Veroordeling oplichting verzekeringsmaatschappij

Gerechtshof Amsterdam 20 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3782 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van een verzekeringsmaatschappij door opzettelijk in strijd met de waarheid een Apple Macbook als gestolen op te geven. De verdachte heeft in strijd met de waarheid aan de politie en de verzekeringsmaatschappij gemeld dat zij eigenaar zou zijn van een van haar gestolen goed.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hetgeen haar wordt verweten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte verzamelde haar aankoopbonnen in een schoenendoos. De neef, die de verdachte hielp met het invullen van de lijst met gestolen goederen, noemde de onderscheidenlijke aankoopbonnen stuk voor stuk op, aangezien de schrijf- en leesvaardigheid van de verdachte onvoldoende is. De verdachte gaf vervolgens aan of het goed gerelateerd aan de door hem genoemde aankoopbon al dan niet was gestolen. De neef vroeg bij het zien van de aankoopbon van het betreffende Apple Macbook of de verdachte een “Apple” had die mogelijk was gestolen. De verdachte had verscheidene Apple apparaten (en computers) en bevestigde dat er een Apple-product van haar gestolen was, niet bedoelende het betreffende Apple Macbook. Bij het invullen van de lijst met gestolen goederen was er dus reeds sprake van een misverstand.

Toen een medewerker van bedrijfsnaam langskwam om de schade vast te stellen, heeft de verdachte hem de hele schoenendoos met aankoopbonnen overhandigd. Voornoemde medewerker heeft de verdachte uitdrukkelijk meegedeeld dat kopiebonnen niet in behandeling zouden worden genomen. De verdachte ging er daarom vanuit dat de kopiebonnen in de schoenendoos niet gebruikt zouden worden en heeft daar verder niet te lang bij stilgestaan, omdat zij wist dat er reeds genoeg originele bonnen in de schoenendoos zaten om tot het maximaal uit te keren bedrag te komen. De verdachte had derhalve geen opzet de verzekeraar te bewegen of uit te lokken tot afgifte van enig goed met de (kopie) aankoopbon van het Apple Macbook, nog daargelaten dat de verzekeraar met een kopiebon (formeel) nergens toe kon worden bewogen. Voorts zou de “beweging” tot uitkeren hoe dan ook hebben plaatsgevonden, aangezien de verdachte genoeg originele bonnen had overhandigd om tot uitkering van het maximaal te vergoeden bedrag te komen. Het was voor de verdachte derhalve volstrekt onnodig om te sjoemelen met aankoopbonnen.

Achteraf is duidelijk geworden hoe de aankoopbon van de Macbook bij de verdachte in de schoenendoos terecht is gekomen. Naam 1, een vriend van de zoon van de verdachte, was bevriend met mevrouw getuige: de eigenaresse van het Apple Macbook. Het Apple Macbook van mevrouw getuige is door naam 1 getaxeerd bij de ex-man van de verdachte. Zodoende is er een kopie van de betreffende aankoopbon terecht gekomen bij de familie. Waarschijnlijk heeft de verdachte de aankoopbon in de schoenendoos gelegd en is zij er niet bewust van geworden wat voor bon het was, dan wel nam zij aan dat deze bon hoorde bij een van de computers van haar kinderen. Aldus steeds de raadsman.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De aanvullende aangifte van 21 september 2011, waarbij een goederenlijst van gestolen goederen is meegestuurd, is in samenspraak met de verdachte opgemaakt door haar neef. Op deze goederenlijst staat genoemd een Apple Macbook (laptop) met witte kleur en als bijzonderheid dat het een Intel core duo 2.4Ghz betreft.

De verdachte heeft vervolgens op 26 september 2011 bij de verzekeraar een schade-aangifte formulier ingediend met een verwijzing naar het politierapport in verband met de gegevens van de beschadigde en/of vermiste voorwerpen. Naar aanleiding hiervan is op 13 oktober 2011 een schade-expert bij de verdachte langsgekomen om de schade vast te stellen. De verzekeraar heeft in de aangifte verklaard dat tijdens het expertise-onderzoek de expert heeft gesproken met de verdachte. De verdachte heeft blijkens het rapport van de schade-expert het bezit van ontvreemde eigendommen aangetoond met aankoopnota’s, gebruiksaanwijzingen en contracten. Tevens heeft de verzekeraar in de aangifte verklaard dat de verdachte aan de expert kopieën ter hand stelde, waarmee zij het voormalig bezit van de ontvreemde goederen aantoonde. In overleg met de verdachte is vervolgens de schade ten aanzien van het Apple Macbook (wit) vastgesteld op € 999,00. Dat de verdachte een schoenendoos met aankoopnota’s aan de schade-expert zou hebben overhandigd, dan wel dat slechts originele aankoopfacturen konden worden overgelegd, volgt uit voorgaande geenszins.

Uit onderzoek is komen vast te staan dat de door de verdachte aan de schade-expert overgelegde aankoopbon van het Apple Macbook was vervalst. Op basis van het factuurnummer en de datum werd bekend dat op 8 januari 2011 het betreffende Apple MacBook was gekocht door de getuige. Op de originele aankoopbon stonden ook de n.a.w.-gegevens van de getuige, die op de door de verdachte overgelegde aankoopnota waren weggeretoucheerd. De getuige heeft verklaard de aankoopnota te herkennen en verder heeft zij het betreffende Apple MacBook nog in haar bezit.

Het hof volgt niet de lezing van de raadsman over de gang van zaken betreffende de route die de aankoopnota zou hebben gevolgd. Die lezing geeft hooguit antwoord op de vraag hoe de aankoopnota in het bezit van de verdachte is gekomen, maar verklaart in het geheel niet hoe het kan dat er een aankoopnota door de verdachte aan de schade-expert is overhandigd ter zake een door haar aangegeven gestolen voorwerp, waarbij de originele n.a.w.-gegevens zijn weggeretoucheerd en waarbij in overleg met de verdachte op grond van deze overgelegde nota de schade is vastgesteld.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat de verdachte, met het oogmerk om zich of een andere wederrechtelijk te bevoordelen, met een valse aangifte, een valse schadeclaim en een vervalste kopiefactuur de verzekeraar heeft bewogen over te gaan tot uitkering van een bedrag van tenminste € 999, terwijl zij daar in het geheel geen recht op had. Van enig misverstand ter zake een ander gestolen Apple product is overigens niet gebleken. De verdachte heeft immers, op de opmerking van de verbalisanten dat volgens de aangifte twee laptops en twee computers zijn weggenomen, geantwoord: “ja vier computers in totaal, waarvan twee laptops.

Bewezenverklaring

Oplichting

Strafoplegging

Taakstraf van 25 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor sturen dreigbrief aan kantonrechter door “klokkenluider”

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4376 Mede gelet op de rapportages kunnen de gedragingen de verdachte, die al jarenlang een gevecht als “klokkenluider” tegen de overheid voert, hem slechts in verminderde mate worden toegerekend. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte geen redelijke weerstand heeft kunnen bieden aan de door hem gestelde psychische drang.

Vrijspraak?

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging op de grond dat bij de verdachte het opzet ontbrak om kantonrechter (slachtoffer) vrees aan te jagen. Het was een wanhoopsdaad van de verdachte om met de overheid, die al zoveel jaren niet naar hem wilde luisteren en hem dwarsboomde, in contact te komen. De brief van de verdachte is een onsamenhangende brij van woorden, een onbeheerste uiting van woede en onmacht van de verdachte was jegens “de overheid” in het algemeen. De dreigementen waren derhalve niet gericht tegen de persoon van [slachtoffer]. Laatstgenoemde heeft daarom aan deze brief niet de redelijke vrees kunnen ontlenen dat hij het leven zou verliezen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

In dit geval zijn de bewezenverklaarde bewoordingen van de brief van de verdachte van dien aard dat bij [slachtoffer] zonder meer de vrees kon ontstaan dat de verdachte hem naar het leven stond en uitvoering zou worden geven aan hetgeen werd aangekondigd. De onheilspellende inhoud van de brief werd kracht bijgezet doordat het verstekvonnis, dat de woede van de verdachte had opgewekt, in stukken gescheurd was bijgevoegd. Daarbij komt dat [slachtoffer] (naar mag worden aangenomen: ambtshalve) bekend was met de verdachte en dat bij de rechtbank [gemeente naam 1] – niet zonder grond – de mare ging dat de verdachte ‘Afghanistan-veteraan’ is, zodat verondersteld mocht worden dat hij vuurwapens kan hanteren.

Dat jarenlange opgebouwde frustratie bij de verdachte jegens de overheid debet is geweest aan zijn handelen, doet aan het bedreigende karakter ervan bepaald niet af.

De omstandigheid dat de verdachte met zijn schrijven de verderstrekkende bedoeling heeft gehad om met de overheid in gesprek te komen, laat onverlet dat hij de brief willens en wetens heeft geschreven en bezorgd en dat het niet anders kan dat hij zich daarbij van de dreiging die van de brief (noodzakelijker-wijs of waarschijnlijk) zou uitgaan, bewust is geweest. Bewezen kan dan ook worden dat de verdachte het opzet heeft gehad op de bedreiging van [slachtoffer].

Het verweer wordt mitsdien in beide onderdelen verworpen.

Psychische overmacht

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte niet strafbaar is voor het ten laste gelegde feit op de grond dat sprake is van psychische overmacht. Hij heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is gesteld dat bij de verdachte, die voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit als klokkenluider al jarenlang een gevecht tegen de overheid voerde, sprake was van een latent aanwezige psychische druk, waarheidsvervorming, angststoornissen en mogelijk een posttraumatische stress-stoornis. De ontvangst van het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis is een van buiten komende omstandigheid geweest, waartegen hij zich niet heeft kunnen beheersen, aldus de raadsman.

Het hof stelt voorop dat voor aanvaarding van een beroep op psychische overmacht moet sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

In dit geval geldt dat de psychische druk die de verdachte – naar is aangevoerd – naar aanleiding van de betekening van het gewraakte verstekvonnis ervoer, niet los gezien kan worden van de eigen persoonlijkheid van de verdachte. Dit volgt uit de na te melden inhoud van de rapporten van gedragskundigen, maar ook al uit de stellingen van de raadsman. Van een van buiten komende drang kan dan ook niet worden gesproken, reden waarom het verweer wordt verworpen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Artikel 12 Sv-procedure: Geen vervolging voor meineed, geen bewijs dat politieagent opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4203 Na een melding in de nacht van 16 op 17 april 2013 van een aanrijding tussen een trein en een persoon werd te plaats door de politie het lichaam van de destijds vijfentwintigjarige dochter van klaagster, overledene, levenloos op het treinspoor aangetroffen. Naast het lichaam werd een handtas gevonden waarin persoonlijke bescheiden van klaagsters dochter.

Door de politie zijn diverse onderzoekshandelingen verricht. Op het lichaam van klaagsters dochter is sectie verricht; verscheidene personen zijn gehoord; camerabeelden zijn bekeken en er heeft onder andere onderzoek plaats gevonden in de woning van de overledene.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de officier van justitie tot de conclusie gekomen dat sprake was van zelfdoding.

In de nacht van 16 op 17 april 2013 was beklaagde – als brigadier van politie – met zijn collega verbalisant 1 betrokken bij het eerste onderzoek ter plaatse van de aanrijding.

Het standpunt van klaagster

Namens klaagster is op 18 november 2014 aangifte gedaan van meineed door beklaagde in een proces-verbaal van bevindingen van 2 januari 2014. Beklaagde heeft daarin volgens de aangifte in strijd met de waarheid geverbaliseerd dat op een in de handtas aangetroffen briefje niet alleen vertrektijden van treinen stonden vermeld, maar ook een looproute en tekst met betrekking tot een openstaand hek langs het spoor.

In dit proces-verbaal van bevindingen is vermeld:

“Ook zat er een briefje in de tas. Toen wij het briefje openvouwden zag ik dat er meerdere tijdstippen op het briefje stonden geschreven. Ik meen mij te herinneren dat op het briefje de laatste trein tijd stond. Dit was de trein vanuit plaats naar plaats. Ik weet niet meer hoe het stond geschreven, maar wel dat er een looproute vanaf het station plaats naar de bewuste plaats van het ongeval ook op het handgeschreven briefje stond. Zelf waar je het spoor het beste kon betreden. Ook hiervan weet ik niet meer specifiek hoe dat stond beschreven, maar ik weet nog wel dat er iets stond beschreven over een “hek”. (…)

Het tasje met de eerdergenoemde inhoud hebben wij overgedragen aan de hulpofficier van justitie van het KLPD verbalisant 2.”

Uit het feit dat klaagster een dergelijk briefje niet samen met de handtas van de politie heeft teruggekregen, maar wel een briefje met vermelding van enkel treinvertrektijden, volgt volgens klaagster dat een dergelijk briefje niet in de handtas zat en dat beklaagde derhalve daarover opzettelijk in strijd met de waarheid heeft geverbaliseerd.

De beslissing van de officier van justitie

Na onderzoek (waarover hierna meer) is de zaak geseponeerd wegens onvoldoende aanwijzingen voor het plegen van een strafbaar feit. Volgens de officier van justitie kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het door klaagster van de politie teruggekregen briefje daadwerkelijk hetzelfde briefje is, als het briefje dat in de nacht van 16 op 17 april 2013 werd aangetroffen door beklaagde en zijn collega.

De inhoud van het beklag

Klaagster kan zich hiermee niet verenigen. Volgens klaagster is er voldoende bewijs dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Zij stelt dat uit het onderzoek volgt dat sprake is geweest van slechts één briefje waarop enkel treinvertrektijden waren vermeld; de weergave van beklaagde in bedoeld proces-verbaal van 2 januari 2014 – waarin ook sprake is van een looproute – is opzettelijk foutief.

De onderzoeksbevindingen

Naar aanleiding van de aangifte van klaagster is onderzoek gedaan. Verschillende betrokken politiemensen hebben een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en beklaagde en zijn collega met wie hij samen op de plaats van de aanrijding onderzoek had gedaan, verbalisant 1, zijn gehoord.

Verbalisant 2 heeft op 22 mei 2013 geverbaliseerd dat bij het slachtoffer een handtas werd aangetroffen met daarin persoonlijke bescheiden en enkele geschriften.

Door verbalisant 2 is op 24 januari 2014 voorts geverbaliseerd dat collega’s na het spoorwegongeval een tasje onder zich hadden, kennelijk afkomstig van het slachtoffer Hij weet niet meer of het tasje met de spoorwegpolitie is meegegaan of met het lichaam van het slachtoffer in het voertuig van de begrafenisondernemer.

Volgens hun proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2014 hebben de verbalisanten 3 en 4 van het KLPD op 17 april 2013 in het mortuarium van het Medisch Centrum plaats voor het eerst een wit briefje gezien met daarop handgeschreven tijden en namen van stations. Voor zover zij zich kunnen herinneren stond daar geen looproute op. Dit briefje zat in de handtas van het slachtoffer. De handtas met daarin het briefje is overgedragen aan de politie te plaats.

In het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2014 hebben de verbalisanten 5 en 6 vermeld dat op 18 april 2013 in het werkjournaal was opgenomen dat naast twee reisbiljetten ‘in de tas tevens vel papier zat met daarop handgeschreven reisschema

21:07 Spoor 8 plaats M

21:47 plaats 4B

21:50 of 56 3 plaats

22:24 plaats 3’.

Beklaagde heeft op 9 december 2014 verklaard dat zijn collega het tasje opende. Deze pakte een briefje uit de tas, dat zij samen hebben bekeken; hij heeft maar één briefje gezien. Het ging vrij snel. Zijn collega heeft het briefje teruggedaan in het tasje en aan de mensen van de spoorwegpolitie gegeven; hij weet niet meer aan wie. Het hem getoonde briefje, dat klaagster van de politie heeft gekregen, is niet hetzelfde briefje als hij eerder heeft gezien.

Verbalisant 1 heeft op 11 december 2014 verklaard dat in het handtasje een paar papiertjes zaten. Hij zag dat meteen want het tasje was open. De witte papiertjes staken af tegen de donkere kleur van het tasje. Hij haalde de papiertjes uit de tas. Zijn collega stond achter hem en keek mee. Beiden hadden zicht op de papiertjes. Hij denkt dat er twee papiertjes waren; in elk geval meer dan één. Alles is overgedragen aan verbalisant 2 van het KLPD. Hij weet niet meer of de briefjes terug in de tas zijn gegaan of los aan het KLPD zijn gegeven. Hij herkent het hem getoonde briefje niet, hij had iets anders in zijn hoofd. Hij weet niet meer hoe het op het briefje stond, maar er stond iets over een hek dat niet op slot zat.

De beoordeling van het beklag

Het hof heeft allereerst te beoordelen of vervolging op basis van de aanwijzingen in het dossier ertoe zou kunnen leiden dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd, tot een bewezenverklaring zou komen. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden.

Om tot een bewezenverklaring van meineed te kunnen komen dient –kort weergegeven- vast te komen staan dat beklaagde opzettelijk op ambtseed een valse verklaring in zijn proces-verbaal heeft opgenomen.

Meineed met betrekking tot een ambtsedig proces-verbaal is een ernstig feit omdat er, ook vanwege de bewijswaarde die aan dergelijke stukken wordt gehecht, op vertrouwd moet kunnen worden dat politieambtenaren in hun processen-verbaal de waarheid weergeven.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet met de zekerheid die voor een strafrechtelijke veroordeling ter zake van meineed nodig is kan worden vastgesteld dat slechts één briefje in de handtas aanwezig was.

Voorop dient te staan dat in zaken als deze, waarbij een persoon is komen te overlijden, door politie en justitie de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden betracht en dat zo veel mogelijk feiten en omstandigheden in een zo vroeg mogelijk stadium worden vastgelegd. Op het punt van de beschrijving van de inhoud van de handtas van klaagsters dochter en de chain of custody – de weergave van hetgeen met deze voorwerpen vervolgens is gebeurd – schort het daaraan in deze zaak. Er ontbreekt een proces-verbaal waarin is vastgelegd wat in de handtas is aangetroffen; evenmin zijn foto’s gemaakt van de tas en de inhoud daarvan. Niet is vastgelegd aan wie de eigendommen zijn overgedragen en/of hoe deze in het mortuarium zijn gekomen.

Dat onvolkomenheden in het begin van het onderzoek later strafrechtelijk onderzoek kunnen bemoeilijken, behoeft geen betoog. Het is evenzeer duidelijk dat door dergelijke onvolkomenheden afbreuk wordt gedaan aan de belangen van nabestaanden die geconfronteerd werden met het overlijden van een familielid en die in verband daarmee de wens hebben zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over hetgeen gebeurd is.

Het hof moet vaststellen dat duidelijkheid over de inhoud van de handtas helaas niet meer kan worden verkregen.

Dat in deze zaak dergelijke onnauwkeurigheden zich wreken, komt naar voren in het proces-verbaal dat beklaagde van zijn waarnemingen op 2 januari 2014 - ruim acht maanden later – opmaakte. In dat proces-verbaal zijn immers enige slagen om de arm gehouden: “ik meen mij te herinneren”, “ik weet niet meer hoe het stond geschreven” en “ook hiervan weet ik niet meer specifiek hoe dat stond beschreven”.

Zo kon de onduidelijkheid ontstaan en in stand blijven ten aanzien van de vraag of in de handtas meer dan één handgeschreven briefje aanwezig is geweest.

Op grond hiervan en van de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaringen – in het bijzonder die van verbalisant 1 en verbalisant 2 - kan in elk geval niet worden uitgesloten dat beklaagde (ook) een ander briefje (dat daarna in het ongerede zou zijn geraakt) onder ogen is gekomen dan het briefje dat aan klaagster door de politie is overhandigd.

Aanknopingspunten voor nader onderzoek zijn er niet.

Het hof acht het daarom zo goed als uitgesloten dat het jegens beklaagde tot een veroordeling ter zake van meineed zou kunnen komen.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat onvoldoende gronden aanwezig zijn om een vervolging ter zake van meineed te bevelen.

Het hof zal het beklag dan ook afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Zaak "Passage": Strekking en reikwijdte verschoningsrecht getuige ex art. 217 Sv in gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde strafzaken.

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4303

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart bloedverwant te zijn van de verdachten zoon van getuige en neef van getuige, verklaart geen bloed- of aanverwant van de overige verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat de getuige is aangemerkt als verdachte in een strafzaak in Italië en dat in een de getuige betreffende ontnemingszaak – die ziet op feiten vanaf 1993 – cassatieberoep is ingesteld, zodat de getuige mogelijk een beroep op enkele vormen van verschoningsrecht toekomt.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht op de vraag wanneer ik in hoger beroep voor het eerst een terechtzitting heb bijgewoond.

De advocaat-generaal dringt aan op beantwoording van deze vraag. […]

Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn en beantwoording van de laatste vraag de getuige kan blootstellen aan het gevaar van een ongunstige beslissing in de ontnemingszaak.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige niet zonder meer een onverkort verschoningsrecht toekomt.

De getuige deelt desgevraagd mede dat hij zich op alle vervolgvragen zal beroepen op zijn verschoningsrecht.

De advocaat-generaal merkt op dat zij nadere vragen heeft over de periode 2014-2015.

De getuige verklaart als volgt:

[…] Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich andermaal op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige wat betreft deze vraag geen verschoningsrecht toekomt. Zij dringt aan op beantwoording van de vraag.

De voorzitter houdt de getuige een proces-verbaal van bevindingen betreffende het verhoor door de politie van de getuige op 30 april 2015 voor:

Getuige [getuige] verklaarde ons dat hij ten overstaan van ons geen verklaring wenste af te leggen. Eventueel zou hij dat dan wel voor de rechtbank doen. Wel wil hij het volgende aan ons kwijt:

Was er maar een rechter die wel voor de waarheid ging. […] Justitie doet niet aan waarheidsvinding. […] Iedereen wordt maar gehoord. En over die moorden wil ik nog het volgende kwijt, jullie weten zelf wel wie de daders zijn, iedereen weet dat.”

De voorzitter merkt op dat deze inhoud van dit proces-verbaal zijn nieuwsgierigheid prikkelt en vraagt de getuige toe te lichten op welke moorden en daders hij doelt en nodigt de getuige uit al zijn wetenschap dienaangaande te delen met het hof.

De getuige verklaart als volgt:

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Op vragen of ik – van [kroongetuige 2] of anderen – heb gehoord over mogelijke betrokkenheid van [kroongetuige 2] bij strafbare feiten, zoals de moord op [slachtoffer], beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt, zakelijk weergegeven, het volgende op.

De intentie van de advocaat-generaal zal zijn gericht op het helpen van hun eigen zaak. U, voorzitter, vraagt mij of ik met deze laatste zinsnede doel op de door het openbaar ministerie na te streven waarheidsvinding. Dat weet ik niet. De getuige wil de rechtsgang voor zijn bloedverwanten niet compliceren. Er komt hem een verschoningsrecht toe.

Na een korte onderbreking voor beraad stelt de voorzitter de procesdeelnemers in de gelegenheid om een standpunt in te nemen met betrekking tot het beroep van de getuige op diverse vormen van verschoningsrecht.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

De onderbouwing van het beroep op het verschoningsrecht is algemeen van aard en is ontoereikend om een verschoningsrecht aan te nemen met betrekking tot de vragen die zien op de periode 2014-2015 en de contacten van de getuige met diverse andere getuigen. Met betrekking tot de overige vragen komt de getuige een verschoningsrecht toe.

Ik acht van belang om de suggestie van de advocaat van de getuige, dat onze vragen zijn gericht op het “verder helpen van [onze] eigen zaak”, te weerspreken. Het is in het kader van waarheidsvinding en met het oog op de waardering van diverse getuigenverklaringen van belang om vast te stellen of er onderlinge contacten zijn geweest. Dat is de reden dat er vragen worden gesteld.

Ik wens de getuige aanvullende vragen te stellen, onder meer over de getuige “[codenaam bedreigde getuige]”.

Mr. Janssen (raadsman van de zoon van de getuige) voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

De wetgever heeft het verschoningsrecht voor bloedverwanten in het leven geroepen vanuit de gedachte dat getuigen in een onmogelijke positie kunnen worden gebracht als zij een verklaring moeten afleggen in de strafzaak tegen bijvoorbeeld hun eigen kind. Die situatie doet zich hier voor. Een getuige kan niet altijd de portee van de te geven antwoorden overzien, zeker in een complexe zaak als de onderhavige. Zo kan het voor de getuige moeilijk zijn om te beoordelen wat de relevantie is van onderlinge contacten tussen getuigen. Dergelijke contacten kunnen in breder verband echter raken aan de betrouwbaarheid van getuigen. Vrijwel iedere vraag zal raken aan een door het hof te nemen beslissing. Mijns inziens komt de getuige daarom onverkort een verschoningsrecht toe.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat het juist is dat de getuige de gevolgen van de eventueel door hem te geven antwoorden niet geheel kan overzien.

Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.

Nadat het onderbroken onderzoek is hervat, deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige heden plaatsvindt in tien strafzaken, welke strafzaken gelijktijdig doch niet gevoegd worden behandeld. Het hof stelt voorts vast dat de getuige bloedverwant is van twee verdachten, te weten zoon van getuige en neef van getuige. In de strafzaken betreffende deze twee verdachten komt de getuige om die reden het beroep – en ook zonder dat de getuige dat beroep nader behoeft te motiveren – op het recht toe om zich (op de voet van art. 217 van het Wetboek van Strafvordering) van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen te verschonen.

Het hof stelt vervolgens vast dat er, gelet op de aan deze tien verdachten tenlastegelegde feiten en de inhoud van de strafdossiers, een sterke materiële verwevenheid bestaat tussen enerzijds in elk geval de strafzaak betreffende zoon van getuige en neef van getuige en anderzijds de acht overige aan de orde zijnde strafzaken. Het hof ziet in die verwevenheid aanleiding om te bepalen dat de getuige ook in de zaken betreffende die overige verdachten – die in zoverre weliswaar niet formeel doch in elk geval wél in materiële zin aangemerkt dienen te worden als ‘medeverdachten’ een beroep op het op basis van verwantschap toegekende en in artikel 217 Sv geregelde verschoningsrecht toekomt.

De voorzitter stelt vast dat er bij deze stand van zaken geen behoefte tot het stellen van nadere vragen bestaat en vergunt de getuige zich uit de zittingszaal te verwijderen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens handelen in strijd met Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude

Gerechtshof Amsterdam 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4284

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 25.884,04. De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 april 2014 veroordeeld ter zake van uitkeringsfraude, gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 maart 2008.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 15 april 2014 het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 24.589,64 en bepaald dat het door de veroordeelde aan de Dienst Werk en Inkomen terugbetaalde bedrag van € 12.873,25 bij de betalingsverplichting in mindering moet worden gebracht. De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kort gezegd omdat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing Ontneming en de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, alsmede met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde regelgeving niet aan een ontneming van het voordeel in de weg staat. De veroordeelde is tijdig medegedeeld dat een ontnemingsvordering zou worden gedaan. Bij de berekening van dit voordeel geldt de bewezenverklaarde periode in de strafzaak als uitgangspunt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Paragraaf 3.3. van de destijds geldende Aanwijzing Ontneming luidde, voor zover hier van belang:

‘In beginsel wordt het louter uit sociale zekerheidsfraude bestaande wederrechtelijk verkregen voordeel niet ontnomen op grond van artikel 36e Sr omdat de Gemeentelijke Sociale Diensten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een terugvorderingsbevoegdheid hebben met betrekking tot ontvangen uitkeringen. In gevallen waarin deze terugvordering geheel of gedeeltelijk achterwege blijft, kan de ontnemingsvordering wel worden ingesteld.

Paragraaf 7 van de destijds geldende Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude luidde, voor zover hier van belang:

‘Ten aanzien van de mogelijkheden tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in sociale zekerheidsfraudezaken, geldt als uitgangspunt:

Geen ontneming, tenzij…..

Achterliggende gedachte hierbij is dat de uitkeringsinstanties over voldoende eigen mogelijkheden tot terugvordering, verrekening, verhaal en beslag beschikken. Het strafrecht is niet bedoeld om ten onrechte uitgekeerde gelden voor de uitkeringsinstanties terug te halen (n.b. dit kan anders zijn indien de mogelijkheden tot terugvordering voor de uitkeringsinstantie inmiddels verjaard zijn).

Andere argumenten om niet te ontnemen betreffen het gebrek aan middelen en geld bij de verdachte om te kunnen ontnemen in dit soort zaken, alsmede het gegeven dat het onwenselijk zou zijn dat personen onder het bestaansminimum terecht zouden komen.

Afwijking van het uitgangspunt van geen ontneming, tenzij…. is eerst mogelijk in o.a. de hier genoemde gevallen, welke voor de officier van justitie in een zaak aanleiding kunnen zijn om een strafrechtelijk financieel onderzoek te starten en een ontneming of ontnemingsmaatregel te vorderen.

Het betreft geen limitatieve opsomming, maar het verdient aanbeveling om slechts een ontneming te overwegen nadat een of meer van de hieronder betreffende situaties of gevallen zich gelijktijdig voordoen, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van bestaande mogelijkheden of middelen geschikt om te ontnemen, alsmede van een aanzienlijk nadeel.

Het betreft de volgende gevallen of situaties:

- Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband

- De terugvorderingsmogelijkheden van de uitkeringsinstantie zijn verjaard

- Substantieel nadeel boven hetgeen door de uitkeringsinstantie kan worden teruggevorderd

- Er is aanzienlijk vermogen aanwezig (bijv. onroerend goed)

- Eigendom van het vermogen is eenvoudig te bewijzen

- Vermogen bevindt zich in Nederland

- Aantoonbaar vermogen in het buitenland’

In de onderliggende strafzaak is bewezenverklaard dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude, gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 maart 2008. Zoals ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal is bevestigd, is het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarop de vordering ziet, louter afkomstig uit deze sociale zekerheidsfraude.

In de bestuursrechtelijke procedure heeft DWI de onterecht verleende bijstand bij primair besluit van 26 augustus 2008 teruggevorderd over de periode 1 oktober 2005 tot en 31 maart 2008. De veroordeelde heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. DWI heeft bij beslissing op bezwaar van 12 december 2008 de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het recht van de veroordeelde op bijstand met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken. Verder heeft een herberekening plaatsgevonden over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2008. Op grond daarvan is de hoogte van de vordering vastgesteld op een bedrag van € 10.102,96. Tegen de beslissing op het bezwaar is geen beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is. Vast is komen te staan dat de veroordeelde dit bedrag inmiddels volledig aan de DWI heeft terugbetaald.

Ter zitting van 15 april 2014 heeft de officier van justitie in reactie op het verweer van de verdediging ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt gesteld:

“De raadsman stelt dat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude. Ik stel daar tegenover dat in die Aanwijzing wordt gesproken over “in beginsel” en “kan”, de aanwijzing laat daarmee vrijheid aan het openbaar Ministerie (OM). Het door DWI teruggevorderde bedrag beslaat slechts een deel van het benadelingsbedrag. De uitkeringsinstantie heeft moeite gehad met de vaststelling van het bedrag. De strafrechter heeft een langere periode beoordeeld. Er is geen sprake van niet-ontvankelijkheid van het OM, dit valt onder zijn beleidsvrijheid.”

Bij conclusie heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden geacht in de ontnemingsvordering aangezien de veroordeelde tijdig op de hoogte is gesteld van de ontnemingsvordering en zij daarom kon verwachten dat een ontnemingsvordering zou volgen.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de bovengenoemde beleidsregels, in het bijzonder de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, dat het openbaar ministerie, indien een ten onrechte genoten uitkering langs bestuurlijke weg wordt of is teruggevorderd, niet dient over te gaan tot het vorderen van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, behoudens de opgesomde (zij het niet limitatief) gevallen.

In deze zaak heeft het openbaar ministerie geen van die gevallen, die een afwijking van genoemde hoofdregel rechtvaardigen, gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken. Van een ander, niet genoemd, geval, die een uitzondering zou moeten rechtvaardigen op de hoofdregel is ter zitting in hoger beroep ook niet gebleken. In dit verband wijst het hof op de gewijzigde vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op het door het DWI herberekende bedrag en dat de betalingsverplichting vervolgens op nihil zal worden gesteld.

Het voorgaande brengt mee dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op Donderdag 10 december 2015 naar de Cursus Ontneming.
Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor overtreding van artikel 96 lid 1 van de Wet BIG

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7562 Verdachte heeft betrokkene 5 en betrokkene 4 behandeld met ibogaïne. Betrokkene 4 heeft hierdoor een hartstilstand gekregen, welke aan de schuld van verdachte te wijten is en als gevolg waarvan hij de rest van zijn leven invalide is. Betrokkene 5 is na de behandeling met ibogaïne door verdachte naar een hotel gebracht en daar in hulpeloze toestand achtergelaten, terwijl hij aan haar zorg was toevertrouwd.

Ten behoeve van de behandelingen die verdachte aanbood met iboga(ïne), bereidde zij zelf capsules met deze stof en had een grote hoeveelheid daarvan in voorraad, hetgeen in strijd is met de wet. Ook had verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid hennep in haar bezit. Met betrekking tot de aangetroffen MDMA, methadon en morfine merkt het hof op dat het bezit daarvan strafbaar is, maar dat het hof er wel rekening mee houdt dat deze middelen in de woning van verdachte zijn achtergelaten door verslaafden die zij behandelde.

Handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg

De personen zoals opgenomen in de tenlastelegging, te weten betrokkene 2, betrokkene 1, betrokkene 3, betrokkene 5 en betrokkene 4, zijn bij verdachte geweest om onder haar begeleiding iboga(ïne) in te nemen en hebben ook daadwerkelijk ibogaïne (zijnde de werkzame stof in iboga) tot zich genomen. Deze behandeling strekte ertoe dat zij door toepassing van iboga(ïne) zouden worden genezen van hun middelenverslaving. Het hof stelt vast dat verdachte hiermee handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte, zoals bedoeld in artikel 96 Wet BIG. Tevens staat vast dat verdachte niet was ingeschreven in het BIG-register.

Buiten noodzaak behandelen/schade veroorzaken

Indien bewezen kan worden dat verdachte - zoals ten laste gelegd - buiten noodzaak heeft behandeld, en daarbij gezondheidsschade of de aanmerkelijke kans daarop heeft veroorzaakt, staat daarmee tevens vast dat ook die schade of de kans daarop buiten noodzaak is veroorzaakt. Onder ‘buiten noodzaak’, welk begrip is ontleend aan artikel 96, eerste lid, van de Wet BIG, verstaat het hof in dit verband een situatie anders dan die waarin acute geneeskundige zorg noodzakelijk blijkt die op dat moment niet door een bevoegde behandelaar kan worden verleend.

De wetgever heeft niet omschreven welke in dit verband de betekenis is van het begrip ‘schade’. Naar het oordeel van het hof dient als ‘schade’ in de zin van artikel 96 Wet BIG in ieder geval te worden aangemerkt een benadeling van de gezondheid in de zin van artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat wil zeggen een daadwerkelijke, al dan niet tijdelijke, verslechtering van de lichamelijke of geestelijke gesteldheid.

In het bijzonder op grond van de deskundigenrapportages kan worden vastgesteld dat gebruik van ibogaïne onder meer leidt tot een hallucinatoire fase waarin, door verminderd realiteitsbesef, sprake is van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Deze situatie ontstaat kort na de inname van ibogaïne. Naar het oordeel van het hof kan een dergelijk gevolg van het gebruik van ibogaïne worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de geestelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de opzet en redactie van de tenlastelegging echter dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op deze reguliere situatie die zich in vrijwel alle gevallen voordoet (vlak) na het innemen van iboga(ïne). Beoogd is kennelijk de schade en/of de aanmerkelijke kans daarop toe te spitsen op (de) vier opgetreden, in de tenlastelegging expliciet benoemde gezondheidsschades (bij de betrokkene 2 hartritmestoornissen; bij betrokkene 3 een hallucinerende toestand waarna letsel door een sprong; bij betrokkene 5 een hallucinerende/psychotische toestand waarna dodelijk verongelukken bij oversteken van een snelweg; bij betrokkene 4 een hartstilstand), en derhalve het oog gehad op de toestand tijdens respectievelijk direct voorafgaand aan deze (bijna) fatale gebeurtenissen.

Het hof dient zich - ten einde denaturering van de tenlastelegging te voorkomen - daarom bij de beoordeling te beperken tot de in de tenlastelegging expliciet genoemde schadegevallen.

Betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 5

Ten aanzien van deze betrokkenen overweegt het hof dat zich naar zijn oordeel in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om de in de tenlastelegging expliciet genoemde hartritmestoornissen bij de betrokkene 2, de toestand waarin betrokkene 3 van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge en de toestand waarin betrokkene 5 de A2 is opgelopen en is doodgereden, toe te kunnen schrijven aan de effecten van de behandeling met ibogaïne. Onder andere is in enkele van deze gevallen sprake van een zodanig tijdsverloop tussen de inname van die iboga(ïne) en het moment van het optreden van de gezondheidsschade, dat een causaal verband tussen die inname en de in de tenlastelegging specifiek genoemde opgetreden gezondheidsschade of de toestand waarin deze is ontstaan niet is vast te stellen.

Het hof spreekt verdachte derhalve in zoverre vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

Betrokkene 4

Dit is anders waar het betreft de in de tenlastelegging genoemde schade die betrokkene 4 heeft opgelopen, te weten een hartstilstand. Deze gezondheidsschade is kort na de behandeling met iboga(ïne) ontstaan, terwijl uit de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg kan worden afgeleid dat hartritmestoornissen - die kunnen leiden tot een hartstilstand - een bekende bijwerking van het gebruik van iboga(ïne) vormen. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat enige andere, buiten het gebruik van ibogaïne gelegen oorzaak voor het bij betrokkene 4 ontstaan van die hartstilstand niet is gebleken of aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat tussen de toediening van de ibogaïne en het optreden van de hartstilstand een oorzakelijk verband bestaat.

De aldus opgetreden hartstilstand kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de lichamelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG. De behandeling met iboga(ïne) vond buiten noodzaak plaats en de schade is derhalve ook buiten noodzaak veroorzaakt.

Voorafgaand aan de behandeling heeft betrokkene 4 zijn hart laten onderzoeken bij een cardioloog. Nu er door de cardioloog geen afwijkingen waren geconstateerd, en ook anderszins niet gebleken is van een gezondheidssituatie waarin de toediening van ibogaïne bij neven tot hartfalen zou kunnen leiden, kan niet worden gesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat haar handelen bij betrokkene 4 een hartstilstand of de aanmerkelijke kans daarop zou veroorzaken. Van afwezigheid van alle schuld is echter geen sprake, nu hartritmestoornissen - welke kunnen leiden tot een hartstilstand - blijkens de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg een bekende bijwerking van ibogaïne vormen.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokkene 4 buiten noodzaak heeft behandeld met ibogaïne, ten gevolge waarvan betrokkene 4 een hartstilstand heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Feit 1: Als degene die, niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 7: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafoplegging

Feit 1: voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar.

Feit 2A, 4, 5, 7 en 8: gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aangepast PV van politie dat doelbewust de juiste gang van zaken maskeert leidt tot niet-ontvankelijkverklaring OM

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7633 Cem Polat (Guarda Advocaten) heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging het volgende aangevoerd. Er is als gevolg van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek geen sprake meer van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van behoorlijke procesorde voldoet en tevens is er sprake van schending van het bepaalde in artikel 6 EVRM. De met opsporing belaste ambtenaren hebben doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. De enig juiste sanctie in deze is daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Door de politie zijn doelbewust wijzigingen in het oorspronkelijke proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2011, opgemaakt door verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3, aangebracht om te verdoezelen dat de verbalisanten van meet af aan vanuit een niet onderbouwde en onterechte verdenking van overtreding van de Opiumwet hebben gehandeld ten opzichte van verdachte en niet louter met het oog op inbeslagname van de auto vanwege een openstaande fiscale schuld. De aangebrachte wijzigingen hebben kennelijk tot doel gehad het onrechtmatige optreden buiten zicht van de rechter te houden. Op dit handelen kan maar één sanctie volgen en dat is het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van vormverzuimen die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Feiten

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer van de verdediging uit van de volgende feiten:

Op vrijdag 6 mei 2011 omstreeks 22.50 uur reden verbalisanten in een opvallend dienstvoertuig op de Provinciale weg N244 te Edam. Verbalisant 1 sorteerde voor om linksaf de Oosterweg op te rijden. Van voren naderde een personenauto, merk Volkswagen, type Golf 4 met het kenteken. In die auto bevond zich alleen de bestuurder. De bestuurder keek de verbalisanten opvallend lang aan.

De Volkswagen reed de Oosterweg op. Verbalisanten reden achter de auto en merkten dat de auto opvallend langzaam reed. Verbalisant 1 geeft in het verhoor bij de raadsheer-commissaris aan dat vanuit de leiding opdracht is gegeven speciaal uit te kijken naar Volkswagens Golf, omdat die wel vaker bij criminaliteit betrokken zijn. Desgevraagd deelde de centrale meldkamer aan verbalisanten mee dat de auto voor de belastingdienst gesignaleerd stond.

Verbalisanten besloten de bestuurder van de Volkswagen een stopteken te geven en de bestuurder bracht na enige tijd de auto tot stilstand, stapte uit de auto en liep richting verbalisanten.

Verbalisant 1 zag, nadat hij op verdachte was toegelopen, dat diens handen hevig trilden. Op enig moment heeft verbalisant 1 de kofferbak van de auto geopend en zag daarin twee grote witte emmers en een nog groter wit vat zonder etiketten staan. Verdachte gaf desgevraagd aan dat er latex in het vat zat.

Vervolgens is verdachte op verzoek van de verbalisanten in de auto van verbalisanten meegegaan naar het politiebureau te Purmerend en heeft een van de verbalisanten de auto van verdachte naar dat bureau gereden. Op het bureau aangekomen heeft verbalisant 1 verdachte gefouilleerd.

Op enig moment heeft verbalisant 1 een van de emmers geopend. In de emmer zat een pasta-achtige substantie. Vanwege de geur van de substantie vermoedden verbalisanten dat het hier ging om verdovende middelen. Verdachte is vervolgens aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en hem is hem de cautie gegeven. Uit nader onderzoek van de inhoud van zowel de emmers als het vat bleek dat het amfetamine betrof met een bruto gewicht van 42 kilogram.

Van de gang van zaken tot en met de aanhouding van verdachte is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat is ondertekend door verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3, genummerd PL11PU 2011030622-2, en gesloten en getekend op 7 mei 2011. Bij de stukken van de voorgeleiding/het voorlopig dossier is een exemplaar van dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd. In het einddossier bevindt zich eveneens een exemplaar van dit proces-verbaal.

Tussen de versie in het voorlopig dossier en de versie in het einddossier bestaan diverse verschillen, die niet alleen grammaticale en/of spellingstechnische verschillen betreffen.

Verbalisant 1 is door de raadsheer-commissaris gehoord op 5 december 2012. Hij heeft, onder meer, verklaard dat als een proces-verbaal van bevindingen eenmaal is getekend en er wat grote taalfouten inzitten, het kan zijn dat het proces-verbaal wordt gecorrigeerd en opnieuw wordt getekend. verbalisant 1 kan zich niet herinneren twee keer te hebben getekend. Als er wijzigingen zijn in wat er feitelijk staat, maakt men in zijn algemeenheid een aanvullend proces-verbaal. Hij verklaart verder dat hij gemerkt had dat de bestuurder van de Volkswagen hem opvallend lang aankeek. Later werd zijn aandacht nog meer getrokken, omdat de auto zo langzaam reed. verbalisant 1 geeft aan dat vanuit de leiding opdracht is gegeven speciaal uit te kijken naar Volkswagens Golf, omdat die wel vaker bij criminaliteit betrokken zijn.

Verbalisant 3 heeft bij de raadsheer-commissaris op 5 december 2012 onder meer verklaard dat hij maar één keer het proces-verbaal van bevindingen heeft getekend en dat hij niets heeft aangepast in het verbaal. Hem was niet bekend dat er onderdelen van het proces-verbaal zijn gewijzigd.

Verbalisant 2 heeft op 5 december 2012 tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij, voor zover hij zich kan herinneren, maar één keer zijn handtekening onder het bewuste proces-verbaal heeft gezet. Nadat hij het heeft getekend, heeft hij het niet aangepast. Hij herinnert zich dat verbalisant 1 op enig moment terug kwam met het proces-verbaal en zei dat hij een en ander met collega naam had besproken. Hij meent zich vaag te herinneren dat er toen wat zaken anders geformuleerd zijn.

Bij tussenarrest van 20 december 2013 heeft het gerechtshof geoordeeld dat nader onderzoek noodzakelijk is. Het is het hof gebleken dat de verschillen in de processen-verbaal van bevindingen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die in meer of mindere mate de verdenking tegen verdachte op grond van de Opiumwet alsmede het onderzoek in de auto en naar de daarin aangetroffen vaten kunnen raken. Kort gezegd wilde het hof onderzocht hebben wie wijzigingen heeft aangebracht in het bewuste proces-verbaal van bevindingen en wanneer en met welke reden dat is gebeurd, terwijl niet is vermeld dat de wijzigingen zijn aangebracht.

Door onderzoeker bij de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van politie Noord-Holland is vervolgens een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de in het tussenarrest geformuleerde vragen. De resultaten van dit onderzoek heeft naam onderzoeker in een rapport met bijlagen van 13 maart 2014 en een aanvullend rapport van 21 maart 2014 met bijlagen weergegeven.

Een van de bijlagen van de rapportage van 13 maart 2014 betreft een overzicht van de verschillen tussen de beide versies van het betreffende proces-verbaal van bevinden (pagina 42 t/m 46). Op die verschillen komt het hof hierna nog terug.

Naam onderzoeker concludeert dat niet met zekerheid is vast te stellen door wie en wanneer de tweede versie van het proces-verbaal is opgemaakt. Ook is niet duidelijk geworden waarom de wijzigingen in het proces-verbaal zelf zijn aangebracht en niet in een nieuw aangemaakt proces-verbaal.

Naam onderzoeker heeft in het kader van zijn onderzoek een aantal personen geïnterviewd. Verbalisant 4 verklaart op pagina 59 van het rapport onder meer: "Het staat mij vaag bij dat voornaam verbalisant 1 (hof: verbalisant 1 ) zich niet helemaal prettig voelde over de commotie die was ontstaan, over de manier waarop hij de kofferbak van de auto had geopend. Daar hadden mensen kritiek op. Dat had te maken met de eventuele toestemming daarvoor."

Het hof stelt voorop dat het er in de kern bij de beoordeling van het verweer van de verdediging om gaat of verbalisanten het proces-verbaal van bevindingen, dat eerder ter hand was gesteld aan de rechter-commissaris in verband met de toetsing van de inverzekeringstelling en de vordering inbewaringstelling nadien op relevante punten hebben gewijzigd zonder dit te melden en zonder te melden met welke reden zij dit gedaan hebben en of dit het recht van verdachte op een eerlijk proces tekort heeft gedaan.

Bij de verschillen tussen de beide versies van het proces-verbaal van bevindingen die niet als louter grammaticale aanpassingen of herstel van spellingfouten kunnen worden bestempeld gaat het om de volgende verschillen (gecursiveerd weergegeven):

Blz. 2, alinea 8 1e versie: "Ik, verbalisant 1, vroeg verdachte of hij iets in zijn auto had wat verboden was."

In de 2e versie luidt deze passage als volgt: "Ik verbalisant 1 vroeg verdachte of hij iets in zijn auto had liggen wat verboden was. Ik vroeg dit omdat er beslag op de Volkswagen was gelegd."

Blz. 2, alinea 9: "Het is ons, verbalisanten, ambtshalve bekend dat voornamelijk personen die zich bezig houden met de handel in drugs meerdere telefoons bij zich hebben waarmee ze meerdere contacten middels meerdere telefoonnummers onderhouden." (Hof: deze passage volgt op een passage waarin verbalisanten relateren dat verdachte meerdere telefoons in de auto had liggen.)

In de 2e versie ontbreekt de gehele passage.

Blz. 2, alinea 10, 1e versie: "Ik verbalisant, verbalisant 1, vroeg verdachte of ik de kofferbak open mocht maken."

In de 2e versie luidt deze passage als volgt: "Ik verbalisant 1 vroeg verdachte of ik ter controle de kofferbak open mocht maken."

Blz. 3 alinea 2 1e versie: "Wij, verbalisanten, hoorden verdachte zeggen "in het vat zit latexverf" of woorden van gelijke strekking. Ik, verbalisant 1, maakte de kofferbak dicht en vroeg verdachte of hij plaats wilde nemen in ons dienstvoertuig.

In de 2e versie staat er: "Wij verbalisanten hoorden verdachte zeggen "in het vat zit latexverf" of woorden van gelijke strekking. Omdat wij op een donkere landweg stonden, wilde ik verbalisant 1 met de auto en bestuurder naar het politiebureau om daar de zaak af te handelen".

Blz 4, alinea 3 1e versie: "Ik, verbalisant 1, doorzocht de auto en trof niets ter zake dienende aan".

In de 2e versie staat er: "Ik verbalisant 1 doorzocht de auto omdat wij deze over zouden dragen aan de belastingdienst. Ik trof niets ter zake dienende aan."

Blz 4, alinea 5 1e versie: "Wij, verbalisanten, merkten op dat verdachte opmerkelijk graag de emmers en het vat uit de auto wilde halen en buiten het politieterrein wilde zetten."

In de 2e versie luidt de passage: "Wij, verbalisanten, merkten op dat verdachte opmerkelijk graag de emmers en het vat uit de auto wilde halen en buiten het politieterrein wilde zetten. Vanaf het moment dat wij contact hadden met verdachte, tot het moment dat wij op de binnenplaats van het bureau waren, is verdachte niet aan de emmers en het vat geweest".

Het 1e verbaal is ondertekend door verbalisant 1 en verbalisant 2, de 2e versie door verbalisant 1, verbalisant 3 en verbalisant 2.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd als volgt:

Het is aannemelijk dat verbalisanten vrijwel meteen nadat zij in contact waren gekomen met verdachte hem wilden controleren en onderzoeken op overtreding van de Opiumwet. Zowel de hiervoor geciteerde verklaring van verbalisant 1 bij de raadsheer-commissaris over "criminele personenauto's van het merk VW type Golf, de passage in de eerste versie van het proces-verbaal over de ambtshalve kennis over het "verband" tussen het aanwezig hebben van meerdere telefoons en drugshandel (welke passage in de tweede versie geheel wordt weggelaten) als het zonder enige grond fouilleren van verdachte duiden daarop.

Oordeel hof

De hiervoor geciteerde verschillen/aanpassingen geven naar het oordeel van het hof alle aanleiding om aan te nemen dat men in de tweede versie elke mogelijke verwijzing naar een verdenking op grond van de Opiumwet heeft willen maskeren ter vermijding van discussie over de vraag of er wel een redelijk vermoeden van schuld ter zake van overtreding van de Opiumwet was toen men overging tot onderzoek aan de persoon van verdachte en de door hem bestuurde auto. Anders dan in de eerste versie wordt benadrukt dat men handelde vanwege het gelegde fiscale beslag, terwijl dat kennelijk niet (in elk geval niet alleen) de reden voor het handelen was.

Naar het oordeel van het hof levert de hiervoor beschreven gang van zaken een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. De rechtsgevolgen van het verzuim blijken niet uit de wet. Om te beoordelen of aan dat verzuim enig rechtsgevolg toekomt dient het hof rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt.

Het belang dat het geschonden voorschrift dient

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 152 jo 153 van het Wetboek van Strafvordering maken opsporingsambtenaren op ambtseed proces-verbaal op van door hen opgespoorde strafbare feiten of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of ondervonden. Zij doen dat onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. In hun proces-verbaal dienen te worden gerelateerd de feiten en omstandigheden die redelijkerwijs van belang zijn voor de officier van justitie bij diens beslissing om al dan niet te vervolgen en voor de rechter voor al diens beslissingen waaraan dat proces-verbaal (mede) ten grondslag ligt. Het is dus van het allergrootste belang dat een proces-verbaal een juiste weergave is van al hetgeen door de betreffende opsporingsambtenaren bij de opsporing is waargenomen of ondervonden. Alle procespartijen moeten er immers op kunnen vertrouwen dat een proces-verbaal van de politie, waaraan door de rechter bij zijn oordeelsvorming doorgaans veel belang wordt gehecht, waarheidsgetrouw worden opgemaakt en dat dit proces-verbaal de werkelijke gang van zaken weergeeft.

De ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel

Naar het oordeel van het hof is doelbewust een proces-verbaal aangepast om de juiste gang van zaken te maskeren. De waarheidsvinding is hierdoor belemmerd en verdachtes recht op een eerlijk proces is hier tekort gedaan. Procespartijen moeten er op kunnen vertrouwen dat processen-verbaal van de politie, waaraan door de rechter bij zijn oordeelsvorming doorgaans uitermate veel belang wordt gehecht, waarheidsgetrouw worden opgemaakt en dat die de werkelijke gang van zaken weergeven. Dat laatste is hier niet het geval. Het hof oordeelt dit verzuim als zeer ernstig.

Het hiervoor genoemde belang, de ernst van het verzuim en het nadeel heeft het hof afgewogen tegen het belang van de samenleving bij vervolging en berechting van verdachte in deze zaak. Het hof komt na die afweging tot het oordeel dat de belangen van verdachte op grove wijze zijn veronachtzaamd en is dat er tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces en dat daarom aan het belang van de samenleving bij vervolging en berechting van verdachte hier het mindere gewicht toekomt. Het hof zal dan ook het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling ter zake van medeplegen van oplichting van een woningbouwvereniging en het plegen van valsheid in geschrifte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7391 De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde (oplichting). Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte in zijn verklaring – dat hij te goeder trouw gehandeld heeft – gevolgd moet worden, waardoor het tenlastegelegde oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling zou ontbreken. Medeverdachte had de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, zodat verdachte mocht denken dat medeverdachte bevoegd was afspraken te maken en betalingen te ontvangen. In het verlengde van dit standpunt heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van medeverdachte als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig bestempeld moeten worden. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman bepleit dat uit de bewijsmiddelen geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte afgeleid kan worden, noch sprake is van medeplichtigheid, zodat ook via die weg vrijspraak zou moeten volgen.

Beoordeling hof

Betrouwbaarheid

Met betrekking tot de oplichting van woningstichting staat buiten kijf dat medeverdachte, inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van deze oplichting, de boekhouding van woningstichting heeft gemanipuleerd. Over de gang van zaken rond deze oplichting en verdachtes rol daarin zijn door verdachte en medeverdachte sterk uiteenlopende verklaringen afgelegd, waarvan het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid zal moeten vaststellen.

Ten aanzien van de door medeverdachte afgelegde inhoudelijke verklaringen merkt het hof op dat te betwijfelen valt of medeverdachte met betrekking tot de uitwerking van het financiële gedeelte – daar waar hij stelt slechts een fractie van het overeengekomen financiële voordeel te hebben gekregen – volledige openheid van zaken heeft gegeven. Daargelaten enig eigen belang dat medeverdachte hierbij kan hebben, blijkt reeds uit het dossier dat verdachte meerdere keren hoge bedragen op de privérekening van medeverdachte heeft gestort. Behoudens deze kanttekening, worden de verklaringen van medeverdachte voor het overige gesteund door de stukken in het dossier en vormen deze verklaringen zodoende een voor de hand liggende uitleg voor de gedragingen van verdachte met betrekking tot de vier door hem van woningstichting aangekochte panden. Daarnaast zijn de door medeverdachte afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen consistent.

Tegenover de door medeverdachte afgelegde verklaringen staan verdachtes sterk wisselende verklaringen, waarbij het voor het hof onbegrijpelijk is waarom verdachte niet onmiddellijk openheid van zaken zou geven, wanneer hij meende met een legitieme “deal” te maken te hebben gehad. De kern van verdachtes verklaringen – dat hij te goeder trouw gehandeld zou hebben – wordt overigens reeds ondermijnd door het feit dat verdachte behoorlijke sommen geld heeft overgemaakt op de privérekening van medeverdachte en betalingsbewijzen ontving (en indiende bij de hypotheekverstrekker) die niet overeenkwamen met hetgeen verdachte feitelijk zou betalen of zou hebben betaald. Daarnaast is voor de beweerdelijke afspraak dat verdachte de vier huizen met 20% korting zou kopen van woningstichting - buiten verdachtes verklaring daarover - geen enkel aanknopingspunt te vinden, terwijl een dergelijke gang van zaken allerminst gebruikelijk is bij de aankoop van een woning, ook indien de verkopende partij een woningbouwverenging betreft. Al deze feiten, in onderlinge samenhang beziend, maakt dat het hof aanleiding ziet om verdachtes verklaringen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. De verklaring van medeverdachte acht het hof daarentegen om hiervoor genoemde redenen voldoende betrouwbaar om met betrekking tot de feitelijke gang van zaken en verdachtes rol voor het bewijs te bezigen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman op dit punt.

Oogmerk en medeplegen

In zijn algemeenheid stelt het hof vast dat een fraudeconstructie zoals de onderhavige alleen mogelijk is indien met de koper van de woningen afspraken worden gemaakt over valse nota’s, de betalingen en in zijn algemeenheid de wijze waarop de aanschaf van de woningen geregeld wordt. Ook in de onderhavige zaak heeft een dergelijke samenwerking plaatsgevonden, zo volgt uit de verklaringen van medeverdachte. Medeverdachte heeft bij de raadsheer-commissaris op 13 april 2015 verklaard dat hij en verdachte samen hebben bedacht hoe ze de fraudeconstructie – die medeverdachte zelf al eerder had gebruikt voor het frauderen met huurgelden ten behoeve van huurders – op andere wijze zouden kunnen benutten. Ze hebben vervolgens afspraken gemaakt over de verdeling van taken en van het geld dat met de fraude vrij zou komen. medeverdachte heeft op dit punt verklaard dat verdachte de woningen van woningstichting zou kopen en de financiering van de woning zou regelen, maar telkens minder voor de woningen zou betalen dan het feitelijk afgesproken aankoopbedrag, waarbij medeverdachte informatie van binnenuit verschafte. medeverdachte manipuleerde na de koop de administratie van woningstichting zodanig dat het leek alsof de aan woningstichting verschuldigde bedragen wel volledig door verdachte waren betaald. De namens woningstichting aan verdachte verstrekte betalingsbewijzen die tevens suggereerden dat de volledige afgesproken betalingstermijn was voldaan, zou verdachte indienen bij de hypotheekverstrekker, waarna het geld dat de hypotheekverstrekker uitkeerde tussen verdachte en medeverdachte zou worden verdeeld. Gelet op deze verklaring, alsmede de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen die steun geven aan de gedachte dat dit ook de feitelijke gang van zaken is geweest, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, waarbij ook verdachte het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling heeft gehad. Het hof verwerpt derhalve de door de raadsman gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van oplichting.

Feit 2 primair, 3 primair en 4: valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte wordt veroordeeld ter zake van medeplegen van oplichting van een woningbouwvereniging en het plegen van valsheid in geschrifte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7391 De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte gedurende een zeer lange periode van ruim 2 jaar schuldig gemaakt aan oplichting van woningstichting. Deze oplichting bestond uit het dusdanig manipuleren van de boekhouding of administratie van woningstichting, waardoor het leek alsof de door verdachte van woningstichting gekochte woningen volledig aan woningstichting betaald waren, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is geweest. De door medeverdachte gefabriceerde valse betalingsbewijzen die zogenaamd namens woningstichting werden verstrekt, zijn door verdachte op zijn beurt bij de hypotheekverstrekker ingeleverd waardoor de hypotheekverstrekker geld uitkeerde. Verdachte en medeverdachte hebben deze ‘truc’ uitgehaald bij de koop van vier woningen.

In het verlengde van deze oplichting heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. Teneinde de financiering voor de koop van drie van de vier woningen rond te krijgen, heeft verdachte door hem valselijke opgemaakte werkgeversverklaringen bij de hypotheekverstrekker ingediend.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte in zijn verklaring – dat hij te goeder trouw gehandeld heeft – gevolgd moet worden, waardoor het tenlastegelegde oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling zou ontbreken. Medeverdachte had de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, zodat verdachte mocht denken dat medeverdachte bevoegd was afspraken te maken en betalingen te ontvangen. In het verlengde van dit standpunt heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van medeverdachte als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig bestempeld moeten worden. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman bepleit dat uit de bewijsmiddelen geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte afgeleid kan worden, noch sprake is van medeplichtigheid, zodat ook via die weg vrijspraak zou moeten volgen.

Betrouwbaarheid

Met betrekking tot de oplichting van woningstichting (hierna: woningstichting ) staat buiten kijf dat medeverdachte, inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van deze oplichting, de boekhouding van woningstichting heeft gemanipuleerd. Over de gang van zaken rond deze oplichting en verdachtes rol daarin zijn door verdachte en medeverdachte sterk uiteenlopende verklaringen afgelegd, waarvan het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid zal moeten vaststellen.

Ten aanzien van de door medeverdachte afgelegde inhoudelijke verklaringen merkt het hof op dat te betwijfelen valt of medeverdachte met betrekking tot de uitwerking van het financiële gedeelte – daar waar hij stelt slechts een fractie van het overeengekomen financiële voordeel te hebben gekregen – volledige openheid van zaken heeft gegeven. Daargelaten enig eigen belang dat medeverdachte hierbij kan hebben, blijkt reeds uit het dossier dat verdachte meerdere keren hoge bedragen op de privérekening van medeverdachte heeft gestort. Behoudens deze kanttekening, worden de verklaringen van medeverdachte voor het overige gesteund door de stukken in het dossier en vormen deze verklaringen zodoende een voor de hand liggende uitleg voor de gedragingen van verdachte met betrekking tot de vier door hem van woningstichting aangekochte panden. Daarnaast zijn de door medeverdachte afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen consistent.

Tegenover de door medeverdachte afgelegde verklaringen staan verdachtes sterk wisselende verklaringen, waarbij het voor het hof onbegrijpelijk is waarom verdachte niet onmiddellijk openheid van zaken zou geven, wanneer hij meende met een legitieme “deal” te maken te hebben gehad. De kern van verdachtes verklaringen – dat hij te goeder trouw gehandeld zou hebben – wordt overigens reeds ondermijnd door het feit dat verdachte behoorlijke sommen geld heeft overgemaakt op de privérekening van medeverdachte en betalingsbewijzen ontving (en indiende bij de hypotheekverstrekker) die niet overeenkwamen met hetgeen verdachte feitelijk zou betalen of zou hebben betaald. Daarnaast is voor de beweerdelijke afspraak dat verdachte de vier huizen met 20% korting zou kopen van woningstichting - buiten verdachtes verklaring daarover - geen enkel aanknopingspunt te vinden, terwijl een dergelijke gang van zaken allerminst gebruikelijk is bij de aankoop van een woning, ook indien de verkopende partij een woningbouwverenging betreft. Al deze feiten, in onderlinge samenhang beziend, maakt dat het hof aanleiding ziet om verdachtes verklaringen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. De verklaring van medeverdachte acht het hof daarentegen om hiervoor genoemde redenen voldoende betrouwbaar om met betrekking tot de feitelijke gang van zaken en verdachtes rol voor het bewijs te bezigen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman op dit punt.

Oogmerk en medeplegen

In zijn algemeenheid stelt het hof vast dat een fraudeconstructie zoals de onderhavige alleen mogelijk is indien met de koper van de woningen afspraken worden gemaakt over valse nota’s, de betalingen en in zijn algemeenheid de wijze waarop de aanschaf van de woningen geregeld wordt. Ook in de onderhavige zaak heeft een dergelijke samenwerking plaatsgevonden, zo volgt uit de verklaringen van medeverdachte. medeverdachte heeft bij de raadsheer-commissaris op 13 april 2015 verklaard dat hij en verdachte samen hebben bedacht hoe ze de fraudeconstructie – die medeverdachte zelf al eerder had gebruikt voor het frauderen met huurgelden ten behoeve van huurders – op andere wijze zouden kunnen benutten. Ze hebben vervolgens afspraken gemaakt over de verdeling van taken en van het geld dat met de fraude vrij zou komen. medeverdachte heeft op dit punt verklaard dat verdachte de woningen van woningstichting zou kopen en de financiering van de woning zou regelen, maar telkens minder voor de woningen zou betalen dan het feitelijk afgesproken aankoopbedrag, waarbij medeverdachte informatie van binnenuit verschafte. medeverdachte manipuleerde na de koop de administratie van woningstichting zodanig dat het leek alsof de aan woningstichting verschuldigde bedragen wel volledig door verdachte waren betaald. De namens woningstichting aan verdachte verstrekte betalingsbewijzen die tevens suggereerden dat de volledige afgesproken betalingstermijn was voldaan, zou verdachte indienen bij de hypotheekverstrekker, waarna het geld dat de hypotheekverstrekker uitkeerde tussen verdachte en medeverdachte zou worden verdeeld. Gelet op deze verklaring, alsmede de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen die steun geven aan de gedachte dat dit ook de feitelijke gang van zaken is geweest, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, waarbij ook verdachte het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling heeft gehad. Het hof verwerpt derhalve de door de raadsman gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van oplichting.

Feit 2 primair, 3 primair en 4: valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof veroordeelt verdachte - anders dan de rechtbank - tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden ter zake van gewoontewitwassen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3565 Bij vonnis waarvan beroep werd verdachte vrijgesproken van het hem onder 4 primair (gewoontewitwassen) en subsidiair (schuldwitwassen) ten laste gelegde, maar veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren ter zake van:

  • medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,
  • opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid Sr, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, en
  • medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven of feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep beperkt zich tot hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het hem onder 4 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;
  • subsidiair dat aan verdachte een andere straf zal worden opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel hof

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 4 primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat:

  • het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn, in het bijzonder omdat geen sprake is van vermogensbestanddelen waarover men de beschikking had doordat belasting is ontdoken;
  • de opvatting van de officier van justitie dat sprake is van besmetting van het gehele vermogen van vennootschap van verdachte van de hand moet worden gewezen;
  • het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen uit misdrijf afkomstig zouden zijn.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de aangiften loonheffing juist waren gedaan, een deel van het aan de uitzendkracht uitbetaalde nettoloon zou zijn afgedragen aan de fiscus, zodat vennootschap van verdachte door een onjuiste aangifte loonheffing geen vermogensbestanddelen ter beschikking heeft gekregen. Het verweer ontbeert evenwel feitelijke grondslag, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat vennootschap van verdachte met uitzendkrachten een nettoloon had afgesproken. Daaruit volgt dat, indien de aangiften loonheffing juist waren gedaan, aan de uitzendkrachten hetzelfde nettoloon zou zijn uitbetaald, terwijl meer loonheffing zou zijn afgedragen aan de Belastingdienst. Het hof is dan ook van oordeel dat vennootschap van verdachte de beschikking had over vermogensbestanddelen doordat – door het doen van onjuiste aangiften – er loonheffing was ontdoken, welke vermogensbestanddelen derhalve afkomstig waren van enig misdrijf in de zin van artikel 420bis Sr.

Aan het verweer dat geen sprake zou zijn van besmetting van het gehele vermogen van vennootschap van verdachte is ten grondslag gelegd dat deze besmetting volstrekt onaanvaardbare implicaties heeft, aangezien in dat geval:

  • het de onderneming onmogelijk zou worden gemaakt om welke betaling dan ook te doen, aangezien elke betaling het overdragen, omzetten of gebruik maken van dat vermogen zou opleveren en dus witwassen zou zijn;
  • de curator, als deze op de hoogte raakt van de fiscale vergrijpen die zich in de onderneming hebben voorgedaan, moet begrijpen dat de boedel daardoor “besmet” is geraakt, zodat hij de boedel niet zou kunnen vereffenen, aangezien daarvoor noodzakelijkerwijs overdrachts- en dus witwashandelingen nodig zijn;
  • de vraag zich voordoet of de Ontvanger van de Belastingdienst, die weet dat in de onderneming fiscale vergrijpen hebben plaatsgevonden, zou mogen meewerken aan het ontvangen van belastingbetalingen uit het besmette vermogen van de onderneming.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig.

Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is alsook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden.

In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

In het onderhavige geval zijn de vermogensbestanddelen waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat loonheffing was ontdoken, vermengd met het overige vermogen van vennootschap van verdachte Die vermogensbestanddelen laten zich in dat vermogen niet meer individualiseren in de zin dat met precisie kan worden aangewezen welk deel van het vermogen van misdrijf afkomstig is. Aldus is het legaal vermogen van vennootschap van verdachte ‘besmet’ geraakt doordat het is vermengd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen, zodat het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is.

Door overboeking van geldbedragen naar de rekening van vennootschap van verdachte is haar vermogen vervolgens eveneens ‘besmet’ geraakt, zodat dit vermogen gedeeltelijk middellijk van misdrijf afkomstig was. Dat heeft eveneens te gelden voor het vermogen van verdachte dat ‘besmet’ is geraakt door overboekingen van de rekeningen van vennootschap van verdachte en vennootschap van verdachte naar de rekening op naam van verdachte, welke rekening feitelijk in gebruik was bij verdachte.

Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen de vermogens van respectievelijk vennootschap van verdachte, vennootschap van verdachte en verdachte na de vermenging met het (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogen toch niet aan te merken als ‘gedeeltelijk van misdrijf afkomstig’ in de zin van de witwasbepalingen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het valselijk opmaken van kilometerregistratielijsten en het ten onrechte uitbetalen van nettoloon in de vorm van onbelaste kilometervergoedingen binnen vennootschap van verdachte in opdracht en onder leiding van verdachte plaatsvond. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de aangiften loonheffing onjuist werden gedaan en derhalve dat loonheffing werd ontdoken. Aldus heeft verdachte geweten dat zich in het vermogen van vennootschap van verdachte vermogensbestanddelen bevonden waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat belasting was ontdoken en die derhalve van misdrijf afkomstig waren. Verdachte wist derhalve dat het vermogen van vennootschap van verdachte en – na overboeking van gelden vanuit vennootschap van verdachte – het vermogen van vennootschap van verdachte en zijn eigen vermogen gedeeltelijk van misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Het hof ziet zich nog gesteld voor de vraag vanaf welk moment het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig was. Daartoe moet het hof vaststellen vanaf welk moment zich in het vermogen van vennootschap van verdachte vermogensbestanddelen hebben bevonden waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat belasting was ontdoken.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat in ieder geval vanaf week 8 van 2006, zijnde de periode van 20 tot en met 26 februari 2006, kilometerregistratielijsten valselijk werden opgemaakt. vennootschap van verdachte was op grond van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gehouden op uiterlijk 31 maart 2006 aangifte voor de loonheffing te doen over februari 2006. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt of en, zo ja, wanneer de aangifte loonheffing over de maand februari 2006 is gedaan. Aldus zijn twee situaties mogelijk:

  1. De aangifte is uiterlijk op 31 maart 2006 gedaan. Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de aangifte in dat geval opzettelijk onjuist is gedaan. Het daardoor ontdoken bedrag aan loonheffing was van misdrijf afkomstig.
  2. De aangifte is niet uiterlijk op 31 maart 2006 gedaan. De aangifte is aldus opzettelijk niet of niet tijdig gedaan. Het daardoor ontdoken bedrag aan loonheffing was van misdrijf afkomstig.

In beide gevallen bevond zich op 1 april 2006 in het vermogen van vennootschap van verdachte een bedrag dat van misdrijf afkomstig was. Gelet daarop was het vermogen van vennootschap van verdachte vanaf 1 april 2006 gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2006 tot 31 maart 2008 geldbedragen – kort gezegd – heeft witgewassen.

Partiële vrijspraak

Het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde ziet op de overboeking van een bedrag of bedragen van (in totaal) 108.822,57 euro van de ene rekening van vennootschap van verdachte naar de andere rekening van vennootschap van verdachte. Het voorhanden bewijs schiet ervoor tekort dat door deze overboeking de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing is verborgen en/of verhuld dan wel is verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit bedrag of deze bedragen was. Evenmin is bewijs voorhanden dat verdachte dit bedrag of deze bedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet dan wel daarvan gebruik heeft gemaakt

Ten aanzien van het onder het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde stelt het hof voorop dat eerst nadat op 6 mei 2006 een bedrag van € 35.000,00 is overgeboekt van de rekening van vennootschap van verdachte naar de rekening van vennootschap van verdachte het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk middellijk van misdrijf afkomstig is geweest. Uit het dossier kan niet blijken of het bedrag of de bedragen van (in totaal) 97.497,02 euro voor of na 6 mei 2006 zijn overgeboekt vanaf de rekening van vennootschap van verdachte, zodat het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat dit bedrag of deze bedragen afkomstig was of waren uit enig misdrijf. Voorts is de factuur groot 10.387,90 euro reeds op 6 februari 2006 betaald door overboeking van dat bedrag vanaf de rekening van vennootschap van verdachte, zodat niet kan worden bewezen dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is.

Bewezenverklaring

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^