Geen cassatie mogelijk tegen beslissing voorzitter hof beperking in het voeren van verdediging tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde

Hoge Raad 15 april, ECLI:NL:HR:2014:911

Feiten

Verdachte is bij arrest van 20 december 2012 door het hof te Arnhem wegens eenvoudige belediging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis en tot een geldboete van € 250,- te vervangen door vijf dagen hechtenis. Mr. H. Sytema en mr. J.L. Bar hebben namens de verdachte een schriftuur met een middel van cassatie ingediend.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte "op ontoelaatbare wijze heeft beperkt in het voeren van zijn verdediging".

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Verdachte geeft te kennen dat dit een politiek proces is. De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de relevante stukken van de zaak. De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de brief van 4 juni 2011 aan betrokkene verzonden. Ik vind het kwalificerend wat ik heb geschreven. Ik spreek mij uit over het functioneren van een ambtenaar, een wethouder. Ik heb die bewoordingen gebruikt, gelet op de ernst van de zaak. Het zijn geen prettige woorden die ik heb gebruikt, maar de woorden kwamen mij passend voor. Natuurlijk moeten mensen respectvol met elkaar om gaan, maar dat moet wederzijds gebeuren. betrokkene heeft er voor gezorgd dat mij dingen zijn overkomen. Ik ben zeer hardhandig door de politie uit de Arnhemse raadzaal ontvoerd tijdens een openbaar debat. Ik ben diverse keren door negers agressief bejegend. Ik ben hartpatiënt en ik ben tot drie keer toe belaagd door die bende onvolwassen racistische negers en dat heb ik in mijn brief aan betrokkene vermeld. Ik kon mij niet verdedigen, want ik stond stijf van de reuma. betrokkene faciliteert zaken door zijn politieke opvattingen, en de situatie die daar uit voortkomt, bevalt mij niet. Daarom heb ik deze woorden in mijn brief gebruikt. Door deze aanvallen heb ik volgens de cardioloog een verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ik gebruik ook medicijnen.

De oudste raadsheer houdt verdachte voor dat hij op 22 april 2011 door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

De behandeling van die zaak door mr Van den Dungen als politierechter beviel mij totaal niet. Ik heb die zaak onderbroken. Ik ben ook niet in kennis gesteld van het vonnis. Ik ben zelf bij de zitting geweest, zowel bij de rechtbank als bij het hof. Die zaak ging ook over het plaatsen van die moskee.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

In korte tijd is twee keer door betrokkene aangifte gedaan ter zake van geschriften met beledigende teksten die verdachte heeft gestuurd. De oorzaak en de reden van verdachte om zo te handelen zit in het feit dat verdachte betrokkene verantwoordelijk houdt voor de herplaatsing van een moskee in Klarendal, als gevolg waarvan verdachte hinder ondervindt. De tekst is beledigend, maar ook op de rand van bedreigend. Ik acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij verantwoordelijk is voor het versturen van de brief aan betrokkene, die voorheen een publieke functie vervulde. Verdachte vindt zijn taalgebruik kwalificerend en gepast, maar dat is totaal niet aan de orde. Dit is beledigend. Woorden als landverrader, amoreel zwijn, ploert en dictator. Dit overschrijdt de grenzen van fatsoen en vrijheid van meningsuiting. Verdachte is eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling van de rechtbank heeft plaatsgevonden voor het plegen van dit feit. Verdachte trekt zich niets aan van de gerechtelijke uitspraak. De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De voorzitter geeft verdachte het woord en geeft daarbij aan dat hij zich dient te beperken tot een betoog wat ziet op deze zaak. De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven: Eén van de daders heeft mij als dader aangewezen en ik word vervolgd. Waarom sta ik hier en niet u? Van een slachtoffer wordt een dader gemaakt. Wij zijn allemaal geconditioneerd. Wij zijn elk een eigen entiteit. Ik ook, u heeft met mijn cortex te maken. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte ter zake dient te komen en geen betoog dient te houden over zijn cortex. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: Ik kan mij niet anders verdedigen dan door dit betoog te houden. Het klopt wat ik heb geschreven. Dit is een politiek proces, dat onderdeel uitmaakt van koehandel. Artikel 147 Sr staat op de nominatielijst om op de schroothoop te belanden. Artikel 137 Sr is door Wilders als achterlijk gekwalificeerd. Artikel 266 Sr laat uitdrukkelijk het kwalificeren van functionarissen in zijn/haar ambt open. Ik ben niet strafbaar. Ik kan mij niet adequaat verdedigen. Ik spreek verder over mijn cortex. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte zijn pleidooi dient te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex. De verdachte verklaart zakelijk weergegeven: Ik voel mij het zwijgen opgelegd. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. Na gehouden beraad, geeft de bode te kennen dat verdachte tussentijds de zaal heeft verlaten en dat hij niet wenst terug te keren voor de uitspraak van het arrest."

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is door de voorzitter van het hof beperkt in zijn pleidooi tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde. Het betreft hier een beslissing van de voorzitter ten behoeve van de handhaving van de orde op de terechtzitting. Daartegen staat geen beroep in cassatie open (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303). In zoverre moet het middel onbesproken blijven.

Voor zover het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv het woord heeft kunnen voeren, mist het feitelijke grondslag en kan het dus niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Flora- en faunawet & Grondslagverlating

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:853

Feiten

Aan de verdachte is onder 4 onder meer tenlastegelegd het opzettelijk onder zich hebben van "één of meer vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 8, althans een of meer vinken en/of 55, althans een of meer (grote en/of kleine) goudvinken".

Daarvan is door het Hof bewezenverklaard het opzettelijk onder zich hebben van "vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten meer vinken en meer goudvinken".

Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Beoordeling Hoge Raad

De klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, behoeft geen bespreking nu niet wordt aangevoerd dat blijkens de gebezigde bewijsvoering 's Hofs bewezenverklaring méér dan 8 vinken en 55 goudvinken betreft.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Derde middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde wat betreft de noordse goudvink en de afrikaanse vink niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Onder 4 is ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard het opzettelijk onder zich hebben van vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten afrikaanse vinken en een noordse goudvink.

Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

"Vast staat dat de tenlastegelegde vogels behoren tot inheemse beschermde diersoorten, waarop de Flora en Faunawet en de daaronder liggende regelingen van toepassing zijn. Voor zover de tenlastelegging ziet op de Noordse goudvink en de Afrikaanse vink is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat dit ondersoorten van respectievelijk de goudvink en de vink zijn en dat zij van nature op Europees grondgebied van de Europese Unie voorkomen, zodat deze soorten daarmee behoren tot beschermde inheemse diersoorten."

Ingevolge art. 13, eerste lid, Flora- en faunawet is het onder meer verboden dieren die tot een beschermde inheemse diersoort behoren, onder zich te hebben. In art. 4, eerste lid aanhef onder b, van die wet zijn - afgezien van hier niet relevante uitzonderingen - alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels aangemerkt als beschermde inheemse diersoort. Ingevolge art. 1, tweede lid, van genoemde wet wordt onder "soort" mede verstaan: "ondersoort".

Het is van algemene bekendheid dat de afrikaanse vink (Fringilla coelebs africana) een ondersoort is van de soort (boek)vink (Fringilla coelebs) en dat de noordse goudvink (Pyrrhula pyrrhula pyrrhula) een ondersoort is van de goudvink (Pyrrhula pyrrhula). Gelet hierop moet 's Hofs overweging aldus worden verstaan dat de noordse goudvink en de afrikaanse vink ondersoorten zijn van respectievelijk de goudvink en de vink, dat deze soorten van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomen, zodat ook genoemde ondersoorten behoren tot de door de Flora- en faunawet beschermde diersoorten.

Het middel miskent dat de regel van art. 339, tweede lid, Sv dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven, ook ziet op gegevens die zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kunnen worden achterhaald. Daarom faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak & Strafoplegging

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:850

Essentie

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van verdachte v.zv. deze ttz. is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van verdachte toereikend is om de opgelegde – voor de helft voorwaardelijke – geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens verdachte omtrent o.m. het bedrag van zijn uitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Feiten

Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 april 2012 de verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan veroordeeld tot een geldboete van € 8.000, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan € 4.000, subsidiair 50 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging, gelet op een gevoerd strafmaatverweer, onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van de verdachte toereikend is om de opgelegde - voor de helft voorwaardelijke - geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens de verdachte omtrent onder meer het bedrag van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De strafoplegging is in dit opzicht dus toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bevoegdheid rechter om o.g.v. art. 36e lid 5 Sr het bedrag dat de betrokkene aan de Staat dient te betalen lager vast te stellen

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 november 2011 bepaald dat aan de betrokkene geen verplichting aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd.

Middel

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de beslissing van het Hof dat aan de betrokkene geen betalingsverplichting wordt opgelegd.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel bevat ten eerste de klacht dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bevoegdheid van de rechter op grond van art. 36e, vijfde lid, Sr het bedrag dat de betrokkene aan de Staat dient te betalen lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel. Aan deze klacht ligt ten grondslag de opvatting dat die bevoegdheid van de rechter "enkel in relatie tot beperkte draagkracht kan worden toegepast". Deze opvatting vindt geen steun in de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 36e, vijfde lid, Sr en is derhalve onjuist, zodat de klacht faalt.

Het middel klaagt voorts dat de beslissing van het Hof dat aan de betrokkene geen betalingsverplichting wordt opgelegd, onvoldoende of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat het "om redenen als door de raadsman in de door hem ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en overgelegde pleitnota uiteengezet" termen aanwezig acht om aan de betrokkene geen betalingsverplichting op te leggen. De motivering van dat oordeel voldoet aan de daaraan, op grond van art. 359, vijfde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 511e Sv, gestelde eisen. Dit oordeel is voorts gelet op hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet onbegrijpelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht m.b.t. opzet, art. 8.40 Wmb & art. 5 Besluit landbouw milieubeheer

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:851

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 27 november 2012 verdachte wegens overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan veroordeeld tot een geldboete van 750 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Namens verdachte heeft mr. E. Jense, advocaat te Zaandam, beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel keert zich tegen 's Hofs verwerping van het verweer dat de verdachte "niet wist dat de IBC-tanks en de olie op de inrichting aanwezig waren".

Beoordeling Hoge RaadHet Hof heeft het in het middel bedoelde verweer verworpen op de grond dat het Besluit landbouw milieubeheer inhoudt dat degene die de inrichting drijft ervoor zorg draagt dat de in de bijlage bij dat Besluit opgenomen voorschriften worden nageleefd.

Die enkele omstandigheid kan de verwerping van het aangevoerde niet dragen. Ook uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het opzet van de verdachte - al dan niet in voorwaardelijke vorm - was gericht op het tenlastegelegde en bewezenverklaarde niet ervoor zorgdragen dat een viertal kunststoffen bovengrondse opslagtanks, zogenoemde IBC's, elk met een inhoud van 1000 liter, welke waren gevuld met gasolie, waren voorzien van een geïntegreerde lekbak. Derhalve is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het nadien bij pleidooi voorwaardelijk gedane verzoek om X en Y als getuigen te horen moet worden aangemerkt als een ex art. 328 Sv gedaan nieuw verzoek dat is onderworpen aan de maatstaf van de noodzaak

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:857

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 10 april 2012 de verdachte wegens 1. “schuldheling” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Middel

Het middel behelst met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde de klacht dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met toepassing van de verkeerde maatstaf heeft afgewezen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak de in het middel bedoelde verzoeken als volgt afgewezen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsman, nadat hij had gepleit ten aanzien van de bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde feiten, voorwaardelijk verzocht de twee getuigen die in het kader van een verzoek ex artikel 411a van het Wetboek van Strafvordering door de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht waren afgewezen, alsnog te horen indien het hof tot een bewezenverklaring van de feiten zou overgaan.

Naar het oordeel van het hof dient het ter zitting gedane, voorwaardelijke verzoek te worden beoordeeld op grond van het noodzaakcriterium.

Het hof wijst het verzoek af.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof als reden voor het horen van de getuigen aangegeven dat zij zouden kunnen verklaren over het lenen en het gebruik van de auto, in het bijzonder in het licht van de mogelijke verwarring bij de getuige [getuige] over het uiterlijk van verdachte en dat van de medeverdachte [betrokkene 1]. Mede gelet op de summiere verklaring van verdachte over het gebruik van de betreffende auto met zijn medeverdachten en het niet door de verdediging betwiste feit dat zij gezamenlijk in die auto zijn aangehouden in de nacht van 28 maart 2010, acht het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk."

Het Hof heeft het verzoek [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen met toepassing van het noodzaakcriterium afgewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 2012 houdt als mededeling van de raadsman van de verdachte in dat het bij appelschriftuur gedane verzoek niet wordt gehandhaafd. Dat brengt mee dat het nadien bij pleidooi voorwaardelijk gedane verzoek om de genoemde personen als getuigen te horen moet worden aangemerkt als een op de voet van art. 328 Sv gedaan nieuw verzoek dat op grond van art. 315 Sv is onderworpen aan de maatstaf van de noodzaak. Het Hof heeft bij de afwijzing van dat verzoek dus de juiste maatstaf aangelegd. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag & Beslag: De Rb heeft bij de beoordeling van het klaagschrift weliswaar het juiste toetsingskader vooropgesteld, maar de aan te leggen maatstaf niet juist toegepast

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865

Feiten

De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 28 augustus 2012 het op de voet van art. 552a Sv door klaagster ingediende klaagschrift (gedeeltelijk) gegrond verklaard en de teruggave aan klaagster gelast van verschillende in het kader van een strafzaak tegen de ex-echtgenote van klaagster inbeslaggenomen voorwerpen.

De bestreden beschikking houdt met betrekking tot de gegrondverklaring van het klaagschrift het volgende in:

"Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op de voet van artikel 94 Sv onder de belanghebbende gelegde beslag, met last tot teruggave aan de klaagster van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Namens de klaagster is in raadkamer hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de voorwerpen aan de klaagster toebehoren en door de klaagster zijn aangekocht uit legale middelen. De klaagster heeft een uitkering naar aanleiding van een verzekeringskwestie ontvangen van € 415.000,=. De inbeslaggenomen voorwerpen zijn (onder andere) hiervan bekostigd en derhalve niet afkomstig van enige (illegale) gelden van de belanghebbende.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor wat betreft een deel van de inbeslaggenomen voorwerpen geldt dat het belang van strafvordering zich thans niet meer verzet tegen de teruggave hiervan, zodat het beklag op deze onderdelen gegrond verklaart dient te worden. Dit betreffen:

1.-iPad;

2.-desktop computer

3.-mobiele telefoon met nr. 06-[001];

4.-geld uit een melkbus van stichting Zwerfkatten;

5.-portemonnee;

6.-factuur Audi;

7.-lader en pen bij iPad;

8.-iPhone;

9.-stortingsbewijs € 2.400,00;

10.-diverse bescheiden;

11.-betalingsbewijs Toyota t.n.v. [klaagster];

12.-kassabon […] € 820,00 ( schoenenwinkel);

13.-briefje adres [betrokkene];

14.-vier briefjes met mailadressen in zwart etui;

15.-twee briefjes met nummers;

16.-€ 1.220,00 (afkomstig uit melkbus voor Stichting Zwerfkatten); zie overigens ook hierboven sub 4.;

Voor wat betreft de overige inbeslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich thans nog verzet tegen een teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen. De klaagster is getrouwd geweest met de belanghebbende. Het is niet ongebruikelijk dat echtgenoten van personen die geld verdienen door middel van criminele activiteiten ook meegenieten van dit geld. De klaagster ontvangt een WAO-uitkering en heeft in 2009 bij de Belastingdienst opgegeven geen vermogen meer te bezitten. Over gelden uit de in 2008 ontvangen verzekeringsuitkering beschikt de klaagster derhalve niet meer. De klaagster heeft geen logische verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de financiering van de aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen. Nu onvoldoende duidelijk is welke goederen een legale herkomst hebben en welke goederen middels illegale middelen zijn verworven dienen alle goederen aangemerkt te worden als illegaal verworven. Daarnaast is sprake van typologieën van witwasgedrag onder andere gezien de wijze waarop verschillende voorwerpen zijn aangetroffen.

Beoordeling van de klacht

Vooropgesteld wordt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.

In een geval als het onderhavige, waarin inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv heeft plaatsgehad, dient beoordeeld te worden of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de betrokken klaagster - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

(…)

Voor wat betreft het overige deel van het beklag van de klaagster overweegt de rechtbank als volgt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de klaagster betaalde verzekeringsuitkering van € 415.000,= reeds moet zijn opgemaakt nu geen restanten van dit geldbedrag bij de doorzoeking van de woning van de klaagster zijn aangetroffen en de klaagster ook bij de Belastingdienst deze gelden na 2009 niet heeft opgegeven. De officier van justitie heeft hierbij ter onderbouwing aangevoerd dat de klaagster in de eerste drie maanden van 2009 een bedrag van € 120.000,= heeft opgemaakt en dat bij voortzetting van dit bestedingspatroon het overige deel van het geldbedrag van de klaagster binnen zeer korte tijd moet zijn opgemaakt.

Het feit dat de klaagster in drie maanden tijd een bedrag van € 120.000,= heeft opgemaakt is onvoldoende om aan te nemen dat de klaagster ook hierna hetzelfde uitgavenpatroon heeft gehanteerd. Dat de klaagster in 2009 bij de Belastingdienst heeft opgegeven over geen vermogen te beschikken, doet daar niet aan af. De relatie van de klaagster ten opzichte van de Belastingdienst met betrekking tot het wel of niet correct opgeven van haar vermogen kan momenteel in deze procedure niet worden beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat thans door het openbaar ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de inbeslaggenomen voorwerpen, waarvan thans de teruggave van is verzocht, aan te schaffen, nu door de klaagster voldoende is aangetoond dat de voorwerpen uit de legale bronnen van de klaagster kunnen zijn aangeschaft. Het belang van strafvordering kan derhalve niet meer verlangen dat het beslag wordt voortgezet. Het klaagschrift zal dan ook op dit onderdeel gegrond worden verklaard."

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie.

Middel

Het middel klaagt, blijkens de toelichting, over de motivering van de beslissing van de Rechtbank tot gegrondverklaring van het klaagschrift voor zover dit klaagschrift betrekking heeft op de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Audi, horloges en geld.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft bij de beoordeling van het klaagschrift weliswaar het juiste toetsingskader vooropgesteld, maar de aan te leggen maatstaf niet juist toegepast. Aan haar oordeel dat het belang van strafvordering niet meer kan verlangen dat het beslag wordt voortgezet, heeft de Rechtbank ten grondslag gelegd dat "thans door het openbaar ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de inbeslaggenomen voorwerpen (…) aan te schaffen". Hiermee heeft de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet ervan kan worden uitgegaan dat aan de - in art. 33a, tweede lid onder a, Sr gestelde - voorwaarden is voldaan voor verbeurdverklaring van voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de veroordeelde. Daardoor is de Rechtbank, die in dit verband had moeten beoordelen of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van die voorwerpen zal bevelen, vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verduistering: Falende bewijsklacht m.b.t. “wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:859

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 4 april 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage wegens 1. subsidiair verduistering en 2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van 220 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 dagen hechtenis, en tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000,-, subsidiair 55 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel behelst ten aanzien van de bewezenverklaring onder 1 de klacht dat die bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de geldbedragen "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

De in de bewezenverklaring onder 1 voorkomende uitdrukking "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in art. 321 Sr - in de vervoeging "wederrechtelijk zich toe-eigent" - voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van een zodanig beschikken kan afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. (Vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX3620)

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat:

  • de verdachte aan [betrokkene 1] heeft voorgesteld het geld dat zij na haar echtscheiding uit de verkoop van onroerend goed zal ontvangen voor haar te beleggen/te investeren in zijn bedrijf [A] BV i.o.;
  • de verdachte [betrokkene 1] het geld heeft laten overmaken op een bankrekening op naam van die BV i.o. onder de vermelding "belegging/investering/portfolio";
  • [betrokkene 1] in totaal € 90.000,– heeft overgemaakt op die bankrekening;
  • de verdachte aan [betrokkene 4], die begunstigde was van de bankrekening, heeft medegedeeld dat het geld dat [betrokkene 1] op de bankrekening heeft overgemaakt van de verdachte is;
  • de verdachte met die [betrokkene 4] een aantal malen naar de bank is gegaan alwaar [betrokkene 4] telkens € 12.000,- van die rekening heeft opgenomen en dat geld aan de verdachte heeft overhandigd;
  • de verdachte dat geld niet in [A] B.V. i.o. heeft geïnvesteerd;
  • [betrokkene 1] van het door haar ter beschikking gestelde geld nooit iets heeft terugontvangen.

Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat de verdachte de opgenomen geldbedragen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De klacht is ongegrond.

Het middel behelst ten aanzien van de bewezenverklaring onder 2 onder meer de klacht dat voor zover is bewezenverklaard dat de verklaring en de leningsovereenkomst "bestemd [zijn] om tot het bewijs van enig feit te dienen", dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om "onderhandse geschriften, waarvan - in het ontwikkelingsstadium waarin zij werden aangetroffen - niet vaststaat welke bewijswaarde daaraan toekwam en daaraan volgens betrokkenen moest worden toegekend".

Het Hof heeft blijkens de bewezenverklaring en de bewijsvoering geoordeeld dat de 'leningsovereenkomst' bestemd was om te dienen tot het bewijs dat tussen [betrokkene 1] en [A] BV i.o. het in die overeenkomst vermelde is afgesproken en voorts, dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] bestemd was om te dienen tot bewijs dat de verdachte niet kan beschikken en beslissen over de bankrekening waarop de geldbedragen zijn ontvangen en tot het bewijs dat die geldbedragen overeenkomstig de afgesproken doeleinden zijn aangewend. Het Hof heeft uit de bewijsvoering klaarblijkelijk afgeleid dat de omstandigheid dat de schriftelijke verklaring het opschrift "concept" bevat en dat de 'leningsovereenkomst' (nog) niet was ondertekend door [betrokkene 1], niet eraan afdoet dat aan de inhoud van deze stukken, mede in aanmerking genomen dat zij wel door [betrokkene 3], de directeur van [A] BV i.o., zijn ondertekend, in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis kan worden toegekend, dat zij daardoor kunnen worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sr. Dat oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat delictsbestanddeel en het behoeft ook geen nadere motivering. Deze klacht is eveneens tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Originaire rechtsmacht

Hoge Raad 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:772

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 30 november 2012 verdachte wegens 1) doodslag, 2) medeplegen van valsheid in geschrift en 3) opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte hebben mr. G.G.J. Knoops en mr. S.C. Post, beiden advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt in verschillende als subklachten aangeduide varianten dat – kort gezegd - het Hof ten onrechte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit originaire rechtsmacht heeft aangenomen.

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging onder 1 omschreven feiten worden door de Nederlandse strafwet als misdrijf beschouwd en bij de stukken van het geding bevinden zich de met de artt. 289, 288 en 287 Sr corresponderende strafbepalingen van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop en op de vaststelling van het Hof dat verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft, getuigt het oordeel van het Hof dat t.a.v. verdachte sprake is van originaire rechtsmacht niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: Gelet op de periode die het Hof voor de berekening tot uitgangspunt heeft genomen, is zijn oordeel niet begrijpelijk

Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:712

Feiten

In de hoofdzaak is bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 23 december 2005 ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, in de periode van 27 maart 2004 tot en met 9 november 2004,
  2. deelneming aan een criminele organisatie, terwijl de betrokkene aan die organisatie leiding heeft gegeven, in de periode van 15 december 2003 tot en met 13 december 2004, en
  3. het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de periode van 27 maart 2004 tot en met 9 november 2004.

Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 juli 2012 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 217.868,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 23 december 2005 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

  1. medeplegen witwassen, meermalen gepleegd;
  2. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij aan die organisatie leiding heeft gegeven;
  3. medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot straf.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt, na wijziging van die vordering bij conclusie van repliek, in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal EUR 258.971,68 ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde feiten. (...)

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de berekening van het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel gaat het hof uit van het proces-verbaal Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, d.d. 17 augustus 2007, nummer 55/2002 met documentcode 0610041015.AMB ((inclusief bijlagen).

Blijkens voornoemd proces-verbaal Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is A B.V. (hierna: A) op 18 januari 2002 opgericht. Op 11 juli 2002 is de veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder van A geworden. De veroordeelde is vervolgens op 13 december 2004, in verband met de feiten waarvoor hij bij vonnis van 23 december 2005 is veroordeeld, aangehouden. Gelet op het vorenstaande zal het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de periode juli 2002 tot en met december 2004.

Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel acht slaan op het voordeel dat is verkregen uit:

het gebruik van een auto, merk Audi, type S8; het salaris dat de veroordeelde als directeur van A heeft genoten; kasstortingen gedaan op de bankrekening van de veroordeelde waarvan de herkomst niet duidelijk is.

Audi S8

De verdediging heeft betoogd dat de veroordeelde noch als eigenaar noch als feitelijk gebruiker te allen tijde de beschikking heeft gehad over de auto. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de auto niet geparkeerd of gestald stond bij de veroordeelde en dat uit observaties zou volgen dat de veroordeelde niet de enige was die gebruik maakte van de auto. Voorts heeft de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat uit tapgesprekken, afgeluisterd tijdens het opsporingsonderzoek in de bodemzaak, kan worden opgemaakt dat hij slechts een enkele keer op verzoek van medeverdachte 1 de auto ergens heeft opgehaald en vervolgens bij diens huis heeft neergezet.

Naar oordeel van het hof is hetgeen door en namens de veroordeelde tegenover het uitvoerig onderbouwde standpunt van het openbaar ministerie is gesteld, in het geheel niet onderbouwd. De enkele verwijzing naar niet nader gespecificeerde tapgesprekken en observaties in de bodemzaak is daartoe volstrekt onvoldoende. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en zal uitgaan van het proces-verbaal Berekening Wederrechtelijk verkregen voordeel en de daarbij behorende na te noemen bijlage.

Uit de in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2006, nr. 55/2002 documentcode 0601130915.AMB, als bijlage gevoegd bij voornoemd proces-verbaal Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, aangehaalde tapgesprekken, observaties en bekeuringen volgt dat de veroordeelde in de periode van juli 2002 tot en met december 2004 constant een auto, merk Audi, type S8, met kenteken AA-00-BB, in gebruik heeft gehad. Deze auto stond op naam van de medeverdachte medeverdachte 1, die de auto op 31 augustus 2001 voor FL. 255.000,- heeft gekocht. Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde deze auto uit hoofde van zijn werkzaamheden voor A als 'secundaire arbeidsvoorwaarde' van voornoemde medeverdachte 1 ter beschikking heeft gekregen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2006, nr. 55/2002 documentcode 0601041300AMB, eveneens als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, zou het leasen van een soortgelijke Audi minstens EUR 2.423,- per maand hebben gekost. Dit komt neer op EUR 70.267,- in de periode van juli 2002 tot en met december 2004. Dit bedrag is aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de veroordeelde dergelijke leasekosten bespaard zijn gebleven.

Gelet op het bovenstaande zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit het gebruik van de auto, merk Audi, type S8, vaststellen op EUR 70.267,-.

Salaris (...)

Kasstortingen

De verdediging heeft bepleit dat de kasstortingen die in het proces-verbaal Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel een legale herkomst hebben. De veroordeelde heeft, aldus de raadsman, vermogen opgebouwd door middel van de handel in aandelen en opties en heeft een deel van dit vermogen aan diverse personen uitgeleend. Wanneer de veroordeelde (een deel van) deze leningen kreeg terugbetaald, stortte hij dit op zijn rekening. De door het openbaar ministerie in aanmerking genomen zogenaamd onverklaarbare kasstortingen in de jaren 2002 tot en met 2004 zijn hierop terug te voeren. (...)

Uit het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat de veroordeelde in de periode van juli 2002 tot en met december 2004 met enige regelmaat grote bedragen op zijn bankrekeningen kreeg gestort. Nu noch is gebleken noch deugdelijk is onderbouwd dat deze kasstortingen een legale herkomst hadden, acht het hof het aannemelijk dat de veroordeelde deze kasstortingen heeft ontvangen als vergoeding voor bewezen diensten aan A.

Gelet op het bovenstaande stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit kasstortingen in de periode van juli 2002 tot en met december 2004 vast op het bedrag van EUR 150.410,-.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat afgerond vast op:

Gebruik Audi S8 EUR 70.267,- Salaris EUR 21.398,- Kasstortingen EUR 150.410,- Totaal EUR 242.075,-

Vaststelling van de betalingsverplichting (...)

Voor de bepaling van de omvang van de door het hof aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof het bedrag ad € 242.075,00 tot uitgangspunt maar brengt het daarop, in verband met de mate van overschrijding van de redelijke termijn, een percentage van 10% in mindering, zodat afgerond € 217.868,00 te betalen resteert.

Het hof zal derhalve de veroordeelde de verplichting opleggen € 217.868,00 aan de Staat te betalen ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak bewezen verklaarde feiten."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld met betrekking tot een periode waarin de betrokkene geen strafbare feiten heeft gepleegd.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof de ontnemingsmaatregel opgelegd ter zake van het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen "uit de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten". Die feiten bestrijken de periode van 15 december 2003 tot en met 13 december 2004. Gelet op deze periode die het Hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt heeft genomen en op de door het Hof blijkens zijn overwegingen gebezigde berekeningsmethode, is zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het gebruik van de Audi S8 en uit het doen van kasstortingen in de periode vóór 15 december 2003, te weten van juli 2002 tot laatstgenoemde datum, niet begrijpelijk.

Het middel klaagt daarover terecht. Om redenen van doelmatigheid zal de Hoge Raad zelf de zaak afdoen door de berekende leasebedragen voor het gebruik van de Audi S8 met een bedrag van € 41.191,- en de kasstortingen met een bedrag van € 133.560,-, welke bedragen telkens betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten, in mindering te brengen op het door het Hof tot uitgangspunt genomen wederrechtelijk verkregen voordeel van € 242.075 en door daarop overeenkomstig de beslissing van het Hof 10% in mindering te brengen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^