van bedrijf 2 vanuit het gronddepot door zijn bedrijf circa 800 m3 in de funderingsvakken en rondom de buitenzijde van de fundering in de bodem is gebracht. De rest van het depot moest worden afgevoerd en in dat kader zou een bemonstering plaats vinden. De getuige getuige 1, die als voorman/uitvoerder bij bedrijf 2 werkzaam was, heeft eveneens verklaard dat er grond uit het depot gebruikt is als aanvulling tussen de funderingen van de nieuwbouw. Uit werkbonnen van het loonwerkers-bedrijf bedrijf 5 blijkt dat deze werkzaamheden hebben plaats gevonden op 7 en 17 mei 2010. Pas op 10 mei 2010 vond er een partijkeuring van de grond plaats. Op 20 mei 2010 mailt persoon 4 aan persoon 1 van bedrijf 2 de analysegegevens van de hiervoor genoemde partijkeuring door. Vanaf dat moment is bij de opdrachtgever bekend dat de vanuit het depot in de bodem toegepaste grond vanwege verontreiniging met minerale olie niet toepasbaar is en dat deze grond daarom niet mag worden aangevuld in en rondom de funderingen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er grond is toegepast in een bouwput zonder dat de kwaliteit ervan was vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank hebben bedrijf 2 en bedrijf 1 als medeplegers de keuringsplichtbepaling van artikel 38 van het Besluit bodemkwaliteit overtreden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 2

op tijdstippen in de periode 12 maart 2010 tot en met 20 mei 2010 te Vlijmen, gemeente Heusden, op een perceel gelegen aan adres 2, opzettelijk, tezamen en in vereniging met bedrijf 2, als degene die voornemens was grond toe te passen in een bouwput aldaar, niet overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63, heeft laten vaststellen, immers werd een hoeveelheid grond, zonder dat de kwaliteit ervan bekend was of was onderzocht, tussen en in en rondom de funderingsvakken toegepast.

Strafoplegging

De rechtbank houdt in positieve zin rekening met het feit dat bedrijf 1 uit eigen beweging melding heeft gemaakt van de gebeurtenissen rondom de sanering op het terrein, adres 2, te Vlijmen. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat de vennootschap inmiddels in staat van faillissement verkeert, waardoor de op te leggen geldboete (zo het in het faillissement al tot een uitkering komt) mogelijk ten koste gaat van het geldelijke belang van de overige crediteuren, die aan de bewezen verklaarde feiten part noch deel hebben gehad. In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd heeft aan het toepassen van vervuilde grond op een locatie met een woonbestemming met alle (mogelijke) gevolgen van dien voor de rechtsverkrijgenden en gebruikers van de betrokken percelen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank legt een geldboete op van 20.000 euro.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Middel tegen verwerping verweer dat het op het terrein van verdachte opgeslagen non-ferro metaal geen afvalstof was, omdat het de bedoeling was dit materiaal te recyclen, faalt

Hoge Raad 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:680

Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 8 februari 2011 voor opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot een geldboete van € 2500.

Mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd het verkort arrest aan te vullen met de bewijsmiddelen.

AG Machielse: Het middel mist feitelijke grondslag. Aan het verkort arrest, dat zich bevindt onder de stukken die naar de Hoge Raad zijn gezonden, is een bijdrage gehecht bevattende de bewijsmiddelen.

Tweede middel

Het tweede middel komt op tegen de beslissing van het hof dat het op het terrein van verdachte opgeslagen non-ferro metaal afvalstof was. Het was van begin af aan de bedoeling dit materiaal te recyclen. Dan is er geen sprake van afvalstof.

Uit bijlage I van Richtlijn 75/442/EEG respectievelijk Richtlijn 2006/12/EG blijkt dat vele stoffen en voorwerpen als afvalstof kunnen worden aangemerkt. De door de Commissie opgestelde lijst, de zogenaamde Europese afvalcatalogus (laatste versie: PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3-24) biedt enige houvast, in die zin dat bepaalde stoffen en voorwerpen concreet als afvalstof worden aangemerkt, mits de houder van die stoffen of voorwerpen zich daarvan ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen. Onder meer worden de volgende stoffen genoemd.

  • 12 01 03 non-ferrometaalvijlsel en -krullen
  • 12 01 04 non-ferrometaalstof en -deeltjes
  • 17 04 metaal (inclusief legeringen)
  • 17 04 02 aluminium
  • 19 10 afval van de shredding van metaalhoudend afval
  • 19 10 02 non-ferroafval
  • 19 12 03 non-ferrometalen

Of stoffen ook daadwerkelijk gekwalificeerd kunnen worden als afvalstoffen hangt vervolgens af van de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stoffen wil ontdoen.

Bij de beantwoording van de vraag of de houder de intentie had zich te ontdoen van de afvalstoffen moet rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van de richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip afvalstof dient bijgevolg niet restrictief te worden uitgelegd. Het hof bekijkt daarom - meer algemeen - ook of de door verdachte opgeslagen en overgeslagen materialen door haarzelf en door het bedrijf dat de materialen bij haar afleverde als afvalstof werden beschouwd.

Het hof leidt uit het dossier het volgende af.

Gevraagd naar de bedrijfsmatige activiteiten aan de [a-straat] te Mijdrecht - welke activiteiten in grotere omvang zijn voortgezet aan de [c-straat 1-2] te Mijdrecht – verklaarde de vertegenwoordiger van verdachte bij de politie op 2 juli 2007 (p. 5763 e.v.):

"Wij deden daar evenals nu sorteerwerkzaamheden in non-ferro afvalmetalen."

Dat de inrichting van verdachte zich bezighield met afvalstoffen, blijkt ook uit de bedrijfsomschrijving in de akte van oprichting, namelijk: 'Groothandel in non-ferro metaal en metaalafval.'

De Milieudienst hanteerde in haar communicatie met verdachte telkens het begrip 'afvalstoffen' als zij refereerde aan de bij verdachte opgeslagen stoffen. Verdachte heeft niet weersproken dat het om afvalstoffen ging.

De brief van 11 augustus 2005 van de Milieudienst aan verdachte houdt onder meer in (p. 6077 e.v.): "Hierbij bevestig ik de ontvangst van een melding op grond van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Tevens merk ik hierbij op dat indien een melding Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer is ingediend en bijvoorbeeld meer dan 35m3 afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, binnen de inrichting worden opgeslagen of meer dan 1.000 m3 per jaar aan afvalstoffen worden overgeslagen, dit strafbare feiten zijn waarvoor een proces verbaal kan worden opgemaakt."

De brief van 12 maart 2007 van de Milieudienst aan verdachte houdt onder meer in (p. 6072 e.v.): "Tijdens de controle is tevens een inventarisatie gemaakt van de aanwezige afvalmaterialen. Het formaat containers die [verdachte] gebruikt zijn 24m3. Dit om te bepalen of er meer dan 35m3 opslag aanwezig is. Geconstateerd is dat er:

  • 3 containers geheel gevuld waren met afval zoals aluminium, e.d.;
  • 3 containers niet geheel gevuld;
  • Op het buitenterrein een berg draad, ongeveer 6m3 (losse opslag, niet massief);
  • Onder een afdak aan de andere zijde van het terrein opslag van diverse metalen.

Er is gebleken dat de opslag van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting groter is dan de hoeveelheid, welke is toegestaan voor bedrijven die onder het Besluit opslag- en transportbedrijven vallen."

Verdachte ontving het non-ferrometaal van medeverdachte 2 Dit bedrijf handelt in recyclebare non-ferrometalen, zoals aluminium(shredder) en magnesium. Medeverdachte 2 importeert het materiaal en slaat het op om het vervolgens weer te verkopen ten behoeve van recycling Dit is de standaardwerkwijze van dat bedrijf.

Gelet op die werkwijze was het bij verdachte opgeslagen non-ferrometaal derhalve 'in afwachting van recycling'. Uit die omstandigheid leidt het hof reeds af dat het materiaal, op het moment dat het door verdachte werd opgeslagen (nog) een afvalstof was.

Op de transportdocumenten is het materiaal dat door medeverdachte 2 bij verdachte werd geleverd meermaals aangemerkt als 'shredder'. Naar het oordeel van het hof kan uit de term 'shredder' worden afgeleid dat het om afval gaat. Materiaal dat door een shredder gaat, wordt immers verpulverd of versnipperd en derhalve ten opzichte van de oorspronkelijke staat vernietigd.

Uit het voorgaande blijkt dat het materiaal dat bij verdachte werd opgeslagen, zowel door verdachte als door het bedrijf dat het materiaal bij verdachte aanleverde, als afval werd beschouwd. Naar het oordeel van het hof is het materiaal reeds daarom te duiden als afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer en de Richtlijn.

Het hof overweegt dat afvalstoffen nuttig kunnen worden toegepast, zoals bij recycling waardoor de stoffen het karakter van afvalstof kunnen verliezen.

Het hof is echter van oordeel dat afvalstoffen als zodanig gekwalificeerd blijven tot zij daadwerkelijk zijn gerecycled, met name tot zij in het bewerkingsproces waarvoor zij zijn bestemd afgewerkte producten vormen en het bewerkingsproces aldus is voltooid. Voorts is het hof van oordeel dat een afvalstof slechts als gerecycled kan worden aangemerkt indien zij (opnieuw) is verwerkt ter verkrijging van nieuw materiaal of van een nieuw product met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waaruit het afval bestond voor het oorspronkelijk doel of voor andere doeleinden.

Gelet op de omstandigheid dat het metaal bij verdachte werd op- en overgeslagen en gesorteerd om vervolgens elders gerecycled te worden, had het metaal in de periode dat het m de inrichting van verdachte lag het karakter van afvalstof nog niet verloren Deze conclusie wordt voorts nog gestaafd door het feit dat de eigenaar van de opgeslagen stoffen zich daarvan (ten behoeve van recycling) nog steeds wil ontdoen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

AG Machielse: Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat er sprake is geweest van afvalstoffen. Het hof heeft immers uit deze aanduidingen kunnen opmaken dat het gaat om stoffen waarvan de leveranciers van verdachte zich wilden ontdoen.

Beslissing inzake Seatti en Frediani: "33 (...) Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer, beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik.

Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of een voorwerp te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442. Dat is met name het geval wanneer de gebruikte stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, Jurispr. blz. I-4475, punt 84). Het Hof heeft dan ook verduidelijkt dat bij winning vrijgekomen ganggesteente van een granietgroeve, dat niet het in eerste instantie door de exploitant beoogde product vormt, in beginsel een afvalstof vormt (arrest Palin Granit, punten 32 en 33).

Niettemin is een analyse aanvaardbaar volgens welke goederen, materialen of grondstoffen die vrijkomen bij productieprocessen of delvingen die niet in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, mogelijk geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich [niet] wil ontdoen" in de zin van artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442, maar dat zij in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking. Een dergelijke analyse is immers niet in strijd met de doelstellingen van richtlijn 75/442 omdat er geen enkele rechtvaardigingsgrond is om de bepalingen daarvan, die zijn bedoeld om verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen te verzekeren, toe te passen op goederen, materialen of grondstoffen die, los van enige bewerking, economisch gezien de waarde van producten hebben en als zodanig zijn onderworpen aan de wettelijke regeling die op deze producten van toepassing is (arrest Palin Granit, punten 34 en 35).

Gelet echter op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, moet deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen worden gevolgd voor situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (arrest Palin Granit, punt 36).

Naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof vormt dus de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen", maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).”

AG Machielse: Uit de aanduidingen van het materiaal als afval, shred en het feit dat het bedrijf van verdachte op recycling is gericht, heeft het hof kunnen afleiden dat deze stoffen niet zonder voorafgaande bewerking konden worden hergebruikt of aangewend. Dat dit materiaal zeker en zonder voorafgaande bewerking zou worden hergebruikt als voortzetting van dezelfde productie- of consumptieproces is niet aangevoerd en heeft het hof begrijpelijkerwijs ook uitgesloten geacht.

Het middel faalt.

Derde middel

Het derde middel borduurt voort op een in feitelijke aanleg gevoerd verweer, erop neerkomende dat verdachte niet strafbaar is omdat hij op de mededeling van zijn adviseur dat hij kon volstaan met een melding bij het bevoegd gezag mocht vertrouwen. Dit is ook door de Milieudienst zelf aan verdachte medegedeeld. Aan verdachte kan niet worden tegengeworpen dat de eerdere inrichting wel vergunningsplichtig was. Uit de brief van de Milieudienst waarnaar het hof in zijn arrest verwijst, blijkt ook duidelijk dat de milieudienst niet tot actie zou overgaan en dat de situatie vooralsnog zou worden gedoogd.

AG Machielse: Verdachte heeft met een melding kunnen volstaan mits er niet meer dan 35 m³ afvalstoffen, van buiten de inrichting afkomstig zouden worden opgeslagen. Dat heeft de Milieudienst in een brief van 11 augustus 2005 aan verdachte medegedeeld. Die brief houdt ook in dat het opslaan van meer dan 35 m³ afvalstoffen een strafbaar feit oplevert waarvoor proces-verbaal kan worden opgemaakt. Op 12 maart 2007 heeft de Milieudienst per brief aan verdachte bericht dat aan de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil met een melding kunnen worden volstaan, niet is voldaan omdat er veel meer dan 35 m³ aan afvalstoffen op het terrein van de inrichting aanwezig waren. Verdachte kan zich niet op verontschuldigbare rechtsdwaling beroepen wanneer zij zelf eenvoudig kan constateren dat niet is voldaan aan zo een voorwaarde. Een eventuele veronderstelling van verdachte dat hij niet wederrechtelijk handelde mist dus de daarvoor dragende grondslag. Tot slot wijst de AG erop dat de enkele omstandigheid dat niet wordt gehandhaafd nog niet het vertrouwen kan rechtvaardigen dat het handelen dus niet wederrechtelijk is.

Het middel faalt.

Beoordeling Hoge Raad

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete; vermindert de geldboete in die zin dat deze € 2.250,- bedraagt en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier het arrest van de Hoge Raad & conclusie van AG Machielse.
Print Friendly and PDF ^