Vrijspraak van oplichting via Marktplaats

Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3425

Verdenking

Feit 1: oplichting

Feit 2: belaging

Eerste aanleg

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarde zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde dient te volgen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat oplichting veronderstelt dat de dader met bepaalde middelen iemand beweegt tot de afgifte van (in dit geval) geld. Er dient sprake te zijn van meer dan enkel hetgeen civielrechtelijk als wanprestatie wordt aangeduid. In casu is sprake van het stelselmatig opzettelijk mensen bewegen tot het aangaan van overeenkomsten. Door de verdachte is met anderen samengewerkt en door hen zijn kennelijk als gewoonte advertenties op de website www.marktplaats.nl geplaatst, waarna de goederen, waarover men een prijs was overeengekomen en dit bedrag ook naar de verdachte was overgemaakt, niet werden geleverd.

De verklaring van de verdachte dat hij enigszins bedrijfsmatig met een tweetal vrienden, wier identiteit hij niet wenste te onthullen, bezig was en dat de leveringsproblemen zijn ontstaan doordat de door hem en zijn kompanen ingeschakelde toeleverancier zijn leveringsverplichting niet nakwam, is ongeloofwaardig. Daarvan is geen begin van aannemelijkheid gebleken.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit, conform de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Door de raadsman is gewezen op de verklaring van de verdachte dat de toelevering van de goederen door de toeleverancier stagneerde, waardoor de bestelde goederen niet aan de kopers konden worden geleverd. De verdachte ontkent dat hij de aangevers opzettelijk en met een vooropgezet plan heeft bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Veel andere transacties hebben wel geresulteerd in levering van de bestelde goederen en tevens is aan diverse kopers de keus gelaten om de door hen bestelde goederen te komen ophalen. De verdachte heeft zich overigens niet bediend van een listige kunstgreep danwel van een samenweefsel van verdichtsels.

Oordeel van het hof

In de volksmond wordt al snel over “oplichting” gesproken wanneer iemand, na ontvangst van een vooruitbetaling, zijn leveringsverplichting niet nakomt. Strafrechtelijk gezien ligt dit evenwel genuanceerder en ingewikkelder.

In artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) is als oplichting strafbaar gesteld – voorzover hier relevant en kort gezegd - hij die, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, met gebruikmaking van één of meerdere van vier met name genoemde oplichtingmiddelen, een ander beweegt tot de afgifte van een goed. Als oplichtingsmiddelen worden in het artikel genoemd: het aannemen van een valse naam, het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad komt het volgende naar voren met betrekking tot oplichting en de afbakening daarvan met de civielrechtelijke wanprestatie (tekortkoming in de nakoming van een verbintenis; artikel 6:74 e.v. van het Burgerlijk Wetboek).

De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide koper die in staat en voornemens is de gekochte goederen bij de aflevering daarvan te betalen, levert niet op het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Sr. (HR 15 december 1998, LJN ZD1177).

De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die in staat is het gehuurde goed na ommekomst van de overeengekomen huurperiode terug te geven aan de verhuurder, levert niet op het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep in de zin van artikel 326 Sr. (HR 13 november 2001, LJN AD4320).

Het enkele huren van een woning en het vervolgens in gebreke blijven de huurpenningen te voldoen levert op zichzelf – ook indien de huurder al voorzag niet aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen – niet het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep als bedoeld in artikel 326 Sr. op (HR 29 juni 2010, LJN BL8638).

Voorts stelt het hof vast dat het ingevolge de bewoordingen van artikel 326 Sr. aankomt op gedragingen van de verdachte die iemand hebben bewogen tot de afgifte van een goed, hetgeen in gevallen waarop het tenlastegelegde onder 1 ziet de betaling betreft ter zake van de door de verdachte aangeboden voorwerpen. Dat betekent dat uitlatingen c.q. toezeggingen door de verdachte na het moment van betaling buiten beschouwing dienen te blijven bij de beantwoording van de vraag of het misdrijf oplichting bewezen kan worden verklaard.

In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten dat hij zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide verkoper alsmede dat hij om betaling heeft gevraagd vóór de levering van de goederen, en hij zich aldus heeft bediend van één van de in artikel 326 Sr. genoemde oplichtingsmiddelen, waardoor hij de aangevers heeft bewogen tot het overmaken van geld.

Op basis van de hiervoor besproken jurisprudentie van de Hoge Raad levert het zich voordoen als een bonafide verkoper in combinatie met het vragen om een vooruitbetaling naar het oordeel van het hof niet het aannemen van een valse hoedanigheid, noch listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels op.

Het hof overweegt nog dat het aannemen van een valse naam wellicht op basis van het dossier in enkele zaken kan worden vastgesteld, maar dat hieruit geenszins volgt dat juist daardoor de aangevers zijn bewogen tot het overmaken van geld. Aan het vereiste ‘bewegen tot’ wordt niet voldaan.

Nog daargelaten wat de betekenis is van het door de advocaat-generaal als argument gebruikte grote aantal gevallen waarin de verdachte betaling heeft gevraagd én ontvangen waarna levering van de bestelde goederen uitbleef voor het eerste c.q. de eerste gevallen van dergelijk handelen door de verdachte, is het hof van oordeel dat dit weliswaar mogelijk een aanwijzing vormt voor het oogmerk van de verdachte, maar dat die omstandigheid niet kan bijdragen aan het bewijs dat gebruik is gemaakt van één van de in artikel 326 Sr. genoemde oplichtingsmiddelen.

Derhalve komt het hof tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 1 juni 2011 tot en met 4 oktober 2011 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde partij 33, met het oogmerk die benadeelde partij 33, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, die benadeelde partij 33 meermalen mails en sms’jes gestuurd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF