Beklag, beslag & verschoningsrecht advocaten

Hoge Raad 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3108

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 29 november 2013 het door klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

In het klaagschrift is aangevoerd dat onder klaagster gegevens in beslag zijn genomen die vallen onder het verschoningsrecht. In het klaagschrift wordt in dit kader verwezen naar een brief van mr. Harmsen en mr. Kortmann, die als bijlage 8 aan het klaagschrift is gehecht. Ook bij de behandeling in raadkamer is bepleit dat gegevens in beslag zijn genomen die onder het verschoningsrecht vallen.

De in het klaagschrift genoemde brief van 4 juni 2013 van mr. C.M. Harmsen en mr. J.S. Kortmann, beiden advocaat, gericht aan officier van justitie M. Mol (bijlage 8) houdt het volgende in:

“De correspondentie en andere communicaties vanaf het moment waarop [klaagster] ons benaderde, vanaf 28 januari 2011, zijn onlosmakelijk verbonden met onze bijstand aan [klaagster] en het feitelijk onderzoek dat [klaagster] op ons verzoek verrichtte in dat kader. Aldus vallen de correspondentie en andere communicaties vanaf 28 januari 2011 onder het advocaat-cliënt privilege.”

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“De stelling van klaagster, inhoudende dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende (aan) [A] (gelieerde bedrijven, personen en onderwerpen) vallen onder het verschoningsrecht van de advocaten van [klaagster], omdat die communicatie louter in verband staat en kan staan met de door de advocaten verleende bijstand aan klaagster en het in dat kader verrichtte onderzoek kan in haar algemeenheid – zonder onderzoek naar de desbetreffende communicatie – niet als juist worden aanvaard.

Niet uit te sluiten valt dat zich op de harde schijf gegevens bevinden die zozeer in verband staan met, of het verlengde zijn van, het vertrouwelijke verkeer tussen advocaat en cliënt dat deze – ook al zijn zij niet afkomstig van of bestemd voor een geheimhouder zelf – onder een verschoningsrecht kunnen vallen, maar dat moet per gegeven worden beslist. Het onderzoek naar dit soort communicatie zal eveneens onder de regie van de rechter-commissaris dienen plaats te vinden (bijvoorbeeld op dezelfde wijze als overeengekomen op 15 november 2013 met betrekking tot de gegevens tot 28 januari 2011) waarbij het uiteraard in eerste instantie aan de verschoningsgerechtigde zal dienen te zijn om aangetroffen gegevens die verband houden met de adviserende rol van advocaten omtrent deze kwestie te beoordelen op een eventueel verschoningsrecht.

Een en ander brengt mee dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede de afspraken die partijen ter behandeling in raadkamer op 15 november 2013 hebben gemaakt.”

Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat de stelling van klaagster, dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende A onder het verschoningsrecht van de advocaten van klaagster vallen, in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 en 4.5 is het middel terecht voorgesteld.

Conclusie AG Knigge

In het onderhavige geval heeft de doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van klaagster. In haar klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer heeft klaagster aangevoerd dat zich onder het inbeslaggenomene correspondentie en andere communicaties bevinden ten aanzien waarvan haar advocaten, blijkens een aan het klaagschrift gehechte brief, zich beroepen op hun verschoningsrecht. Het oordeel van de Rechtbank dat deze stelling van klaagster in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, is ontoereikend gemotiveerd.

Voor zover de overwegingen van de Rechtbank aldus moeten worden begrepen dat zij van oordeel is dat nader onderzoek onder regie van de rechter-commissaris moet uitwijzen of het in de bedoelde brief neergelegde standpunt van de advocaten van klaagster juist is, miskent de Rechtbank dat dit standpunt moet worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor zover de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij die brief niet toereikend acht voor de beoordeling van de vraag of de bedoelde correspondentie en andere communicatie object zijn van het verschoningsrecht, miskent de Rechtbank dat zij in dat geval de betrokken advocaten als belanghebbenden in de gelegenheid had moeten stellen zich dienaangaande uit te laten.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

BTW-carrousel: Slagende bewijsklachten bedrieglijke bankbreuk & witwassen. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:3084

Het Gerechtshof Arnhem heeft bij arrest van 27 juni 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden ter zake van

  • parketnummer 16-993111-05 onder 1 en parketnummer 16-994001-07 onder 1, 2 en 6 telkens medeplegen van meermalen gepleegd, valsheid in geschrift;
  • parketnummer 16-993111-05 onder 2 en parketnummer 16-994001-07 onder 3 telkens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  • parketnummer 16-993111-05 onder 3 en parketnummer 16-994001-07 onder 4 telkens bedrieglijke bankbreuk; en
  • parketnummer 16-994001-07 onder 5 witwassen.

Aan verdachte wordt onder meer verweten dat hij schijntransacties heeft opgezet door het maken van valse facturen, terwijl er geen sprake was van een koopovereenkomst, noch van een intentie tot levering van goederen. Het enige doel van de facturen zou zijn het plegen van BTW-fraude. Het fiscale nadeel zou hierbij zijn gelegen in het Verenigd Koninkrijk.

De BTW-fraude waar het in deze zaak om gaat wordt ook wel aangeduid als BTW-carrouselfraude. Het gaat bij deze vorm van BTW-fraude om een opzet waarbij verschillende vennootschappen in verschillende landen betrokken zijn. In casu gaat het om de verkoop van Computer Processing Units (CPU’s). Bij een doos met CPU’s is de inhoud zeer kwetsbaar en verliest bij opening zijn waarde, bijvoorbeeld CPU’s die stofvrij zijn verpakt. Dozen blijven hierdoor veelal ongeopend. Er vindt een aankoop van CPU's plaats vanuit een andere EU-lidstaat. Het gaat daarbij om een aankoop tegen het intracommunautaire 0% tarief voor de BTW. De goederen worden vervolgens aan een binnenlandse partij verkocht waarbij BTW in rekening wordt gebracht. De importeur is gehouden de aldus ontvangen BTW af te dragen, maar blijft daarbij in gebreke. De importeur wordt ook wel aangeduid als de ploffer. De koper van de goederen verkoopt de goederen vervolgens en kan de BTW verrekenen of terugvragen. De goederen worden vervolgens veelal geëxporteerd, soms naar een land buiten de EU, zodanig dat de verkoper geen BTW in rekening hoeft te brengen.

Om de winst te vergroten kunnen dezelfde goederen meermalen een ronde maken. Vaak worden verschillende tussenschakels in verschillende landen gebruikt om zo de kans op ontdekking te verkleinen. Deze tussenschakels worden ook wel aangeduid als buffers. De winst, dat wil zeggen de niet afgedragen, maar wel teruggevorderde, BTW, wordt over de schakels verdeeld. Ook kan er sprake zijn van facturen zonder dat er enige levering van goederen plaatsvindt. Er wordt dan een fictieve handelsstroom gecreëerd.

In de zaak met parketnummer 16-994001-07 werden er op één dag dozen met CPU’s gekocht en verkocht door bedrijven in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. De goederen begonnen bij P in België en werden aan het einde van de dag weer teruggekocht door P. De partij die begon met het overboeken van het geld kreeg op zeer korte termijn (een uur tot enkele uren later) zijn geld weer terug. Het geld heeft dan een ronde gemaakt langs alle bankrekeningen van alle betrokken kopers en verkopers.

Alle betrokkenen hielden rekeningen aan bij een wisselkantoor dat in staat was om zeer snel betalingen van de ene naar de andere rekening te maken. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de goederen daadwerkelijk getransporteerd en opgeslagen. Voordat de goederen aan hun ronde langs de bedrijven begonnen stond al vast wat de prijs was die ieder van de betrokkenen zou betalen en ontvangen.

In de zaak met parketnummer 16-993111-05 werden de CPU’s veelal ingekocht van buitenlandse leveranciers en werden aan een buitenlandse afnemer verkocht. De opslag geschiedde in Nederland of het Verenigd Koninkrijk. De dozen gingen vaak meerdere keren rond.

Verdachte heeft tegen de uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Verbruggen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende acht middelen van cassatie.

Zesde middel

Het middel klaagt onder meer over de motivering van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 4 bewezenverklaarde (bedrieglijke bankbreuk).

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is in voormelde zaak onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 september 2005 tot en met 26 januari 2007 in Nederland, telkens terwijl ten aanzien van verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 februari 2004 (04/188 R) de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing was ter bedrieglijke verkorting van de rechten die zijn schuldeiser(s) jegens de boedel kunnen doen gelden, en terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 31 juli 2006 (04/188 R) failliet is verklaard ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), lasten heeft verdicht en baten niet heeft verantwoord, hebbende hij, verdachte,

  • voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje (rekeningnummer [001]) en voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de la Caixa Bank te Spanje (rekening nummer(s) [002] en [003]) en
  • voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat er vanaf genoemde bankrekeningen gelden zijn overgemaakt naar bankrekening(en) en/of de Master Card en/of de Visa Card welke op naam was/waren gesteld van [betrokkene 1]."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (D-197 van dossier 34521, 34952 en 34953), te weten een definitieve toepassing schuldsanering van de rechtbank Utrecht d.d. 25 februari 2004, voor zover inhoudende:

De rechtbank spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965.

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-1-1, pagina 4), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had de beschikking over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-l-10, pagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] en mij geld geleend. Ik denk dat ik in 2006 in totaal circa € 60.000 van hem heb gekregen. Dit geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Tweede aanvullend proces-verbaal, G-3-1), voor zover inhoudende als verklaring van M. Verhoeff curator, zakelijk weergegeven:

Ik wist niet dat [verdachte] kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland. Bij deze wens ik aangifte te doen van bedrieglijke bankbreuk."

Het Hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

"Op 25 februari 2004 is ten aanzien van verdachte de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard (D-197).

Verdachte heeft verklaard dat hij de beschikking had over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort (V1-1).

Voorts heeft verdachte verklaard dat de curator niet wist dat hij facturen had gezonden vanuit [A] in Spanje en ook niet dat hij over de gelden van [A] kon beschikken (V1-2).

In het dossier bevindt zich een afschrift van een Postbankrekening van [betrokkene 1] en een stortingsbewijs, waaruit blijkt dat verdachte op 15 september 2009 € 3.000,− op deze rekening heeft gestort (D-145).

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij dat geld contant in zijn zak had zitten en dat hij dat kort daarvoor contant had opgenomen bij zijn bank in Andorra. Verdachte denkt in totaal in 2006 € 60.000,− van [betrokkene 2] te hebben gekregen. Dat geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

Bewindvoerder M. Verhoef heeft tegen verdachte aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk. Zij heeft verklaard dat zij niet wist dat verdachte kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland (G3-1).

Op grond van deze bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd."

Uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat de verdachte de beschikking had over "gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje (rekeningnummer [001])" noch dat vanaf genoemde bankrekening en de bankrekening bij de La Caixa Bank te Spanje "gelden zijn overgemaakt" naar bankrekening(en) en/of de Master Card en/of de Visa Card welke op naam was/waren gesteld van betrokkene 1.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG Vegter

De steller van het middel heeft gelijk dat de bewijsvoering gebreken vertoont. Uit de bewijsvoering die wordt gevormd door de in de aanvulling gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging kan niet volgen dat verdachte de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje onder het in de bewezenverklaring vermelde nummer.

De als bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring van verdachte houdt onder meer in: “Dit geld (gedoeld wordt op € 60.000,-;PV) is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.”

Het laatste onderdeel (laatste liggende streepje) van de bewezenverklaring wordt daarmee niet zonder meer gedekt. Deze gebreken in de bewijsmotivering doen mijns inziens in het licht van het geheel aan bewezenverklaarde feiten niet af aan de ernst van het bewezenverklaarde feit 4 zodat cassatie achterwege kan blijven.

Het middel treft weliswaar doel, maar tot cassatie behoeft dit niet te leiden.

Zevende middel

Het middel klaagt onder meer over de motivering van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 5 bewezenverklaarde (witwassen).

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is in voormelde zaak onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 september 2005 tot en met 26 januari 2007 in Nederland en/of in Spanje een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag − onmiddellijk of middellijk − afkomstig was uit enig misdrijf."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (D-197 van dossier 34521, 34952 en 34953), te weten een definitieve toepassing schuldsanering van de rechtbank Utrecht d.d. 25 februari 2004, voor zover inhoudende:

De rechtbank spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965.

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-1-1, pagina 4), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had de beschikking over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-l-10, pagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: [betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] en mij geld geleend. Ik denk dat ik in 2006 in totaal circa € 60.000 van hem heb gekregen. Dit geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Tweede aanvullend proces-verbaal, G-3-1), voor zover inhoudende als verklaring van M. Verhoeff curator, zakelijk weergegeven: Ik wist niet dat [verdachte] kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland. Bij deze wens ik aangifte te doen van bedrieglijke bankbreuk."

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 4 en onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie AG Vegter

Nu van enige legale herkomst van het geldbedrag niet is gebleken, kon het Hof in het totale verband van deze strafzaak er zonder meer van uit gaan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Het Hof heeft kennelijk niet aannemelijk geacht dat verdachte bijvoorbeeld een tegenprestatie heeft verricht, dat een schuld werd ingelost of dat er een titel voor schenking was. Het is daarmee niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft bewezenverklaard dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Het betreft hier geld uit eigen misdrijf en dat betekent dat voor kwalificatie van het bewezenverklaarde voorhanden hebben als witwassen moet vaststaan dat verdachte handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. In het kader van een faillissement rust op verdachte de verplichting de staat van inkomen en vermogen te melden aan de curator. Dat is een bijzondere rechtsplicht en het komt mij voor dat wanneer daaraan niet voldaan wordt van verhullen of verbergen (op zijn minst tegenover de curator) kan worden gesproken.

Het middel treft geen doel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Grondslagverlating, wijziging tenlastelegging & witwassen

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 20 december 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden ter zake van

  • 1. voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
  • 2. bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben,
  • 3. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
  • 5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
  • 6. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals is,
  • 7. overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan,
  • 9. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en
  • 10. subsidiair witwassen.

Namens de verdachte heeft E. Schleeper, waarnemend griffier bij het gerechtshof te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het derde middel klaagt erover dat het hof ten aanzien van feit 10 (witwassen) de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is onder 10 tenlastegelegd dat:

"primair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 december 2011, te Amsterdam en/of Diemen, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte van een of meer voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten

  • een of meer (personen)auto('s), te weten een Volkswagen, kenteken [AA-00-BB] en/of een Opel, kenteken [CC-00-DD] en/of een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en/of een Volkswagen, kenteken [GG-00-HH] en/of een Volkswagen, kenteken [II-00-JJ] en/of
  • een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en/of
  • een tas (merk Gucci) en/of
  • een of meer kledingstuk(ken) en/of schoenen (met een totale waarde van (ongeveer) 8276,35 euro) en/of
  • een gouden armband en/of
  • een horloge (merk Cartier) en/of
  • een gouden ring met diamanten en/of
  • een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 22120 euro (zegge: tweeëntwintigduizend en honderdentwintig euro),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), voorhanden had/hadden, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 december 2011 te Amsterdam en/of Diemen, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), te weten

  • een of meer (personen)auto('s), te weten een Volkswagen, kenteken [AA-00-BB] en/of een Opel, kenteken [CC-00-DD] en/of een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en/of een Volkswagen, kenteken [GG-00-HH] en/of een Volkswagen, kenteken [II-00-JJ] en/of
  • een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en/of
  • een tas (merk Gucci) en/of
  • een of meer kledingstuk(ken) en/of schoenen (met een totale waarde van (ongeveer) 8276,35 euro) en/of
  • een gouden armband en/of
  • een horloge (merk Cartier) en/of
  • een gouden ring met diamanten en/of
  • een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 22120 euro (zegge: tweeëntwintigduizend en honderdentwintig euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), voorhanden had/hadden, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf."

Het Hof heeft ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Het hof stelt vast dat zowel in het dossier 'witwassen' als op de behandeling in eerste aanleg het onder feit 10 onder primair en subsidiair tenlastegelegde is begrepen als gericht op het in artikel 420 bis onder b Wetboek van Strafrecht (Sr) (juncto artikel 420ter Sr) neergelegde strafbare feit. Het door de rechtbank bewezen verklaarde feit valt ook onder die delictsomschrijving. Ook bij de behandeling in hoger beroep zijn de raadsman en de advocaat-generaal van die bewezen verklaarde strafbare gedragingen uitgegaan. Onder die omstandigheden en nu de strafmaat niet verschilt leest het hof de tenlastelegging verbeterd, als mede inhoudend (achter uit een misdrijf):

en/of die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een misdrijf. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 10 primair tenlastegelegde. Het heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 december 2011, te Amsterdam en/of Diemen, voorwerpen en geldbedragen, te weten

  • personenauto's, te weten een Opel, kenteken [CC-00-DD] en een Fiat, kenteken [EE-00-FF] en
  • een bromfiets (kenteken [KK-00-LL]) en
  • kledingstukken (met een totale waarde van ongeveer 8276,35 euro) en
  • een horloge (merk Cartier) en
  • een gouden ring met diamanten en
  • geldbedragen van in totaal ongeveer 19120 euro (zegge: negentienduizend en honderdtwintig euro),

voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen en geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit een misdrijf."

De tenlastelegging onder 10 primair is toegesneden op handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr en art. 420ter Sr. De tenlastelegging onder 10 subsidiair is toegesneden op handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr, onderscheidenlijk art. 420quater, eerste lid aanhef en onder a, Sr.

Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, mits de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo een verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist (vgl. HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494).

De toevoeging aan de tenlastelegging van aan art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr onderscheidenlijk art. 420quater, eerste lid aanhef en onder b, Sr ontleende bestanddelen kan echter niet als het herstel van een misslag in de hiervoor bedoelde zin worden gezien, maar levert een wijziging van de tenlastelegging op die slechts op de voet van de art. 313 en 314 Sv kon plaatsvinden.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR benadrukt dat artikel 68 Sr (ne bis in idem) betrekking heeft op onherroepelijke uitspraken

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3043

Het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 april 2013 verdachte wegens

  1. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
  2. primair poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
  3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
  4. wederspannigheid
  5. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden (feit 1, 2, 3, 4), hechtenis voor de duur van 1 maand en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar (feit 5).

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten aanzien van het vijfde tenlastegelegde feit ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard nu de verdachte voor dit feit reeds veroordeeld was.

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is in de onderhavige strafzaak gedagvaard voor de terechtzitting van de Rechtbank van 31 oktober 2011 ter zake van overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht.

Nadien is de verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 ter zake van overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet 1994, eveneens gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht.

In de onderhavige strafzaak heeft het Hof bij arrest van 11 april 2013 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot hechtenis voor de duur van een maand en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.

In de andere strafzaak heeft de Kantonrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 550,-, subsidiair 11 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Het door de verdachte tegen dit vonnis van de Kantonrechter op 24 april 2013 ingestelde hoger beroep is door hem ingetrokken op 6 februari 2014, dus nadat het Hof in de onderhavige strafzaak uitspraak had gedaan.

Voor zover het middel betoogt dat het Hof op grond van art. 68 Sr het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vervolging, miskent het dat art. 68 Sr betrekking heeft op onherroepelijke uitspraken. De uitspraak van de Kantonrechter van 8 augustus 2012 was nog niet onherroepelijk ten tijde van het arrest van het Hof in de onderhavige strafzaak. Dat die uitspraak nadien onherroepelijk is geworden, zou aanleiding kunnen zijn tot het aanvragen van herziening van die uitspraak.

Voorts moet worden vooropgesteld dat ingevolge het systeem van de in het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreffende de procesgang in beginsel de regel geldt dat, vóórdat op de grondslag van een inleidende dagvaarding onherroepelijk is beslist, de officier van justitie zich behoort te onthouden van het doen uitgaan van een tweede dagvaarding ter zake van hetzelfde feit. Ingevolge het eerste lid van art. 258 Sv neemt het rechtsgeding immers een aanvang zodra de officier van justitie de inleidende dagvaarding doet uitgaan en het zou niet stroken met dit systeem indien de verdachte ter zake van hetzelfde feit andermaal zou worden vervolgd zolang op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist (vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985/842, rov. 5.2.1).

Voor zover het middel berust op de opvatting dat de Officier van Justitie in de onderhavige strafzaak niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging op de grond dat hij de verdachte voor hetzelfde feit tweemaal heeft gedagvaard, miskent het dat de dagvaarding in de onderhavige strafzaak is uitgebracht vóór de dagvaarding in de andere strafzaak.

Opmerking verdient nog dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in HR 14 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9966, NJ 1995/406, doordat in die zaak zowel de verdachte als de politierechter ter terechtzitting door het openbaar ministerie verkeerd waren ingelicht over de intrekking van de tweede dagvaarding.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad omarmt ‘doel-middel benadering’ bij sanctionering van vormfouten

De Hoge Raad heeft in recente rechtspraak de zogenaamde ‘doel-middel benadering’ bij de sanctionering van vormfouten omarmd. Daarbij gaat het om de vraag welk doel de strafrechter met de opgelegde sanctie beoogt te bereiken en of die sanctie daartoe het effectieve middel is dat bovendien evenredig moet zijn ten opzichte van het beoogde doel. Op zichzelf een goed idee om het debat over vormfouten meer structuur te geven. Maar er kleven in de praktische toepassing ervan ook bezwaren aan. Uiteindelijk leidt deze theorie ertoe dat de rechter steeds minder ruimte krijgt om op vormfouten adequaat te reageren.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor veroorzaken dodelijk ongeval moet over: bewijsvoering hof ten aanzien van roekeloosheid schiet tekort

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3045

De verdachte reed in 2008 een vrouw aan op de N2 in Maastricht op een oversteekplaats voor (brom-)fietsers. De vrouw overleed ruim 2 maanden later als gevolg van het door haar bij deze aanrijding opgelopen letsel. Het hof veroordeelde de verdachte voor roekeloos rijgedrag op basis van: te hard rijden, door rood licht rijden, rijden onder invloed van alcohol en met een belemmerd zicht de oversteekplaats op rijden tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 3 jaren.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

"Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof is van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos.

Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen, waarbij op zeer licht-zinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest, omdat verdachte in aanzienlijke mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft over-schreden door met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur een oversteek-plaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 kilometer per uur en vervolgens met on-verminderde snelheid die oversteekplaats op te rijden, dit terwijl:

  • verdachte ter plaatse bekend was en wist dat er aldaar een oversteekplaats voor (brom)fietsers was;
  • verdachte heeft gezien dat er op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats werd belemmerd door die personenauto;
  • het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond;
  • verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, immers hij had drie volle glazen Pasoa gedronken tijdens zijn bezoek aan een discotheek kort voorafgaand aan het ongeval. Dat het hof - nu het onderzoek naar het alcoholgehalte van de adem van verdachte niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden- niet kan vaststellen hoe hoog het alcoholpromillage precies is geweest maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een beginnend bestuurder was.

Verdachte heeft door aldus te handelen onaanvaardbare risico's genomen."

Middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

Beoordeling Hoge Raad

Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25).

In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden - kort gezegd dat de verdachte, die ter plaatse bekend is, een oversteekplaats voor (brom)fietsers met een toenemende snelheid van uiteindelijk ongeveer 90 kilometer per uur is opgereden waar slechts 50 kilometer per uur was toegestaan, aldaar een van rechts komende bestuurster van een bromfiets heeft aangereden, terwijl zijn zicht op die oversteekplaats door een op de rechter rijstrook stilstaande personenauto werd belemmerd, het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond en hij onder invloed was van alcoholhoudende drank - zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte zoals eveneens is tenlastegelegd "zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gereden onder een van de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR haalt streep door het vervolgen van Hawala-bankieren als witwassen

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044

Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 15 februari 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden wegens 1 primair medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De verdachte maakte deel uit van een groep personen die vanuit een wasserette in Amsterdam op grote schaal “ondergrondse” geldtransacties heeft uitgevoerd. Naast de verdachte behoorden onder meer medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (de vennoten van de wasserette) en medeverdachte 3 (een werknemer van de wasserette) tot deze groep. De leden van de groep hebben stelselmatig grote contante geldbedragen geleverd aan derden, terwijl niet is gebleken dat door de personen die deze geldbedragen van hen ontvingen jegens hen tegenprestaties zijn verricht. De (in Pakistan geboren) verdachte en andere leden van de groep hebben telefonisch overleg met personen met een Pakistaans telefoonnummer over het leveren van geldbedragen aan derden. Bij de geldtransacties zijn zogenaamde “tokennummers” gebruikt als betalingsbewijzen. Deze wijze van geldlevering kan worden aangeduid als ‘hawala-bankieren’. Dit betreft een onder andere in de Pakistaanse gemeenschap gehanteerd systeem van ondergronds bankieren, dat wordt gebruikt voor het overdragen van geldbedragen tussen personen in Nederland en personen in het buitenland. Daarbij worden contante bedragen in een bepaalde valuta bij een buitenlandse ‘bankier’ ingeleverd teneinde in een andere valuta door een andere ‘bankier’ in een ander land aan de begunstigde te worden uitgekeerd. De inschuld die zodoende ontstaat bij de uitkerende ‘bankier’ wordt niet voldaan door fysiek transport van gelden, maar door onderlinge verrekening tussen de ‘bankiers’. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten opgetreden als een dergelijke ‘bankier’.

De rol van de verdachte bestond hieruit dat hij fungeerde als geldkoerier en in opdracht van medeverdachte 1 transacties verrichtte, terwijl hij voor medeverdachte 1 aanzienlijke geldbedragen in bewaring heeft gehad. De verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn door beroeps- of bedrijfsmatig voor derden geldtransacties uit te voeren (feit 2), aangezien de gedragingen van de verdachte hebben plaatsgevonden na 1 november 2009 en deze derhalve niet kunnen worden aangemerkt als geldtransacties in de zin van de Wet inzake de geldtransactiekantoren maar moeten worden beschouwd als een betaaldienst in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Voorts is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 1) en deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen (feit 3).

De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat de feiten 2 en 3 bewezen kunnen worden verklaard maar dat de verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het hof moet kritisch kijken naar de transacties waarbij geen geld in beslag is genomen. In die gevallen zijn er voor een bewezenverklaring aanvullende feiten en omstandigheden nodig. Bovendien wordt ondergronds bankieren in sommige culturen als “iets reguliers” gezien, aldus de raadsman.

Het hof heeft onder “nadere bewijsoverweging” onder meer het volgende overwogen:

“Bij zijn oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten, in georganiseerd verband als ondergronds bankier hebben gefungeerd, heeft het hof allereerst acht geslagen op de verklaring van [betrokkene 1] van 25 maart 2011 (zaakdossier IA, rubriek 2, deel 1, p. 126-132). In deze verklaring geeft [betrokkene 1] in de kern een omschrijving van wat hiervoor als ondergronds bankieren is beschreven. Hij verklaart voorts dat hij in 2010 meerdere malen bij de wasserette in de [a-straat 1], waarvan [medeverdachte 2] 'chef’ was, is geweest met twee ondergrondse bankiers uit Pakistan, genaamd [betrokkene 2] en [betrokkene 2]. Deze [betrokkene 2] en [betrokkene 2] spraken bij deze bezoeken met [medeverdachte 2] of, in diens afwezigheid, met [medeverdachte 1]. Het doel van deze bezoeken was geld 'dealen', aldus [betrokkene 1] (p. 128, 129).

Voorts heeft het hof acht geslagen op twee geldtransacties waarbij leden van de bewezen verklaarde criminele organisatie betrokken waren en waarbij door de politie de geleverde geldbedragen zijn onderschept, te weten een (aan de verdachte ten laste gelegde) geldtransactie op 27 oktober 2010 en een transactie op 8 november 2010. Bij eerstgenoemde transactie is de verdachte rechtstreeks betrokken geweest. Bij de transactie op 8 november 2010 is dit niet het geval, maar hierbij is wel de medeverdachte (en lid van de bewezenverklaarde criminele organisatie) [medeverdachte 1] betrokken. Nu bij deze transactie een werkwijze met tokennummers (waarop het hof hierna nog ingaat) is gehanteerd, die ook door de verdachte is gehanteerd, acht het hof deze transactie niettemin redengevend. (…)

Van misdrijf afkomstig

Zoals reeds overwogen, heeft de verdachte, tezamen met zijn medeverdachten, stelselmatig geldtransacties verricht, in die zin dat in samenspraak met personen in het buitenland die kunnen worden aangemerkt ondergronds bankiers aldaar, door hen (onder meer) de onder 1 bewezen verklaarde geldbedragen in Nederland werden verstrekt aan derden, zonder dat deze derden jegens de verdachte en zijn medeverdachten tegenprestaties verrichtten in relatie tot deze bedragen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben naar 's hofs oordeel aldus opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betalingsdienstverlener uitgeoefend, hetgeen een misdrijf oplevert. De geldbedragen die de verdachte en zijn medeverdachten in het kader van dit uitoefenen hebben verworven, voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen zijn daarmee van misdrijf afkomstig.

Overigens aangetroffen geld

In de woning van de verdachte zijn verschillende contante geldbedragen van in totaal € 94.900,00 aangetroffen. Gelet op de hoogte van dit geldbedrag, en de vele geldtransacties waarbij de verdachte betrokken is geweest, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad in de uitoefening van ondergronds bankieren.

Criminele organisatie

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en de overige in de bewezenverklaring genoemde personen - zich centrerend rond de wasserette aan de [a-straat 1] te Amsterdam -, gericht op het (gewoonte)witwassen van geldbedragen, en dat de verdachte daaraan opzettelijk heeft bijgedragen. In voornoemde wasserette is een contant geldbedrag van € 50.000,00 aangetroffen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren beiden vennoten van voornoemde wasserette en kunnen, tezamen met [medeverdachte 3] (gewezen werknemer van de wasserette en schoonzoon van [medeverdachte 2]), worden beschouwd als bestuurders van de organisatie. Met name deze personen hadden contact met Pakistaanse bankiers en stuurden geldkoeriers als de verdachte aan. In de woning van [medeverdachte 1] is voorts een contant geldbedrag van € 100.000,00 aangetroffen. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] waren in de wasserette werkzaam. Zij hadden een ondergeschikte rol binnen de organisatie. [medeverdachte 5] hield in zijn woning administratie die zag op het ondergronds bankieren en [medeverdachte 6] had telefoons onder zich die daarbij gebruikt werden. Voorts heeft [medeverdachte 5] hand- en spandiensten verricht voor de organisatie en is in de woning van [medeverdachte 6] is een groot contant geldbedrag aangetroffen. [medeverdachte 4], eveneens voormalig werknemer van de wasserette, heeft een telefoon en administratie die verband hielden met het ondergronds bankieren in zijn woning gehouden. De deelneming van de verdachte bij de criminele organisatie heeft bestaan uit zijn betrokkenheid bij de onder feit 1 bewezen verklaarde transacties, en voorts is, zoals gezegd, in zijn woning een contant geldbedrag van € 94.900,00 aangetroffen.”

Voorts heeft het hof onder “strafbaarheid van het bewezen verklaarde” het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van (in totaal) € 94.900,00, overweegt het hof nog als volgt. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg omtrent dit bedrag verklaard dat hij het geld van [medeverdachte 1] heeft gekregen. Mede gelet op de hiervoor geduide rolverdeling binnen de criminele organisatie, waarbij [medeverdachte 1] als bestuurder wordt aangemerkt, is aan te nemen dat dit geldbedrag door [medeverdachte 1] aan de verdachte in bewaring is geven teneinde deze weg te houden uit de wasserette in de [a-straat 1] van waaruit hoofdzakelijk de betalingsdiensten werden uitgevoerd, zodat een verband tussen de geldbedragen en deze diensten werd verhuld. De verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze geldbedragen zodoende de misdadige herkomst daarvan verhuld. In zoverre kan dit handelen van de verdachte dan ook worden aangemerkt als strekkende tot uitvoering van het hem ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Er is, mede hierop gelet, geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”

Het beroep in cassatie is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.S. Nan bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die verdachte en zijn mededaders in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning hebben verworven en/of voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen "daarmee" van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestandsdelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van de art. 420bis en 420quarter Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot gelden.

Voor zover het middel hierover beoogt te klagen, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG: anders

De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 420bis Sr staan er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de verdachte die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de in die bepaling nader omschreven kwalificatie witwassen rechtvaardigt. Indien vaststaat dat het enkele verwerven en/of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zodanig geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat aannemelijk is dat de desbetreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Voorts zien deze regels uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of het voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen bewezen is verklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op gevallen waarin het “overdragen”, het “gebruik maken” en/of het “omzetten” van zulke voorwerpen, in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr aan die begrippen toekomt, bewezen is verklaard. Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat het “overdragen”, het “gebruik maken” of het “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Volgens de Hoge Raad moet immers worden voorkomen dat de hiervoor weergegeven regels worden omzeild enkel door het ten laste leggen en bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, er sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hiervoor omschreven zin.

In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen, die de verdachte en zijn medeverdachten hebben verworven, voorhanden gehad en overgedragen, afkomstig zijn uit een door de verdachte en zijn medeverdachten zelf begaan misdrijf, te weten het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. In hoger beroep is door of namens de verdachte niet aangevoerd dat deze geldbedragen niet afkomstig zouden zijn van een misdrijf. De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2013 in dit verband slechts, zonder nadere onderbouwing, opgemerkt dat ondergronds bankieren in sommige culturen als “iets reguliers” wordt gezien. Nu het oordeel van het hof betreffende de herkomst van de geldbedragen door de steller van het middel in de onderhavige zaak niet wordt bestreden, dient er in cassatie van te worden uitgegaan dat de geldbedragen uit (eigen) misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn door beroeps- of bedrijfsmatig voor derden geldtransacties uit te voeren (feit 2), maakt dat niet anders.

Gelet op het ontbreken van een verweer in hoger beroep en een klacht in cassatie op dit punt, behoeft de vraag of ondergronds bankieren als zodanig meebrengt dat sprake is van het witwassen van de in dat verband verstrekte geldbedragen geen beantwoording. Ik merk hierover terzijde nog op dat deze vraag wel in de feitenrechtspraak aan de orde is gekomen. Voor een nadere uiteenzetting hieromtrent verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak tegen de medeverdachte (nr. 13/02041).

Zoals blijkt uit de toelichting, steunt het middel in de eerste plaats op de opvatting dat de rechtspraak van de Hoge Raad inzake witwassen, zoals hiervoor is vooropgesteld, niet alleen geldt voor het “voorhanden hebben” en het “verwerven” van voorwerpen die afkomstig zijn van door de verdachte zelf begane misdrijven, maar ook dient te gelden voor het “overdragen” van die voorwerpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, vindt deze opvatting evenwel geen steun in het recht. Daaruit volgt immers dat bedoelde regels van de Hoge Raad in beginsel geen betrekking hebben op een geval als het onderhavige, waarin (naast het “verwerven” en het “voorhanden hebben”) het “overdragen” van geldbedragen bewezen is verklaard. Bovendien is noch aangevoerd noch (anderszins) aannemelijk geworden dat er sprake zou zijn van een bijzonder geval zoals hiervoor bedoeld. Gelet op het voorgaande is het kennelijke oordeel van het hof, dat een dergelijk uitzonderingsgeval zich hier niet voordoet, niet onbegrijpelijk.

Voorts bevat het middel de klacht dat van het in de woning van de verdachte aangetroffen bedrag van in totaal € 94.900,- niet kan worden gezegd dat sprake is van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

Deze klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte door het voorhanden hebben van het geldbedrag de misdadige herkomst daarvan heeft verhuld. Het hof heeft daartoe overwogen dat de medeverdachte 1 het geldbedrag aan de verdachte in bewaring heeft gegeven teneinde het geld weg te houden uit de wasserette, van waaruit de betaaldiensten werden uitgevoerd, zodat een verband tussen het geldbedrag en deze diensten werd verhuld.

Dit oordeel van het hof is niet begrijpelijk gemotiveerd. Uit de bewijsvoering kan ten aanzien van het voorhanden hebben van voornoemd geldbedrag in de woning van de verdachte niet worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. De omstandigheid dat de medeverdachte 1 het geld aan de verdachte in bewaring heeft gegeven is daarvoor onvoldoende. Die gedraging brengt bijvoorbeeld niet mee dat het geldbedrag daarmee in het economische verkeer is gebracht. Het middel klaagt daarover terecht.

Op grond van het navolgende behoeft dit evenwel niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring van feit 1 houdt niet alleen in dat de verdachte samen met anderen “een geldbedrag van 9.900,- euro en 5.000,- euro en 35.000,- euro en 45.000,- op 30 november 2010 (woning [verdachte])” (een totaalbedrag van € 94.900,-) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook dat hij dit geldbedrag samen met anderen heeft overgedragen. Bovendien heeft het hof bij de kwalificatie van feit 1 kennelijk geen zelfstandige betekenis toegekend aan het voorhanden hebben (en het verwerven) van het geldbedrag van € 94.900,-. Zoals hiervoor is uiteengezet, behoeft ten aanzien van een bewezenverklaring en kwalificatie als in de onderhavige zaak aan de orde uit de motivering van het hof niet te volgen dat er sprake is van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag gericht karakter heeft. Nu evenmin is aangevoerd dat zich hier een bijzonder geval voordoet, zoals hiervoor onder 17 bedoeld, kan het middel niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Voortzetting onderzoek ter terechtzitting na toewijzing van vordering wijziging tll zonder toestemming verdachte of uitdrukkelijk gemachtigd raadsman

Hoge Raad 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 6 november 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden voor 1 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en 2: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen,

Ter terechtzitting van het Hof heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd in die zin dat deze zou komen te luiden:

"dat aan feit 1 na "dan wel een ontslagvergoeding," wordt toegevoegd "dan wel een werkeloosheidsuitkering," dat wordt toegevoegd als feit 2: hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2011 tot en met 15 september 2011 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of bedreiging met geweld [betrokkene] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, althans van enig goed, en tot het tenietdoen van een inschuld, te weten het accepteren van zijn ([betrokkene]'s) beëindiging dienstverband bij [A] en daarmee zijn rechten op salaris danwel een ontslagvergoeding dan wel een werkeloosheidsuitkering, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het, - creëren van een situatie waarbij [betrokkene] alleen stond tegenover een (numerieke) overmacht van drie, althans een of meerdere perso(on)n(en), en/of - dwingen van [betrokkene] tot het ondertekenen van een, of meerdere document(en), en/of - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans een hard voorwerp, op/tegen het gezicht en/of hoofd van [betrokkene] gedrukt/geduwd/gehouden, en/of - het (meermalen) [betrokkene] in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd slaan."

Blijkens het proces-verbaal van de voormelde terechtzitting is namens de niet verschenen verdachte zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouwe ter terechtzitting aanwezig. Het proces-verbaal houdt in dat de raadsvrouwe in reactie op de vordering van de Advocaat-Generaal het volgende heeft opgemerkt:

"Inhoudelijk heb ik geen bezwaar tegen de wijziging tenlastelegging. Mijn cliënt is niet aanwezig dus ik kan de wijziging niet met hem bespreken. Met een beroep op artikel 314 van het Wetboek van Strafvordering vraag ik om de zaak aan te houden."

Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen en aan de raadsvrouwe van de verdachte een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde tenlastelegging ter hand gesteld. Het onderzoek is vervolgens aanstonds voortgezet. Het Hof heeft de beslissing tot toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging en tot voortzetting van het onderzoek als volgt gemotiveerd:

"Het hof wijst voorts de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toe. Aan de raadsvrouw wordt een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde tenlastelegging ter hand gesteld.

Het Hof vindt dat sprake is van een kleine wijziging, nu het hetzelfde feitencomplex betreft als de oorspronkelijke tenlastelegging, en is van oordeel dat de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, temeer nu hij wordt vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw en zij kennis heeft genomen van de gewijzigde tenlastelegging.

Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet."

Namens verdachte is cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof na toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging het onderzoek in strijd met art. 314, tweede lid, Sv aanstonds zonder toestemming van de uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouwe heeft voortgezet.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel stelt de vraag aan de orde of het de feitenrechter gelet op art. 314, tweede lid, Sv na wijziging van de tenlastelegging is toegestaan het onderzoek van de zaak zonder toestemming van de verdachte of diens uitdrukkelijk gemachtigd raadsman aanstonds voort te zetten op de in art. 314, eerste lid, tweede volzin, Sv genoemde grond.

Gelet op de tekst van de wet moet worden aangenomen dat het eerste lid van art. 314 Sv slechts betrekking heeft op de behandeling van de zaak bij verstek, terwijl het tweede lid ziet op de behandeling van de zaak op tegenspraak, met het gevolg dat de in de tweede volzin van het eerste lid omschreven maatstaf voor de te nemen beslissing niet van toepassing is bij een op grond van het tweede lid te nemen beslissing. Een andersluidende uitleg van de betrokken artikelleden valt niet te verenigen met de wetsgeschiedenis (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3, 3.4 en 3.6).

In het bijzonder valt daaruit af te leiden dat een voorstel tot wijziging van het tweede lid van art. 314 Sv, zodat het zou komen te luiden: "2. De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad", na een daartoe strekkend amendement van leden van de Tweede Kamer is ingetrokken. Bij de behandeling van een zaak op tegenspraak zal het onderzoek dus slechts aanstonds kunnen worden voortgezet indien de verdachte of zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman daartoe toestemming heeft gegeven.

In dit geval is sprake van een behandeling van de zaak op tegenspraak. De raadsvrouwe heeft geen toestemming als hiervoor bedoeld gegeven en om aanhouding van de zaak verzocht. Het oordeel van het Hof dat het onderzoek niettemin aanstonds kan worden voortgezet op de grond dat de verdachte door het achterwege laten van een kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, is derhalve onjuist. De onder 2.5 geformuleerde vraag moet dan ook ontkennend worden beantwoord.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Oordeel Hof dat voorhanden hebben van geldbedragen witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op daadwerkelijk verbergen/verhullen van criminele herkomst

Hoge Raad 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2971

Verzoeker is bij arrest van 22 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens

  • 1. primair medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken,
  • 3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  • 4. medeplegen van valsheid in geschrift en
  • 5. medeplegen van oplichting.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat de bewezenverklaring met betrekking tot de in feit 1 genoemde voorwerpen witwassen oplevert, ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat door verdachte en of de medeverdachten, zijn broers [verdachte] en [medeverdachte 1] over een lange periode en meerdere keren forse geldbedragen werden gestort of overgeboekt op rekeningen, terwijl de herkomst van die geldbedragen onverklaarbaar, niet traceerbaar en niet aannemelijk is geworden. In ieder geval ging het veelal om bedragen die volstrekt niet pasten bij de inkomenspositie van medeverdachte [medeverdachte 1]. Ook is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] met regelmaat (hoge) - van verdachte afkomstige - bedragen stortte op zijn eigen RABO-bankrekening, waarna min of meer overeenkomstige bedragen werden doorgeboekt naar de rekening van [A]. Deze zaak stond vanaf 12 maart 2007 op naam van medeverdachte [verdachte]. Bovendien stortte medeverdachte [medeverdachte 1] in opdracht van verdachte ook al flinke sommen geld op de hierboven bedoelde rekening toen hij nog niet bij [A] werkte. Daarnaast hadden verdachte en zijn medeverdachten de beschikking over dure personenauto's, waarvan de aankoop kennelijk contant kon worden betaald. Verdachte zelf is accountant van beroep en was als het financiële brein nauw betrokken bij de financiële transacties, de aan- en verkoop van auto's die hebben plaatsgevonden en het financieel-administratief beheer van [A] en de Growshop. Uit dit samenstel van handelen blijkt volgens het hof van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. Alhoewel verdachte diverse financiële stukken heeft aangeleverd hebben hij en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring kunnen geven voor de vermogenstransacties en voor de bij de doorzoeking aangetroffen gelden. Op geen wijze zijn de verklaringen van verdachte voor de herkomst van het geld aannemelijk geworden. Juist voor iemand met de specifieke kennis op financieel gebied als verdachte is de wijze waarop de financiële transacties werden verricht en flinke bedragen aan contante gelden werden gestort en weer werden opgenomen, thuis bewaard en weer werden uitgegeven, verre van gebruikelijk en begrijpelijk te noemen. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat dit handelen voortvloeide uit de criminele activiteiten zoals onder feit 3 ten laste zijn gelegd en hierna bewezen zullen worden verklaard en dat aldus de gelden en goederen uit misdrijf verkregen waren."

Uit de bewijsvoering van het Hof vloeit rechtstreeks voort dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit door de verdachte zelf begane misdrijven.

Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Voor zover het middel opkomt tegen deze oordelen met betrekking tot de in de bewezenverklaring genoemde drie personenauto’s en het geldbedrag van €117.451,70 kan het middel niet tot cassatie leiden op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 25 en 26.

Het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van de geldbedragen van €20.000,- en €6.000,- witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan. Dat de genoemde geldbedragen, zoals uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, zijn aangetroffen in het huis van de verdachte in de binnenzak van een jas in de hal van de woning respectievelijk onder een kastje op de overloop, brengt niet mee dat de verdachte de criminele herkomst ervan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Het middel slaagt in zoverre.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

Conclusie AG

25. Ten aanzien van de drie personenauto’s kan uit de bewijsmiddelen (met name 2, 3 en 11), bezien in samenhang met ’s Hofs bewijsoverweging, worden afgeleid dat het Hof het oog heeft op het ‘omzetten’ in de zin van art. 420bis Sr. De uit eigen misdrijf verkregen inkomsten zijn voor een deel aangewend voor de aanschaf van twee BMW’s en een VW Passat. Aldus is dat deel van het misdaadgeld geïnvesteerd in de verkrijging van deze personenauto’s en is het uit de eigen criminele, onder feit 3 bewezenverklaarde, activiteiten verkregen voordeel belichaamd in de aanschaf van deze goederen. Dit is precies de omzettingshandeling waarop de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ doelde. Ik meen dat in deze omzetting het verbergend of verhullend karakter besloten ligt, waarbij ik ’s Hofs overweging in aanmerking neem dat verzoeker en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld, en dat het Hof op dit onderdeel niet tot een nadere motivering gehouden was. In zoverre faalt het middel.

26. Met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 19 heb opgemerkt, kom ik tot eenzelfde slotsom aangaande het in de bewezenverklaring van feit 1 primair genoemde geldbedrag van € 117.451,70. Ik begrijp de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van de bewijsoverweging van het Hof aldus, dat dit geldbedrag het totaal is dat verzoeker en zijn medeverdachten contant uit hun eigen drugshandel hebben verkregen en verbergend dan wel verhullend door stortingen op verschillende bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningnummers hebben overgedragen en/of omgezet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof op basis van de door hem gebezigde bewijsmiddelen in zijn bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat sprake was van (i) stortingen op bepaalde bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningen zoals het rekeningnummer van [A], (ii) het op ongebruikelijke wijze flinke bedragen aan contante gelden storten en weer opnemen, thuis bewaren en weer uitgeven, en (iii) het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verzoeker en zijn medeverdachten voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld. Ook wat het totaalbedrag van € 117.451,70 betreft, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden en faalt het middel in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR over (schuld)witwassen van voorwerpen afkomstig uit enig door verdachte zelf begane misdrijven

Hoge Raad 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913

Verdachte is bij arrest van 28 februari 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens diefstal in vereniging door middel van braak en witwassen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Meerdere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering te weten, meerdere bankafschriften, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000280 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de volgende bedragen zijn gestort: op 26 oktober 2009 € 800; op 6 november 2009 € 400; op 1 december 2009 € 450; op 3 december 2009 € 450,-.
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000282 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de volgende bedragen zijn gestort: op 29 december 2009 € 260; op 3 1 december 2009 € 210.
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000285 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat op 1 februari 2010 € 260 is gestort;
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000288 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de volgende bedragen zijn gestort: op 9 februari 2010 € 250; op 26 februari 2010 6 850.
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000289 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat op 30 maart 2010 € 140 is gestort;
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000297 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat op 31 augustus 2010 € 115,49 is gestort.

Het Hof heeft met betrekking tot een op het onder 3 tenlastegelegde gericht bewijsverweer het volgende overwogen en beslist:

"Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan op grond van doel en strekking van artikel 420bis tot en met 420quater van het Wetboek van Strafrecht en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een geldbedrag "uit enig misdrijf afkomstig is", indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof heeft, evenals de officier van justitie in de appelschriftuur en de advocaat-generaal in haar requisitoir, acht geslagen op de volgende omstandigheden.

• Uit de zich in het dossier bevindende kasopstelling blijkt dat er bij verdachte een bedrag van € 8.121,93 onverklaarbaar vermogen is. Dit bedrag kan niet worden verklaard uit legale inkomsten.

• Blijkens het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie is verdachte meermalen veroordeeld wegens vermogensdelicten.

• Het hof acht bewezen dat verdachte de hem onder 2 tenlastegelegde inbraak heeft gepleegd. Hierbij is weggenomen een geldbedrag van € 6.450.

• Uit tapgesprekken komen opvallende gegevens naar voren:

- de ex-vriendin van verdachte geeft signalen over illegale activiteiten van verdachte;

- verdachte wilde de rekening van zijn ex-vriendin gebruiken voor het afstorten van geld dat van die illegale activiteiten afkomstig zou kunnen zijn;

- verdachte onderhoudt regelmatig belcontacten met personen met criminele antecedenten.

Verdachte heeft bij de politie en in eerste aanleg een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. In hoger beroep is hij niet verschenen. Verdachte heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt hoe hij op (legale wijze) aan het vermogen is gekomen. Er is met geld geschoven op een manier die geschikt is de herkomst en de werkelijke bezitter daarvan aan de waarneming te onttrekken. Er is contant geld op de bank gestort en nadien weer contant opgenomen om vervolgens contant de huur te betalen, zodat die geldstroom weer uit het zicht is. De ondoorzichtigheid die daarvan het gevolg was bracht mee dat het geld zeer wel buiten het zicht van politie en justitie had kunnen blijven. Dat is witwassen.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit geld niet op legale wijze is verkregen, maar dat het geld -onmiddellijk of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig is. Hierbij overweegt het hof nog, dat het enkele gegeven dat verdachte gedurende een deel van de ten laste gelegde periode gedetineerd is geweest niet in de weg heeft hoeven staan aan het witwassen van bepaalde sommen geld."

Middel

Het middel, dat zich richt op de veroordeling wegens witwassen (feit 3), bevat twee klachten:

  1. als eerste de klacht dat de bewezenverklaring niet met voldoende redenen zou zijn omkleed omdat er onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen zijn aangewend met betrekking tot contante huurbetalingen aan de woningstichting A, die als witwassen zijn gekwalificeerd;
  2. vervolgens de klacht dat de bewezenverklaring van witwassen niet uit de bewijsmiddelen kan volgen omdat niet (alle) handelingen van verdachte met betrekking tot het geld, dat uit eigen misdrijf afkomstig zou zijn, gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geld althans van een gedeelte daarvan.

Beoordeling Hoge Raad

Wat betreft de stelling dat het handelen van de verdachte ten aanzien van de geldbedragen die hij op zijn bankrekening heeft gestort, niet gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan moet worden vooropgesteld dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302)

Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "omzetten" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "gebruik maken".

In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven omschreven zin. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716)

Onderhavige kwestie

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven, voorhanden gehad hebben, overdragen of omzetten van voorwerpen - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven (vermogenscriminaliteit) ten aanzien waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Het Hof heeft vastgesteld dat verschillende geldbedragen contant op een (eigen) bankrekening zijn gestort, die bedragen nadien contant zijn opgenomen en vervolgens zijn aangewend voor betaling van de huur en het CJIB.

In die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid sub b, Sr, zal in de regel sprake zijn van een bijzonder geval als hiervoor onder 2.4. bedoeld, hetgeen meebrengt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

Uit de door het Hof gegeven motivering kan echter niet worden afgeleid dat ten aanzien van de onderhavige stortingen sprake is van gedragingen van de verdachte die (kennelijk) ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, zodat het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde als witwassen kan worden gekwalificeerd, in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. De Hoge Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaring en bewijsvoering van het Hof onder meer kan worden afgeleid dat de verdachte, naast dit storten van contante geldbedragen op zijn eigen bankrekening, contante bedragen van die rekening heeft opgenomen en contante bedragen heeft gebruikt ten behoeve van bankbetalingen aan derden, een en ander in vergelijkbare omvang als de gedane stortingen.

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^