Verdachte wordt veroordeeld ter zake van medeplegen van oplichting van een woningbouwvereniging en het plegen van valsheid in geschrifte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7391 De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte gedurende een zeer lange periode van ruim 2 jaar schuldig gemaakt aan oplichting van woningstichting. Deze oplichting bestond uit het dusdanig manipuleren van de boekhouding of administratie van woningstichting, waardoor het leek alsof de door verdachte van woningstichting gekochte woningen volledig aan woningstichting betaald waren, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is geweest. De door medeverdachte gefabriceerde valse betalingsbewijzen die zogenaamd namens woningstichting werden verstrekt, zijn door verdachte op zijn beurt bij de hypotheekverstrekker ingeleverd waardoor de hypotheekverstrekker geld uitkeerde. Verdachte en medeverdachte hebben deze ‘truc’ uitgehaald bij de koop van vier woningen.

In het verlengde van deze oplichting heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. Teneinde de financiering voor de koop van drie van de vier woningen rond te krijgen, heeft verdachte door hem valselijke opgemaakte werkgeversverklaringen bij de hypotheekverstrekker ingediend.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte in zijn verklaring – dat hij te goeder trouw gehandeld heeft – gevolgd moet worden, waardoor het tenlastegelegde oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling zou ontbreken. Medeverdachte had de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, zodat verdachte mocht denken dat medeverdachte bevoegd was afspraken te maken en betalingen te ontvangen. In het verlengde van dit standpunt heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van medeverdachte als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig bestempeld moeten worden. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman bepleit dat uit de bewijsmiddelen geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte afgeleid kan worden, noch sprake is van medeplichtigheid, zodat ook via die weg vrijspraak zou moeten volgen.

Betrouwbaarheid

Met betrekking tot de oplichting van woningstichting (hierna: woningstichting ) staat buiten kijf dat medeverdachte, inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van deze oplichting, de boekhouding van woningstichting heeft gemanipuleerd. Over de gang van zaken rond deze oplichting en verdachtes rol daarin zijn door verdachte en medeverdachte sterk uiteenlopende verklaringen afgelegd, waarvan het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid zal moeten vaststellen.

Ten aanzien van de door medeverdachte afgelegde inhoudelijke verklaringen merkt het hof op dat te betwijfelen valt of medeverdachte met betrekking tot de uitwerking van het financiële gedeelte – daar waar hij stelt slechts een fractie van het overeengekomen financiële voordeel te hebben gekregen – volledige openheid van zaken heeft gegeven. Daargelaten enig eigen belang dat medeverdachte hierbij kan hebben, blijkt reeds uit het dossier dat verdachte meerdere keren hoge bedragen op de privérekening van medeverdachte heeft gestort. Behoudens deze kanttekening, worden de verklaringen van medeverdachte voor het overige gesteund door de stukken in het dossier en vormen deze verklaringen zodoende een voor de hand liggende uitleg voor de gedragingen van verdachte met betrekking tot de vier door hem van woningstichting aangekochte panden. Daarnaast zijn de door medeverdachte afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen consistent.

Tegenover de door medeverdachte afgelegde verklaringen staan verdachtes sterk wisselende verklaringen, waarbij het voor het hof onbegrijpelijk is waarom verdachte niet onmiddellijk openheid van zaken zou geven, wanneer hij meende met een legitieme “deal” te maken te hebben gehad. De kern van verdachtes verklaringen – dat hij te goeder trouw gehandeld zou hebben – wordt overigens reeds ondermijnd door het feit dat verdachte behoorlijke sommen geld heeft overgemaakt op de privérekening van medeverdachte en betalingsbewijzen ontving (en indiende bij de hypotheekverstrekker) die niet overeenkwamen met hetgeen verdachte feitelijk zou betalen of zou hebben betaald. Daarnaast is voor de beweerdelijke afspraak dat verdachte de vier huizen met 20% korting zou kopen van woningstichting - buiten verdachtes verklaring daarover - geen enkel aanknopingspunt te vinden, terwijl een dergelijke gang van zaken allerminst gebruikelijk is bij de aankoop van een woning, ook indien de verkopende partij een woningbouwverenging betreft. Al deze feiten, in onderlinge samenhang beziend, maakt dat het hof aanleiding ziet om verdachtes verklaringen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. De verklaring van medeverdachte acht het hof daarentegen om hiervoor genoemde redenen voldoende betrouwbaar om met betrekking tot de feitelijke gang van zaken en verdachtes rol voor het bewijs te bezigen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman op dit punt.

Oogmerk en medeplegen

In zijn algemeenheid stelt het hof vast dat een fraudeconstructie zoals de onderhavige alleen mogelijk is indien met de koper van de woningen afspraken worden gemaakt over valse nota’s, de betalingen en in zijn algemeenheid de wijze waarop de aanschaf van de woningen geregeld wordt. Ook in de onderhavige zaak heeft een dergelijke samenwerking plaatsgevonden, zo volgt uit de verklaringen van medeverdachte. medeverdachte heeft bij de raadsheer-commissaris op 13 april 2015 verklaard dat hij en verdachte samen hebben bedacht hoe ze de fraudeconstructie – die medeverdachte zelf al eerder had gebruikt voor het frauderen met huurgelden ten behoeve van huurders – op andere wijze zouden kunnen benutten. Ze hebben vervolgens afspraken gemaakt over de verdeling van taken en van het geld dat met de fraude vrij zou komen. medeverdachte heeft op dit punt verklaard dat verdachte de woningen van woningstichting zou kopen en de financiering van de woning zou regelen, maar telkens minder voor de woningen zou betalen dan het feitelijk afgesproken aankoopbedrag, waarbij medeverdachte informatie van binnenuit verschafte. medeverdachte manipuleerde na de koop de administratie van woningstichting zodanig dat het leek alsof de aan woningstichting verschuldigde bedragen wel volledig door verdachte waren betaald. De namens woningstichting aan verdachte verstrekte betalingsbewijzen die tevens suggereerden dat de volledige afgesproken betalingstermijn was voldaan, zou verdachte indienen bij de hypotheekverstrekker, waarna het geld dat de hypotheekverstrekker uitkeerde tussen verdachte en medeverdachte zou worden verdeeld. Gelet op deze verklaring, alsmede de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen die steun geven aan de gedachte dat dit ook de feitelijke gang van zaken is geweest, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, waarbij ook verdachte het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling heeft gehad. Het hof verwerpt derhalve de door de raadsman gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van oplichting.

Feit 2 primair, 3 primair en 4: valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF