Het Hof wijst het verzoek ex artikel 591a Sv af en stelt dat niet is gebleken kosten voor verzoeker zijn voorgeschoten onder de verplichting tot terugbetaling

Gerechtshof ’s-Gravenhage 20 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:5223

Bij brief van 11 mei 2011 heeft de officier van justitie aan verzoeker medegedeeld dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd omdat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt (sepotcode 01).

Verzoeker heeft vervolgens bij een op 19 juni 2012 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoekschrift verzocht hem op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 62.936,60 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, alsmede een bedrag van € 540,- als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en behandelen in raadkamer van het onderhavige verzoekschrift.

De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2011 het verzoek afgewezen omdat de bij het verzoekschrift gevoegde declaraties ter zake van kosten rechtsbijstand in de strafzaak tegen verzoeker telkens op naam zijn gesteld van en zijn ingediend bij B.V. en die declaraties ook zijn voldaan door B.V., terwijl niet is gebleken dat B.V. deze kosten voor verzoeker heeft voorgeschoten onder de verplichting van verzoeker tot terugbetaling van dat voorschot, zodat er –aldus de rechtbank- geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de kosten voor rechtsbijstand metterdaad en direct ten laste van verzoeker zijn gekomen.

Namens verzoeker is op 19 juni 2012 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 29 november 2012 in raadkamer behandeld. In raadkamer is gehoord de advocaat-generaal mr. Strack.

Verzoeker en diens advocaat mr. Dorsman zijn –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof kennis genomen van de appelschriftuur van verzoeker van 18 juni 2012, waarin wordt bepleit dat –hoewel de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak tegen verzoeker bij de vennootschap (naar het hof begrijpt: B.V.) zijn gefactureerd en ook door deze vennootschap zijn voldaan- het onvergoed blijven van de kosten van rechtsbijstand onaanvaardbaar is, nu de gemaakte kosten voor rechtsbijstand feitelijk ten laste van het vermogen van verzoeker zijn gekomen nu verzoeker enig aandeelhouder van die vennootschap is.

Naar het oordeel van het hof miskent deze stelling dat in een situatie als de onderhavige -reeds op basis van de daarvoor geldende civielrechtelijke en fiscale wettelijke bepalingen- een strikte scheiding geldt tussen de vermogensrechtelijke positie van verzoeker privé en die van de vennootschap. Derhalve kan niet worden gezegd dat kosten die door de vennootschap zijn gedragen moeten worden geacht ook ten laste te zijn gekomen van verzoeker in privé.

Nu ook in hoger beroep niet is gebleken dat voor verzoeker een onvoorwaardelijke verplichting bestaat tot terugbetaling van het totaalbedrag van de declaraties in zijn strafzaak aan de vennootschap en ook niet dat verzoeker zelf enige betaling in verband met kosten van rechtsbijstand in zijn strafzaak heeft verricht, heeft de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep het hof niet tot andere beschouwingen en beslissingen gebracht dan die van de eerste rechter.

Het hoger beroep moet derhalve worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof legt bepaling over opslag “brand- of explosiegevaarlijke stoffen” uit tegen de achtergrond van de totstandkomingsgeschiedenis van het vergunningsvoorschrift

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4215

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’ veroordeeld tot een geldboete van EUR 2.000.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij op 7 september 2010 in de gemeente Maastricht, terwijl aan bedrijf door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan die vergunning, immers bevond zich in strijd met voorschrift G.2. onder f. brandbaar materiaal binnen een strook van 40 meter breed onder de hoogspanningslijn.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen (pag. V-1), in samenhang met de bijbehorende foto F3, onvoldoende bewijs levert voor het begaan van het ten laste gelegde feit, omdat daaruit niet blijkt dat sprake is van brandbaar materiaal. De enkele vaststelling dat bouw- en sloopafval was opgeslagen is daartoe onvoldoende, omdat dergelijk afval niet per definitie ook brandbaar materiaal is. In dat kader is door de verdediging als definitie van brandbare stoffen gehanteerd “stoffen die met lucht (zuurstof) kunnen reageren onder vlamverschijnselen, ook nadat een eventuele ontstekingsbron is weggenomen”. Bovendien noemt het betreffende vergunningvoorschrift zelf bouw- en sloopafval niet als aparte categorie brandbaar materiaal, aldus de verdediging.

Tevens heeft de verdediging gewezen op de uitspraak van de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, van 24 juli 2013 (201206839/1/A4), waarin het hoger beroep werd behandeld van verdachte tegen aan haar opgelegde lasten onder dwangsom wegens overtreding van (onder meer) voorschrift G.2.f, waarin de Raad van State in de visie van de verdediging erg voorzichtig is in zijn oordeel. In dat verband is gewezen op de volgende overweging uit die uitspraak: ‘De redactie van voorschrift G2 sluit niet uit dat onder brandgevaarlijke stoffen in onderdeel f van voorschrift G2 mede worden verstaan de brandbare materialen, bedoeld in de aanhef van dit voorschrift’.

Het hof heeft volgens de verdediging echter een eigen verantwoordelijkheid bij de uitleg van vergunningvoorschrift G.2.f. en verzoekt het hof die uitlegt dan ook te geven.

Het hof overweegt het volgende.

Het besluit van 25 januari 2005 van Gedeputeerde Staten van Limburg houdt in dat zij bij dat besluit hebben beslist op de op 23 juli 2004 namens bedrijf ingediende aanvraag van een revisievergunning voor de inrichting. Bij dit besluit is de vergunning verleend aan bedrijf In de bij de vergunning gevoegde voorschriften is onder onderdeel G (dossierpagina’s 34 en 35) een aantal veiligheidsvoorschriften opgenomen.

Onder G.2. zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot:

‘Opslagcompartimenten van hout of andere brandbare materialen (onderstreping hof) als afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, papierrejects, kleding en textiel.’

G.2. onder f luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

‘Onder de hoogspanningslijn dient een strook van ten minste 40 meter breed vrij te blijven van de opslag vanbrand- of explosiegevaarlijke stoffen (onderstreping hof) (…).

Het hof stelt voorop dat voorschriften die worden verbonden aan een vergunning, zo ook het hiervoor genoemde voorschrift, in beginsel dienen te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de aanvraag van deze vergunning.

In dat verband heeft het hof met betrekking tot verdachte acht geslagen op het volgende.

Tegen de namens verdachte op 23 juli 2004 ingediende aanvraag van een revisievergunning heeft Essent Netwerk Limburg B.V. (hierna: Essent) bedenkingen ingebracht (dossierpagina 19). Essent zou vanwege de aanwezigheid van een hoogspanningslijn in verband met de mogelijke gevaren voor personen en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsvoorziening in de vergunning willen zien opgenomen, dat: “in de 40 meter brede strook (…) geen brand- of explosiegevaarlijke stoffen mogen worden opgeslagen. Het betreft dan in ieder geval de opslag van afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel.”

Naar het oordeel van Gedeputeerde Staten was deze bedenking van Essent terecht. Gedeputeerde Staten heeft daartoe het volgende overwogen:

“Vanwege de aanwezigheid van de hoogspanningslijn dient vanwege de gevaren voor personen en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsvoorziening een 40 meter brede strook vrij te blijven van de opslag van brand- of explosiegevaarlijke stoffen. Het betreft dan in ieder geval de opslag van afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel (onderstreping hof). Een dergelijk voorschrift zal aan de vergunning worden toegevoegd.”

Het hof is van oordeel dat uit bovengenoemde bedenking en de overweging daaromtrent van Gedeputeerde Staten duidelijk blijkt wat de oorsprong is van het voorschrift G.2.f en eveneens wat de strekking is van dat voorschrift. Deze strekking sluit blijkens de specificatie opgenomen in de hierboven weergegeven passages niet aan bij de door de verdediging gehanteerde definitie van het begrip brandbare stoffen.

Bij Besluit van 14 november 2006 heeft Gedeputeerde Staten van Limburg beslist op een volgende namens bedrijf ingediende aanvraag voor een veranderingsvergunning (dossierpagina’s 45 tot en met 65). Met betrekking tot deze aanvraag is namens bedrijf 2 (een in de nabijheid van verdachte gelegen bedrijf) de zienswijze ingebracht, dat voorschrift G.2.f niet realiseerbaar is vanwege de afstand tot de hoogspanningslijnen en de te vergunnen opslagcapaciteiten, zodat de aanvraag zou moeten worden afgewezen (dossierpagina 58, onder 11).

Gedeputeerde Staten heeft daaromtrent als volgt overwogen (dossierpagina 61, onder Ad. 11):

“ (…) is het wel degelijk mogelijk uitvoering te geven aan voorschrift G.2.f. Binnen een strook van 40 meter mag namelijk geen brandbaar materiaal opgeslagen worden. Daarbuiten mag (…) opslag vanbrandbaar materiaal (onderstreping hof) plaatsvinden.”

Het besluit van 14 november 2006 houdt onder meer in dat het voorschrift G.2., zoals dat was opgenomen in de meergenoemde vergunning van 25 januari 2005, werd vervangen door een nieuw voorschrift G.2.

Dat voorschrift luidt in het besluit van 14 november 2006 als volgt:

G.2. ‘Opslagcompartimenten van hout of andere brandbare materialen (onderstreping hof) als afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, papierrejects, kleding en textiel.’

(…)

f. ‘Onder de hoogspanningslijn dient een strook van ten minste 40 meter breed vrij te blijven van de opslag vanbrand- of explosiegevaarlijke stoffen (onderstreping hof) (…).

Het hof heeft met de raadsman vastgesteld dat de tekst van voorschrift G.2. aanhef en onder f. in beide vergunningen gelijkluidend is.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de bovenbeschreven totstandkomingsgeschiedenis van voorschrift G.2.f, waaruit naar het oordeel van het hof de strekking duidelijk blijkt van dat voorschrift, is het hof dan ook van oordeel dat het te dezen toepasselijke voorschrift G.2.f. van de veranderingsvergunning uit 2006, niet anders kan worden uitgelegd, dan dat onder het containerbegrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ de brandbare materialen vallen zoals die worden genoemd in de aanhef van G.2. Het hof is tevens van oordeel dat het niet anders kan dan dat ook voor verdachte voldoende duidelijk was wat wel en niet opgeslagen mocht worden binnen een strook van 40 meter onder de hoogspanningslijn.

Dat het ‘Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route’ (kortweg ADR; het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg) andere definities gebruikt, waarop de verdediging heeft gewezen, doet aan het voorgaande niet af. Het hof is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot een ander oordeel.

Nu verdachte een mengvorm van materialen waaronder een of meer van de in aanhef van G.2. genoemde materialen op een hoop had opgeslagen binnen een strook van 40 meter onder de hoogspanningslijn, is het hof van oordeel dat daarmee sprake was van brandbaar materiaal – dat zoals zojuist overwogen valt onder de werking van voorschrift G.2.f. – dat op die plaats in strijd met voorschrift G.2.f was opgeslagen.

Voorts overweegt het hof dat uit de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal van politie, blijkt dat de verdachte bekend was met de destijds vigerende vergunning van 14 november 2006 en de vergunning van 25 januari 2005. Het hof acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het ten laste gelegde feit geen overtreding van vergunningvoorschrift G.2.f. oplevert. Immers, ten laste gelegd is de opslag van brandbare materialen, terwijl het vergunningvoorschrift spreekt over brand- of explosiegevaarlijke stoffen, hetgeen iets wezenlijks anders is. Het onderscheid tussen deze beide stoffen kan dan ook niet zonder strijd met het legaliteitsbeginsel te komen worden weggepoetst. Voorts heeft de raadsman betoogd dat er sprake zou zijn van schending van het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in – onder meer – art. 1 van het wetboek van strafrecht.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals het hof onder het opschrift ‘bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’ heeft overwogen moet het voorschrift G.2.f. zo worden uitgelegd dat ‘brandbare materialen’ onderdeel uitmaken van het containerbegrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’. Het proces-verbaal inhoudende dat er ‘brandbaar materiaal’ is aangetroffen kan daarom worden gebruikt – en wordt daartoe ook gebruikt – voor het bewijs dat er ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ ter plaatse werden aangetroffen.

Dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit kan opleveren treft daarom geen doel.

Gelet op de tekst van bepaling G.2 aanhef en onder f en de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van het voorschrift G.2.f acht het hof, anders dan de raadsman, geen strijd met het legaliteitsbeginsel (het lex certa beginsel) aanwezig.

Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 2.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank op een verzoek ex art. 591a Sv en kent aan appellant een lagere vergoeding toe dan is verzocht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6595

Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank te Utrecht van 11 mei 2012 is appellant vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het inleidend verzoekschrift houdt in dat verzocht wordt om een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de schade die appellant tengevolge van tijdverzuim door de behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft geleden en in de kosten van de raadsvrouw, in totaal ter hoogte van € 64.276,34 inclusief BTW, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van dit verzoekschrift.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist dat aan appellant wordt toegekend een vergoeding ten bedrage van € 16.282 en is het verzoek voor het overige afgewezen.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.

Door en namens appellant is als grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd dat de opgevoerde kosten voor rechtsbijstand daadwerkelijk gemaakte kosten zijn en dat deze kosten noodzakelijk waren voor het behalen van het uiteindelijke resultaat. Voor het overige hebben appellant en zijn raadsvrouw volhard bij hetgeen in het inleidend verzoekschrift is aangevoerd en verzocht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep en tot vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand ter hoogte van € 10,000.=. De advocaat-generaal acht deze vergoeding, gelet ook op vergelijkbare zaken, redelijk. Het verzoek tot vergoeding van schade ten gevolge van tijdverzuim dient naar het oordeel van de advocaat-generaal te worden afgewezen.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman of raadsvrouw.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door tijdverzuim daadwerkelijk inkomstenderving heeft geleden wegens het bijwonen van de mini-instructie en de behandeling van de zaak door de politierechter in de rechtbank te Utrecht zodat die gevraagde vergoeding zal worden afgewezen.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman/raadsvrouw niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan appellant een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman/raadsvrouw en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman/raadsvrouw gedeclareerde tijd of het door hem/haar gehanteerde uurtarief.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. De zaak was naar aard juridisch noch feitelijk complex. Evenmin had deze een bijzonder omvang.

Dat brengt het hof tot het oordeel dat de gedeclareerde tijd bovenmatig geacht moeten worden. Hierbij is in het bijzonder gelet op de door de raadsvrouw in rekening gebrachte hoeveelheid voorbereidingstijd. Voorts is ook door twee advocaten tegelijkertijd aan de zaak gewerkt en zijn voor beide advocaten de volledige uren in rekening gebracht tegen een hoog uurtarief . Daarnaast komt overeenkomstig het beleid van het hof de gedeclareerde reistijd slechts voor de helft voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal gelet op het voorgaande tot een lagere vergoeding komen dan gevorderd en op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag van € 15.000 (inclusief BTW).

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan, nu het verzoekschrift in twee instanties is behandeld, in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 810 (inclusief BTW).

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan appellant toe een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 15.810.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen: de beslissing om verdachte te vervolgen was niet in strijd met de Richtlijnen AAFD

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4220

Verdachte is ter zake van:

  • opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, en
  • ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven

veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vervolging;
  • subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;
  • meer subsidiair dat er geen reden is voor oplegging van een gevangenisstraf.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet is voldaan aan de Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen van fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten, aangezien het nadeel minder dan € 125.000,00 bedraagt en geen sprake is van een uitzondering die toch een vervolging rechtvaardigt. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het deze zaak betreffend Pre-weeg document houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“2. Weegcriteria voor de specifieke BOD

Toets ATV-richtlijn

Cat Bedrag, fiscaal nadeel Toelichting
I In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag en minder dan € 125.000. OB nadeel € 113.050

Aspecten Toelichting
7 Geen bestuurlijke boete, anders dan door verjaring, mogelijk Zie hieronder

Middels de aangifte omzetbelasting over het 1e kwartaal van 2011 werd € 113.271 teruggevraagd. Dit is niet uitbetaald. In deze aangifte werd € 113.050,- geclaimd m.b.t. de vermoedelijk valse factuur t.n.v. [bedrijf 3]. Nu de teruggaaf is geblokkeerd, is een aanslag niet mogelijk. Ook het opleggen van een boete is niet mogelijk.”

De Richtlijnen AAFD (Stcrt. 2011, nr. 11782) houden – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: “De Richtlijnen AAFD zijn geschreven om de inzet van het strafrecht te concentreren op die zaken die een maatschappelijk effect hebben (bijvoorbeeld gevallen waarin de rechtsorde in ernstige mate is geschokt). Deze richtlijnen leiden er dus toe dat de fiscale, douane en/of toeslagenfraudezaken met minder of geen maatschappelijk effect vaker bestuurlijk zullen worden afgedaan. In deze richtlijnen wordt, op grond van de omvang van het fiscaal nadeel, aangegeven of in beginsel voor bestuurlijke - dan wel strafrechtelijke afdoening wordt gekozen. Afhankelijk van de in hoofdstuk 5 beschreven aspecten wordt in het tripartiete overleg (TPO) besloten welke afdoening voor een concrete zaak is aangewezen.

(…)

Vervolgingsrichtlijnen

(…)

Hierbij gelden inzake fiscale, toeslag- en douanedelicten de volgende criteria:

Categorie I

In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag en minder dan € 125.000. Ten minste één van de overige aspecten (hoofdstuk 5) is aan de orde.

(…)

5.

Het nadeel en de overige aspecten

(…)

Overige aspecten

(…)

7.

Geen bestuurlijke boete, anders dan door verjaring, mogelijk

Fiscale fraude en fraude met toeslagen kan in het merendeel van de gevallen met een bestuurlijke boete worden bestraft. Dit geldt echter niet voor het gros van de douanezaken. In dergelijke gevallen zal dus eerder moeten worden gekozen voor een strafrechtelijke afhandeling. Dat is ook het geval wanneer een (mede)dader niet met een bestuurlijke boete kan worden gestraft terwijl het wel wenselijk is om deze dader een sanctie op te leggen.”

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de beslissing om verdachte te vervolgen niet in strijd was met de Richtlijnen AAFD.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewijsoverwegingen

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 2. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte bestrijdt dat hij kennis had van de valsheid van deze documenten, terwijl evenmin blijkt dat hij deze documenten heeft vervalst. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep komt – zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • in oktober 2010 heeft verdachte, toen hij buiten het kantoor van een bedrijf stond te wachten op een transport, betrokkene 1 ontmoet;
  • betrokkene 1 werkte voor het Nederlandse bedrijf (bedrijf 3);
  • verdachte heeft in maart 2011 via betrokkene 1 7.000 toners gekocht van bedrijf 3 voor een bedrag van € 708.050,00 inclusief BTW, welk bedrag verdachte contant voldaan heeft;
  • om de toners te kunnen kopen heeft het Hongaarse bedrijf (bedrijf 6), welk bedrijf de toners van verdachte heeft gekocht, € 602.000 voorgeschoten;
  • voorts heeft verdachte een bedrag van € 120.000 geleend van een Amerikaans bedrijf, welk bedrag verdachte contant heeft ontvangen in zijn woning.

De door de verdachte geschetste gang van zaken is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Enerzijds heeft het hof daarbij acht geslagen op de hiervoor weergegeven verklaring van getuige 3. Anderzijds komt het hof de wijze waarop verdachte betrokkene 1 zou hebben ontmoet, de wijze waarop verdachte de beschikking zou hebben gekregen over het geld om de toners aan te schaffen en de wijze van betaling als onaannemelijk voor. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken kunnen aan het vorenstaande niet afdoen.

Het hof houdt het er gelet op het vorenstaande voor dat de door verdachte gestelde aankoop en levering van 7.000 toners niet heeft plaatsgevonden. Gelet daarop wist verdachte ook dat de onder 2. genoemde stukken vals waren, zodat het niet anders kan zijn dan dat hij de stukken opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar heeft laten stellen bij de Belastingdienst door bedrijf 2 en bedrijf 4.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte een feit heeft gepleegd dat ertoe strekte dat te weinig belasting werd betaald. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • als verdachte de aangifte had gedaan en als de Belastingdienst het bedrag van € 113.000,00 aan BTW-voorheffing aan verdachte had uitgekeerd, er niet te weinig belasting zou zijn geheven, maar door de Staat te veel belasting zou zijn terugbetaald;
  • de interne organisatie van de Belastingdienst ervoor heeft gezorgd dat er geen BTW-voorheffing aan verdachte is uitbetaald, zodat er geen nadeel is opgetreden en de situatie van te weinig belasting heffen zoals bedoeld in artikel 69 AWR zich niet voordoet.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De Memorie van Toelichting bij de wet houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in: “Voor de goede orde zij nog opgemerkt, dat de heffing van te weinig belasting, zoals in de huidige en de voorgestelde tekst opgenomen, niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft begaan. Van belang is de mogelijkheid of – in dit voorstel – de waarschijnlijkheid, dat over het geheel genomen te weinig belasting wordt geheven. Hiervan kan bij voorbeeld ook sprake zijn, indien de verboden gedragingen ertoe leiden, dat ten onrechte teruggave van belasting wordt gedaan aan een derde.”

Daarnaast wordt in de voornoemde Richtlijnen AAFD, onder 5 (Het nadeel en de overige aspecten), p. 5, nader uiteengezet dat onder ‘nadeel’ wordt verstaan “het bedrag aan belasting dat vermoedelijk door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven indien de inspecteur de aangifte van belanghebbende had gevolgd, (…)”.

Het hof overweegt dat met de zinsnede “indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven” is beoogd het onjuist doen van de belastingaangifte als misdrijf strafbaar te stellen, indien door die gedraging de te geringe heffing naar redelijke, uit de objectieve omstandigheden af te leiden, verwachting waarschijnlijk is. Daarbij wordt met objectieve omstandigheden gedoeld op een van buitenaf waarneembare eigenschap van de gestelde gedraging.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, is naar het oordeel van het hof in een geval als het onderhavige, dat zich daardoor kenmerkt dat in de aangifte een te hoog bedrag aan voorbelasting en dientengevolge een te hoog bedrag aan terug te vragen belasting wordt opgegeven en dat ter onderbouwing van de aangifte valse stukken ter beschikking zijn gesteld naar redelijke verwachting waarschijnlijk dat over het geheel genomen te weinig belasting wordt geheven. Aldus strekte het onjuist doen van aangifte en het beschikbaar stellen van valse stukken ertoe dat te weinig belasting wordt geheven.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op: Ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat door het onder 2. bewezen verklaarde het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van stukken als de onderhavige is verstoord;
  • de mate waarin het vertrouwen dat de fiscale overheid in aangiftes als de onderhavige mag stellen door het onder 1. bewezen verklaarde is geschonden;
  • de mate waarin door het bewezen verklaarde aan de Staat fiscaal nadeel zou worden toegebracht, te weten tot een bedrag van ruim € 113.000,00.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 juli 2013, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;
  • de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf enerzijds aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude. Het hof zal daarbij uitgaan van een benadelingsbedrag van € 130.000,00.

Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een benadelingsbedrag van € 70.000,00 tot € 125.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 9 maanden dan wel een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Anderzijds heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van oplichting via Marktplaats

Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3425

Verdenking

Feit 1: oplichting

Feit 2: belaging

Eerste aanleg

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarde zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde dient te volgen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat oplichting veronderstelt dat de dader met bepaalde middelen iemand beweegt tot de afgifte van (in dit geval) geld. Er dient sprake te zijn van meer dan enkel hetgeen civielrechtelijk als wanprestatie wordt aangeduid. In casu is sprake van het stelselmatig opzettelijk mensen bewegen tot het aangaan van overeenkomsten. Door de verdachte is met anderen samengewerkt en door hen zijn kennelijk als gewoonte advertenties op de website www.marktplaats.nl geplaatst, waarna de goederen, waarover men een prijs was overeengekomen en dit bedrag ook naar de verdachte was overgemaakt, niet werden geleverd.

De verklaring van de verdachte dat hij enigszins bedrijfsmatig met een tweetal vrienden, wier identiteit hij niet wenste te onthullen, bezig was en dat de leveringsproblemen zijn ontstaan doordat de door hem en zijn kompanen ingeschakelde toeleverancier zijn leveringsverplichting niet nakwam, is ongeloofwaardig. Daarvan is geen begin van aannemelijkheid gebleken.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit, conform de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Door de raadsman is gewezen op de verklaring van de verdachte dat de toelevering van de goederen door de toeleverancier stagneerde, waardoor de bestelde goederen niet aan de kopers konden worden geleverd. De verdachte ontkent dat hij de aangevers opzettelijk en met een vooropgezet plan heeft bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Veel andere transacties hebben wel geresulteerd in levering van de bestelde goederen en tevens is aan diverse kopers de keus gelaten om de door hen bestelde goederen te komen ophalen. De verdachte heeft zich overigens niet bediend van een listige kunstgreep danwel van een samenweefsel van verdichtsels.

Oordeel van het hof

In de volksmond wordt al snel over “oplichting” gesproken wanneer iemand, na ontvangst van een vooruitbetaling, zijn leveringsverplichting niet nakomt. Strafrechtelijk gezien ligt dit evenwel genuanceerder en ingewikkelder.

In artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) is als oplichting strafbaar gesteld – voorzover hier relevant en kort gezegd - hij die, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, met gebruikmaking van één of meerdere van vier met name genoemde oplichtingmiddelen, een ander beweegt tot de afgifte van een goed. Als oplichtingsmiddelen worden in het artikel genoemd: het aannemen van een valse naam, het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad komt het volgende naar voren met betrekking tot oplichting en de afbakening daarvan met de civielrechtelijke wanprestatie (tekortkoming in de nakoming van een verbintenis; artikel 6:74 e.v. van het Burgerlijk Wetboek).

De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide koper die in staat en voornemens is de gekochte goederen bij de aflevering daarvan te betalen, levert niet op het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Sr. (HR 15 december 1998, LJN ZD1177).

De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die in staat is het gehuurde goed na ommekomst van de overeengekomen huurperiode terug te geven aan de verhuurder, levert niet op het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep in de zin van artikel 326 Sr. (HR 13 november 2001, LJN AD4320).

Het enkele huren van een woning en het vervolgens in gebreke blijven de huurpenningen te voldoen levert op zichzelf – ook indien de huurder al voorzag niet aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen – niet het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep als bedoeld in artikel 326 Sr. op (HR 29 juni 2010, LJN BL8638).

Voorts stelt het hof vast dat het ingevolge de bewoordingen van artikel 326 Sr. aankomt op gedragingen van de verdachte die iemand hebben bewogen tot de afgifte van een goed, hetgeen in gevallen waarop het tenlastegelegde onder 1 ziet de betaling betreft ter zake van de door de verdachte aangeboden voorwerpen. Dat betekent dat uitlatingen c.q. toezeggingen door de verdachte na het moment van betaling buiten beschouwing dienen te blijven bij de beantwoording van de vraag of het misdrijf oplichting bewezen kan worden verklaard.

In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten dat hij zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide verkoper alsmede dat hij om betaling heeft gevraagd vóór de levering van de goederen, en hij zich aldus heeft bediend van één van de in artikel 326 Sr. genoemde oplichtingsmiddelen, waardoor hij de aangevers heeft bewogen tot het overmaken van geld.

Op basis van de hiervoor besproken jurisprudentie van de Hoge Raad levert het zich voordoen als een bonafide verkoper in combinatie met het vragen om een vooruitbetaling naar het oordeel van het hof niet het aannemen van een valse hoedanigheid, noch listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels op.

Het hof overweegt nog dat het aannemen van een valse naam wellicht op basis van het dossier in enkele zaken kan worden vastgesteld, maar dat hieruit geenszins volgt dat juist daardoor de aangevers zijn bewogen tot het overmaken van geld. Aan het vereiste ‘bewegen tot’ wordt niet voldaan.

Nog daargelaten wat de betekenis is van het door de advocaat-generaal als argument gebruikte grote aantal gevallen waarin de verdachte betaling heeft gevraagd én ontvangen waarna levering van de bestelde goederen uitbleef voor het eerste c.q. de eerste gevallen van dergelijk handelen door de verdachte, is het hof van oordeel dat dit weliswaar mogelijk een aanwijzing vormt voor het oogmerk van de verdachte, maar dat die omstandigheid niet kan bijdragen aan het bewijs dat gebruik is gemaakt van één van de in artikel 326 Sr. genoemde oplichtingsmiddelen.

Derhalve komt het hof tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 1 juni 2011 tot en met 4 oktober 2011 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde partij 33, met het oogmerk die benadeelde partij 33, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, die benadeelde partij 33 meermalen mails en sms’jes gestuurd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens het onder meer ten onrechte reiskosten declareren voor iedere client die verdachte bezocht in zijn functie als raadsman, terwijl hij dat bezoek combineer-de met het bezoeken van een andere cliënt

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4240

De verdachte heeft ten verweer bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij geen opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van de formulieren ‘Verklaring optreden piket’. Hij zou slechts, ten gevolge van de hectiek, waarmede hij in de uitoefening van zijn piketwerkzaamheden werd geconfronteerd, onzorgvuldig en slordig hebben gehandeld. Tevens zou hij niet volledig op de hoogte zijn geweest van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat in onderhavige zaak geen sprake is van enkel verontschuldigbare slordigheid of onzorgvuldigheid. Bij dat oordeel heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.

Aan verdachte is onder 1 en 2 ten laste gelegd dat hij verscheidene malen reiskosten heeft gedeclareerd voor piketbezoek aan cliënten; de valsheid ligt hierin besloten dat hij in werkelijkheid niet voor ieder van die cliënten van Veldhoven naar het politiebureau in Eindhoven is gereisd omdat hij verscheidene bezoeken combineerde. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist dat hij voor iedere in verzekering gestelde persoon apart reiskosten heeft gedeclareerd.

Verdachte heeft betoogd dat dit in de hectiek van de situatie is gebeurd. Hij zou tevens de formulieren routinematig hebben ingevuld.

Uit de onderwerpelijke formulieren ‘Verklaring optreden piket’ blijkt dat verdachte telkens uitdrukkelijk bij het onderdeel reiskosten ‘Veldhoven-Eindhoven vv 20 km’ heeft geschreven. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard zelf de formulieren te hebben ingevuld. Het hof is dan ook van oordeel dat dit een bewuste handeling moet zijn geweest. Uit de duur van de periode en de hoeveelheid formulieren waarop verdachte ten onrechte reiskosten heeft gedeclareerd, trekt het hof het gevolg dat van een incident en van een slordigheid redelijkerwijs geen sprake meer kan zijn. Daarbij is niet zonder betekenis dat verdachte de formulieren pas op een later tijdstip heeft ondertekend en naar de Raad voor de Rechtspraak gestuurd. Op dat moment speelde de door de verdachte gestelde hectiek echter niet meer. Verdachte heeft in de tussenliggende periode voldoende tijd gehad om zich te vergewissen van de juistheid van de invulling van die formulieren.

Onder 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op de formulieren ‘Verklaring optreden piket’ heeft vermeld dat hij als raadsman is opgetreden voor de personen cliënt 23 en cliënt 24; de valsheid ligt hierin besloten dat hij dat in werkelijkheid niet heeft gedaan. Verdachte heeft ten verweer gevoerd dat hij per abuis de naam cliënt 23 heeft vermeld op het formulier in plaats van cliënt 15. Verdachte heeft echter tevens een formulier ingevuld en ingeleverd op naam van cliënt 15. Voorts zou op 11 oktober 2009 zowel een piketmelding binnengekomen zijn voor cliënt 17 als voorcliënt 24. Achteraf bleek alleen cliënt 17 in verzekering te zijn gesteld. De verdachte zou in de hectiek van de situatie voor alle vier de genoemde personen een formulier ‘Verklaring optreden piket’ naar de Raad voor de Rechtspraak hebben gestuurd.

Het verweer van verdachte slaagt niet. Daarbij is tevens ten aanzien van dit feit niet zonder betekenis dat verdachte de formulieren pas op een later tijdstip heeft ondertekend en naar de Raad voor de Rechtspraak gestuurd. Op dat moment speelde de door de verdachte gestelde hectiek niet meer. Verdachte heeft in de tussenliggende periode voldoende tijd gehad om zich te vergewissen van de juistheid van de invulling van die formulieren. Tevens blijkt uit het voorhanden zijnde dossier dat alle vier de formulieren op een andere datum zijn ondertekend door verdachte. Te weten op data tussen 13 oktober 2009 en 27 oktober 2009. Het hof is dan ook van oordeel dat dit een bewuste handeling moet zijn geweest.

Met betrekking tot de ten laste gelegde feiten overweegt het hof nog dat juist van een advocaat mag worden verwacht dat hij bij het opmaken van deze geschriften grote zorgvuldigheid betracht. De verdachte had zich ervan moeten vergewissen dat hij de formulieren ‘Verklaring optreden piket’ op de juiste wijze had ingevuld. Voorts is het hof van oordeel dat het verweer van de verdachte dat hij niet of niet volledig op de hoogte zou zijn geweest van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand geen doel kan treffen. Van een piketadvocaat mag namelijk verwacht worden dat hij op de hoogte is van de desbetreffende regelingen.

Ten slotte overweegt het hof, anders dan de rechtbank, dat het feit dat het steeds om relatief beperkte bedragen ging niet kan bijdragen aan de conclusie dat slechts sprake is geweest van administratieve fouten en slordigheden.

Alles overziende komt het hof tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de piketformulieren opzettelijk valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Bewezenverklaring

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 1.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Belastingfraude: Veroordeling op grond van artikel 68 (oud) AWR tot een gevangenisstraf van 9 maanden

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4216

Eerste aanleg

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  • ‘opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68 tweede lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (ten aanzien van de verkoopfacturen) en
  • ‘medeplegen van opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68 tweede lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (ten aanzien van de inkoopfacturen en de vrachtbrieven)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte zijn de feitelijke handelingen zoals deze zijn ten laste gelegd en door het hof bewezen zijn verklaard niet ten gronde betwist. Wel heeft de verdediging betoogd dat het verdachte aan opzet heeft ontbroken, nu hij lijdt aan verschillende stoornissen – zoals blijkt uit de omtrent verdachte opgestelde gedragskundige rapporten uit 2007 – en hij daardoor niet in staat is een deugdelijke administratie te voeren. Gelet daarop dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Oordeel hof

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) – zoals dat luidde op 1 april 2005 en 14 april 2006 – houdt (voor zover relevant) het volgende in:

1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2. Administratieplichtigen zijn:

(…)

b. natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genieten.

Verdachte stond als eenmanszaak, handelend onder de naam bedrijf 3, in de periode van

19 januari 2004 tot en met 10 juni 2006 ingeschreven in de Kamer van Koophandel voor Fabrieken voor Oost-Brabant. Na zijn uitschrijving is verdachte verder gegaan met zijn bedrijfsactiviteiten, waarbij hij gebruik maakte van de namen en omzetbelastingnummers van andere ondernemers. Zowel in de periode van 19 januari 2004 tot en met 10 juni 2006 als nadien heeft verdachte, als natuurlijke persoon die een bedrijf uitoefende, bedrijfsactiviteiten verricht. Gelet op het bepaalde in artikel 52 van de Awr was verdachte naar het oordeel van het hof daarom administratieplichtig, en gehouden een administratie te voeren op de wijze zoals geduid in art. 52 AWR aan welke verplichting hij niet heeft voldaan. De bewezen verklaarde handelingen van verdachte zijn op zichzelf geëigend om te weinig belasting te betalen, zodat daarmee naar het oordeel van het hof ook aan het strekkingsvereiste is voldaan.

De verdediging heeft bepleit dat het bij verdachte aan opzet heeft ontbroken, omdat hij vanwege de stoornissen waaraan hij lijdt, niet in staat is een deugdelijke administratie te voren. Het hof stelt voorop dat een geestelijke stoornis van de verdachte slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake.

Het hof is van oordeel dat het bestaan van feiten of omstandigheden waaruit dient te worden afgeleid dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, niet aannemelijk zijn geworden. Gelet daarop acht het hof eveneens bewezen dat verdachte opzettelijk niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 68, tweede lid en onder d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en strafbaar gesteld in artikel 69, eerste lid, van die wet, zoals die bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde tijdstippen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat het handelen van verdachte werd ingegeven door een volstrekte onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van hetgeen bewezen is verklaard, welke onbewustheid het gevolg is van de stoornissen waarmee verdachte zich behept weet zoals blijkt uit de opgestelde gedragskundige rapporten uit 2007. Zodoende ontbreekt alle schuld aan het bewezen verklaarde en dient verdachte ten aanzien daarvan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ingeval ook naar het oordeel van het hof de psychische problematiek van verdachte raakt aan de schuldvraag, heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht om, zo het hof dat nodig acht, nader onderzoek te laten verrichten naar de psychische gesteldheid van verdachte.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent het volgende.

In het kader van een andere strafzaak dan de onderhavige zijn omtrent verdachte gedragskundige rapporten uitgebracht, te weten het op 24 juni 2007 door drs. S. Labrijn (GZ-psycholoog) opgestelde pro justitia rapport van psychologisch onderzoek alsmede het op 16 juli 2007 door dr. E.D.M. Masthoff (psychiater) opgestelde pro justitia rapport van psychiatrisch onderzoek welke rapporten ook in het dossier van de onderhavige strafzaak zijn gevoegd door het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2013. In deze rapporten wordt geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan de stoornis van Asperger en daarnaast een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, schizotypische en depressieve kenmerken, dat deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het in die andere strafzaak ten laste gelegde beïnvloedde en mede daaruit kan worden verklaard en dat wordt geadviseerd verdachte ten aanzien van het in die andere strafzaak ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De vraag met betrekking tot de verwijtbaarheid van het bewezen verklaarde handelen van verdachte, dient te worden beoordeeld naar de stand van zaken zoals deze gold ten tijde van het plegen daarvan, te weten op 1 april 2005 en 14 april 2006. Het hof stelt vast dat het bewezen verklaarde handelen heeft plaatsgevonden voordat bovengenoemde rapporten zijn opgesteld. Uit deze rapporten blijkt dat verdachte als gevolg van de stoornissen waaraan hij lijdt, is beperkt in zijn geestelijke vermogens, maar daaruit blijkt geenszins dat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Door en namens verdachte is niet gesteld, noch is het hof gebleken dat de situatie ten tijde van het bewezen verklaarde handelen in de onderhavige zaak anders was dan zoals die in de gedragskundige rapporten wordt omschreven. Het hof zoekt dan ook aansluiting bij hetgeen in voornoemde gedragskundige rapporten ten aanzien van de persoon van de verdachte en de toerekenbaarheid is geconcludeerd.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat aan de zijde van verdachte alle schuld in de zin van verwijtbaarheid aan het bewezen verklaarde ontbreekt. Het hof acht verdachte daarvoor dan ook strafbaar.

Ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte voorwaardelijke verzoek overweegt het hof het volgende.

Te dezen geldt rechtens niet de eis uit artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de gedragskundige rapporten niet ouder mogen zijn dan een jaar om daarvan gebruik te kunnen maken.

Er is het hof op grond van het procesdossier noch op grond van het verhandelde ter terechtzitting van de noodzaak gebleken om alsnog door gedragsdeskundigen nieuwe rapporten cq. aanvullende rapporten omtrent verdachte te laten uitbrengen, zodat het hof aan dat verzoek van de verdediging voorbij gaat.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Strafoplegging

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof rekening gehouden met:

  • de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde handelen aan de Nederlandse Staat een niet gering financieel nadeel is toegebracht.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

  • de inhoud van het pro justitia rapport, inhoudende het psychologisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 24 juni 2007, opgemaakt door drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog;
  • de inhoud van het pro justitia rapport, inhoudende een psychiatrisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 16 juli 2007, opgemaakt door dr. E.D.M. Masthoff, psychiater;
  • de inhoud van het omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 15 mei 2013;
  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake strafbare feiten door een strafrechter is veroordeeld;
  • de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vereisten voor het geven van rechtsgeldige en toereikende toestemming van bewoner tot binnentreden en doorzoeken van woning

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6553

Essentie

Strafzaak is door de HR teruggewezen naar dit hof (HR 18 december 2012, LJN BY5315, NJ 2013, 355). Toestemming bewoner tot binnentreden en doorzoeken van woning. Voor het geven van een rechtsgeldige en toereikende toestemming gelden aantal eisen voortvloeiend uit artikel 8 EVRM. Toestemming was in dit geval ontoereikend en niet rechtsgeldig, aldus het hof. Gevolg bewijsuitsluiting. Vrijspraak.

Oordeel hof

Het hof stelt vast - en door de advocaat-generaal is niet betwist - dat niet een voldoende redelijk vermoeden van schuld bestond voor de doorzoeking ter inbeslagname in verdachtes woning op 23 januari 2007. De vraag is of er sprake is geweest van door verdacht verleende toestemming die de doorzoeking rechtvaardigde.

Door en namens verdachte is ter terechtzitting van het hof d.d. 22 augustus 2013 aangevoerd dat verdachte geen nadrukkelijke toestemming heeft verleend voor het betreden en doorzoeken van zijn woning, maar dat de verbalisanten wellicht de indruk hebben gekregen dat verdachte (stilzwijgend) instemde.

Uit het proces-verbaal d.d. 4 februari 2008 blijkt het volgende: “Op dag en datum voornoemd werd met toestemming van de enige bewoner [verdachte] de woning (…) betreden en doorzocht.”

Het hof stelt vast dat het dossier verder niets vermeldt over de wijze waarop toestemming is gevraagd en hoe van die toestemming is gebleken.

Naar het oordeel van het hof dient aan het geven van een toereikende en rechtsgeldige toestemming voor het betreden en doorzoeken van een woning een aantal eisen te worden gesteld. Dit houdt daarmee verband dat de bewoner van die woning met het geven van die toestemming afstand doet van de bescherming van het huisrecht, genoemd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof komt tot het oordeel dat, voor het geven van een rechtsgeldige en toereikende toestemming, in ieder geval is vereist dat de verbalisanten die de toestemming vragen zich legitimeren en mededeling doen van het doel van het binnentreden en de doorzoeking. Het hof heeft hierbij betrokken hetgeen in artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden is bepaald.

Uit het door verbalisanten opgemaakte proces-verbaal kan niet worden opgemaakt dat aan deze eisen is voldaan. Gelet op hetgeen verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard komt het hof tot de vaststelling dat verbalisanten, bij het vragen van toestemming om binnen te treden in de woning van verdachte en daar een doorzoeking te verrichten, zich niet hebben gelegitimeerd en evenmin het doel van het betreden en doorzoeken van de woning hebben meegedeeld. Nader onderzoek daartoe, zoals door de advocaat-generaal subsidiair is gevorderd, acht het hof niet noodzakelijk.

De door verdachte gegeven toestemming moet derhalve als ontoereikend en niet rechtsgeldig worden beschouwd.

De uit de betreding en de doorzoeking van de woning voortvloeiende inbeslagname van kinderpornografisch fotomateriaal is, gelet hierop, onrechtmatig geweest. Door de onrechtmatige bewijsgaring is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of beginsel in aanzienlijke mate geschonden, zodat de resultaten die door dit verzuim zijn verkregen, te weten de gegevensdrager met daarop kinderpornografische afbeeldingen, niet mogen bijdragen aan het bewijs.

Het hof overweegt hiertoe dat sprake is van een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht en dat toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk moet worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Hierbij betrekt het hof tevens dat met bewijsuitsluiting naar het oordeel van het hof in dit geval niet op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een strafbaar feit. In dit verband overweegt het hof dat de advocaat-generaal, gelet op de relatief geringe ernst en de ouderdom van de zaak, heeft gevorderd dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en voorts dat er geen belangen van slachtoffers zijn die tot een andere benadering nopen.

Een en ander brengt mee dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Gelet hierop moet verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof Arnhem-Leeuwarden wijst zaak terug naar rb omdat verdachte niet op de hoogte is gesteld van wijziging tenlastelegging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6556

Essentie

Het hof oordeelt dat oplichting en (gewoonte)witwassen en oplichting en verduistering dezelfde feiten in de zin van 68 Sr betreffen, zodat de wijziging tll ex artikel 313 Sv terecht door de politierechter is toegelaten. Politierechter had behandeling niet mogen voortzetten zonder kennisgeving aan verdachte van de wijziging. Terugwijzing.

Wijziging van de tenlastelegging

Ter zitting van 15 oktober 2009 heeft de politierechter in de rechtbank Groningen - na verlening van verstek tegen verdachte - de vordering van de officier van justitie tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen en het onderzoek aanstonds voortgezet.

Ter zitting van het hof d.d. 22 augustus 2013 heeft de raadsman van verdachte zich op het standpunt gesteld dat de wijziging tenlastelegging ontoelaatbaar is, omdat de wijziging niet "hetzelfde feit" in de zin van artikel 313 lid 2 Sv en artikel 68 Sr oplevert. Bovendien betrof het een wezenlijke wijziging, zodat de politierechter de wijziging in elk geval aan verdachte had moeten doen betekenen, aldus de raadsman. De raadsman heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Noord-Nederland.

De vordering tot wijziging van de tenlastelegging houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende in. Aan het tenlastegelegde medeplegen van oplichting in feit 1 is cumulatief het medeplegen van gewoontewitwassen toegevoegd. Aan het tenlastegelegde medeplegen van oplichting in feit 2 is cumulatief het medeplegen van witwassen toegevoegd. Aan het tenlastegelegde medeplegen van oplichting in feit 3 is subsidiair het medeplegen van verduistering toegevoegd.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’, dient de rechter in de situatie waarop artikel 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.

Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102 , NJ 2011/394 en HR 26 april 2013, LJN BZ8645, NJ 2013, 281).

Naar het oordeel van het hof lopen zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van artikel 68 Sr. De strafbaarstellingen van oplichting en (gewoonte)witwassen en van oplichting en verduistering strekken immers mede ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Bovendien lopen de strafmaxima niet zodanig uiteen dat kan worden gezegd dat de aard van het verwijt een andere is.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de politierechter de wijziging van de tenlastelegging op grond van artikel 313, tweede lid, Sv terecht heeft toegelaten.

Het hof is evenwel van oordeel dat de politierechter - gezien de ingrijpendheid van de wijziging en de afwezigheid van verdachte - op grond van artikel 314, eerste lid, Sv het onderzoek ter terechtzitting niet had mogen voortzetten nu niet kan worden geoordeeld dat de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. De politierechter had het onderzoek moeten schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de wijzigingen en zich daartegen te verdedigen.

Nu van de zijde van verdachte nadrukkelijk om terugwijzing is verzocht, zal het hof - met analoge toepassing van artikel 423 Sv - de zaak terugwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht en wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Opnemen MSN-gesprekken valt binnen reikwijdte IP-tap

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6365

Verdachte heeft zich tezamen met anderen, in de periode van 1 tot en met 15 december 2011 schuldig gemaakt aan de voorbereiding van – kort gezegd – een overval. Uit de chat-sessies die verdachte heeft gevoerd met anderen komt de indruk naar voren dat verdachte een belangrijke rol heeft gehad bij de voorbereiding.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de MSN-gesprekken buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de gebruikte tap op de MSN-gesprekken onrechtmatig is.

Hof: Nog daargelaten dat sprake is van een machtiging bevel opnemen van telecommunicatie (tap) op grond van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering op het IP-adres van medeverdachte, zodat verdachte gelet op de Schutznorm niet in enig belang geschonden kan zijn, mist het verweer van de raadsman ook feitelijke grondslag. Immers nu de bedoelde communicatie van de MSN gesprekken via het getapte IP-adres liep valt de verkrijging van deze MSN gesprekken binnen de reikwijdte van de verleende machtiging tot het leggen van een tap op dit IP-adres.

Het hof ziet dan ook geen reden om de MSN-gesprekken, die middels deze tap zijn verkregen, uit te sluiten van het bewijs. Voor zover de raadsman is uitgegaan van de stelling dat het bevel tot "tappen" van het IP-adres van een medeverdachte niet is gericht aan een aanbieder van telecommunicatiediensten (waardoor ook de via dat IP-adres verlopende MSN-gesprekken konden worden geregistreerd), is het niet onderbouwd.

De raadsman is van mening dat sprake is van een dusdanige hoeveelheid MSN-gesprekken die qua inhoud algemeen van aard zijn, dat daaruit niet de benodigde concreetheid ten aanzien van tijd, plaats, object en wijze van uitvoering kan worde afgeleid. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de chatgesprekken die hij zich nog herinnert, bestonden uit grootspraak. Het hof volgt verdachte en zijn raadsman niet in hun stellingen, nu uit de inhoud van de MSN-gesprekken blijkt dat allerlei details worden gerealiseerd, zoals het regelen van een mes, het bellen om een afspraak te maken voor donderdagavond om sieraden te verkopen en het meenemen van een panty en muts. Vervolgens worden bij de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten in de auto onder meer messen, een panty en mutsen aangetroffen.

Voorts beziet het hof de chatgesprekken tegen de achtergrond van een soortgelijk delict gepleegd op 24 november 2011, dat het hof bij uitspraak van heden eveneens bewezen verklaard acht (parketnummer 21-002535-13). Ook in die zaak werd door verdachte en zijn medeverdachten vooraf op een soortgelijke manier via MSN gecommuniceerd over de te plegen overval.

Stelselmatige observatie

Tevens stelt de raadsman dat er sprake is geweest van stelselmatige observatie, waar geen bevel ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering aan ten grondslag lag. Derhalve dienen – aldus de raadsman – de MSN-gesprekken en de observatiebevindingen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitgesloten te worden.

Het hof wijst ook in dat kader wederom op de omstandigheid dat verdachte gelet op de Schutznorm niet in enig belang geschonden kan zijn.

Daarnaast wijst het hof erop dat de hiervoor genoemde geplaatste (IP-)taps, niet onder stelselmatige observatie vallen als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering. Voorts stelt het hof vast dat de term ‘stelselmatig’ slaat op die vormen van observatie die tot resultaat kunnen hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Elementen die bij de beoordeling een rol kunnen spelen zijn de duur, de plaats, de intensiteit of frequentie, het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel dat méér biedt dan alleen versterking van de zintuigen en het doel van de observatie.

Uit het dossier blijkt dat de observatie van verdachte heeft plaatsgevonden tijdens een beperkt aantal uren, namelijk op 15 december 2011 vanaf 14.30 uur tot het moment van aanhouding omstreeks 18.11 uur op dezelfde dag. Voorts is er geobserveerd vanaf openbare plekken, zonder gebruikmaking van technische hulpmiddelen. Gelet op het voorgaande ontbeert de stelling dat er sprake is geweest van stelselmatige observatie feitelijke grondslag.

Het hof verwerpt de verweren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^