Falende bewijsklachten (medeplegen) witwassen. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 29 januari 2013, LJN BY8957 Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden ter zake van

  1. witwassen en medeplegen van witwassen;
  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Eerste middel

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft het verbergen en/of verhullen van de herkomst ontoereikend heeft gemotiveerd.

HR: Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft dit deel van de bewezenverklaring kennelijk betrekking op gelden die zijn gestort op ten name van de verdachte gestelde bankrekeningen in Marokko. Dat de verdachte de herkomst van deze gelden heeft verborgen en/of verhuld heeft het Hof - gelet op zijn onder 2.3.1 en 2.3.2 weergegeven bewijsvoering - toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft het medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd.

HR: Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft dit deel van de bewezenverklaring kennelijk betrekking op een pakket bankbiljetten dat na het verwijderen van de binnenbekleding is aangetroffen in het portier van de Renault Megane. Dat de verdachte zich met betrekking tot dit voorwerp schuldig heeft gemaakt aan het "tezamen en in vereniging met een ander" witwassen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr, heeft het Hof toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij het verbergen van dit pakket in de Renault Megane, afgezien van de verdachte, een tweede persoon betrokken was.

Het middel faalt. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG

"Hoewel uit de tot het dossier behorende processen-verbaal kan worden afgeleid dat de zaak tegen de verdachte op de zittingen steeds gelijktijdig (maar niet gevoegd) is behandeld met de zaak tegen de medeverdachte broer van de verdachte, kan uit de bewijsmiddelen inderdaad niet worden afgeleid dat de verdachte de herkomst en/of de verplaatsing van de geldbedragen samen met een ander heeft verborgen en/of verhuld, ongeacht of dit medeplegen betrekking heeft op het geld in de auto dan wel de banksaldi in Marokko. De hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen van het hof bevatten evenmin aanwijzingen voor de aanwezigheid van een medepleger. Zoals gezegd, refereert het hof in het kader van de motivering van de aan de verdachte opgelegde verbeurdverklaring wel kort aan een "medeverdachte". Zo overweegt het hof ten aanzien van de inbeslaggenomen Renault Megane dat die toebehoort aan "medeverdachte" en dat "medeverdachte bekend [was] met het gebruik van de auto in verband met het witwassen, hetgeen met zich meebrengt dat de Renault Megane vatbaar is voor verbeurdverklaring." Deze overweging, dient echter niet ter ondersteuning van het bewezenverklaarde medeplegen. Een dergelijke ondersteuning wordt node gemist. Ik begrijp HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, weliswaar aldus dat uit de bewijsvoering niet hoeft te kunnen worden afgeleid dat de mededader opzet had op (in casu:) het verbergen en verhullen van de herkomst of verplaatsing van een grote hoeveelheid geld. Ik houd het er niettemin vooralsnog voor dat de bewijsmotivering wat dit betreft nog wel blijk moet geven van een nauwe samenwerking tussen de verdachte en een mededader.

Kortom, het tweede middel slaagt."

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF