Belastingfraude: Veroordeling op grond van artikel 68 (oud) AWR tot een gevangenisstraf van 9 maanden

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4216

Eerste aanleg

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  • ‘opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68 tweede lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (ten aanzien van de verkoopfacturen) en
  • ‘medeplegen van opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68 tweede lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (ten aanzien van de inkoopfacturen en de vrachtbrieven)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte zijn de feitelijke handelingen zoals deze zijn ten laste gelegd en door het hof bewezen zijn verklaard niet ten gronde betwist. Wel heeft de verdediging betoogd dat het verdachte aan opzet heeft ontbroken, nu hij lijdt aan verschillende stoornissen – zoals blijkt uit de omtrent verdachte opgestelde gedragskundige rapporten uit 2007 – en hij daardoor niet in staat is een deugdelijke administratie te voeren. Gelet daarop dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Oordeel hof

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) – zoals dat luidde op 1 april 2005 en 14 april 2006 – houdt (voor zover relevant) het volgende in:

1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2. Administratieplichtigen zijn:

(…)

b. natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genieten.

Verdachte stond als eenmanszaak, handelend onder de naam bedrijf 3, in de periode van

19 januari 2004 tot en met 10 juni 2006 ingeschreven in de Kamer van Koophandel voor Fabrieken voor Oost-Brabant. Na zijn uitschrijving is verdachte verder gegaan met zijn bedrijfsactiviteiten, waarbij hij gebruik maakte van de namen en omzetbelastingnummers van andere ondernemers. Zowel in de periode van 19 januari 2004 tot en met 10 juni 2006 als nadien heeft verdachte, als natuurlijke persoon die een bedrijf uitoefende, bedrijfsactiviteiten verricht. Gelet op het bepaalde in artikel 52 van de Awr was verdachte naar het oordeel van het hof daarom administratieplichtig, en gehouden een administratie te voeren op de wijze zoals geduid in art. 52 AWR aan welke verplichting hij niet heeft voldaan. De bewezen verklaarde handelingen van verdachte zijn op zichzelf geëigend om te weinig belasting te betalen, zodat daarmee naar het oordeel van het hof ook aan het strekkingsvereiste is voldaan.

De verdediging heeft bepleit dat het bij verdachte aan opzet heeft ontbroken, omdat hij vanwege de stoornissen waaraan hij lijdt, niet in staat is een deugdelijke administratie te voren. Het hof stelt voorop dat een geestelijke stoornis van de verdachte slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake.

Het hof is van oordeel dat het bestaan van feiten of omstandigheden waaruit dient te worden afgeleid dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, niet aannemelijk zijn geworden. Gelet daarop acht het hof eveneens bewezen dat verdachte opzettelijk niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 68, tweede lid en onder d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en strafbaar gesteld in artikel 69, eerste lid, van die wet, zoals die bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde tijdstippen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat het handelen van verdachte werd ingegeven door een volstrekte onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van hetgeen bewezen is verklaard, welke onbewustheid het gevolg is van de stoornissen waarmee verdachte zich behept weet zoals blijkt uit de opgestelde gedragskundige rapporten uit 2007. Zodoende ontbreekt alle schuld aan het bewezen verklaarde en dient verdachte ten aanzien daarvan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ingeval ook naar het oordeel van het hof de psychische problematiek van verdachte raakt aan de schuldvraag, heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht om, zo het hof dat nodig acht, nader onderzoek te laten verrichten naar de psychische gesteldheid van verdachte.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent het volgende.

In het kader van een andere strafzaak dan de onderhavige zijn omtrent verdachte gedragskundige rapporten uitgebracht, te weten het op 24 juni 2007 door drs. S. Labrijn (GZ-psycholoog) opgestelde pro justitia rapport van psychologisch onderzoek alsmede het op 16 juli 2007 door dr. E.D.M. Masthoff (psychiater) opgestelde pro justitia rapport van psychiatrisch onderzoek welke rapporten ook in het dossier van de onderhavige strafzaak zijn gevoegd door het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2013. In deze rapporten wordt geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan de stoornis van Asperger en daarnaast een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, schizotypische en depressieve kenmerken, dat deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het in die andere strafzaak ten laste gelegde beïnvloedde en mede daaruit kan worden verklaard en dat wordt geadviseerd verdachte ten aanzien van het in die andere strafzaak ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De vraag met betrekking tot de verwijtbaarheid van het bewezen verklaarde handelen van verdachte, dient te worden beoordeeld naar de stand van zaken zoals deze gold ten tijde van het plegen daarvan, te weten op 1 april 2005 en 14 april 2006. Het hof stelt vast dat het bewezen verklaarde handelen heeft plaatsgevonden voordat bovengenoemde rapporten zijn opgesteld. Uit deze rapporten blijkt dat verdachte als gevolg van de stoornissen waaraan hij lijdt, is beperkt in zijn geestelijke vermogens, maar daaruit blijkt geenszins dat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Door en namens verdachte is niet gesteld, noch is het hof gebleken dat de situatie ten tijde van het bewezen verklaarde handelen in de onderhavige zaak anders was dan zoals die in de gedragskundige rapporten wordt omschreven. Het hof zoekt dan ook aansluiting bij hetgeen in voornoemde gedragskundige rapporten ten aanzien van de persoon van de verdachte en de toerekenbaarheid is geconcludeerd.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat aan de zijde van verdachte alle schuld in de zin van verwijtbaarheid aan het bewezen verklaarde ontbreekt. Het hof acht verdachte daarvoor dan ook strafbaar.

Ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte voorwaardelijke verzoek overweegt het hof het volgende.

Te dezen geldt rechtens niet de eis uit artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de gedragskundige rapporten niet ouder mogen zijn dan een jaar om daarvan gebruik te kunnen maken.

Er is het hof op grond van het procesdossier noch op grond van het verhandelde ter terechtzitting van de noodzaak gebleken om alsnog door gedragsdeskundigen nieuwe rapporten cq. aanvullende rapporten omtrent verdachte te laten uitbrengen, zodat het hof aan dat verzoek van de verdediging voorbij gaat.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Strafoplegging

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof rekening gehouden met:

  • de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde handelen aan de Nederlandse Staat een niet gering financieel nadeel is toegebracht.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

  • de inhoud van het pro justitia rapport, inhoudende het psychologisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 24 juni 2007, opgemaakt door drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog;
  • de inhoud van het pro justitia rapport, inhoudende een psychiatrisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 16 juli 2007, opgemaakt door dr. E.D.M. Masthoff, psychiater;
  • de inhoud van het omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 15 mei 2013;
  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake strafbare feiten door een strafrechter is veroordeeld;
  • de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF