Falende klacht over de kwalificatie van verduistering in dienstbetrekking; conclusie AG anders

Hoge Raad 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1096

Feiten

Aan de verdachte is (meer subsidiair) tenlastegelegd dat: "[betrokkene 1] op of omstreeks 27 september 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2500 digitale camera's (van het merk Samsung), in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele toebehorende(n) aan [A] en/of Samsung Opto Electronics France SA en/of Samsung International, in elk geval aan een ander of anderen dan aan [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, en welk(e) goed(eren) [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) en/of verdachte uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking van/als chauffeur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 september 2007 tot en met 11 november 2007 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door

- te helpen met de opbouw van pallets en het omwikkelen van pallets met zwart tape en/of

- te helpen met het uitladen en verwisselen van pallets en/of

- (tweemaal) mee te gaan met het ophalen van voornoemde camera's en/of

- mee te helpen met het opruimen en wegbrengen van de restanten in een loods en/of

- mee te helpen met schoonmaken/vegen van een loods en/of

- een deel van de buit (als beloning) in bezit te hebben."

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 16 juli 2012 voor mede- plichtigheid aan medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 128 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk. Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring uitgespro- ken van in beslag genomen voorwerpen.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde gronddelict ten on- rechte heeft gekwalificeerd als verduistering in dienstbetrekking, althans dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de tenlastelegging aldus opgevat dat zij mede is toegesneden op art. 322 in verbinding met art. 48 Sr. Het Hof heeft het bewezen- verklaarde gekwalificeerd als "medeplichtigheid aan medeplegen van ver- duistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft". Voorts heeft het Hof als te dezen mede toepasselijk wettelijk voorschrift wel art. 322 Sr doch niet art. 310 Sr vermeld.

Het Hof heeft in de voor de bewezenverklaring gebruikte tekst van de ten- lastelegging bij vergissing

  1. niet doorgehaald de woorden "met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen" en
  2. na "als chauffeur onder zich had", heeft doorgehaald de woorden "wederrechtelijk zich hebben toegeëigend".

De Hoge Raad leest de bewezenverklaring in die zin verbeterd. Daardoor ontvalt aan het middel de feitelijke grondslag zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Conclusie AG Machielse

De gemachtigd advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen kritische opmerkingen gemaakt over de inhoud van hetgeen meer subsidiair is tenlastegelegd. De advocaat heeft geen beroep gedaan op nietigheid van de tenlastelegging wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Maar dat staat mijns inziens niet in de weg aan een inhoudelijke bespreking van de klacht in cassatie. De onvolkomenheid van de tenlastelegging van het meer subsidiaire feit is immers niet gelegen in een onvoldoende feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde gedraging maar in een tegen- strijdigheid die samenhangt met de inhoud van aan delictsomschrijvingen ontleende onderdelen. De AG gaat er tenminste van uit dat de woorden in de tenlastelegging "weggenomen", "uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking" en "anders dan door misdrijf onder zich had(den)" zijn ontleend aan de artikelen 310, 321 en 322 Sr en dezelfde betekenis hebben als daaraan in de delictsomschrijvingen toekomt. De Hoge Raad kan daarom toetsen of het gebruik in de tenlastelegging van deze woorden gelet op de daaraan toekomen rechtskundige betekenis de consistentie van die tenlastelegging aantast.

Van een voltooid wegnemen als bedoeld in artikel 310 Sr is nodig dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken, dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. Tussen "wegnemen" van artikel 310 Sr en "afgifte" van artikel 317 Sr kan geen scherpe grens worden getrokken, maar tussen "wegnemen" en "anders dan door misdrijf onder zich hebben" wel. Wegnemen vestigt immers de heerschappij, het onder zich hebben veronderstelt een feitelijke heerschappij doordat zaken zijn toevertrouwd. Wat men onder zich heeft, hoeft niet meer te worden weggenomen. Door bewezen te verklaren dat be- trokkene 1 de camera's die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had heeft weggenomen, heeft het hof de verhouding tussen artikel 310 Sr en artikel 321 Sr miskend. Het hof heeft hetzij een onjuiste betekenis toegekend aan het bestanddeel "wegnemen", hetzij aan het bestanddeel "onder zich hebben". Daardoor is de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig. Ten overvloede wijs ik erop dat de oorspronkelijke tenlastelegging mijns inziens wel de mogelijkheid biedt deze aldus uit te leggen dat zij ook medeplichtigheid aan (medeplegen van) verduistering in dienstbetrekking omvat.

Het tweede middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: HR herhaalt maatstaf m.b.t. de beoordeling van klaagschrift tegen beslag ex art. 94a Sv

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977

Feiten

De Rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 2 mei 2013 het namens klaagster ingediende beklag gericht tegen het voortduren van de inbeslagneming van het recht van erfpacht op de woning gelegen aan de a-straat 1 te Purmerend gegrond verklaard en bevolen tot opheffing van het beslag.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Vast is komen te staan, dat bedoeld beslag op 16 januari 2013 op rechtmatige wijze onder klaagster in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

De raadsvrouw voert het woord ter verdediging overeenkomstig de inhoud van een als bijlage l aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. In aanvulling op het in bijlage I geschrevene pleit de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - als volgt:

Klaagster is eigenaresse van de onroerende zaak aan de a-straat 1 te Purmerend. Zij was niet op de hoogte van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in deze door haar aan een bekende van haar familie verhuurde woning. Zij woont zelf sedert 2001 in een huurwoning in Amsterdam en zij heeft de woning in Purmerend al jaren niet meer bezocht. Voorts is zij bezig de woning in Purmerend te verkopen. Het conservatoir beslag verhindert een verkoop aanzienlijk en klaagster wordt hierdoor ernstig benadeeld.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat klaagster ervan wordt verdacht in strijd te hebben gehandeld met een in artikel 3 onder b van de Opiumwet gegeven verbod. Zij is eigenaresse van de woning waarin op 13 februari 2012 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Dit vraagt om een uitleg. Nu klaagster niet de naam wil noemen van de bekende van haar familie aan wie zij destijds de woning heeft verhuurd, is haar verhaal niet te controleren. Deze feiten en omstandigheden zijn voldoende om het beslag te laten voortduren. Het maximum bedrag waarvoor in deze zaak het recht tot verhaal zal worden toegepast bedraagt € 63.645,93 .

De rechtbank is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. M. Kattouw, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag niet de toepasselijke maatstaf heeft aangelegd, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het gaat om een op de voet van art. 94a Sv onder de klaagster gelegd beslag op het in de bestreden beschikking genoemde vermogensrecht.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen zo een beslag dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Daarom is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66).

Indien de Rechtbank met haar overweging dat zij "gelet op alle omstandigheden van oordeel is dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang", het oog erop heeft dat de voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft zij dat oordeel niet ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing aanhoudingsverzoek

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972

Feiten

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 december 2012 voor: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een boete van € 500 en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging voor zes maanden gelast.

Verdachte heeft cassatie doen instellen.

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ter terechtzitting teneinde de in Malta verblijvende verdachte bij zijn berechting aanwezig te laten zijn.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt dat de verdachte niet is verschenen en houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter deelt voorts mondeling mede de korte inhoud van een brief van mr Ronday, gedateerd

14 december 2012, waarin hij verzoekt om aanhouding van de behandeling.

De raadsman voegt hier aan toe:

Mijn cliënt verblijft bij kennissen van zijn ouders op Malta. Hij is nu vijf maanden clean. Ik heb de vader van mijn cliënt pas vorige week gesproken hierover. Mijn cliënt wil graag komen vertellen hoe het nu met hem gaat. Het hoger beroep is gericht tegen de door de politierechter opgelegde straf.

De advocaat-generaal voert het woord:

De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is in orde. Ik heb geen bijzondere reden gehoord voor aanhouding van de behandeling. De verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn ter terechtzitting. Ik verzet mij tegen aanhouding van de behandeling.

De raadsman merkt op:

Het standpunt van de advocaat generaal vind ik teveel gericht op productie. Mijn cliënt verdient het om persoonlijk te komen vertellen hoe het met hem gaat. Als er een datum bekend is voor een volgende behandeling, dan kan ik hem dat laten weten en dan kan hij ervoor zorgen dat hij dan wel in Nederland is.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding van de behandeling wordt afgewezen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn cliënt heden ter terechtzitting niet aanwezig zou kunnen zijn. Het hof houdt het ervoor dat hij kennelijk geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet."

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR: 1999:ZD1314, NJ 1999/294).

Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het Hof heeft i.s.m. art. 359 lid 2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het u.o.s.

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:966

Feiten

De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 17 september 2012 de verdachte wegens primair “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven op grond waarvan het is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 niet geloofwaardig en niet betrouwbaar zijn.

Beoordeling Hoge Raad

Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige 1 en getuige 2 kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de gewraakte verklaringen voor het bewijs te gebruiken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

VIP-controle uitgevoerd met het oog op het ter kennis van verdachte brengen van een nog uit te printen gerechtelijke mededeling, geen daad van vervolging

Hoge Raad 8 april 2014. ECLI:NL:HR:2014:845

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan in de periode "in of omstreeks" 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 1996.

Het Hof heeft bij arrest van 31 maart 1999 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Ingevolge art. 72, eerste lid, Sr wordt de verjaring gestuit door elke daad van vervolging. Sedert de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de wet van 16 november 2005, Stb. 595 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) geldt niet meer de eis dat die daad de vervolgde bekend of betekend moet zijn.

Bij de stukken van geding bevindt zich een "Mededeling uitspraak (V.V.)" van het Ressortsparket 's-Gravenhage, die op 22 februari 2012 aan de verdachte in persoon is uitgereikt naar aanleiding waarvan deze op 27 februari 2012 beroep in cassatie heeft ingesteld. Deze mededeling is gedateerd 30 augustus 2010 doch op grond van de voetregel moet worden aangenomen dat het hier gaat om een in de computer opgeslagen document dat op 22 december 2011 is uitgeprint. In deze mededeling zijn het rolnummer 22/002340-98, de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de pleegdata, de toegepaste wetsbepalingen en de opgelegde straf vermeld. Voorts houdt deze mededeling in dat de verdachte zich voor inlichtingen kan wenden tot "de griffie van het gerechtshof, Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage".

Deze mededeling dient te worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72, eerste lid, Sr welke de verjaring stuit. Daaraan doet niet af dat in die mededeling niet is vermeld de naam van het gerecht dat het arrest heeft gewezen, nu 's Hofs arrest door de vermelding van de overige hiervoor onder 2.3 opgesomde gegevens voldoende is geïndividualiseerd (vgl. HR 10 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1232, NJ 1990/57).

Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende twaalf jaren voorafgaand aan het uitprinten van voormelde mededeling op 22 december 2011 enige daad van vervolging is verricht. Daarbij verdient opmerking dat - zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal met juistheid wordt gesteld - in een geval als het onderhavige een zogenoemde VIP-controle die is uitgevoerd met het oog op het ter kennis van de verdachte brengen van een nog uit te printen gerechtelijke mededeling, op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72, eerste lid, Sr.

Nu de hiervoor vermelde feiten bij art. 225, eerste lid, Sr strafbaar zijn gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld, is de in art. 70, eerste lid aanhef en onder 3º, Sr bepaalde verjaringstermijn verstreken. Het recht tot strafvordering is dus vervallen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens onttrekking aan pandrecht. HR: Oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde f&o, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:965

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 1 maart 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens “opzettelijk ten behoeve van degene aan wie het toebehoort een hem niet toebehorend goed onttrekken aan een pandrecht” veroordeeld tot een geldboete van € 2.000.

Overeenkomstig de tenlastelegging is door het Hof bewezenverklaard dat de verdachte:

"in de periode van 1 december 2009 tot en met 20 december 2009 te Eerbeek in de gemeente Brummen, opzettelijk een hem verdachte niet toebehorend goed, te weten een personenauto merk Mercedes-Benz, type S, met kenteken [AA-00-BB], ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, heeft onttrokken aan het pandrecht dat door [A] BVBA op vorenomschreven voertuig is gevestigd, immers heeft verdachte voornoemde Mercedes-Benz op zijn, verdachtes, naam gezet/overgeschreven, zonder hiertoe toestemming te hebben verkregen van [A] BVBA."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof aan de in de bewezenverklaring voorkomende zinsnede dat de verdachte "een personenauto (...) heeft onttrokken aan het pandrecht" een onjuiste uitleg heeft gegeven, althans dat het Hof zijn oordeel dienaangaande ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking "heeft onttrokken aan het pandrecht" moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in art. 348, eerste lid, Sr - in de vervoeging "onttrekt aan een pandrecht" - voorkomende uitdrukking.

De wetsgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht houdt met betrekking tot art. 348 Sr in: "Het artikel strekt tot bescherming der regten van pand, terughouding, vruchtgebruik en gebruik."

Gelet op deze strekking dient onder 'onttrekken van een goed' aan een in art. 348, eerste lid, Sr genoemd recht, niet alleen te worden verstaan een handeling die ten gevolge heeft dat het desbetreffende recht niet langer uitgeoefend kan worden, maar ook een handeling die ertoe strekt de uitoefening van dat recht te beletten.

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat:

  • bij notariële akte van 8 juni 2009 een (stil) pandrecht is gevestigd op een aan Stichting [D] ([D]) in eigendom toebehorende personenauto ten gunste van [A] BVBA ([A]), tot zekerheid van een door [B] B.V. ([B]) aan [A] verschuldigde geldsom;
  • bij de vestiging van het pandrecht werden zowel [D] als [B] vertegenwoordigd door de verdachte;
  • aangezien [B] in gebreke bleef met de betaling van haar schuld, [A] een deurwaarder heeft ingeschakeld teneinde de in pand gegeven auto tot zich te nemen en te executeren;
  • op 15 december 2009 de verdachte aan deze deurwaarder heeft toegezegd dat het resterende bedrag van de schuld in twee termijnen, te weten op 18 december 2009 en op 31 december 2009 zou worden voldaan;
  • betaling op 18 december 2009 is uitgebleven;
  • op 19 december 2009 de verdachte het kenteken van de in pand gegeven auto op zijn naam heeft laten registreren;
  • bij e-mail van 20 december 2009 de verdachte namens [B] aan de deurwaarder en aan [A] heeft bericht dat de betalingsregeling niet zal worden nagekomen, dat de in pand gegeven auto niet meer eigendom is van [D] en dat [D] daarom niet kan meewerken aan de executie van die auto tot verhaal van de vordering van [A] op [B].

Het Hof heeft geoordeeld dat de handeling van de verdachte, te weten het zonder toestemming van [A] op eigen naam overschrijven van de aan [D] in eigendom toebehorende auto - waaruit het Hof kennelijk, mede gelet op de e-mail van 20 december 2009, heeft afgeleid dat ook de eigendom van de auto aan de verdachte is overgedragen -, ertoe strekte de parate executie van het ten behoeve van [A] op deze auto gevestigde stil pandrecht te beletten, en deze auto aldus te 'onttrekken aan het pandrecht' als bedoeld in art. 348, eerste lid, Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG: anders

In de optiek van AG Hofstee slaagt het middel.

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt uiteen in een rechtsklacht en een motiveringsklacht. De rechtsklacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat door overschrijving van een voertuig, terwijl daarop een pandrecht rust, op naam van verzoeker het voertuig door verzoeker aan het pandrecht is onttrokken, nu een wijziging van de tenaamstelling onder de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van het pandrecht en evenmin afdoet aan de mogelijkheden van uitwinning van dat pandrecht, zodat de enkele wijziging van tenaamstelling op zich zelf niet voldoende is om onttrekking aan het pandrecht bewezen te kunnen verklaren.

De motiveringsklacht ziet op de overweging van het Hof, inhoudende: “Ook de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt en er feitelijk en juridisch geen verandering was in de situatie maakt dat niet anders. Het gaat in deze immers om het onttrekken van een goed aan het pandrecht om daarmee de mogelijke parate executie van dat pandrecht te voorkomen”. Volgens de steller van het middel is deze overweging van het Hof niet alleen onjuist, maar ook niet toereikend om op het onderdeel van de onttrekking aan het pandrecht tot een bewezenverklaring te komen, omdat de wijziging in de tenaamstelling in casu niets zegt over de (on)mogelijkheid van parate executie.

Hofstee: van onttrekking aan één van de in art. 348, eerste lid, Sr genoemde rechten is sprake zodra de mogelijkheid van het uitoefenen van zo een recht wordt opgeheven. De onttrekking kan hier bijvoorbeeld bestaan in het wegnemen of in het vernielen van het met een recht bezwaarde goed. De vraag die thans beantwoording behoeft is of ook de enkele wijziging van de tenaamstelling van het voertuig waarop het stil (of bezitloos) pandrecht rust onttrekking in de zin van art. 348, eerste lid, Sr oplevert. Is in dat geval de mogelijkheid van het uitoefenen van het pandrecht, eventueel ter parate executie, teniet gedaan?

Voor zover de AG heeft kunnen nagaan heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich over deze vraag, die een civielrechtelijke benadering vraagt, nog niet eerder uitgelaten, reden waarom de AG de Hoge Raad verzoekt om op dit punt helderheid te bieden. Om daartoe een voorzet te geven, maakt hij eerst een uitstapje naar het burgerlijk recht.

Hoewel de tenaamstelling van kentekenbewijs deel IB en de registratie bij de RDW niet zonder meer impliceren dat sprake is van eigendom of onbezwaarde eigendom, kan uit art. 26 Kentekenreglement (regelend de “wijziging van de tenaamstelling: overdracht tussen particulieren”) worden afgeleid dat het overschrijven van de tenaamstelling van een auto – met kentekenbewijs deel II, om de niet rechtmatige vervreemding tegen te gaan -, er mede toe strekt dat de eigendom van de auto overgaat van degene op wiens naam de auto stond naar degene op wiens naam de auto komt. Dat in de onderhavige zaak de in de bewezenverklaring genoemde Mercedes Benz in eigendom is overgegaan van de Stichting [D] naar verzoeker blijkt volgens de AG uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van aangifte alsook uit de daarop steunende bewijsoverweging van het Hof dat verzoeker tevens heeft meegedeeld dat de Stichting [D] niet aan de executie van het pandrecht kan meewerken omdat de betreffende auto niet meer haar eigendom is.

Het pandrecht wordt in art. 3:227 BW als volgt gedefinieerd:

  1. “Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van pand.
  2. Een recht van pand of hypotheek op een zaak strekt zich uit over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat.”

In de onderhavige zaak is sprake van het zogenoemde “stil” pandrecht. Daarmee wordt een pandrecht bedoeld dat bij authentieke akte – zoals in casu notariële akte “vestiging pandrecht” – is gevestigd terwijl de in pand gegeven zaak in de macht van de pandgever wordt gelaten zolang deze aan zijn verplichtingen ten opzichte van de pandhouder blijft voldoen. Stil is dit pandrecht omdat de vestiging van het pandrecht zich kan voltrekken zonder dat daarvan iets naar buiten blijkt.

Het pandrecht is blijkens de wettelijke definitie daarvan in art. 3:227 BW een beperkt recht in de zin van art. 3:81 BW. Ingevolge art. 3:81 BW en, daarnaast, art. 3:84 BW, is de eigenaar van een zaak die met een beperkt recht is bezwaard bevoegd die zaak in eigendom over te dragen aan een ander, zij het alleen met instandhouding van dat beperkte recht, zodat het pandrecht tegenover de rechtsverkrijger kan worden ingeroepen. Dit betekent voor de pandhouder dat hij de zaak van de verkrijger kan opeisen teneinde deze voor verhaal van zijn vorderingsrecht te kunnen uitwinnen. Hoofdregel is dus dat het pandrecht blijft bestaan.

Op deze hoofdregel bestaan evenwel twee uitzonderingen, in geval waarvan de verkrijger toch een recht op het goed vrij van pandrecht kan verwerven en de pandhouder zijn recht op het goed dus niet kan realiseren. Deze uitzonderingen zijn: a) de pandgever is tot vervreemding van het met pandrecht bezwaarde goed bevoegd (vgl. art. 3:84 BW) en b) de verkrijger kende het pandrecht niet en behoorde daarmee niet bekend te zijn (zie art. 3:86, tweede lid, BW). Het komt mij dienstig voor deze uitzonderingen wat nader te belichten.

a) De pandgever is bevoegd tot vervreemding van de met het pandrecht bezwaarde goed

De vraag of en in hoeverre de pandgever bevoegd is de stil verpande zaak te vervreemden vindt in beginsel haar beantwoording in de uitleg van de overeenkomst tussen de pandhouder en de pandgever. Van Mierlo en Van Velten schrijven in dit verband: “Men zal de bevoegdheid tot vervreemding moeten opvatten als een het gevestigde pandrecht verbonden ontbindende voorwaarde dat de pandgever bevoegdelijk overgaat tot vervreemding van de verpande zaak. (…). Door het intreden van de ontbindende voorwaarde wordt de pandgever volledig rechthebbende en draagt deze aldus een hem volledig toekomend recht over.” Ter adstructie wordt in de burgerrechtelijke literatuur gewezen op het voorbeeld waarin het pandrecht is gevestigd op zaken die tot de handelsvoorraad van de pandgever behoren. De kredietgever ten behoeve van wie als zekerheid voor de aflossing van het krediet het pandrecht is gevestigd, heeft er immers belang bij dat de pandgever zijn bedrijfsvoering normaal kan voortzetten.

b) De derde-verkrijger is niet van het pandrecht op de hoogte en kon daarmee niet bekend zijn

Als de daartoe onbevoegde pandgever een stil verpande roerende zaak overdraagt, dan gaat het pandrecht teniet indien aan alle eisen voor een geldige overdracht is voldaan en de verkrijger het pandrecht niet kende noch behoorde te kennen (art. 3:86, tweede lid, BW). De verkrijger moet in dit geval kortom te goeder trouw zijn geweest. Daarvan was geen sprake in HR 21 oktober 2011, LJN BR3057, NJ 2011/494. In dit arrest oordeelde de civiele kamer van de Hoge Raad – kort gezegd – dat de verkrijger van een tweedehands auto waar een stil pandrecht op rustte, niet mocht aannemen dat de verkoper van die auto beschikkingsbevoegd was nu hij niet had gevraagd naar kentekenbewijs deel II, welk deel doorgaans wordt ingehouden als een pandrecht wordt gevestigd op de koopprijs van de auto.

Gezien de voorgaande uiteenzetting over het pandrecht, levert de enkele wijziging van de tenaamstelling van het voertuig waarop het stil (of bezitloos) pandrecht rust onttrekking in de zin van art. 348, eerste lid, Sr op? Is in dat geval de mogelijkheid van het uitoefenen van het pandrecht, eventueel ter parate executie, teniet gedaan? – niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Aandacht verdienen daarbij vooral de concrete omstandigheden van het geval. Zo is het, als gezegd, niet meer mogelijk om het pandrecht uit te oefenen wanneer a) degene op wiens naam het voertuig staat bevoegd was om het met pandrecht bezwaarde voertuig over te (doen) schrijven, of wanneer b) degene op wiens naam het voertuig wordt overgeschreven de omstandigheid dat een pandrecht op het voertuig rustte niet kende en niet behoorde te kennen. In deze beide gevallen vervalt het pandrecht immers.

Het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van aangifte houdt aangaande de vestiging van het pandrecht op de in de bewezenverklaring bedoelde auto onder meer het volgende in:

“Toen heeft het incassobureau een advocaat, de heer Dormans te Weert ingeschakeld. Dit advocatenbureau heeft vervolgens met [verdachte] een overeenkomst tot vestiging van pandrecht gesloten. Dit was op 28 mei 2009. Op 8 juni 2009 heeft deze overeenkomst geleid tot een notariële akte, verleden voor notaris Pels Rijcken te Apeldoorn. In deze akte ligt vastgelegd het volgende:

Onder artikel 1 lid 2: Bij de sub 1 gemelde overeenkomst is tussen [A] en schuldenaar overeen gekomen dat door de schuldenaar ten behoeve van [A] een eerste pandrecht wordt gevestigd op de personenauto Mercedes Benz, type S, kleur blauw, met kenteken [AA-00-BB] (welke auto eigendom is van de stichting) een en ander ex art. 3.237 van het Burgerlijk Wetboek en op de hierna omschreven aandelen, tot meerdere zekerheid voor de voldoening van de uit de sub 1 gemelde overeenkomst voortvloeiende schuld met rente en kosten.

Hiermee geeft de stichting [D], vertegenwoordigd door [verdachte] de in haar bezit zijnde auto in pand aan [A]. De stichting vestigt ten behoeve van [A], die hierbij aanvaardt, het eerste pandrecht op voormelde personenauto.”

Het Hof heeft blijkens zijn bewijsvoering vastgesteld dat verzoeker de in de bewezenverklaring bedoelde Mercedes-Benz, waarop een pandrecht was gevestigd en die in eigendom was van de Stichting [D], heeft overgeschreven op zijn eigen naam. Voorts is blijkens de inhoud van bewijsmiddel 1 de overschrijving van de Mercedes Benz zonder toestemming van de pandhouder [A] BVBA geschied. En verder bevat de als bewijsmiddel 3 gebezigde notariële akte “vestiging pandrecht”, waarbij het onderhavige pandrecht werd gevestigd, geen ontbindende voorwaarde inhoudende dat de pandgever in voorkomend geval bevoegd is tot vervreemding van de verpande zaak over te gaan.

De bewijsvoering van het Hof houdt echter niet in (i) dat Stichting [D] als pandgever de stil verpande auto vrij van pandrecht aan verzoeker heeft willen overdragen en – het volgende lijkt wat gekunsteld - evenmin (ii) dat en waarom verzoeker – als verkrijger van de Mercedes Benz – ten tijde van het overschrijven van deze auto op zijn naam te goeder trouw zou zijn geweest, in welk geval immers het pandrecht vervalt. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, lijkt het de AG niet houdbaar het oordeel van het Hof dat het in deze zaak gaat om het onttrekken van een goed aan het pandrecht en dat de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt, dat niet anders maakt. Hofstee merkt daarbij op dat het Hof in zijn bewijsoverweging en verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer uitsluitend ingaat op de vraag of er sprake is van opzet aan de zijde van verzoeker en daarmee de vraag of er op zichzelf sprake is van een feitelijke onttrekking aan het pandrecht ten onrechte niet relevant lijkt te achten.

Gelet op het voorgaande meent de AG dat ’s Hofs oordeel dat het onder de door hem vastgestelde omstandigheden overschrijven van de Mercedes-Benz, waarop een pandrecht was gevestigd ten behoeve van [A], op naam van verzoeker het bewezenverklaarde “onttrekken aan het pandrecht” van die Mercedes-Benz oplevert, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van het bepaalde in art. 348 Sr en dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

Indien het Hof in zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat het pandrecht ook na verzoekers bewezenverklaarde handeling nog steeds op de Mercedes-Benz was gevestigd, dan heeft het Hof ontoereikend gemotiveerd waarom desalniettemin sprake was van onttrekking aan het pandrecht in de zin van art. 348 Sr en het pandrecht niet meer kon worden uitgeoefend, aldus AG Hofstee.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wanneer de b.p. gebruik maakt van haar bevoegdheid tot toelichting van haar vordering, treedt zij niet op als getuige. Afgelegde verklaring kan niet worden gebruikt voor het be-wijs.

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:974 

Feiten

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat: "hij op 30 juli 2011 te Rotterdam aan een persoon genaamd [verbalisant 1], politieambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een gebroken rechter wijsvinger en verwondingen aan de rechter wijsvinger, heeft toegebracht, door opzettelijk met kracht in die wijsvinger te bijten."

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"2. Een geschrift, zijnde een Medische Informatie/ Letselbeschrijving d.d. 2 augustus 2011 van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond, opgemaakt en ondertekend door L.C. Los, forensisch arts. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Medische Informatie/Letselbeschrijving

[verbalisant 1], geboren op [geboortedatum] 1981

Letselbeschrijving en conclusie

Objectieve bevindingen:

Bijtwondjes aan de vingers; bijtwond aan de wijsvinger bij de nagel met bloeduitstorting onder de nagel en aan de middelvinger rechts met aan de binnenzijde een wond van 2 mm. Op aanvullend röntgenonderzoek werd een breuk aan de wijsvinger gezien.

Genezingsduur:

± 6 weken.

3. Een geschrift, zijnde een Medische Informatie/ Letselbeschrijving d.d. 5 september 2011 van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond, opgemaakt en ondertekend door M.M. Mulders, forensisch arts. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Medische Informatie/Letselbeschrijving

[verbalisant 1], geboren op [geboortedatum] 1981

Objectieve bevindingen:

Er was sprake van enige bewegingsbeperking van de wijsvinger rechts. Tevens een doof gevoel in de topjes van wijs- en middelvinger rechts.

Genezingsduur:

De gevoelsstoornis zal waarschijnlijk binnen 3-6 maanden herstellen."

Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof voorts nog het volgende overwogen:

"Met betrekking tot de vraag of het zwaar lichamelijk letsel, zoals onder 1 primair is ten laste gelegd, bewezen kan worden verklaard gaat het hof op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van het navolgende.

[verbalisant 1] is door de verdachte in de rechter wijs- en middelvinger gebeten, zodanig dat hij daardoor bijtwonden aan deze vingers heeft opgelopen en zijn rechterwijsvinger is gebroken.

Ter toelichting op zijn vordering tot schadevergoeding heeft [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2012 onder meer verklaard dat hij door de bijtwonden en de vingerbreuk zes weken uit de roulatie is geweest, alsmede dat hij tot op heden nog steeds geen gevoel in het topje van zijn rechterwijsvinger heeft en dat dit ook niet meer zal terugkeren.

Het hof merkt op grond van het bovenstaande het letsel aan als zwaar lichamelijk letsel."

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte de door de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting op haar vordering tot het bewijs heeft gebezigd.

Beoordeling Hoge Raad

Wanneer de benadeelde partij gebruik maakt van de haar in art. 334, derde lid, Sv gegeven bevoegdheid tot toelichting van haar vordering, treedt zij niet op als getuige. De door haar in dat verband - niet als getuige en evenmin onder ede - afgelegde verklaring kan daarom door de rechter niet worden gebruikt voor het bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde.

Het middel klaagt terecht dat het Hof dit heeft miskend.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting p-v identiteit en stemherkenning

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:916

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 april 2012 de verdachte wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet van het bewijs heeft uitgesloten.

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidende onderzoek, ten gevolge waarvan de inhoud van zowel de door verdachte afgelegde verklaring(en) van 14 april 2009 bij de politie als van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor door de politie niet is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, zodat sprake is van schending van de zogenoemde Salduz-norm. (...)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege deze schending van de Salduz-jurisprudentie ook de inhoud van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet voor het bewijs mag worden gebezigd. (...)

In het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 relateren de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 dat zij op 14 april 2009 twee telefoongesprekken hebben beluisterd voor stemherkenning. Zij namen daarbij waar dat verdachte die zij die dag als verdachte hadden gehoord, aan deze gesprekken deelnam en zij stelden vast dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer 06-004. Het hof gaat er derhalve van uit dat de betreffende verbalisanten de stemherkenning hebben gebaseerd op het stemgeluid van verdachte dat zij tijdens de met de Salduz-jurisprudentie strijdige verhoren van verdachte hebben waargenomen.

Dit laatste leidt er naar het oordeel van het hof echter niet toe dat de stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten. Met uitsluiting van de verklaringen voor het bewijs wordt naar het oordeel van het hof bedoeld uitsluiting van de inhoud van de door de verdachte afgelegde verklaringen. Die uitsluiting raakt het bewijs en niet de verdere opsporing. Het opmaken van een proces-verbaal van identiteit en stemherkenning heeft plaatsgevonden in het kader van het (verdere) opsporingsonderzoek waarbij de verdachte voor de aanvang van de verhoren aan de hand waarvan zijn stem is herkend en zijn deelname aan telefoongesprekken is vastgesteld, is gewezen op zijn recht dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Het hof verwerpt mitsdien ook in zoverre het verweer."

Beoordeling Hoge Raad

In de overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de in het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 gerelateerde bevinding van de verbalisanten, die is gebaseerd op hun waarneming van het stemgeluid van de verdachte tijdens de eerdere verhoren op die dag, niet de inhoud van de verklaringen van de verdachte betreft noch kan worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtstreeks gevolg van de verklaringen van de verdachte afgelegd tijdens die verhoren. Door op grond daarvan het verweer te verwerpen dat als gevolg van het op grond van het zogenoemde Salduz-jurisprudentie geconstateerde vormverzuim ook het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rb heeft met juistheid geoordeeld dat art. 552 Sv niet voorziet in de mogelijkheid een klaagschrift in te dienen tegen een bevel van de OvJ tot ontoegankelijk maken van gegevens

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:908

Feiten

Tegen klaagster is door de officier van justitie te Arnhem op 25 april 2012 een bevel zoals bedoeld in artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht uitgevaardigd. Klaagster heeft, als internet Serviceprovider, tijdig aan dit bevel van de officier van justitie voldaan. De officier van justitie heeft op 26 april 2012 dit bevel ingetrokken. Tegen het uitgevaardigde bevel heeft klaagster een bezwaarschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend.

De Rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"Artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht ziet op een vervolgingsuitsluitingsgrond. Dit houdt in dat degene te wiens aanzien het bevel is afgegeven niet vervolgd kan worden ter zake van een eventueel geconstateerd strafbaar feit indien aan dat bevel wordt voldaan. Artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering geeft geen mogelijkheid te klagen over bevelen gegeven ingevolge artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien volgt uit noch uit enige rechtsregel, noch uit de parlementaire geschiedenis, dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om het voldoen aan de schulduitsluitingsgrond van artikel 54a Wetboek van Strafrecht, dan wel enige actie zijdens de overheid op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht, onder de werking van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering te doen vallen.

Dit houdt in dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klaagschrift."

Namens klaagster is cassatieberoep ingesteld de  op 12 september 2012 uitgesproken beschikking van de Rechtbank Arnhem, waarbij klaagster niet-ontvankelijk is verklaard in een klaagschrift tegen een krachtens art. 54a Sr gegeven bevel.

Namens klaagster heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel bevat de volgende stelling (samengevat door de AG):

Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ‘Computercriminaliteit II’ kan worden afgeleid dat onder “onderzoek in een geautomatiseerd werk” moet worden begrepen: elk onderzoek dat opsporingsambtenaren in een computer hebben verricht. Dit begrip is dus niet beperkt tot de doorzoeking (op grond van art. 125o Sv), en bovendien volgt uit die Memorie van Toelichting dat de in het wetsvoorstel voorziene verruiming van beklagmogelijkheden (wijziging van art. 552a, eerste lid Sv) moet worden gezien in het licht van art. 13 EVRM. Daarom mag de omstandigheid dat de in het wetsvoorstel aanvankelijk voorziene wijziging van de art. 125n tot en met 125q Sv – daarop hadden de uitlatingen van de Minister over het begrip “onderzoek in een geautomatiseerd werk” in rechtstreekse zin betrekking – uiteindelijk niet is doorgegaan geen belemmering zijn om aan te nemen dat op de voet van art. 552a Sv kan worden geklaagd over het ontoegankelijk maken van gegevens in alle gevallen waarin dat ontoegankelijk maken is geschied in verband met een onderzoek naar gegevens die zijn opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, zodat het beklag ook gericht kan zijn tegen het in art. 54a Sr bedoelde bevel, aldus de toelichting op het middel.

Beoordeling Hoge Raad

Gelet op de bewoordingen van art. 552a.1 Sv heeft de Rb met juistheid geoordeeld dat art. 552 Sv niet voorziet in de mogelijkheid een klaagschrift a.b.i. art. 552.1 Sv in te dienen tegen een in art. 54a Sr bedoeld bevel van de OvJ tot ontoegankelijk maken van gegevens. De Rb heeft klaagster terecht n-o verklaard in haar klaagschrift, zodat klaagster niet kan worden ontvangen in haar cassatieberoep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toewijzing vordering benadeelde partij aan erfgenaam

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917 

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 9 april 2013 verdachte wegens, onder 1 en onder 6, “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld met bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden. Voorts heeft het Hof de in het arrest nader omschreven beslissingen met betrekking tot verschillende inbeslaggenomen voorwerpen genomen. Tot slot heeft het Hof de vorderingen van de twee benadeelde partijen toegewezen tot bedragen van, respectievelijk, € 2.500,00 en € 19.850,- en aan verdachte voor diezelfde bedragen betalingsverplichtingen opgelegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij betrokkene 1 heeft toegewezen aan haar erfgenaam betrokkene 2.

Beoordeling Hoge Raad

Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook indien degene die zich op de voet van art. 51f, eerste lid, Sv als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter ingevolge art. 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op diens vordering. (Vlg. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259).

De vordering van de benadeelde partij betrokkene 1 tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2500,- is in eerste aanleg integraal toegewezen. In het onderhavige geval is dus sprake van de in art. 421, tweede lid, Sv bedoelde situatie dat de voeging van betrokkene 1 als benadeelde partij in hoger beroep van rechtswege voortduurde. Het Hof had die vordering, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, niet mogen aanmerken als een vordering van haar erfgenaam betrokkene 2 en op die vordering niet mogen beslissen. Nu het Hof heeft geoordeeld dat de gevorderde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, had het die vordering moeten toewijzen aan de benadeelde partij betrokkene 1 (wiens vordering op de voet van art. 6:106, tweede lid tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam). Het middel, dat hierover klaagt, is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^