Geen cassatie mogelijk tegen beslissing voorzitter hof beperking in het voeren van verdediging tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde

Hoge Raad 15 april, ECLI:NL:HR:2014:911

Feiten

Verdachte is bij arrest van 20 december 2012 door het hof te Arnhem wegens eenvoudige belediging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis en tot een geldboete van € 250,- te vervangen door vijf dagen hechtenis. Mr. H. Sytema en mr. J.L. Bar hebben namens de verdachte een schriftuur met een middel van cassatie ingediend.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte "op ontoelaatbare wijze heeft beperkt in het voeren van zijn verdediging".

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Verdachte geeft te kennen dat dit een politiek proces is. De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de relevante stukken van de zaak. De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de brief van 4 juni 2011 aan betrokkene verzonden. Ik vind het kwalificerend wat ik heb geschreven. Ik spreek mij uit over het functioneren van een ambtenaar, een wethouder. Ik heb die bewoordingen gebruikt, gelet op de ernst van de zaak. Het zijn geen prettige woorden die ik heb gebruikt, maar de woorden kwamen mij passend voor. Natuurlijk moeten mensen respectvol met elkaar om gaan, maar dat moet wederzijds gebeuren. betrokkene heeft er voor gezorgd dat mij dingen zijn overkomen. Ik ben zeer hardhandig door de politie uit de Arnhemse raadzaal ontvoerd tijdens een openbaar debat. Ik ben diverse keren door negers agressief bejegend. Ik ben hartpatiënt en ik ben tot drie keer toe belaagd door die bende onvolwassen racistische negers en dat heb ik in mijn brief aan betrokkene vermeld. Ik kon mij niet verdedigen, want ik stond stijf van de reuma. betrokkene faciliteert zaken door zijn politieke opvattingen, en de situatie die daar uit voortkomt, bevalt mij niet. Daarom heb ik deze woorden in mijn brief gebruikt. Door deze aanvallen heb ik volgens de cardioloog een verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ik gebruik ook medicijnen.

De oudste raadsheer houdt verdachte voor dat hij op 22 april 2011 door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

De behandeling van die zaak door mr Van den Dungen als politierechter beviel mij totaal niet. Ik heb die zaak onderbroken. Ik ben ook niet in kennis gesteld van het vonnis. Ik ben zelf bij de zitting geweest, zowel bij de rechtbank als bij het hof. Die zaak ging ook over het plaatsen van die moskee.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

In korte tijd is twee keer door betrokkene aangifte gedaan ter zake van geschriften met beledigende teksten die verdachte heeft gestuurd. De oorzaak en de reden van verdachte om zo te handelen zit in het feit dat verdachte betrokkene verantwoordelijk houdt voor de herplaatsing van een moskee in Klarendal, als gevolg waarvan verdachte hinder ondervindt. De tekst is beledigend, maar ook op de rand van bedreigend. Ik acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij verantwoordelijk is voor het versturen van de brief aan betrokkene, die voorheen een publieke functie vervulde. Verdachte vindt zijn taalgebruik kwalificerend en gepast, maar dat is totaal niet aan de orde. Dit is beledigend. Woorden als landverrader, amoreel zwijn, ploert en dictator. Dit overschrijdt de grenzen van fatsoen en vrijheid van meningsuiting. Verdachte is eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling van de rechtbank heeft plaatsgevonden voor het plegen van dit feit. Verdachte trekt zich niets aan van de gerechtelijke uitspraak. De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De voorzitter geeft verdachte het woord en geeft daarbij aan dat hij zich dient te beperken tot een betoog wat ziet op deze zaak. De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven: Eén van de daders heeft mij als dader aangewezen en ik word vervolgd. Waarom sta ik hier en niet u? Van een slachtoffer wordt een dader gemaakt. Wij zijn allemaal geconditioneerd. Wij zijn elk een eigen entiteit. Ik ook, u heeft met mijn cortex te maken. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte ter zake dient te komen en geen betoog dient te houden over zijn cortex. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: Ik kan mij niet anders verdedigen dan door dit betoog te houden. Het klopt wat ik heb geschreven. Dit is een politiek proces, dat onderdeel uitmaakt van koehandel. Artikel 147 Sr staat op de nominatielijst om op de schroothoop te belanden. Artikel 137 Sr is door Wilders als achterlijk gekwalificeerd. Artikel 266 Sr laat uitdrukkelijk het kwalificeren van functionarissen in zijn/haar ambt open. Ik ben niet strafbaar. Ik kan mij niet adequaat verdedigen. Ik spreek verder over mijn cortex. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte zijn pleidooi dient te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex. De verdachte verklaart zakelijk weergegeven: Ik voel mij het zwijgen opgelegd. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. Na gehouden beraad, geeft de bode te kennen dat verdachte tussentijds de zaal heeft verlaten en dat hij niet wenst terug te keren voor de uitspraak van het arrest."

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is door de voorzitter van het hof beperkt in zijn pleidooi tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde. Het betreft hier een beslissing van de voorzitter ten behoeve van de handhaving van de orde op de terechtzitting. Daartegen staat geen beroep in cassatie open (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303). In zoverre moet het middel onbesproken blijven.

Voor zover het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv het woord heeft kunnen voeren, mist het feitelijke grondslag en kan het dus niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF