Het Hof wijst het verzoek ex artikel 591a Sv af en stelt dat niet is gebleken kosten voor verzoeker zijn voorgeschoten onder de verplichting tot terugbetaling

Gerechtshof ’s-Gravenhage 20 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:5223

Bij brief van 11 mei 2011 heeft de officier van justitie aan verzoeker medegedeeld dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd omdat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt (sepotcode 01).

Verzoeker heeft vervolgens bij een op 19 juni 2012 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoekschrift verzocht hem op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 62.936,60 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, alsmede een bedrag van € 540,- als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en behandelen in raadkamer van het onderhavige verzoekschrift.

De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2011 het verzoek afgewezen omdat de bij het verzoekschrift gevoegde declaraties ter zake van kosten rechtsbijstand in de strafzaak tegen verzoeker telkens op naam zijn gesteld van en zijn ingediend bij B.V. en die declaraties ook zijn voldaan door B.V., terwijl niet is gebleken dat B.V. deze kosten voor verzoeker heeft voorgeschoten onder de verplichting van verzoeker tot terugbetaling van dat voorschot, zodat er –aldus de rechtbank- geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de kosten voor rechtsbijstand metterdaad en direct ten laste van verzoeker zijn gekomen.

Namens verzoeker is op 19 juni 2012 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 29 november 2012 in raadkamer behandeld. In raadkamer is gehoord de advocaat-generaal mr. Strack.

Verzoeker en diens advocaat mr. Dorsman zijn –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof kennis genomen van de appelschriftuur van verzoeker van 18 juni 2012, waarin wordt bepleit dat –hoewel de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak tegen verzoeker bij de vennootschap (naar het hof begrijpt: B.V.) zijn gefactureerd en ook door deze vennootschap zijn voldaan- het onvergoed blijven van de kosten van rechtsbijstand onaanvaardbaar is, nu de gemaakte kosten voor rechtsbijstand feitelijk ten laste van het vermogen van verzoeker zijn gekomen nu verzoeker enig aandeelhouder van die vennootschap is.

Naar het oordeel van het hof miskent deze stelling dat in een situatie als de onderhavige -reeds op basis van de daarvoor geldende civielrechtelijke en fiscale wettelijke bepalingen- een strikte scheiding geldt tussen de vermogensrechtelijke positie van verzoeker privé en die van de vennootschap. Derhalve kan niet worden gezegd dat kosten die door de vennootschap zijn gedragen moeten worden geacht ook ten laste te zijn gekomen van verzoeker in privé.

Nu ook in hoger beroep niet is gebleken dat voor verzoeker een onvoorwaardelijke verplichting bestaat tot terugbetaling van het totaalbedrag van de declaraties in zijn strafzaak aan de vennootschap en ook niet dat verzoeker zelf enige betaling in verband met kosten van rechtsbijstand in zijn strafzaak heeft verricht, heeft de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep het hof niet tot andere beschouwingen en beslissingen gebracht dan die van de eerste rechter.

Het hoger beroep moet derhalve worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF