Gezondheids- en welzijnswet voor dieren: Inleidende dagvaarding (alsnog) partieel nietig verklaard (onvoldoende gespecificeerd)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4798 Verdachte heeft op meerdere tijdstippen in de periode van 9 december 2009 tot en met 3 februari 2010 aan meerdere paarden en pony's de nodige verzorging onthouden door deze dieren telkens niet de beschikking te geven over een droge ligplaats.

Partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding onder 2

Het hof verklaart de inleidende dagvaarding (alsnog) partieel nietig voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het derde gedachtestreepje (beginnend met: "bij een groot aantal"), omdat het verwijt daarin per paard en pony onvoldoende is gespecificeerd voor wat betreft de pleegdata, locaties en verblijven.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde onder het derde gedachtestreepje en het onder 2 ten laste gelegde onder het eerste, tweede, vierde en vijfde gedachtestreepje heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde onder het derde gedachtestreepje acht het hof met name niet wettig bewezen dat de paarden en pony's geen toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid schoon water en dat zij niet op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen. Immers, de stukken vermelden slechts de afwezigheid van een permanente drinkwatervoorziening, zonder te vermelden of de paarden en pony's de beschikking hadden over een toereikende hoeveelheid schoon water of op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen, zoals artikel 5, achtste lid, van het Besluit welzijn productiedieren voorschrijft.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het eerste en tweede gedachtestreepje acht het hof met name niet wettig bewezen dat sprake is geweest van achterstallige hoefverzorging die behandeld diende te worden door een hoefverzorger. In de stukken is niet omschreven waaruit de geconstateerde achterstallige hoefverzorging heeft bestaan, noch zijn foto's aan het dossier toegevoegd waarop de geconstateerde achterstallige hoefverzorging zou zijn waar te nemen.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde onder het vierde en vijfde gedachtestreepje acht het hof weliswaar bewezen dat telkens mestresten zijn aangetroffen op het paard respectievelijk de twee pony's, maar, nu in de stukken deze mestresten niet nader zijn omschreven, kan niet worden vastgesteld of aan deze dieren de nodige zorg is onthouden.

Bewezenverklaring

Feit 2: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 30 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling bewindvoerder wegens verduistering & valsheid in geschrifte

Gerechtshof Amsterdam 22 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2514 Verdachte heeft aanzienlijke geldbedragen verduisterd die zij in haar hoedanigheid van bewindvoerder onder zich had. In 2005 is de verdachte haar bewindvoeringspraktijk begonnen. Al snel na de start van haar praktijk heeft de verdachte bij een welgestelde cliënte veel meer kosten van bewindvoering in rekening gebracht dan waartoe zij gerechtigd was. Om dit terug te kunnen betalen, boekte zij zonder toestemming gelden van de beheerrekeningen van andere cliënten over naar haar eigen bankrekening. Deze cliënten waren financieel kwetsbaar. Om uiteenlopende redenen konden zij niet zelf hun financiën beheren. 

Daarnaast heeft de verdachte valsheid in geschrifte gepleegd door valse facturen van een niet bestaand advocatenkantoor op te stellen en in haar administratie te verwerken.

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdere oprekking begrip ‘ambtenaar’

Gerechtshof Amsterdam 3 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2753 Het hof veroordeelt de directeur van een rechtspersoon (waarvan de gemeente enig aandeelhouder is) die tot taak heeft exploitatie van schouwburg en concertgebouw als ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht tot een werkstraf van 180 uren en een geldboete van €20.000.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping (art. 362 Sr) door van een contractspartij ten behoeve van de exploitatie van de horeca activiteiten een geldbedrag te vragen in ruil voor contractverlenging.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft gesteld dat de verdachte niet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de aan de tenlastelegging ten grondslag liggende artikelen van het Wetboek van Strafrecht, nu de rechtspersoon waarvan de verdachte directeur was - N.V. bedrijf 1 - met het exploiteren van horecagelegenheden geen overheidstaak uitvoerde en voorts geen sprake was van het vereiste toezicht door en verantwoording aan de overheid. In het geval dat de verdachte wel als ambtenaar in genoemde zin is aan te merken, komt de verdachte een beroep toe op afwezigheid van alle schuld vanwege een verontschuldigbare rechtsdwaling en/of feitelijke dwaling omdat het voor de verdachte en voor derden niet kenbaar was dat hij ambtenaar was.

Beoordeling hof

De verdachte is in de periode van 1 oktober 2001 tot begin 2009 werkzaam geweest als directeur van de naamloze vennootschap Maatschappij tot Exploitatie van de bedrijf 4 en bedrijf 9 (hierna: bedrijf 1). De gemeente Nijmegen is enig aandeelhouder van bedrijf 1. De aanstelling was materieel een voortzetting van een eerdere aanstelling van de verdachte als gedelegeerd commissaris bij bedrijf 1 met ingang van 16 januari 2001. Deze aanstelling werd verlengd door middel van een overeenkomst van opdracht inzake interim management tussen bedrijf 1 enerzijds en bedrijf 3 B.V. anderzijds. De verdachte was enig aandeelhouder van bedrijf 3 B.V. Bij het ondertekenen van de overeenkomst was bedrijf 1 rechtsgeldig vertegenwoordigd door betrokkene 1, wethouder van de gemeente Nijmegen, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente Nijmegen als honderd procent aandeelhouder van bedrijf 1, en betrokkene 2, voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van bedrijf 1. bedrijf 3 was rechtsgeldig vertegenwoordigd door de verdachte als haar statutair directeur.

De statutaire doelstelling van bedrijf 1 luidt: “het instandhouden, exploiteren of doen exploiteren van de bedrijf 4 c.a. en het bedrijf 9 ‘bedrijf 9’ c.a., alsmede het bevorderen van culturele activiteiten in de ruimste zin. Zij biedt daarbij zoveel mogelijk een dwarsdoorsnede van podiumkunsten tegen een betaalbare prijs voor een zo breed mogelijk publiek en richt zich daarbij op het bewaren en doorgeven van het cultureel erfgoed, het inspelen op vernieuwende tendensen en het zogenaamde avondje-uit”.

Bedrijf 1 heeft (via haar dochteronderneming bedrijf 9 B.V.) in 2002 een overeenkomst gesloten met bedrijf 2, waardoor de exploitatie van de horeca-activiteiten in het bedrijf 9 en de bedrijf 4 voor rekening en risico van bedrijf 2 kwam. Bij aangetekende brief van 2 januari 2006 is de overeenkomst met bedrijf 2 per 31 maart 2007 formeel beëindigd. In deze brief wordt door de verdachte de intentie uitgesproken om met ingang van 1 april 2007 een nieuwe periode van samenwerking met bedrijf 2 aan te gaan. De brief is ondertekend door de verdachte, als directeur van bedrijf 9. Op 1 november 2006 heeft de verdachte op briefpapier van bedrijf 3, als onderdeel van bedrijf 3, vertrouwelijk een factuur gestuurd aan bedrijf 7, ter attentie van de heer getuige en ten bedrage van €10.799,97, met als omschrijving: “zoals overeengekomen doen wij u hierbij, onze nota ten behoeve van management ondersteuning, volgens onze overeenkomst toekomen.” Deze nota is door bedrijf 2 niet betaald.

Tijdens de vergadering van de RvC op 13 november 2006 is door de verdachte gemeld dat het contract met getuige inmiddels mondeling was verlengd en dat verdachte dacht dat dit een goede zet was, omdat de prestaties goed en de afspraken over de afdracht gunstig waren.

Medio december 2006 heeft verdachte betrokkene 3 van bedrijf 8 benaderd met de vraag of belangstelling bestond om de horeca in bedrijf 9 en de bedrijf 4 te gaan exploiteren per 1 april 2007. Eind december 2006 heeft hij bedrijf 8 een kopie van de overeenkomst met getuige verstrekt en vervolgens heeft de verdachte in diverse gesprekken met betrokkene 3 de nodige toelichting gegeven en inzage gegeven in de omzetgegevens. Op 29 januari 2007 is door de verdachte, namens bedrijf 9, vervolgens een intentieverklaring getekend, onder meer inhoudende dat bedrijf 9 bereid is de lopende overeenkomst met bedrijf 2 welke per 31 maart 2007 afloopt, te beëindigen en een nieuwe overeenkomst te sluiten met bedrijf 8. Op 1 februari 2007 heeft de verdachte op briefpapier van bedrijf 3, als onderdeel van de bedrijf 3, een declaratie gestuurd aan bedrijf 8, ter attentie van betrokkene 3 en ten bedrage van €23.800,00, met als omschrijving: “Zoals overeengekomen doen wij u hierbij, onze nota ten behoeve van management werkzaamheden bij uw onderneming toekomen.” Op 9 februari 2007 heeft de verdachte de exploitatieovereenkomst ter ondertekening aan betrokkene 3 toegezonden. Op 13 februari 2007 heeft de verdachte per e-mail het contract met bedrijf 2 beëindigd. Op 14 februari 2007 heeft betrokkene 3 aan de verdachte laten weten met de inhoud van de exploitatieovereenkomst te kunnen instemmen, maar deze nog niet te kunnen tekenen omdat nog een aantal zaken met getuige diende te worden afgestemd, zoals het over te nemen personeel, de voorraden en eventuele inventaris. Op 15 februari 2007 is het aan bedrijf 8 in rekening gebrachte bedrag van €23.800,00 op de rekening van bedrijf 3 bijgeschreven. Op 27 juli 2007 is bedrijf 1/bedrijf 9 uiteindelijk een cateringcontract met bedrijf 8 aangegaan.

Ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht

Het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van het Wetboek van Strafrecht moet op grond van de geldende jurisprudentie aldus worden uitgelegd dat daaronder tevens is begrepen: degene die onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarmee vallen onder omstandigheden ook medewerkers van geprivatiseerde organisaties met een publieke taak onder het bereik van dit begrip.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte in de ten laste gelegde periode kan worden aangemerkt als ambtenaar in de hiervoor bedoelde zin, dient als eerste te worden vastgesteld of aan de functie die de verdachte vervulde een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarbij is het volgende van belang.

Met ingang van 1 oktober 2001 is bedrijf 1 met bedrijf 3 een overeenkomst aangegaan tot voorzetting van het interim-management van de verdachte, waarbij de verdachte in opdracht van bedrijf 1 is belast met het voeren van de directie in de onderneming van bedrijf 1 en bedrijf 9.

Volgens haar statutaire doelstelling, zoals hiervoor als citaat weergegeven, hield bedrijf 1 zich bezig met het bevorderen van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen. De verdachte was in het bijzonder belast met de uitvoering van het Plan van aanpak N.V. bedrijf 1 2005 en de afspraken zoals vastgelegd in de Budgetovereenkomst 2002-2005 tussen de gemeente Nijmegen en bedrijf 1. De verdachte diende daarbij jaarlijks 250 culturele voorstellingen met een minimum aantal bezoekers per jaar te verzorgen. Tevens was overeengekomen dat de verdachte een reorganisatie zou realiseren conform de geformuleerde doelstellingen in het ‘plan van aanpak 2002-2005’ (onder meer door de reductie van personele lasten en het financieel rendabel maken van het bedrijfsonderdeel Horeca) en dat aanvullende subsidievoorwaarden zouden worden gerealiseerd, voortkomend uit de Cultuurvisie van de gemeente Nijmegen. Een en ander diende te leiden tot een financieel en bedrijfsmatig gezond cultureel bedrijf dat een podium biedt aan professionele kunstdisciplines in Nijmegen.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is het hof van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde uiterlijke kenmerken, sprake is van een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. De verdachte was in de uitoefening van zijn taken gebonden aan de statutaire doelstelling van bedrijf 1, de Budgetovereenkomst 2002-2005 van de gemeente Nijmegen en de Cultuurvisie van de gemeente Nijmegen. De verdachte was niet alleen verantwoordelijk voor de catering van de bedrijf 4 en het bedrijf 9 maar voor de totale exploitatie, ter bevordering van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen en ter realisering van het gemeentelijk cultuurbeleid.

Voorts dient te worden beoordeeld of de verdachte zijn werkzaamheden als directeur van bedrijf 1 onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid heeft verricht. Hierbij gaat het hof uit van het volgende. De gemeente Nijmegen was enig aandeelhouder van bedrijf 1. Bij het aangaan van genoemde managementovereenkomst met de (holding) van de verdachte werd bedrijf 1 vertegenwoordigd door de wethouder van de gemeente Nijmegen en de voorzitter van de RvC van bedrijf 1. Op grond van de overeenkomst diende de verdachte de RvC en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van bedrijf 1 nauwkeurig op de hoogte te houden van alle werkzaamheden en diende hij de RvC en de AVA tijdig de verlangde gegevens en informatie te verstrekken met betrekking tot deze werkzaamheden. Daarnaast was de verdachte aan de RvC en de AVA verantwoording verschuldigd over de wijze waarop hij de werkzaamheden verrichtte.

De verdachte kon als directeur door de AVA worden geschorst en ontslagen. Ook de RvC was bevoegd de verdachte in zijn functie als directeur te schorsen. De leden van de RvC van bedrijf 1 werden door de AVA benoemd, geschorst en ontslagen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, buiten de reguliere vergaderingen om, in het kader van zijn taken regelmatig overleg had met ambtenaren van de gemeente.

Op grond hiervan is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verdachte in de uitvoering van zijn werkzaamheden als directeur van bedrijf 1 onder toezicht en controle van de (gemeentelijke) overheid stond.

Voorgaande vaststellingen omtrent het openbare karakter van en het publieke toezicht en controle op de door de verdachte als directeur van bedrijf 1 verrichtte werkzaamheden leiden tot het oordeel van het hof dat de verdachte in de tenlastegelegde periode kon worden aangemerkt als ambtenaar i.d.z.v. de artikelen 366, 362 en 363 Sr.

Dwaling

Het betoog van de raadsvrouw dat het de verdachte niet bekend was dat hij ambtenaar was, kan niet leiden tot vrijspraak, dan wel ontslag van rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, nu het bestanddeel ‘als ambtenaar’ in de tenlastelegging is geobjectiveerd en derhalve is onttrokken aan enig opzetvereiste.

Bewezenverklaring

Als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf  van 180 uren en een geldboete van €20.000. Het hof bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 4 termijnen van 3 maanden, elke termijn groot €5.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Oprekking begrip ‘ambtenaar’

In 2009 oordeelde de Hoge Raad nog dat een aspirant-hoofdconducteur van de NS niet onder het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van art. 267 Sr en 304 Sr viel. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat de aspirant-hoofdconducteurs kunnen worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat de aspirant-hoofdconducteurs ten tijde van de feiten in dienst waren bij de privaatrechtelijke rechtspersoon N.V. Nederlandse Spoorwegen, niet de hoedanigheid hadden van buitengewoon opsporingsambtenaar en niet waren aangesteld “onder (direct) toezicht en verantwoording van de overheid”.

 

Print Friendly and PDF ^

Lagere straffen voor verdachten Havenfraude

Op 30 juni heeft het Hof Den Haag uitspraak gedaan in de zaken van bedrijvendokter Van den Nieuwenhuizen en voormalig havendirecteur Scholten in de zogenaamde Havenfraude. De zaak speelde van het begin van deze eeuw tot in de zomer van 2004. Het Haagse hof heeft Van den Nieuwenhuizen wegens omkoping en valsheid in geschrift veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 285 dagen voorwaardelijk, en daarnaast tot een geldboete van 150.000 euro. De voormalig havendirecteur, die zich volgens het hof heeft laten omkopen door Van den Nieuwenhuizen, kreeg een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd en een geldboete van 75.000 euro.

Omkoping

Het hof acht bewezen dat Van den Nieuwenhuizen de voormalig havendirecteur heeft omgekocht door hem zonder reële vergoeding een luxe appartement in Antwerpen in gebruik te geven. Daarnaast heeft hij een bedrag van 1,2 miljoen euro op een Zwitserse bankrekening van de man gestort. Van den Nieuwenhuizen wilde met de omkoping bereiken dat zijn RDM-concern een voorkeursbehandeling zou krijgen van de invloedrijke havendirecteur. Dat is ook gelukt: de havendirecteur heeft er eigenhandig voor gezorgd dat het Rotterdamse Havenbedrijf in die jaren voor meer dan 180 miljoen euro aan garanties heeft verstrekt aan banken, waardoor het RDM-concern bij die banken geldleningen kon afsluiten. Het hof acht bewezen dat de havendirecteur zich in dat verband ook schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, met name in bepaalde certificaten en in 2 jaarverslagen van het Havenbedrijf. Het hof is het niet eens met het Openbaar Ministerie dat het handelen van deze verdachte ook kan worden aangemerkt als oplichting van de gemeente Rotterdam en de banken. Daarvan is hij vrijgesproken. Van den Nieuwenhuizen is behalve voor omkoping ook veroordeeld voor valsheid in geschrifte van een overeenkomst.

Vrijspraak faillissementsfraude

 

In tegenstelling tot de rechtbank, spreekt het hof Van den Nieuwenhuizen vrij van een drietal verdenkingen van faillissementsfraude bij verschillende vennootschappen van het RDM-concern, evenals van een paar daarmee verband houdende beschuldigingen. Ook heeft het hof niet bewezen geacht dat hij in 2007 in het bezit was van een diplomatiek paspoort, waarvan hij wist of moest vermoeden dat het vervalst was.

Redelijke termijn

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ouderdom van de feiten en de lange duur van de procedure. Ook de maatschappelijke gevolgen van de zaak voor de verdachten heeft het hof meegewogen.

Eis OM

Het Openbaar Ministerie had zich op het standpunt gesteld dat alle aan de verdachten verweten feiten bewezenverklaard konden worden en had tegen de ondernemer een gevangenisstraf van 5 jaar en tegen de havendirecteur een gevangenisstraf van 2 ½  jaar geëist. Eerder had de rechtbank meer feiten bewezen geacht en de verdachten tot gevangenisstraffen veroordeeld van 30 maanden, respectievelijk 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordelingen wegens oplichting van de gemeente Tiel

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4462 Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan oplichting, valsheid in geschrift en witwassen van een omvangrijk bedrag. Hij was eigenaar van bedrijf 1 en bedrijf 2.

Medeverdachte was als werkcoach bij de gemeente Tiel verantwoordelijk voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden (ook wel klanten genoemd) en sloot in dit verband overeenkomsten met bedrijven die werkplaatsen, begeleiding en/of cursussen dienden te verzorgen voor deze klanten. Dit alles met het uiteindelijke doel om voor de uitkeringsgerechtigden een plek te vinden binnen het reguliere arbeidsproces. Verdachte heeft de valse facturen van zijn bedrijven ingediend bij de gemeente aan de hand van de gegevens die hij (middellijk of onmiddellijk) kreeg van medeverdachte. De prestaties als vermeld op de facturen en ingevoerd door medeverdachte in het digitale systeem van de gemeente Tiel zijn echter nooit door verdachtes bedrijven verricht of aangeboden. Op de facturen afkomstig van deze bedrijven stonden bijvoorbeeld namen genoemd van klanten die op dat moment helemaal geen uitkering genoten en/of al enige tijd niet meer woonachtig waren in één van de desbetreffende gemeenten. De gemeenten zijn door deze valsheden opgelicht en hebben aan deze bedrijven in totaal ruim €290.000 betaald. Van dit bedrag is een aanzienlijk deel bij verdachte terecht gekomen. Pas na een melding van de ING-bank is deze zaak aan het rollen gekomen. Als de bank geen melding had gedaan, is het maar de vraag of en wanneer deze fraude was opgemerkt. Verdachte is in ieder geval niet uit eigener beweging gestopt met deze strafbare gedragingen.

Verdachte heeft op een zeer intensieve en geraffineerde wijze bovenstaande delicten gepleegd, enkel om er financieel beter van te worden. Hij heeft zonder enige terughoudendheid facturen opgemaakt naar aanleiding van de informatie die hij ontving van medeverdachte.

Verdachte is met zijn bedrijf 1 nog steeds op de zakelijke markt actief. Daarnaast blijkt verdachte, gezien zijn uitlatingen ter terechtzitting van het hof, het normaal te vinden om steekpenningen te betalen en zodoende opdrachten voor zijn bedrijf binnen te halen. Verdachte zag er ook geen been in om aan de medeverdachte, van wie hij meende dat zij bij de gemeente in dienst was, een cashback te betalen. Het hof is van oordeel dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat aan een ambtenaar een cashback wordt betaald. Daarbij komt nog dat verdachte tussen de 50% en 70 % van het door hem ten onrechte ontvangen bedrag aan de medeverdachte heeft betaald. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de bedragen die hij aan mevrouw n gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4463

De werkcoach wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrifte

Gerechtshof Den Haag 19 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4625 De verdachte en haar mededader hebben niet voldaan aan de verplichting om de administratie van hun onderneming te blijven voeren. Voorts hebben de verdachte en haar mededader een deel van de inventaris aan de failliete onderneming onttrokken, waardoor deze buiten het beheer van de curator werd gehouden. Daardoor hebben zij de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt en andere crediteuren van de onderneming benadeeld. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. 

Verdachte wordt voor feit 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De straf ter zake van het onder 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde levert op een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Tot slot wordt de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake tot het bedrag van € 15.155,53 toegewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens het overbrengen van afvalstoffen zonder kennisgeving

Gerechtshof Den Haag 6 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1408 De verdachte was bezig met het overbrengen van drie containers met afvalstoffen van Duitsland, via Nederland naar Singapore, zonder kennisgeving aan (en daarop de toestemming van) de bevoegde autoriteiten. 

Verweren

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het bestanddeel opzet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Vooropgesteld dient te worden dat in het economisch strafrecht het begrip “opzet” in beginsel dient te worden uitgelegd als “kleurloos opzet”. Dit houdt in dat het opzet van de verdachte slechts behoeft te zijn gericht op de tenlastegelegde gedraging (in deze zaak: een handeling als bedoeld in art. 2 onder 35 sub a en/of b van de Verordening verrichten) en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. Gelet op de onderhavige tenlastelegging dient de opzet van de verdachte derhalve enkel gericht te zijn op het overbrengen van de drie containers met inhoud, terwijl die overbrenging geschiedt zonder kennisgeving hiervan aan of toestemming hiervoor van de bevoegde autoriteiten. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat de Questionnaire door Singapore ten tijde van het ten laste gelegde in 2008 al zou zijn beantwoord. Uit de aangeleverde gegevens door de advocaat-generaal - naar aanleiding van het verzoek van het hof in het tussenarrest van 28 januari 2015 - blijkt dit niet het geval te zijn. Ook dit verweer wordt dan ook verworpen. Het verweer dat erop ziet dat de advocaat-generaal het hiervoor bedoelde verzoek van het hof onvoldoende zorgvuldig heeft opgevolgd door geen navraag te doen bij de Europese Commissie zelf, treft geen doel. Verzocht was immers om onderzoek te doen; dit kon op andere wijze plaatsvinden dan door navraag bij de Europese Commissie te doen.

Bewezenverklaring

Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000, waarvan € 5.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft deelgenomen aan een georganiseerd verband waarin gebruik werd gemaakt van valse documenten om afdracht van BTW te ontlopen of ten onrechte BTW terug te vorderen

Gerechtshof Den Haag 1 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1400

De verdachte heeft deelgenomen aan een georganiseerd verband waarin gebruik werd gemaakt van valse documenten om afdracht van BTW te ontlopen of ten onrechteBTW terug te vorderen. De verdachte heeft daartoe valse facturen met betrekking tot aangekochte vrachtwagens in zijn (bedrijfs)administratie opgenomen.

De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift met de enkele bedoeling het systeem van de heffing van omzetbelasting te misbruiken. Dit handelen vond plaats in het verband van een criminele organisatie, waarvan de verdachte samen met de medeverdachte (mede)oprichter, bestuurder en leidinggever was.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 20.000, waarvan € 15.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast bepaalt het hof dat de geldboete van € 5.000 mag worden voldaan in 20 termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 250.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rechterlijk pardon in Leerplichtwetzaak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2093

Gelet op de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en de inhoud van het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar acht het hof ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 31 augustus 2012 tot en met 1 februari 2013, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere A niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten "Montessorischool", was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 en strafbaar gesteld in artikel 26, eerste lid, van diezelfde wet. Het wordt als volgt gekwalificeerd: als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd met het doel om het leerprobleem en de mede daardoor ontstane leerachterstand van de leerplichtige A aan te pakken; bovendien niet eerst nadat alternatieven niet het gewenste effect bleken te hebben en slechts één dag per week. De verdachte meent dat er sprake was van een noodtoestand.

Het hof begrijpt deze verklaring van de verdachte als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood en die geëigend is om aan die actuele concrete nood een eind te maken.

Anders dan de kantonrechter meent, is daarvan naar het oordeel van het hof geen sprake geweest. Het hof onderkent dat de verdachte en zijn echtgenote in een lastige positie verkeerden toen zij werden geconfronteerd met het gebrek aan basisvaardigheden en kennis bij hun zoon A. Het hof onderkent ook dat zij zich enorm hebben ingespannen om zijn leerprobleem en leerachterstand aan te pakken. Zo hebben zij informatie vergaard en naar aanleiding daarvan aan het einde van groep 5 besloten A van de reguliere basisschool over te plaatsen naar de “Montessorischool”. Op die school hebben zij gesprekken gevoerd, als gevolg waarvan A in groep 6 extra hulp van de docente kreeg. In groep 7 merkten zij dat A nog dermate achterliep dat het voor hem beter was om te doubleren; daartoe werd beslist. Er is bijles gegeven, zowel op school als thuis, A is uitgebreid getest en er is in overleg met de school een “rugzakje” (leerlinggebonden financiering) aangevraagd. Die aanvraag werd uiteindelijk afgewezen en in groep 8 was voor de verdachte de maat vol. Hij heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Nadat de aanvraag was afgewezen, werd er vanuit de school gezegd dat zij er niet veel meer aan konden doen. (…) De motivatie van A werd steeds slechter. Hij kreeg materialen aangeboden waar hij nauwelijks iets van leerde. In groep 8 miste hij op een gegeven moment te veel kennis. Vanuit school werd er niets gedaan. Toen was ik ‘pissed’ en dacht ik: ‘Ik hou hem een dag thuis’. Wij voelden ons ernstig tekortgedaan. Die dag merkten wij een wereld van verschil. (…) Wij hebben vervolgens een gesprek gehad met de school en de leerplichtambtenaar. Daarin hebben wij gezegd dat wij individueel onderwijs wilden geven. Vanuit de school werd alleen aangeboden om dat gedurende 2 uur op school te doen. (…) Wij hebben hem toen iedere vrijdag thuis gehouden om hem daar individueel onderwijs te geven. Ons dilemma, als ouders, was dat de Citotoets eraan zat te komen. (…) Op dat moment hadden wij het risico kunnen nemen om A - in een heug en meug situatie - in de avonduren en weekenden het nodige bij te brengen. Wij hebben gedaan wat het beste was om hem op niveau te krijgen. (…) Wij zijn hiermee in februari 2013, nadat de Citotoets was afgenomen, gestopt. Hoewel wij constateerden dat het individueel onderwijs een enorm effect had gehad, vonden wij dat de situatie van nood daar was geëindigd. (…) Wij vonden individueel onderwijs nog steeds belangrijk, maar gaven dat vanaf dat moment in de avonduren, in de weekenden en op school gedurende de aan ons aangeboden 2 uur.”

Uit deze verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat andere oplossingen voor het leerprobleem en de leerachterstand van A niet verder zijn onderzocht of beproefd. De maat was voor de verdachte vol en het aanbod van school om het individuele onderwijs gedurende 2 uur op school te geven, werd door de verdachte en zijn echtgenote afgeslagen.

Daar komt bij dat uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin is gebleken dat er sprake was van een actuele concrete nood. Die nood bleek niet uit de test die van A was afgenomen. Dat de uitkomst van die test mede het advies inhield om A nader te testen en dat dit advies niet door de school was overgenomen, zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, laat onverlet dat die nadere test ook op zijn eigen initiatief had kunnen worden afgenomen. Die keuze maakt dat de nood, zo die destijds heeft bestaan, niet is aangetoond. De persoonlijke opvatting van de verdachte en zijn echtgenote is, nu nader deskundig onderzoek naar eventuele alternatieven achterwege is gebleven, daartoe onvoldoende. Opmerking verdient in dit verband nog dat uit de hierboven aangehaalde verklaring van de verdachte niet zozeer een noodsituatie spreekt, maar meer de wens van de ouders dat hun kind een goed resultaat behaalt tijdens de Citotoets. Nadat de Citotoets was afgenomen, heeft de verdachte de overtreding immers gestaakt.

Het verweer van de verdachte moet daarom worden verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Strafoplegging

De advocaat-generaal, heeft in navolging van de officier van justitie, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 100, subsidiair 2 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Met die strafeis heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij niet twijfelt aan de goede intenties van de verdachte: hij meende met het overtreden van de Leerplichtwet 1969 het belang van zijn zoon te dienen.

Daar staat tegenover dat hij zonder rechtvaardigingsgrond, zoals hiervoor is overwogen, er bewust voor heeft gekozen om A op vrijdagen niet naar school te laten gaan. Ook het hof twijfelt niet aan de goede intenties van de verdachte, maar stelt tegelijk vast dat hij in strijd met de wet heeft gehandeld. Alleen vanwege de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, ziet het hof aanleiding toepassing te geven aan het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Vervolgingsuitsluitingsgrond art. 69, vierde lid, Awr is beperkt tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op art. 225, tweede lid, Sr

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2096 Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en is ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur alsmede tot een geldboete van € 15.000.

Ontvankelijkheid OM

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit, dan wel vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van die feiten dient te worden verklaard omdat de verdachte niet opzettelijk zou hebben gehandeld, althans dat dat niet kan worden vastgesteld, aldus de raadsvrouwe. Op grond van de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010 (verder: ATV-richtlijnen) had het openbaar ministerie aldus niet tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte mogen overgaan, omdat deze vervolgingsrichtlijnen alleen betrekking hebben op de opzettelijk begane strafbare feiten.

Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde dient het openbaar ministerie volgens de verdediging eveneens niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. De vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), zou door middel van een ruime interpretatie van het toepassingsbereik daarvan ook moeten gelden ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde eerste lid van artikel 225 Sr. Immers, de verdachte wordt blijkens de tekst van de tenlastelegging verweten het valselijk opmaken van de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiften omzetbelasting, hetgeen impliceert dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van de valse aangiften, hetgeen valt onder het bereik van artikel 225, tweede lid, Sr, althans zo verstaat het hof het verweer van de raadsvrouwe. De raadsvrouwe heeft in dat verband verwezen naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739), waarbij de rechtbank overwoog dat er ook gevallen denkbaar zijn waarin een vervolging op grond van het eerste lid van artikel 225 Sr in strijd is met het vierde lid van artikel 69 Awr.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.

Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. In het bijzonder staan de zogenoemde ATV-richtlijnen niet in de weg aan een vervolging van de verdachte. Onderhavige zaak valt volgens de van toepassing zijnde ATV-richtlijnen van 2010 in categorie I, feiten waarbij de verdenking (cursivering hof) was dat deze opzettelijk zijn begaan, en waarbij sprake is van een belastingnadeel van tussen € 10.000,-- (drempelbedrag voor particulieren) dan wel € 15.000,-- (drempelbedrag voor ondernemingen) en € 125.000,--. Of opzettelijk handelen ook daadwerkelijk kan worden bewezen is uiteindelijk aan de rechter. Het verweer onder A.1. treft aldus geen doel.

Het meest subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225, eerste lid, Sr, te weten het – kort gezegd – plegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken of vervalsen van aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1. Het hof overweegt voorts dat het een uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever om de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225, tweede lid, Sr. Het is niet aan de rechter om zulks uit te breiden.

Daarbij komt dat de uitleg die door de raadsvrouwe aan het eerder vermelde vonnis van de rechtbank is gegeven, namelijk dat ook in het onderhavige geval, waarin het ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225,eerste lid, Sr, de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr aan de orde kan zijn, berust op een verkeerde lezing van het vonnis. Immers, de betreffende uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant handelt over het voegen van valse facturen in de bedrijfsadministratie waarmee de facto sprake is van het voeren en voorhanden hebben van een valse bedrijfsadministratie. Omdat het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied, kan dit feit in de aangehaalde uitspraak worden vervolgd op grond van artikel 68 lid 1 onder d Awr. Het is strafbaar gesteld in artikel 69, lid 1 Awr en om die reden is op grond van artikel 69 lid 4 Awr, vervolging op grond van artikel 225 Sr uitgesloten. Daarvan is in de onderhavige zaak echter geen sprake. Ook het verweer onder A.2. treft geen doel.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is het hof, met de rechtbank en de procespartijen, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van feitelijk leidinggeven als bedoeld in artikel 51 Sr.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is het hof, met de verdediging maar anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat op basis van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting niet, althans met onvoldoende mate van zekerheid, kan worden vastgesteld dat sprake is van straffeloosheid van medeverdachte 1 dan wel van eigenaar medeverdachte 2, hetgeen een vereiste is voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm “doen plegen”.

Terzake de vrijspraak van het meer subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1.

Het hof stelt voorop dat de verdachte slechts als pleger van het onjuist doen van de op naam van medeverdachte 1 gestelde aangiften omzetbelasting kan worden aangemerkt, indien de verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft (vgl. Hoge Raad 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286). De aangiften omzetbelasting zijn uitgereikt op naam van medeverdachte 1. In de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is reeds in de jaren vijftig van vorige eeuw in de MvT, Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, blz. 14, rk., 6e al., voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld:

“De voorgestelde regeling wijkt in zover af van de bestaande, dat de verplichting tot het doen van aangifte steeds – dus ook met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen – eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.”

In de lijn met de wetsgeschiedenis volgt uit vaste jurisprudentie, dat de verdachte alleen tot het doen van aangifte was gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte (Hoge Raad 28 maart 1979, BNB 1979/170; Hoge Raad 21 oktober 1998, BNB 1999/7; Hoge Raad 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161).

Nu niet is gebleken dat verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangiften, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2341).

Voor het medeplegen acht het hof voorts onvoldoende bewijs voorhanden. Immers, niet kan worden vastgesteld dat er tussen verdachte en medeverdachte 1 dan wel tussen verdachte en (een ander of) anderen, zoals medeverdachte 1 en medeverdachte 2 en/of medeverdachte 1 en medeverdachte 3 sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat dit medeplegen zou opleveren. De verklaringen van medeverdachte 2 en de verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar en voor een mogelijke betrokkenheid van medeverdachte 3 zoals door medeverdachte 2 is aangegeven bij de FIOD, is onvoldoende steunbewijs voorhanden.

Ten slotte overweegt het hof met betrekking tot het meest subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van valsheid in geschrift als volgt.

Zoals hiervoor reeds overwogen kan niet worden vastgesteld dat tussen verdachte en een ander of anderen een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Voor een bewezenverklaring van medeplegen bevat het dossier aldus onvoldoende bewijs.

Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet rechtstreeks worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de aangiften valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst. Uit het dossier kan, naar het oordeel van hof, evenmin met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld, dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De ten laste gelegde aangiften zijn, zo blijkt uit het dossier, binnengekomen met behulp van een softwarepakket op de computersystemen van de rijksbelastingdienst door tussenkomst van bedrijf verdachte. Uit het dossier volgt echter ook dat het mogelijk was om vanuit het kantoor van medeverdachte 1 in

’s-Gravenpolder in te loggen op de server van verdachte en toegang te krijgen tot het boekhoudprogramma. Volgens verdachte was het ook mogelijk om vanuit ’s-Gravenpolder het aangifteprogramma Primaccount te raadplegen en daarin wijzigingen aan te brengen. Ook konden de aangiften, volgens verdachte, vanuit ’s-Gravenpolder op elektronische wijze bij de rijksbelastingdienst worden ingediend.

Het aangifteprogramma Primaccount is, na onderzoek door de FIOD, niet aangetroffen op de servercomputer van verdachte. Volgens verdachte is dit te verklaren doordat het programma via een externe schijf was gekoppeld aan de servercomputer en die koppeling er niet meer was ten tijde van het onderzoek door de FIOD. Ook deze stelling is door de FIOD onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen harde schijf met de server verbonden is geweest waarop het programma Primaccount heeft gestaan.

In het onderzoek is de directeur van medeverdachte 1, medeverdachte 2, aanvankelijk als getuige maar later tevens als verdachte gehoord, doch hij heeft verklaard dat hij nooit een aangifte omzetbelasting van medeverdachte 1 heeft aangepast of ingediend bij de rijksbelastingdienst.

Medeverdachte 3 toentertijd werkzaam bij medeverdachte 1, heeft aanvankelijk verklaard dat de bedragen in de aangiften omzetbelasting ten name van medeverdachte 1 door verdachte in overleg met medeverdachte 2 werden gewijzigd. Later is medeverdachte 3 op zijn verklaring teruggekomen waar het gaat om de betrokkenheid van verdachte.

Voorts neemt het hof in ogenschouw dat onduidelijk is en blijft wat het motief voor de verdachte zou zijn geweest. In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat bedragen ten goede zijn gekomen aan familie van verdachte. De geldstromen tussen verdachte en medeverdachte 1 zijn echter niet (volledig) onderzocht, zodat er geen bewijs is dat de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting geheel door verdachte is genoten. Daarbij is van belang dat er geen vermogensvergelijking aan de zijde van (met name) verdachte heeft plaatsgevonden. Door het ontbreken van vermogensvergelijkingen ten aanzien van verdachte en medeverdachte 3 en medeverdachte 1 ontbreekt het bewijs wie heeft geprofiteerd van de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting.

Hoewel het dossier derhalve sterke aanwijzingen bevat die duiden op een directe betrokkenheid van de verdachte bij de valsheid/vervalsing, zijn er bij het hof twijfels blijven bestaan over de precieze gang van zaken, hetgeen in het voordeel van de verdachte moet worden uitgelegd. Alles overziende komt het hof, anders dan de rechtbank en anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, tot een integrale vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^