Rechterlijk pardon in Leerplichtwetzaak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2093

Gelet op de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en de inhoud van het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar acht het hof ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 31 augustus 2012 tot en met 1 februari 2013, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere A niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten "Montessorischool", was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 en strafbaar gesteld in artikel 26, eerste lid, van diezelfde wet. Het wordt als volgt gekwalificeerd: als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd met het doel om het leerprobleem en de mede daardoor ontstane leerachterstand van de leerplichtige A aan te pakken; bovendien niet eerst nadat alternatieven niet het gewenste effect bleken te hebben en slechts één dag per week. De verdachte meent dat er sprake was van een noodtoestand.

Het hof begrijpt deze verklaring van de verdachte als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood en die geëigend is om aan die actuele concrete nood een eind te maken.

Anders dan de kantonrechter meent, is daarvan naar het oordeel van het hof geen sprake geweest. Het hof onderkent dat de verdachte en zijn echtgenote in een lastige positie verkeerden toen zij werden geconfronteerd met het gebrek aan basisvaardigheden en kennis bij hun zoon A. Het hof onderkent ook dat zij zich enorm hebben ingespannen om zijn leerprobleem en leerachterstand aan te pakken. Zo hebben zij informatie vergaard en naar aanleiding daarvan aan het einde van groep 5 besloten A van de reguliere basisschool over te plaatsen naar de “Montessorischool”. Op die school hebben zij gesprekken gevoerd, als gevolg waarvan A in groep 6 extra hulp van de docente kreeg. In groep 7 merkten zij dat A nog dermate achterliep dat het voor hem beter was om te doubleren; daartoe werd beslist. Er is bijles gegeven, zowel op school als thuis, A is uitgebreid getest en er is in overleg met de school een “rugzakje” (leerlinggebonden financiering) aangevraagd. Die aanvraag werd uiteindelijk afgewezen en in groep 8 was voor de verdachte de maat vol. Hij heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Nadat de aanvraag was afgewezen, werd er vanuit de school gezegd dat zij er niet veel meer aan konden doen. (…) De motivatie van A werd steeds slechter. Hij kreeg materialen aangeboden waar hij nauwelijks iets van leerde. In groep 8 miste hij op een gegeven moment te veel kennis. Vanuit school werd er niets gedaan. Toen was ik ‘pissed’ en dacht ik: ‘Ik hou hem een dag thuis’. Wij voelden ons ernstig tekortgedaan. Die dag merkten wij een wereld van verschil. (…) Wij hebben vervolgens een gesprek gehad met de school en de leerplichtambtenaar. Daarin hebben wij gezegd dat wij individueel onderwijs wilden geven. Vanuit de school werd alleen aangeboden om dat gedurende 2 uur op school te doen. (…) Wij hebben hem toen iedere vrijdag thuis gehouden om hem daar individueel onderwijs te geven. Ons dilemma, als ouders, was dat de Citotoets eraan zat te komen. (…) Op dat moment hadden wij het risico kunnen nemen om A - in een heug en meug situatie - in de avonduren en weekenden het nodige bij te brengen. Wij hebben gedaan wat het beste was om hem op niveau te krijgen. (…) Wij zijn hiermee in februari 2013, nadat de Citotoets was afgenomen, gestopt. Hoewel wij constateerden dat het individueel onderwijs een enorm effect had gehad, vonden wij dat de situatie van nood daar was geëindigd. (…) Wij vonden individueel onderwijs nog steeds belangrijk, maar gaven dat vanaf dat moment in de avonduren, in de weekenden en op school gedurende de aan ons aangeboden 2 uur.”

Uit deze verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat andere oplossingen voor het leerprobleem en de leerachterstand van A niet verder zijn onderzocht of beproefd. De maat was voor de verdachte vol en het aanbod van school om het individuele onderwijs gedurende 2 uur op school te geven, werd door de verdachte en zijn echtgenote afgeslagen.

Daar komt bij dat uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin is gebleken dat er sprake was van een actuele concrete nood. Die nood bleek niet uit de test die van A was afgenomen. Dat de uitkomst van die test mede het advies inhield om A nader te testen en dat dit advies niet door de school was overgenomen, zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, laat onverlet dat die nadere test ook op zijn eigen initiatief had kunnen worden afgenomen. Die keuze maakt dat de nood, zo die destijds heeft bestaan, niet is aangetoond. De persoonlijke opvatting van de verdachte en zijn echtgenote is, nu nader deskundig onderzoek naar eventuele alternatieven achterwege is gebleven, daartoe onvoldoende. Opmerking verdient in dit verband nog dat uit de hierboven aangehaalde verklaring van de verdachte niet zozeer een noodsituatie spreekt, maar meer de wens van de ouders dat hun kind een goed resultaat behaalt tijdens de Citotoets. Nadat de Citotoets was afgenomen, heeft de verdachte de overtreding immers gestaakt.

Het verweer van de verdachte moet daarom worden verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Strafoplegging

De advocaat-generaal, heeft in navolging van de officier van justitie, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 100, subsidiair 2 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Met die strafeis heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij niet twijfelt aan de goede intenties van de verdachte: hij meende met het overtreden van de Leerplichtwet 1969 het belang van zijn zoon te dienen.

Daar staat tegenover dat hij zonder rechtvaardigingsgrond, zoals hiervoor is overwogen, er bewust voor heeft gekozen om A op vrijdagen niet naar school te laten gaan. Ook het hof twijfelt niet aan de goede intenties van de verdachte, maar stelt tegelijk vast dat hij in strijd met de wet heeft gehandeld. Alleen vanwege de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, ziet het hof aanleiding toepassing te geven aan het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF