Veroordeling wegens onttrekking aan pandrecht. HR: Oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde f&o, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:965

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 1 maart 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens “opzettelijk ten behoeve van degene aan wie het toebehoort een hem niet toebehorend goed onttrekken aan een pandrecht” veroordeeld tot een geldboete van € 2.000.

Overeenkomstig de tenlastelegging is door het Hof bewezenverklaard dat de verdachte:

"in de periode van 1 december 2009 tot en met 20 december 2009 te Eerbeek in de gemeente Brummen, opzettelijk een hem verdachte niet toebehorend goed, te weten een personenauto merk Mercedes-Benz, type S, met kenteken [AA-00-BB], ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, heeft onttrokken aan het pandrecht dat door [A] BVBA op vorenomschreven voertuig is gevestigd, immers heeft verdachte voornoemde Mercedes-Benz op zijn, verdachtes, naam gezet/overgeschreven, zonder hiertoe toestemming te hebben verkregen van [A] BVBA."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof aan de in de bewezenverklaring voorkomende zinsnede dat de verdachte "een personenauto (...) heeft onttrokken aan het pandrecht" een onjuiste uitleg heeft gegeven, althans dat het Hof zijn oordeel dienaangaande ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking "heeft onttrokken aan het pandrecht" moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in art. 348, eerste lid, Sr - in de vervoeging "onttrekt aan een pandrecht" - voorkomende uitdrukking.

De wetsgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht houdt met betrekking tot art. 348 Sr in: "Het artikel strekt tot bescherming der regten van pand, terughouding, vruchtgebruik en gebruik."

Gelet op deze strekking dient onder 'onttrekken van een goed' aan een in art. 348, eerste lid, Sr genoemd recht, niet alleen te worden verstaan een handeling die ten gevolge heeft dat het desbetreffende recht niet langer uitgeoefend kan worden, maar ook een handeling die ertoe strekt de uitoefening van dat recht te beletten.

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat:

  • bij notariële akte van 8 juni 2009 een (stil) pandrecht is gevestigd op een aan Stichting [D] ([D]) in eigendom toebehorende personenauto ten gunste van [A] BVBA ([A]), tot zekerheid van een door [B] B.V. ([B]) aan [A] verschuldigde geldsom;
  • bij de vestiging van het pandrecht werden zowel [D] als [B] vertegenwoordigd door de verdachte;
  • aangezien [B] in gebreke bleef met de betaling van haar schuld, [A] een deurwaarder heeft ingeschakeld teneinde de in pand gegeven auto tot zich te nemen en te executeren;
  • op 15 december 2009 de verdachte aan deze deurwaarder heeft toegezegd dat het resterende bedrag van de schuld in twee termijnen, te weten op 18 december 2009 en op 31 december 2009 zou worden voldaan;
  • betaling op 18 december 2009 is uitgebleven;
  • op 19 december 2009 de verdachte het kenteken van de in pand gegeven auto op zijn naam heeft laten registreren;
  • bij e-mail van 20 december 2009 de verdachte namens [B] aan de deurwaarder en aan [A] heeft bericht dat de betalingsregeling niet zal worden nagekomen, dat de in pand gegeven auto niet meer eigendom is van [D] en dat [D] daarom niet kan meewerken aan de executie van die auto tot verhaal van de vordering van [A] op [B].

Het Hof heeft geoordeeld dat de handeling van de verdachte, te weten het zonder toestemming van [A] op eigen naam overschrijven van de aan [D] in eigendom toebehorende auto - waaruit het Hof kennelijk, mede gelet op de e-mail van 20 december 2009, heeft afgeleid dat ook de eigendom van de auto aan de verdachte is overgedragen -, ertoe strekte de parate executie van het ten behoeve van [A] op deze auto gevestigde stil pandrecht te beletten, en deze auto aldus te 'onttrekken aan het pandrecht' als bedoeld in art. 348, eerste lid, Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG: anders

In de optiek van AG Hofstee slaagt het middel.

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt uiteen in een rechtsklacht en een motiveringsklacht. De rechtsklacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat door overschrijving van een voertuig, terwijl daarop een pandrecht rust, op naam van verzoeker het voertuig door verzoeker aan het pandrecht is onttrokken, nu een wijziging van de tenaamstelling onder de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van het pandrecht en evenmin afdoet aan de mogelijkheden van uitwinning van dat pandrecht, zodat de enkele wijziging van tenaamstelling op zich zelf niet voldoende is om onttrekking aan het pandrecht bewezen te kunnen verklaren.

De motiveringsklacht ziet op de overweging van het Hof, inhoudende: “Ook de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt en er feitelijk en juridisch geen verandering was in de situatie maakt dat niet anders. Het gaat in deze immers om het onttrekken van een goed aan het pandrecht om daarmee de mogelijke parate executie van dat pandrecht te voorkomen”. Volgens de steller van het middel is deze overweging van het Hof niet alleen onjuist, maar ook niet toereikend om op het onderdeel van de onttrekking aan het pandrecht tot een bewezenverklaring te komen, omdat de wijziging in de tenaamstelling in casu niets zegt over de (on)mogelijkheid van parate executie.

Hofstee: van onttrekking aan één van de in art. 348, eerste lid, Sr genoemde rechten is sprake zodra de mogelijkheid van het uitoefenen van zo een recht wordt opgeheven. De onttrekking kan hier bijvoorbeeld bestaan in het wegnemen of in het vernielen van het met een recht bezwaarde goed. De vraag die thans beantwoording behoeft is of ook de enkele wijziging van de tenaamstelling van het voertuig waarop het stil (of bezitloos) pandrecht rust onttrekking in de zin van art. 348, eerste lid, Sr oplevert. Is in dat geval de mogelijkheid van het uitoefenen van het pandrecht, eventueel ter parate executie, teniet gedaan?

Voor zover de AG heeft kunnen nagaan heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich over deze vraag, die een civielrechtelijke benadering vraagt, nog niet eerder uitgelaten, reden waarom de AG de Hoge Raad verzoekt om op dit punt helderheid te bieden. Om daartoe een voorzet te geven, maakt hij eerst een uitstapje naar het burgerlijk recht.

Hoewel de tenaamstelling van kentekenbewijs deel IB en de registratie bij de RDW niet zonder meer impliceren dat sprake is van eigendom of onbezwaarde eigendom, kan uit art. 26 Kentekenreglement (regelend de “wijziging van de tenaamstelling: overdracht tussen particulieren”) worden afgeleid dat het overschrijven van de tenaamstelling van een auto – met kentekenbewijs deel II, om de niet rechtmatige vervreemding tegen te gaan -, er mede toe strekt dat de eigendom van de auto overgaat van degene op wiens naam de auto stond naar degene op wiens naam de auto komt. Dat in de onderhavige zaak de in de bewezenverklaring genoemde Mercedes Benz in eigendom is overgegaan van de Stichting [D] naar verzoeker blijkt volgens de AG uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van aangifte alsook uit de daarop steunende bewijsoverweging van het Hof dat verzoeker tevens heeft meegedeeld dat de Stichting [D] niet aan de executie van het pandrecht kan meewerken omdat de betreffende auto niet meer haar eigendom is.

Het pandrecht wordt in art. 3:227 BW als volgt gedefinieerd:

  1. “Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van pand.
  2. Een recht van pand of hypotheek op een zaak strekt zich uit over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat.”

In de onderhavige zaak is sprake van het zogenoemde “stil” pandrecht. Daarmee wordt een pandrecht bedoeld dat bij authentieke akte – zoals in casu notariële akte “vestiging pandrecht” – is gevestigd terwijl de in pand gegeven zaak in de macht van de pandgever wordt gelaten zolang deze aan zijn verplichtingen ten opzichte van de pandhouder blijft voldoen. Stil is dit pandrecht omdat de vestiging van het pandrecht zich kan voltrekken zonder dat daarvan iets naar buiten blijkt.

Het pandrecht is blijkens de wettelijke definitie daarvan in art. 3:227 BW een beperkt recht in de zin van art. 3:81 BW. Ingevolge art. 3:81 BW en, daarnaast, art. 3:84 BW, is de eigenaar van een zaak die met een beperkt recht is bezwaard bevoegd die zaak in eigendom over te dragen aan een ander, zij het alleen met instandhouding van dat beperkte recht, zodat het pandrecht tegenover de rechtsverkrijger kan worden ingeroepen. Dit betekent voor de pandhouder dat hij de zaak van de verkrijger kan opeisen teneinde deze voor verhaal van zijn vorderingsrecht te kunnen uitwinnen. Hoofdregel is dus dat het pandrecht blijft bestaan.

Op deze hoofdregel bestaan evenwel twee uitzonderingen, in geval waarvan de verkrijger toch een recht op het goed vrij van pandrecht kan verwerven en de pandhouder zijn recht op het goed dus niet kan realiseren. Deze uitzonderingen zijn: a) de pandgever is tot vervreemding van het met pandrecht bezwaarde goed bevoegd (vgl. art. 3:84 BW) en b) de verkrijger kende het pandrecht niet en behoorde daarmee niet bekend te zijn (zie art. 3:86, tweede lid, BW). Het komt mij dienstig voor deze uitzonderingen wat nader te belichten.

a) De pandgever is bevoegd tot vervreemding van de met het pandrecht bezwaarde goed

De vraag of en in hoeverre de pandgever bevoegd is de stil verpande zaak te vervreemden vindt in beginsel haar beantwoording in de uitleg van de overeenkomst tussen de pandhouder en de pandgever. Van Mierlo en Van Velten schrijven in dit verband: “Men zal de bevoegdheid tot vervreemding moeten opvatten als een het gevestigde pandrecht verbonden ontbindende voorwaarde dat de pandgever bevoegdelijk overgaat tot vervreemding van de verpande zaak. (…). Door het intreden van de ontbindende voorwaarde wordt de pandgever volledig rechthebbende en draagt deze aldus een hem volledig toekomend recht over.” Ter adstructie wordt in de burgerrechtelijke literatuur gewezen op het voorbeeld waarin het pandrecht is gevestigd op zaken die tot de handelsvoorraad van de pandgever behoren. De kredietgever ten behoeve van wie als zekerheid voor de aflossing van het krediet het pandrecht is gevestigd, heeft er immers belang bij dat de pandgever zijn bedrijfsvoering normaal kan voortzetten.

b) De derde-verkrijger is niet van het pandrecht op de hoogte en kon daarmee niet bekend zijn

Als de daartoe onbevoegde pandgever een stil verpande roerende zaak overdraagt, dan gaat het pandrecht teniet indien aan alle eisen voor een geldige overdracht is voldaan en de verkrijger het pandrecht niet kende noch behoorde te kennen (art. 3:86, tweede lid, BW). De verkrijger moet in dit geval kortom te goeder trouw zijn geweest. Daarvan was geen sprake in HR 21 oktober 2011, LJN BR3057, NJ 2011/494. In dit arrest oordeelde de civiele kamer van de Hoge Raad – kort gezegd – dat de verkrijger van een tweedehands auto waar een stil pandrecht op rustte, niet mocht aannemen dat de verkoper van die auto beschikkingsbevoegd was nu hij niet had gevraagd naar kentekenbewijs deel II, welk deel doorgaans wordt ingehouden als een pandrecht wordt gevestigd op de koopprijs van de auto.

Gezien de voorgaande uiteenzetting over het pandrecht, levert de enkele wijziging van de tenaamstelling van het voertuig waarop het stil (of bezitloos) pandrecht rust onttrekking in de zin van art. 348, eerste lid, Sr op? Is in dat geval de mogelijkheid van het uitoefenen van het pandrecht, eventueel ter parate executie, teniet gedaan? – niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Aandacht verdienen daarbij vooral de concrete omstandigheden van het geval. Zo is het, als gezegd, niet meer mogelijk om het pandrecht uit te oefenen wanneer a) degene op wiens naam het voertuig staat bevoegd was om het met pandrecht bezwaarde voertuig over te (doen) schrijven, of wanneer b) degene op wiens naam het voertuig wordt overgeschreven de omstandigheid dat een pandrecht op het voertuig rustte niet kende en niet behoorde te kennen. In deze beide gevallen vervalt het pandrecht immers.

Het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van aangifte houdt aangaande de vestiging van het pandrecht op de in de bewezenverklaring bedoelde auto onder meer het volgende in:

“Toen heeft het incassobureau een advocaat, de heer Dormans te Weert ingeschakeld. Dit advocatenbureau heeft vervolgens met [verdachte] een overeenkomst tot vestiging van pandrecht gesloten. Dit was op 28 mei 2009. Op 8 juni 2009 heeft deze overeenkomst geleid tot een notariële akte, verleden voor notaris Pels Rijcken te Apeldoorn. In deze akte ligt vastgelegd het volgende:

Onder artikel 1 lid 2: Bij de sub 1 gemelde overeenkomst is tussen [A] en schuldenaar overeen gekomen dat door de schuldenaar ten behoeve van [A] een eerste pandrecht wordt gevestigd op de personenauto Mercedes Benz, type S, kleur blauw, met kenteken [AA-00-BB] (welke auto eigendom is van de stichting) een en ander ex art. 3.237 van het Burgerlijk Wetboek en op de hierna omschreven aandelen, tot meerdere zekerheid voor de voldoening van de uit de sub 1 gemelde overeenkomst voortvloeiende schuld met rente en kosten.

Hiermee geeft de stichting [D], vertegenwoordigd door [verdachte] de in haar bezit zijnde auto in pand aan [A]. De stichting vestigt ten behoeve van [A], die hierbij aanvaardt, het eerste pandrecht op voormelde personenauto.”

Het Hof heeft blijkens zijn bewijsvoering vastgesteld dat verzoeker de in de bewezenverklaring bedoelde Mercedes-Benz, waarop een pandrecht was gevestigd en die in eigendom was van de Stichting [D], heeft overgeschreven op zijn eigen naam. Voorts is blijkens de inhoud van bewijsmiddel 1 de overschrijving van de Mercedes Benz zonder toestemming van de pandhouder [A] BVBA geschied. En verder bevat de als bewijsmiddel 3 gebezigde notariële akte “vestiging pandrecht”, waarbij het onderhavige pandrecht werd gevestigd, geen ontbindende voorwaarde inhoudende dat de pandgever in voorkomend geval bevoegd is tot vervreemding van de verpande zaak over te gaan.

De bewijsvoering van het Hof houdt echter niet in (i) dat Stichting [D] als pandgever de stil verpande auto vrij van pandrecht aan verzoeker heeft willen overdragen en – het volgende lijkt wat gekunsteld - evenmin (ii) dat en waarom verzoeker – als verkrijger van de Mercedes Benz – ten tijde van het overschrijven van deze auto op zijn naam te goeder trouw zou zijn geweest, in welk geval immers het pandrecht vervalt. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, lijkt het de AG niet houdbaar het oordeel van het Hof dat het in deze zaak gaat om het onttrekken van een goed aan het pandrecht en dat de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt, dat niet anders maakt. Hofstee merkt daarbij op dat het Hof in zijn bewijsoverweging en verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer uitsluitend ingaat op de vraag of er sprake is van opzet aan de zijde van verzoeker en daarmee de vraag of er op zichzelf sprake is van een feitelijke onttrekking aan het pandrecht ten onrechte niet relevant lijkt te achten.

Gelet op het voorgaande meent de AG dat ’s Hofs oordeel dat het onder de door hem vastgestelde omstandigheden overschrijven van de Mercedes-Benz, waarop een pandrecht was gevestigd ten behoeve van [A], op naam van verzoeker het bewezenverklaarde “onttrekken aan het pandrecht” van die Mercedes-Benz oplevert, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van het bepaalde in art. 348 Sr en dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

Indien het Hof in zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat het pandrecht ook na verzoekers bewezenverklaarde handeling nog steeds op de Mercedes-Benz was gevestigd, dan heeft het Hof ontoereikend gemotiveerd waarom desalniettemin sprake was van onttrekking aan het pandrecht in de zin van art. 348 Sr en het pandrecht niet meer kon worden uitgeoefend, aldus AG Hofstee.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF