Beklag, beslag & verschoningsrecht advocaten

Hoge Raad 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3108

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 29 november 2013 het door klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

In het klaagschrift is aangevoerd dat onder klaagster gegevens in beslag zijn genomen die vallen onder het verschoningsrecht. In het klaagschrift wordt in dit kader verwezen naar een brief van mr. Harmsen en mr. Kortmann, die als bijlage 8 aan het klaagschrift is gehecht. Ook bij de behandeling in raadkamer is bepleit dat gegevens in beslag zijn genomen die onder het verschoningsrecht vallen.

De in het klaagschrift genoemde brief van 4 juni 2013 van mr. C.M. Harmsen en mr. J.S. Kortmann, beiden advocaat, gericht aan officier van justitie M. Mol (bijlage 8) houdt het volgende in:

“De correspondentie en andere communicaties vanaf het moment waarop [klaagster] ons benaderde, vanaf 28 januari 2011, zijn onlosmakelijk verbonden met onze bijstand aan [klaagster] en het feitelijk onderzoek dat [klaagster] op ons verzoek verrichtte in dat kader. Aldus vallen de correspondentie en andere communicaties vanaf 28 januari 2011 onder het advocaat-cliënt privilege.”

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“De stelling van klaagster, inhoudende dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende (aan) [A] (gelieerde bedrijven, personen en onderwerpen) vallen onder het verschoningsrecht van de advocaten van [klaagster], omdat die communicatie louter in verband staat en kan staan met de door de advocaten verleende bijstand aan klaagster en het in dat kader verrichtte onderzoek kan in haar algemeenheid – zonder onderzoek naar de desbetreffende communicatie – niet als juist worden aanvaard.

Niet uit te sluiten valt dat zich op de harde schijf gegevens bevinden die zozeer in verband staan met, of het verlengde zijn van, het vertrouwelijke verkeer tussen advocaat en cliënt dat deze – ook al zijn zij niet afkomstig van of bestemd voor een geheimhouder zelf – onder een verschoningsrecht kunnen vallen, maar dat moet per gegeven worden beslist. Het onderzoek naar dit soort communicatie zal eveneens onder de regie van de rechter-commissaris dienen plaats te vinden (bijvoorbeeld op dezelfde wijze als overeengekomen op 15 november 2013 met betrekking tot de gegevens tot 28 januari 2011) waarbij het uiteraard in eerste instantie aan de verschoningsgerechtigde zal dienen te zijn om aangetroffen gegevens die verband houden met de adviserende rol van advocaten omtrent deze kwestie te beoordelen op een eventueel verschoningsrecht.

Een en ander brengt mee dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede de afspraken die partijen ter behandeling in raadkamer op 15 november 2013 hebben gemaakt.”

Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat de stelling van klaagster, dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende A onder het verschoningsrecht van de advocaten van klaagster vallen, in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 en 4.5 is het middel terecht voorgesteld.

Conclusie AG Knigge

In het onderhavige geval heeft de doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van klaagster. In haar klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer heeft klaagster aangevoerd dat zich onder het inbeslaggenomene correspondentie en andere communicaties bevinden ten aanzien waarvan haar advocaten, blijkens een aan het klaagschrift gehechte brief, zich beroepen op hun verschoningsrecht. Het oordeel van de Rechtbank dat deze stelling van klaagster in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, is ontoereikend gemotiveerd.

Voor zover de overwegingen van de Rechtbank aldus moeten worden begrepen dat zij van oordeel is dat nader onderzoek onder regie van de rechter-commissaris moet uitwijzen of het in de bedoelde brief neergelegde standpunt van de advocaten van klaagster juist is, miskent de Rechtbank dat dit standpunt moet worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor zover de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij die brief niet toereikend acht voor de beoordeling van de vraag of de bedoelde correspondentie en andere communicatie object zijn van het verschoningsrecht, miskent de Rechtbank dat zij in dat geval de betrokken advocaten als belanghebbenden in de gelegenheid had moeten stellen zich dienaangaande uit te laten.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF