HR: De overschrijding van de inzendtermijn wordt in voldoende mate gecompenseerd door de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep in af te doen

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1543 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 23 december 2011 verdachte ten aanzien van parketnummer 05-701570-10 wegens

  • poging tot moord en
  • bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en ten aanzien van parketnummer 05-701825-10 wegens

  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft het Hof een huls verbeurdverklaard en bevolen dat een schiet(bal)pen en 39 bijbehorende patronen worden onttrokken aan het verkeer.

Middel

Het (derde) middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Oordeel Hoge Raad

Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende betekeningsklacht appeldagvaarding

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1550 Feiten

De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 8 maart 2010 de verdachte wegens (1) oplichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en wegens (2) door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam opgegeven veroordeeld tot een geldboete van € 75,-, subsidiair één dag hechtenis.

Op 16 maart 2010 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de Politierechter. In de akte rechtsmiddel staat als (GBA-)adres van de verdachte vermeld: a-straat 1 te Hoogeveen. Tevens wordt daarin vermeld dat de verdachte op dat moment gedetineerd is in de Penitentiaire Inrichting Noord, gevangenis De Marwei, te Leeuwarden en dat hij geen afschrift van de dagvaarding of oproeping toegezonden wil hebben naar een ander adres in Nederland dan het adres a-straat 1 te Hoogeveen.

Op 13 juli 2010 is getracht de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van 27 september 2010 aan hem uit te reiken op het adres b-straat 1 te Veendam. Omdat niemand werd aangetroffen, is een bericht van aankomst achter gelaten. Vervolgens is de dagvaarding met akte op 23 juli 2010 teruggezonden aan de afzender en is op 13 september 2010 een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden naar het adres b-straat 1 te Veendam, zijnde - volgens aantekening op de akte - het adres dat is opgegeven bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de desbetreffende strafzaak.

De verdachte noch een raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep verschenen.

Het Hof heeft - zonder nadere motivering - verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest 11 oktober 2010 het vonnis van de Rechtbank bevestigd met aanvulling van gronden.

Uit het aan de akte van uitreiking gehechte GBA-uittreksel van 13 september 2010 volgt dat de verdachte sinds 8 juni 2009 staat ingeschreven op het adres a-straat 1 te Hoogeveen. Tevens blijkt daaruit dat de verdachte op 13 september 2010 niet gedetineerd zat. Uit dit GBA-overzicht blijkt voorts dat het adres b-straat 1 te Veendam van 16 juni 2008 tot 8 juni 2009 het GBA-adres van de verdachte is geweest.

Middel

Het middel komt op tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

De Hoge Raad acht op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 9 het in de bestreden, bij verstek gewezen, uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard onbegrijpelijk:

"6. Ingevolge art. 588, eerste lid, onder b, sub 1, Sv dient de uitreiking van de dagvaarding, indien de verdachte niet rechtens van zijn vrijheid is ontnomen en geen betekening in persoon is voorgeschreven, te geschieden aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Blijkens het GBA-uittreksel van 13 september 2010 was het GBA-adres van de verdachte ten tijde van het aanbieden van de dagvaarding in hoger beroep a-straat 1 te Hoogeveen en stond de verdachte tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op dit adres ingeschreven. Het adres a-straat 1 te Hoogeveen is eveneens het adres dat (als GBA-adres) is opgegeven bij het instellen van het hoger beroep. Bij het instellen van het hoger beroep is geen ander adres in Nederland opgegeven dan het adres a-straat 1 te Hoogeveen waaraan een afschrift van de dagvaarding of de oproeping toegezonden kan worden. De dagvaarding had derhalve betekend dienen te worden op het adres a-straat 1 te Hoogeveen. De appeldagvaarding is echter aangeboden op het adres b-straat 1 te Veendam. Nu niet blijkt dat de dagvaarding eveneens op het adres a-straat 1 te Hoogeveen is betekend, nog dat dit adres is achterhaald door het adres b-straat 1 te Veendam (of enig ander adres), is (althans lijkt) de appeldagvaarding niet op een rechtsgeldige wijze (te zijn) betekend. (...)"

"9. Een en ander brengt mee dat de dagvaarding in hoger beroep niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv, zodat die dagvaarding nietig is. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is dan ook onjuist."

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Kosten advocaat kunnen worden vergoed bij sepot, ongegrond beklag of gegrond beklag zonder straf of maatregel

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BX5566 Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009 waarbij het hof ex art. 591a Sv schadevergoeding heeft toegekend aan verdachte.

De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de rechtspraak verdeeldheid bestaat over de vraag of kosten voor rechtsbijstand die worden gemaakt door een persoon wiens vervolging wordt verlangd in het kader van een art. 12 Sv procedure, op grond van art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien geen vervolging wordt bevolen of een wel bevolen vervolging niet tot een veroordeling leidt.

Procesgang en de bestreden beschikking

  • Op 24 mei 2005 is door "Het Wapen van Willemstad" aangifte gedaan van oplichting door betrokkene 1 en verdachte omdat zij hotelovernachtingen, genuttigde dranken en etenswaren niet betaald zouden hebben. Op 19 maart 2006 is betrokkene 1 vervolgens aangehouden.
  • Betrokkene 1 is op 26 juni 2007 door de Politierechter in de Rechtbank Breda wegens oplichting c.q. flessentrekkerij veroordeeld tot een week gevangenisstraf terwijl de Politierechter tevens de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen voor een bedrag tot € 594,75. De officier van justitie heeft bij brief van 26 januari 2007 aan verdachte laten weten dat hij niet zou worden vervolgd omdat er naar het oordeel van de officier van justitie onvoldoende wettig bewijs was.
  • In een klaagschrift, dat op 6 augustus 2007 is ingekomen ter griffie van het Hof's-Hertogenbosch, is namens "Het Wapen van Willemstad" het verzoek gedaan de vervolging van verdachte te bevelen.
  • Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, uitvoerig ingegaan op de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting c.q. flessentrekkerij waarvan "Het Wapen van Willemstad" het slachtoffer is geworden. In een ambtsbericht van een parketsecretaris, dat is opgesteld in het kader van de art. 12 Sv procedure, is het standpunt ingenomen dat 'niet is gebleken van een nauwe en volledige samenwerking waarbij beiden betrokkene 1 en verdachte, JWF zich inschreven in hotels met de intentie niet voor het verblijf te betalen'. In hetzelfde ambtsbericht wordt gewezen op een verklaring van betrokkene 1 waaruit zou blijken dat verdachte tevoren niet op de hoogte was van het feit dat de rekeningen niet zouden worden voldaan. De raadsman voerde onder meer aan dat verdachte niet bij het inchecken in het hotel betrokken is geweest en dat afgesproken was dat betrokkene 1 de rekening zou betalen.
  • Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft het hof het beklag gegrond verklaard en de vervolging van beklaagde bevolen ter zake van oplichting c.q. flessentrekkerij.
  • De Politierechter te Breda heeft verdachte op 18 maart 2008 vrijgesproken van de hem tenlastegelegde oplichting c.q. flessentrekkerij. De vrijspraak is in de aantekening mondeling vonnis niet gemotiveerd.
  • Vervolgens heeft verdachte een verzoekschrift ex art. 591a Sv ingediend dat op 22 april 2008 ter griffie van de Rechtbank Breda is ingekomen. Het verzoekschrift betrof onder meer de kosten die de raadsman had gemaakt in de artikel 12 Sv procedure. De raadsman voerde daarover ter zitting onder meer aan, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal: 'Zonder deze procedure zou mijn cliënt niet zijn gedagvaard.'
  • De rechtbank heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking had op de kosten die zijn gemaakt in het kader van de zogenoemde artikel 12 Sv procedure. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen: 'De door de raadsman ingediende declaratie tot een bedrag van € 3.354,85 met betrekking tot de door hem gemaakte kosten in het kader van de zogenoemde artikel 12 strafvordering procedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu artikel 591 en 591a wetboek van strafvordering hiervoor geen wettelijke grondslag (...) bieden.'
  • Vervolgens heeft de rechtbank onder meer het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de strafzitting in Breda toegewezen.
  • In hoger beroep heeft het hof daarentegen geoordeeld dat, als er geen veroordeling of rechterlijk pardon is uitgesproken, ook de procedure van artikel 12 Sv die tot de strafzaak heeft geleid, valt binnen het bereik van het begrip 'zaak' ex art. 591a Sv, nu deze in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.

De voordracht en vordering

De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal Fokkens strekken ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Oordeel Hoge Raad

De middelen stellen vragen aan de orde met betrekking tot de grenzen die de wet stelt aan de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a Sv. De middelen zien op drie verschillende situaties.

  1. In het eerste middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan een gewezen verdachte wiens zaak is geseponeerd een dergelijke vergoeding kan worden toegekend.
  2. In het tweede middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan iemand, nadat een op hem betrekking hebbend beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen, een dergelijke vergoeding kan worden toegekend.
  3. In het derde middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan de gewezen verdachte de kosten van een raadsman in verband met de beklagprocedure als bedoeld in art. 12 Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien het beklag wordt gegrondverklaard, maar uiteindelijk eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.

Een redelijke uitleg van de wet brengt mee, dat in geen van de drie in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a, tweede lid, Sv is uitgesloten.

Indien en voor zover naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman, kan hij daartoe op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv ook besluiten indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Psychische klachten geen zwaar lichamelijk letsel

Psychische klachten die het gevolg zijn van gepleegde zedenmisdrijven zijn geen zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 82 van het Wetboek van Strafrecht. Dat oordeelt de Hoge Raad in een cassatie in het belang der wet. Dat volgt uit de tekst van de wet. Met de sociale en psychische gevolgen voor het slachtoffer van een zedenmisdrijf houdt de rechter al rekening bij de straftoemeting. In deze zaak, waarin een man werd veroordeeld voor onder meer verkrachtingen en gewelddadige vermogensdelicten, vorderde de procureur-generaal cassatie in het belang der wet.

De rechtbank oordeelde in deze zaak dat alleen tbs mocht worden opgelegd indien de door verdachte gepleegde feiten het gevolg waren van een gebrekkige ontwikkeling of een stoornis.  Die opvatting is onjuist, aldus de Hoge Raad. Voor het opleggen van tbs is alleen nodig dat de stoornis aanwezig was toen de feiten werden gepleegd. De gepleegde feiten hoeven dus niet het gevolg te zijn van een stoornis.

De rechtbank had in deze zaak artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet toegepast. Dit artikel beschermt de verdachte tegen een onbeperkte optelling van straffen doordat de rechter bij de laatste berechting rekening moet houden met alle eerdere veroordelingen. De rechter is dan gebonden aan het maximum van de gevangenisstraf die staat op het te berechten feit. Keerzijde van de bescherming die art. 63 biedt, is dat een strikte toepassing van dit artikel zelfs ertoe zou kunnen leiden dat een verdachte niet meer tot gevangenisstraf kan worden veroordeeld voor het te berechten misdrijf als de eerder opgelegde straffen in totaal langer zijn dan die maximale gevangenisstraf. Volgens de rechtbank zou in dit geval bij toepassing van art. 63 Sr slechts een gevangenisstraf van 4 jaar en 3 maanden kunnen worden opgelegd, waar anders het strafmaximum 20 jaar zou zijn. Dat was de reden voor de rechtbank om art. 63 Sr in dit geval niet toe te passen en 10 jaar gevangenisstraf op te leggen.

Volgens de procureur-generaal heeft de rechtbank art. 63 Sr ten onrechte niet toegepast. Hij vraagt aan de Hoge Raad of dit artikel voortaan niet zo kan worden uitgelegd dat niet met alle eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft, mede naar aanleiding van deze zaak, in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd art. 63 te willen herzien. Omdat daarbij verschillende door de wetgever te maken keuzen mogelijk zijn en de Hoge Raad de wetgever niet voor de voeten wil lopen, blijft de Hoge Raad bij zijn in de rechtspraak gegeven uitleg van art. 63 Sr.

 

Print Friendly and PDF ^

Onbevoegdheid hulpofficier hoeft niet tot vrijspraak te leiden

Het optreden van een onbevoegde hulpofficier van justitie hoeft niet tot vrijspraak te leiden. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. Het hof Den Bosch sprak eerder verdachten vrij vanwege het optreden van een onbevoegde hulpofficier van justitie. Volgens het hof moest dit vormverzuim tot uitsluiting van het daardoor verkregen bewijs leiden. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft niet onderzocht of de verdachten hiervan nadeel hebben ondervonden. Ook bij het bepalen van de ernst van het verzuim heeft het hof niet alle relevante omstandigheden meegewogen. Zo had het hof moeten onderzoeken of een wel bevoegde hulpofficier op dezelfde wijze zou hebben gehandeld.

In deze zaak gaf een hulpofficier van justitie een machtiging aan politieagenten voor het doorzoeken van de woning van verdachten die werden verdacht van het hebben van een hennepkwekerij. De agenten troffen in de woning het bewijs van een hennepkwekerij aan. Deze hulpofficier had op dat moment geen certificaat voor het uitoefenen van zijn functie want hij was niet geslaagd voor zijn examen voor verlenging van zijn certificaat. Daarom was hij onbevoegd om zo’n machtiging af te geven en dat levert een onherstelbaar vormverzuim op. Volgens het hof mocht het gevonden bewijsmateriaal vanwege dit verzuim niet gebruikt worden en moesten de verdachten bij gebrek aan bewijs worden vrijgesproken.

De Hoge Raad geeft nadere algemene regels wanneer een onherstelbaar vormverzuim tot uitsluiting van het daardoor verkregen bewijsmateriaal leidt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het recht op een eerlijk proces (art 6 EHRM) is geschonden of wanneer een zeer ernstige inbreuk wordt gemaakt op een grondrecht van een verdachte. Daarvan is bij dit optreden van de onbevoegde hulpofficier geen sprake.

Bewijsuitsluiting kan in uitzonderingsgevallen ook aan de orde komen wanneer er sprake is van structureel vormverzuim waarbij autoriteiten zich onvoldoende inspannen om dit vormverzuim te voorkomen. Daarover is in deze zaak niets vastgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof Den Bosch (LJN BR2522) en het hof moet de zaak opnieuw behandelen en afdoen.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Geen zelfstandige beslissing toezichthouder over uitoefening verschoningsrecht aan toezicht onderworpen arts

Hoge Raad 12 februari 2013, nr. S 11/03167 B Essentie

Toezichthouder kan niet zelfstandig beslissen over uitoefening verschoningsrecht van aan toezicht onderworpen arts. Behandeling klaagschrift laat onderzoek schending non-incriminatie-beginsel niet toe.

Feiten

Klager, gynaecoloog, was medisch directeur van de in Den Haag gevestigde  kliniek. In deze kliniek werden borstvergrotingen uitgevoerd. Naar aanleiding van klachten van onder meer de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie, bracht de IGZ op 25 juni 2009 een onaangekondigd inspectiebezoek aan de kliniek. Dit leidde tot een bevel tot sluiting van de kliniek voor zeven dagen met mogelijkheid van verlenging.

Na machtiging van de RC heeft de Officier van Justitie op 16 februari 2010 op grond van art. 126nf Sv bij de IGZ de verstrekking gevorderd van de jegens de kliniek en klager ingediende tuchtklacht d.d. 20 oktober 2009 en van alle bijlagen bij die klacht.

Op 15 maart 2010 heeft de IGZ stukken aan het onderzoeksteam verstrekt:

  • een verslag van een gesprek van klager over patiënt B;
  • meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie aan de IGZ;
  • verslag van een inspectiebezoek aan de kliniek;
  • patiëntdossiers van klager;
  • verslagen van een of meer andere gesprekken tussen klager en de inspecteur.

Het onderhavige klaagschrift is gericht tegen de inbeslagneming van het IGZ-dossier en kennisneming van de daarin vervatte gegevens. Klager vordert met een beroep op zijn verschoningsrecht als arts het beslag op te heffen met last tot teruggave aan de IGZ en ieder gebruik en iedere kennisname van de inhoud van het IGZ-dossier te verbieden. De Rechtbank heeft op dit klaagschrift beslist: klager is niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft de last tot teruggave aan de IGZ en het klaagschrift, dat zich richt tegen kennisname van en toevoeging aan het strafdossier door de officier van justitie van het door de IGZ aan de officier van justitie afgegeven dossier met betrekking tot de jegens klager ingediende tuchtklacht, is voor het overige ongegrond verklaard.

Centraal in de onderhavige procedure staat de vraag of en in hoeverre op de ambtenaren van de IGZ ter zake van bij de uitvoering van de taak van toezichthouder verworven gegevens een geheimhoudingsplicht rust en in hoeverre zij een daarmee corresponderend, al dan niet van een verschoningsgerechtigde afgeleid verschoningsrecht hebben.

Tweede middel

Het middel komt op tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat onder meer de inbeslagneming en het gebruik van het IGZ-dossier onrechtmatig zijn.

Het middel beoogt onder meer te klagen over het oordeel van de Rechtbank dat de IGZ zonder de klager te raadplegen kon beslissen dat geen beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht dat zij aan de klager ontleent.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat de IGZ zelfstandig heeft beoordeeld of het gevorderde dossier aan het Openbaar Ministerie kon worden verstrekt en daartoe is overgegaan met beperking van de bijbehorende medische dossiers tot de dossiers van de 32 patiënten die hiervoor hun toestemming hadden gegeven. Aldus heeft de IGZ, naar het oordeel van de Rechtbank, ervoor gekozen geen beroep te doen op het haar toekomende afgeleide verschoningsrecht.

Het oordeel van de Rechtbank dat de IGZ een afgeleid verschoningsrecht heeft op stukken die medische informatie bevatten van patiënten van de klager, is juist. De aard van de hier aan de orde zijnde afgeleide bevoegdheid tot verschoning brengt evenwel mee dat het oordeel omtrent de vraag of gegevens die behoren tot medische dossiers object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid (vgl. HR 29 maart 1994, LJN ZC9693, NJ 1994/552).

Dit heeft de Rechtbank miskend. Het middel klaagt hierover terecht.

Het middel klaagt voorts over het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat het verslag van het inspectiebezoek en de verslagen van gesprekken tussen de klager en de inspecteur niet behoren tot de stukken die medische informatie van patiënten van de klager bevatten en derhalve niet onder het aan de klager ontleende verschoningsrecht vallen.

Ook deze klacht is gegrond. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat deze verslagen geen stukken zijn die medische informatie bevatten van patiënten van de klager ten aanzien waarvan op de klager een geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht rust, zodat die stukken niet onder het afgeleide verschoningsrecht van de IGZ vallen.

Voor zover het middel ook de klacht bevat dat een aan de IGZ gedane melding van de Nederlandse Vereniging van Plastische Chirurgen onder het aan de klager ontleende verschoningsrecht valt, faalt het. De klager kan geen beroep doen op een mogelijk aan andere medische beroepsbeoefenaren of instanties toekomend verschoningsrecht.

Met het oog op de nieuwe behandeling van het klaagschrift na vernietiging en verwijzing merkt de Hoge Raad op dat het, indien en voor zover de klager zich ten aanzien van (de inhoud van) inbeslaggenomen stukken op zijn verschoningsrecht beroept, aan de rechter is om te beoordelen of zich het in HR 5 juli 2011, LJN BP6141, NJ 2011/416 bedoelde zeer uitzonderlijke geval voordoet waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde in die hoedanigheid is toevertrouwd, moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Derde middel

Het middel is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de inbeslagneming van stukken waarin door de klager verstrekte gegevens zijn vastgelegd niet in strijd is met het zogenoemde nemo tenetur-beginsel.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654).

Hieruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich wel kan uitstrekken tot vragen met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag zelf, waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan een inbeslagneming moet voldoen, doch niet tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen.

De vragen met betrekking tot het nemo tenetur-beginsel houden verband met de vraag of de verdachte gehouden was de verzochte gegevens aan de IGZ te verstrekken en daarmee met de vraag of die gegevens tot bewijs kunnen strekken. Met de al dan niet rechtmatigheid van de inbeslagneming zelve, hebben die vragen niet van doen.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het middel niet tot cassatie kan leiden en de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen bij zijn beslissing op een dergelijk verweer het hiervoor overwogene in acht zal moeten nemen.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Gemeente mag geen leges heffen voor Wob-verzoek

De Hoge Raad heeft beslist dat een gemeente geen leges mag heffen voor de openbaarmaking van informatie naar aanleiding van een Wob-verzoek, behalve voor het maken van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan. De Hoge Raad stelt voorop dat het gemeentebestuur alleen leges mag heffen voor werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een op het individu toegesneden belang. Bij het beantwoorden van de vraag of werkzaamheden die in het kader van de behandeling van een Wob-verzoek worden verricht daartoe kunnen worden gerekend, is naar het oordeel van de Hoge Raad vooral de strekking van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van belang. Uit de Wob moet worden afgeleid dat hier geen sprake is van dienstverlening ten behoeve van een vooral op het individu toegesneden belang.  Diensten in het kader van de Wob kunnen dus niet worden aangemerkt als diensten in de zin van de Gemeentewet. Heffing van leges is daarom niet mogelijk.

De Hoge Raad merkt nog op dat wél de kosten van het maken van kopieën van documenten, van uittreksels waarin de gevraagde informatie is neergelegd of van samenvattingen van de inhoud daarvan  in rekening mogen worden gebracht. Ook al is met de openbaarmaking van de verzochte gegevens eerst en vooral het algemeen belang gediend, met de vorm waarin de gegevens aan de verzoeker worden verstrekt, is in het bijzonder een particulier belang gediend, zo oordeelt de Hoge Raad.

 

Print Friendly and PDF ^

DNA-hit op basis van gegevens uit zaak die uit DNA-databank verwijderd had moeten zijn

Hoge Raad 29 januari 2013, LJN BY2814 Essentie

Als het in de DNA-databank opgenomen DNA-profiel, de bijbehorende gegevens, het celmateriaal alsmede het verslag DNA-onderzoek verkregen is in een andere (oudere) zaak en volgens de destijds geldende regels verwijderd en vernietigd hadden behoren te zijn, dan levert dat geen vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv in de nieuwe zaak.

Buiten het kader van art. 359a Sv is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor bewijsuitsluiting op grond van vormverzuimen. Het hier omschreven vormverzuim betekent niet dat daardoor in de betreffende strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate is geschonden dat de uitkomst van het DNA-vergelijkingsonderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.

Feiten

Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte veroordeeld ter zake van opzetheling, diverse diefstallen gepleegd onder strafverzwarende omstandigheden, alsook twee pogingen daartoe. Aan de verdachte heeft het hof opgelegd een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak en tot voeging van bescheiden die onder meer betrekking hebben op het bepalen van het DNA-profiel van de verdachte op onjuiste, althans ontoereikende gronden heeft afgewezen.

Oordeel Hoge Raad

Met betrekking tot het belang bij het subsidiaire verzoek tot het toevoegen van stukken heeft de verdediging aangevoerd dat duidelijkheid moet worden verkregen of de afname en het bewaren van het DNA-profiel van de verdachte in een (geseponeerde) verkrachtingszaak rechtmatig is geweest. Aan dit verzoek ligt de opvatting ten grondslag dat, indien niet vaststaat dat die afname en bewaring rechtmatig zijn geweest, de uitkomst van het onderhavige DNA-vergelijkingsonderzoek van het bewijs moet worden uitgesloten.

Het Hof heeft geoordeeld dat geen noodzaak en evenmin enig verdedigingsbelang tot inwilliging van het verzoek aanwezig is. Daartoe heeft het Hof - als zijn oordeel zelfstandig dragende grond - overwogen dat niet "is opgeworpen dat en hoe een volledig beeld van de procedures rondom de afname van dat materiaal en de opname van dat materiaal in de databank van het NFI enige waarschijnlijkheid zou kunnen opleveren dat het in deze zaak gebruikte vergelijkingsmateriaal van iemand anders dan verdachte afkomstig zou zijn, het enige dat er in dit verband toe doet". Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat, ook indien de afname en het bewaren van het DNA-profiel van de verdachte niet rechtmatig zouden zijn geweest, zulks niet tot bewijsuitsluiting van de uitkomst van het vergelijkingsonderzoek kan leiden, zodat een nader onderzoek naar de rechtmatigheid daarvan achterwege kan blijven.

Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Dat berust op het volgende.

De aan verweer en middel ten grondslag liggende stelling dat het in de verkrachtingszaak op 22 mei 2008 in de DNA-databank opgenomen DNA-profiel, de bijbehorende gegevens, het celmateriaal alsmede het verslag DNA-onderzoek volgens de destijds geldende regels verwijderd en vernietigd hadden behoren te zijn, kan, indien juist, niet de gevolgtrekking dragen dat zulks een vormverzuim oplevert dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv naar de in deze zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten.

Buiten het kader van art. 359a Sv is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor bewijsuitsluiting op grond van vormverzuimen. Aan het in dit geval gestelde vormverzuim - zou dit zich hebben voorgedaan - kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat daardoor in de onderhavige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate is geschonden dat de uitkomst van het DNA-vergelijkingsonderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.

Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

Opmerking verdient nog dat de rechter ook in het hiervoor bedoelde geval van een tot bewijsuitsluiting strekkend beroep op een buiten het kader van art. 359a Sv vallend vormverzuim een onderzoek naar de juistheid van de aan dat beroep ten grondslag gelegde feitelijke stellingen achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd - ware het juist - niet tot de gevolgtrekking kan leiden dat daardoor in de aanhangige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate zou zijn geschonden dat het onderzoeksmateriaal waarop het beroep betrekking heeft van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.

Overigens geldt ook voor vormverzuimen buiten het kader van art. 359a Sv dat, indien daardoor de betrouwbaarheid van het in de aanhangige strafprocedure verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed, dat materiaal reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing zal worden gelaten.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geen verhoor als bedoeld in het Salduz-arrest

Hoge Raad 29 januari 2013, LJN BY9008 Feiten

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk ter zake van:

  1. het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
  2. voorbereiding van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen en/of afpersing; en
  3. het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Door de raadsman is in hoger beroep onder meer betoogd dat verdachte bij de doorzoeking van zijn woning is verhoord door de rechter-commissaris, zonder dat verdachte vooraf in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen. Tevens stelt de raadsman dat de sociale verklaring van verdachte, gelet op de Salduz-jurisprudentie eveneens uitgesloten dient te worden voor het bewijs.

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot het eerste deel van het verweer er geen sprake was van een verhoorsituatie als bedoeld in het Salduz-arrest. Na het binnentreden in de woning van verdachte is allereerst naar zijn naam gevraagd. Daarna is door de RC de reden van het binnentreden aan verdachte medegedeeld. Vervolgens is verdachte de cautie gegeven en heeft de RC op de voet van artikel 99 Sv de uitlevering gevraagd aan verdachte van drugs en vuurwapens. Het verweer wordt verworpen.

Het hof verwerpt ook het verweer dat de sociale verklaring van verdachte niet tot het bewijs mag worden gebezigd, omdat verdachte toen nog geen contact had gehad met zijn raadsman. Verdachte, stemde in met dat verhoor voorafgaand met het overleg met zijn raadsman, terwijl hij ook had kunnen weigeren antwoorden te geven op de aan hem gestelde vragen, zoals hem al door het geven van de cautie was voorgehouden.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het door de verdediging gevoerde 'Salduz-verweer' heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.

Oordeel Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat het in 2.2.2 onder 2 weergegeven proces-verbaal, inhoudende dat de verdachte de vraag van de Rechter-Commissaris "of er drugs en vuurwapens in de woning aanwezig waren", bevestigend heeft beantwoord, van het bewijs dient te worden uitgesloten aangezien de verdachte daaraan voorafgaand niet de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen, faalt het.

Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de RC op voet van art. 99 Sv de verdachte heeft uitgenodigd vrijwillig drugs en vuurwapens af te geven voordat tot inbeslagneming zou worden overgegaan en dat deze uitnodiging niet als een verhoor "als bedoeld in het Salduz-arrest" kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.

De omstandigheid dat de verdachte voorafgaande aan de uitnodiging door de RC op de voet van art. 29 Sv is meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden, maakt die uitnodiging niet tot een verhoor.

Het middel klaagt voorts over de verwerping van het verweer dat het in 2.2.2 onder 3 weergegeven proces-verbaal van het bewijs dient te worden uitgesloten aangezien de verdachte voorafgaand aan het politieverhoor niet de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verklaring die de aangehouden verdachte tegenover de politie heeft afgelegd bruikbaar is voor het bewijs, ook al is de verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor niet in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen. Dat oordeel berust op de overweging dat de verdachte heeft ingestemd met dat verhoor voorafgaand aan het overleg met zijn raadsman, terwijl hij ook had kunnen weigeren antwoorden te geven op de hem gestelde vragen. Door het verweer op deze grond te verwerpen en de bedoelde verklaring tot het bewijs te bezigen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals volgt uit HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349, rov. 2.5. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklachten (medeplegen) witwassen. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 29 januari 2013, LJN BY8957 Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden ter zake van

  1. witwassen en medeplegen van witwassen;
  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Eerste middel

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft het verbergen en/of verhullen van de herkomst ontoereikend heeft gemotiveerd.

HR: Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft dit deel van de bewezenverklaring kennelijk betrekking op gelden die zijn gestort op ten name van de verdachte gestelde bankrekeningen in Marokko. Dat de verdachte de herkomst van deze gelden heeft verborgen en/of verhuld heeft het Hof - gelet op zijn onder 2.3.1 en 2.3.2 weergegeven bewijsvoering - toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft het medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd.

HR: Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft dit deel van de bewezenverklaring kennelijk betrekking op een pakket bankbiljetten dat na het verwijderen van de binnenbekleding is aangetroffen in het portier van de Renault Megane. Dat de verdachte zich met betrekking tot dit voorwerp schuldig heeft gemaakt aan het "tezamen en in vereniging met een ander" witwassen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr, heeft het Hof toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij het verbergen van dit pakket in de Renault Megane, afgezien van de verdachte, een tweede persoon betrokken was.

Het middel faalt. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG

"Hoewel uit de tot het dossier behorende processen-verbaal kan worden afgeleid dat de zaak tegen de verdachte op de zittingen steeds gelijktijdig (maar niet gevoegd) is behandeld met de zaak tegen de medeverdachte broer van de verdachte, kan uit de bewijsmiddelen inderdaad niet worden afgeleid dat de verdachte de herkomst en/of de verplaatsing van de geldbedragen samen met een ander heeft verborgen en/of verhuld, ongeacht of dit medeplegen betrekking heeft op het geld in de auto dan wel de banksaldi in Marokko. De hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen van het hof bevatten evenmin aanwijzingen voor de aanwezigheid van een medepleger. Zoals gezegd, refereert het hof in het kader van de motivering van de aan de verdachte opgelegde verbeurdverklaring wel kort aan een "medeverdachte". Zo overweegt het hof ten aanzien van de inbeslaggenomen Renault Megane dat die toebehoort aan "medeverdachte" en dat "medeverdachte bekend [was] met het gebruik van de auto in verband met het witwassen, hetgeen met zich meebrengt dat de Renault Megane vatbaar is voor verbeurdverklaring." Deze overweging, dient echter niet ter ondersteuning van het bewezenverklaarde medeplegen. Een dergelijke ondersteuning wordt node gemist. Ik begrijp HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, weliswaar aldus dat uit de bewijsvoering niet hoeft te kunnen worden afgeleid dat de mededader opzet had op (in casu:) het verbergen en verhullen van de herkomst of verplaatsing van een grote hoeveelheid geld. Ik houd het er niettemin vooralsnog voor dat de bewijsmotivering wat dit betreft nog wel blijk moet geven van een nauwe samenwerking tussen de verdachte en een mededader.

Kortom, het tweede middel slaagt."

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^