Kosten advocaat kunnen worden vergoed bij sepot, ongegrond beklag of gegrond beklag zonder straf of maatregel

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BX5566 Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009 waarbij het hof ex art. 591a Sv schadevergoeding heeft toegekend aan verdachte.

De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de rechtspraak verdeeldheid bestaat over de vraag of kosten voor rechtsbijstand die worden gemaakt door een persoon wiens vervolging wordt verlangd in het kader van een art. 12 Sv procedure, op grond van art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien geen vervolging wordt bevolen of een wel bevolen vervolging niet tot een veroordeling leidt.

Procesgang en de bestreden beschikking

  • Op 24 mei 2005 is door "Het Wapen van Willemstad" aangifte gedaan van oplichting door betrokkene 1 en verdachte omdat zij hotelovernachtingen, genuttigde dranken en etenswaren niet betaald zouden hebben. Op 19 maart 2006 is betrokkene 1 vervolgens aangehouden.
  • Betrokkene 1 is op 26 juni 2007 door de Politierechter in de Rechtbank Breda wegens oplichting c.q. flessentrekkerij veroordeeld tot een week gevangenisstraf terwijl de Politierechter tevens de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen voor een bedrag tot € 594,75. De officier van justitie heeft bij brief van 26 januari 2007 aan verdachte laten weten dat hij niet zou worden vervolgd omdat er naar het oordeel van de officier van justitie onvoldoende wettig bewijs was.
  • In een klaagschrift, dat op 6 augustus 2007 is ingekomen ter griffie van het Hof's-Hertogenbosch, is namens "Het Wapen van Willemstad" het verzoek gedaan de vervolging van verdachte te bevelen.
  • Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, uitvoerig ingegaan op de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting c.q. flessentrekkerij waarvan "Het Wapen van Willemstad" het slachtoffer is geworden. In een ambtsbericht van een parketsecretaris, dat is opgesteld in het kader van de art. 12 Sv procedure, is het standpunt ingenomen dat 'niet is gebleken van een nauwe en volledige samenwerking waarbij beiden betrokkene 1 en verdachte, JWF zich inschreven in hotels met de intentie niet voor het verblijf te betalen'. In hetzelfde ambtsbericht wordt gewezen op een verklaring van betrokkene 1 waaruit zou blijken dat verdachte tevoren niet op de hoogte was van het feit dat de rekeningen niet zouden worden voldaan. De raadsman voerde onder meer aan dat verdachte niet bij het inchecken in het hotel betrokken is geweest en dat afgesproken was dat betrokkene 1 de rekening zou betalen.
  • Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft het hof het beklag gegrond verklaard en de vervolging van beklaagde bevolen ter zake van oplichting c.q. flessentrekkerij.
  • De Politierechter te Breda heeft verdachte op 18 maart 2008 vrijgesproken van de hem tenlastegelegde oplichting c.q. flessentrekkerij. De vrijspraak is in de aantekening mondeling vonnis niet gemotiveerd.
  • Vervolgens heeft verdachte een verzoekschrift ex art. 591a Sv ingediend dat op 22 april 2008 ter griffie van de Rechtbank Breda is ingekomen. Het verzoekschrift betrof onder meer de kosten die de raadsman had gemaakt in de artikel 12 Sv procedure. De raadsman voerde daarover ter zitting onder meer aan, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal: 'Zonder deze procedure zou mijn cliënt niet zijn gedagvaard.'
  • De rechtbank heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking had op de kosten die zijn gemaakt in het kader van de zogenoemde artikel 12 Sv procedure. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen: 'De door de raadsman ingediende declaratie tot een bedrag van € 3.354,85 met betrekking tot de door hem gemaakte kosten in het kader van de zogenoemde artikel 12 strafvordering procedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu artikel 591 en 591a wetboek van strafvordering hiervoor geen wettelijke grondslag (...) bieden.'
  • Vervolgens heeft de rechtbank onder meer het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de strafzitting in Breda toegewezen.
  • In hoger beroep heeft het hof daarentegen geoordeeld dat, als er geen veroordeling of rechterlijk pardon is uitgesproken, ook de procedure van artikel 12 Sv die tot de strafzaak heeft geleid, valt binnen het bereik van het begrip 'zaak' ex art. 591a Sv, nu deze in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.

De voordracht en vordering

De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal Fokkens strekken ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Oordeel Hoge Raad

De middelen stellen vragen aan de orde met betrekking tot de grenzen die de wet stelt aan de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a Sv. De middelen zien op drie verschillende situaties.

  1. In het eerste middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan een gewezen verdachte wiens zaak is geseponeerd een dergelijke vergoeding kan worden toegekend.
  2. In het tweede middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan iemand, nadat een op hem betrekking hebbend beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen, een dergelijke vergoeding kan worden toegekend.
  3. In het derde middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan de gewezen verdachte de kosten van een raadsman in verband met de beklagprocedure als bedoeld in art. 12 Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien het beklag wordt gegrondverklaard, maar uiteindelijk eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.

Een redelijke uitleg van de wet brengt mee, dat in geen van de drie in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a, tweede lid, Sv is uitgesloten.

Indien en voor zover naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman, kan hij daartoe op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv ook besluiten indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF