Zaak "Passage": Strekking en reikwijdte verschoningsrecht getuige ex art. 217 Sv in gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde strafzaken.

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4303

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart bloedverwant te zijn van de verdachten zoon van getuige en neef van getuige, verklaart geen bloed- of aanverwant van de overige verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat de getuige is aangemerkt als verdachte in een strafzaak in Italië en dat in een de getuige betreffende ontnemingszaak – die ziet op feiten vanaf 1993 – cassatieberoep is ingesteld, zodat de getuige mogelijk een beroep op enkele vormen van verschoningsrecht toekomt.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht op de vraag wanneer ik in hoger beroep voor het eerst een terechtzitting heb bijgewoond.

De advocaat-generaal dringt aan op beantwoording van deze vraag. […]

Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn en beantwoording van de laatste vraag de getuige kan blootstellen aan het gevaar van een ongunstige beslissing in de ontnemingszaak.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige niet zonder meer een onverkort verschoningsrecht toekomt.

De getuige deelt desgevraagd mede dat hij zich op alle vervolgvragen zal beroepen op zijn verschoningsrecht.

De advocaat-generaal merkt op dat zij nadere vragen heeft over de periode 2014-2015.

De getuige verklaart als volgt:

[…] Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich andermaal op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige wat betreft deze vraag geen verschoningsrecht toekomt. Zij dringt aan op beantwoording van de vraag.

De voorzitter houdt de getuige een proces-verbaal van bevindingen betreffende het verhoor door de politie van de getuige op 30 april 2015 voor:

Getuige [getuige] verklaarde ons dat hij ten overstaan van ons geen verklaring wenste af te leggen. Eventueel zou hij dat dan wel voor de rechtbank doen. Wel wil hij het volgende aan ons kwijt:

Was er maar een rechter die wel voor de waarheid ging. […] Justitie doet niet aan waarheidsvinding. […] Iedereen wordt maar gehoord. En over die moorden wil ik nog het volgende kwijt, jullie weten zelf wel wie de daders zijn, iedereen weet dat.”

De voorzitter merkt op dat deze inhoud van dit proces-verbaal zijn nieuwsgierigheid prikkelt en vraagt de getuige toe te lichten op welke moorden en daders hij doelt en nodigt de getuige uit al zijn wetenschap dienaangaande te delen met het hof.

De getuige verklaart als volgt:

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Op vragen of ik – van [kroongetuige 2] of anderen – heb gehoord over mogelijke betrokkenheid van [kroongetuige 2] bij strafbare feiten, zoals de moord op [slachtoffer], beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt, zakelijk weergegeven, het volgende op.

De intentie van de advocaat-generaal zal zijn gericht op het helpen van hun eigen zaak. U, voorzitter, vraagt mij of ik met deze laatste zinsnede doel op de door het openbaar ministerie na te streven waarheidsvinding. Dat weet ik niet. De getuige wil de rechtsgang voor zijn bloedverwanten niet compliceren. Er komt hem een verschoningsrecht toe.

Na een korte onderbreking voor beraad stelt de voorzitter de procesdeelnemers in de gelegenheid om een standpunt in te nemen met betrekking tot het beroep van de getuige op diverse vormen van verschoningsrecht.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

De onderbouwing van het beroep op het verschoningsrecht is algemeen van aard en is ontoereikend om een verschoningsrecht aan te nemen met betrekking tot de vragen die zien op de periode 2014-2015 en de contacten van de getuige met diverse andere getuigen. Met betrekking tot de overige vragen komt de getuige een verschoningsrecht toe.

Ik acht van belang om de suggestie van de advocaat van de getuige, dat onze vragen zijn gericht op het “verder helpen van [onze] eigen zaak”, te weerspreken. Het is in het kader van waarheidsvinding en met het oog op de waardering van diverse getuigenverklaringen van belang om vast te stellen of er onderlinge contacten zijn geweest. Dat is de reden dat er vragen worden gesteld.

Ik wens de getuige aanvullende vragen te stellen, onder meer over de getuige “[codenaam bedreigde getuige]”.

Mr. Janssen (raadsman van de zoon van de getuige) voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

De wetgever heeft het verschoningsrecht voor bloedverwanten in het leven geroepen vanuit de gedachte dat getuigen in een onmogelijke positie kunnen worden gebracht als zij een verklaring moeten afleggen in de strafzaak tegen bijvoorbeeld hun eigen kind. Die situatie doet zich hier voor. Een getuige kan niet altijd de portee van de te geven antwoorden overzien, zeker in een complexe zaak als de onderhavige. Zo kan het voor de getuige moeilijk zijn om te beoordelen wat de relevantie is van onderlinge contacten tussen getuigen. Dergelijke contacten kunnen in breder verband echter raken aan de betrouwbaarheid van getuigen. Vrijwel iedere vraag zal raken aan een door het hof te nemen beslissing. Mijns inziens komt de getuige daarom onverkort een verschoningsrecht toe.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat het juist is dat de getuige de gevolgen van de eventueel door hem te geven antwoorden niet geheel kan overzien.

Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.

Nadat het onderbroken onderzoek is hervat, deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige heden plaatsvindt in tien strafzaken, welke strafzaken gelijktijdig doch niet gevoegd worden behandeld. Het hof stelt voorts vast dat de getuige bloedverwant is van twee verdachten, te weten zoon van getuige en neef van getuige. In de strafzaken betreffende deze twee verdachten komt de getuige om die reden het beroep – en ook zonder dat de getuige dat beroep nader behoeft te motiveren – op het recht toe om zich (op de voet van art. 217 van het Wetboek van Strafvordering) van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen te verschonen.

Het hof stelt vervolgens vast dat er, gelet op de aan deze tien verdachten tenlastegelegde feiten en de inhoud van de strafdossiers, een sterke materiële verwevenheid bestaat tussen enerzijds in elk geval de strafzaak betreffende zoon van getuige en neef van getuige en anderzijds de acht overige aan de orde zijnde strafzaken. Het hof ziet in die verwevenheid aanleiding om te bepalen dat de getuige ook in de zaken betreffende die overige verdachten – die in zoverre weliswaar niet formeel doch in elk geval wél in materiële zin aangemerkt dienen te worden als ‘medeverdachten’ een beroep op het op basis van verwantschap toegekende en in artikel 217 Sv geregelde verschoningsrecht toekomt.

De voorzitter stelt vast dat er bij deze stand van zaken geen behoefte tot het stellen van nadere vragen bestaat en vergunt de getuige zich uit de zittingszaal te verwijderen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF