Afwijzing aanhoudingsverzoek

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972

Feiten

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 december 2012 voor: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een boete van € 500 en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging voor zes maanden gelast.

Verdachte heeft cassatie doen instellen.

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ter terechtzitting teneinde de in Malta verblijvende verdachte bij zijn berechting aanwezig te laten zijn.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt dat de verdachte niet is verschenen en houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter deelt voorts mondeling mede de korte inhoud van een brief van mr Ronday, gedateerd

14 december 2012, waarin hij verzoekt om aanhouding van de behandeling.

De raadsman voegt hier aan toe:

Mijn cliënt verblijft bij kennissen van zijn ouders op Malta. Hij is nu vijf maanden clean. Ik heb de vader van mijn cliënt pas vorige week gesproken hierover. Mijn cliënt wil graag komen vertellen hoe het nu met hem gaat. Het hoger beroep is gericht tegen de door de politierechter opgelegde straf.

De advocaat-generaal voert het woord:

De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is in orde. Ik heb geen bijzondere reden gehoord voor aanhouding van de behandeling. De verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn ter terechtzitting. Ik verzet mij tegen aanhouding van de behandeling.

De raadsman merkt op:

Het standpunt van de advocaat generaal vind ik teveel gericht op productie. Mijn cliënt verdient het om persoonlijk te komen vertellen hoe het met hem gaat. Als er een datum bekend is voor een volgende behandeling, dan kan ik hem dat laten weten en dan kan hij ervoor zorgen dat hij dan wel in Nederland is.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding van de behandeling wordt afgewezen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn cliënt heden ter terechtzitting niet aanwezig zou kunnen zijn. Het hof houdt het ervoor dat hij kennelijk geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet."

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR: 1999:ZD1314, NJ 1999/294).

Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF