Verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting p-v identiteit en stemherkenning

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:916

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 april 2012 de verdachte wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet van het bewijs heeft uitgesloten.

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidende onderzoek, ten gevolge waarvan de inhoud van zowel de door verdachte afgelegde verklaring(en) van 14 april 2009 bij de politie als van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor door de politie niet is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, zodat sprake is van schending van de zogenoemde Salduz-norm. (...)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege deze schending van de Salduz-jurisprudentie ook de inhoud van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet voor het bewijs mag worden gebezigd. (...)

In het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 relateren de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 dat zij op 14 april 2009 twee telefoongesprekken hebben beluisterd voor stemherkenning. Zij namen daarbij waar dat verdachte die zij die dag als verdachte hadden gehoord, aan deze gesprekken deelnam en zij stelden vast dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer 06-004. Het hof gaat er derhalve van uit dat de betreffende verbalisanten de stemherkenning hebben gebaseerd op het stemgeluid van verdachte dat zij tijdens de met de Salduz-jurisprudentie strijdige verhoren van verdachte hebben waargenomen.

Dit laatste leidt er naar het oordeel van het hof echter niet toe dat de stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten. Met uitsluiting van de verklaringen voor het bewijs wordt naar het oordeel van het hof bedoeld uitsluiting van de inhoud van de door de verdachte afgelegde verklaringen. Die uitsluiting raakt het bewijs en niet de verdere opsporing. Het opmaken van een proces-verbaal van identiteit en stemherkenning heeft plaatsgevonden in het kader van het (verdere) opsporingsonderzoek waarbij de verdachte voor de aanvang van de verhoren aan de hand waarvan zijn stem is herkend en zijn deelname aan telefoongesprekken is vastgesteld, is gewezen op zijn recht dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Het hof verwerpt mitsdien ook in zoverre het verweer."

Beoordeling Hoge Raad

In de overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de in het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 gerelateerde bevinding van de verbalisanten, die is gebaseerd op hun waarneming van het stemgeluid van de verdachte tijdens de eerdere verhoren op die dag, niet de inhoud van de verklaringen van de verdachte betreft noch kan worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtstreeks gevolg van de verklaringen van de verdachte afgelegd tijdens die verhoren. Door op grond daarvan het verweer te verwerpen dat als gevolg van het op grond van het zogenoemde Salduz-jurisprudentie geconstateerde vormverzuim ook het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF