Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit valsheid in geschrifte (facturen halalvlees)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2 mei 2013, LJN CA1257

De veroordeelde is bij vonnis van 18 januari 2012 door de rechtbank veroordeeld voor het als rechtspersoon medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het hof komt op basis van de bewijsmiddelen tot het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

De veroordeelde heeft voordeel genoten door het volgende. De vleesbedrijven X en Y factureerden hoeveelheden vlees aan de veroordeelde, terwijl dat vlees nooit werd geleverd. Vervolgens factureerde de veroordeelde dezelfde hoeveelheden vlees terug aan X en Y met de vermelding dat het om halalvlees ging. Zodoende konden X en Y het vlees dat niet halal was geslacht wel als halalvlees verkopen. De veroordeelde factureerde aan X en Y met een opslag van 7 cent per kilo vlees(product). Per kilo vlees(product) dat op voormelde wijze vals/valselijk werd gefactureerd verdiende de veroordeelde dan ook 7 cent.

In totaal is op deze wijze 1.041.149 kilo vlees gefactureerd met een opslag van 7 cent. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan derhalve worden vastgesteld op 1.041.149 x € 0,07 = € 72.880,43.

Kosten die in mindering zouden moeten worden gebracht op dit voordeel zijn niet gesteld of gebleken. Wel heeft de verdediging betoogd dat een vordering van € 83.000 die de veroordeelde op vleeshandelaar/X/Y had, in mindering zou moeten worden gebracht. Het hof verwerpt dit betoog. Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden slechts aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Nog afgezien van de vraag of de vordering in rechte is toegekend of zelfs maar vaststaat, stelt het hof vast dat de veroordeelde heeft getracht door het plegen van valsheid in geschrifte een eigen vordering te innen. Het kan niet zo zijn dat een verrekening die de veroordeelde op illegale wijze heeft getracht te effectueren, in deze ontnemingsprocedure alsnog wordt gelegitimeerd.

Dat de vordering van de veroordeelde niet wordt verrekend met het wederrechtelijk verkregen voordeel is niet in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel zoals door de raadsman van veroordeelde is betoogd. De veroordeelde verkeert thans immers, evenals voor deze ontnemingsprocedure, in de positie om op rechtmatige wijze zijn beweerdelijke vordering te innen.

Het hof legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 72.880,43 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ne bis in idem. Hof verklaart openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 mei 2013, LJN BZ9820

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof de beroepen beslissing zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van € 2.375, en het door de veroordeelde te betalen bedrag op nihil zal stellen.

De verdediging heeft bepleit dat het onder veroordeelde in beslag genomen geldbedrag van € 2.375,25 niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt.

Hof: De beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn ontnemingsvordering 

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie, welke op 21 juni 2012 bij de rechtbank Middelburg aanhangig is gemaakt, betrekking heeft op een op 7 september 2011 onder veroordeelde in beslag genomen bedrag groot € 2.375,25.

Het zich in het dossier bevindende - uitgewerkte - vonnis van 23 november 2011 van de politierechter in de rechtbank Middelburg in de strafzaak tegen veroordeelde onder parketnummer 12/715479-11 houdt in dat hij is veroordeeld ter zake van:

  • medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 juli 2011 tot en met 7 september 2011.
  • medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd op 7 september 2011;
  • witwassen op 7 september 2011.

Het houdt voorts in dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf en dat het onderhavige geldbedrag van € 2.375,25 is verbeurd verklaard op de grond dat het geld geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen.

In het dossier bevindt zich voorts een “Akte rechtsmiddel” met betrekking tot voornoemde strafzaak. Deze akte houdt in dat op 28 november 2011 namens de veroordeelde hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis in de strafzaak. Het hoger beroep is vervolgens, blijkens de daarvan opgemaakte akte die zich eveneens in het dossier bevindt, op 26 april 2012 namens de verdachte weer ingetrokken. Niet is gebleken dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld in de strafzaak.

Hieruit volgt dat het vonnis van de politierechter op die laatstgenoemde datum onherroepelijk is geworden.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat het geldbedrag waarop de ontnemingsvordering ziet, door de politierechter verbeurd is verklaard als zijnde (grotendeels) verkregen door middel van de strafbare feiten en dat deze verbeurdverklaring ten tijde van het aanhangig maken van de ontnemingsvordering reeds onherroepelijk was. Tegen de achtergrond van het ‘ne bis in idem’-beginsel, zoals neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ziet het hof daarin aanleiding het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van gewoontewitwassen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 8 mei 2013, LJN BZ9807

De echtgenote van verdachte heeft in de ten laste gelegde periode grote geldbedragen verduisterd. In het dossier is geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte direct betrokken is geweest bij deze verduistering. Evenmin is bewijs voorhanden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte als medepleger de door zijn echtgenote verduisterde (girale) geldbedragen tot een totaal van € 1.113.422,37 op enig moment voorhanden heeft gehad.

Het hof heeft wel vastgesteld dat verdachte en zijn echtgenoot de beschikking hebben gehad over grote geldbedragen, tot een totaal van € 257.876,51.

Gelet op diverse feiten en omstandigheden (waaronder tegenstrijdige verklaringen), de hoogte van de geldbedragen en nu verdachte naar het oordeel van het hof geen aannemelijke verklaring hiervoor heeft gegeven, kunnen deze geldbedragen naar het oordeel van het hof niet anders dan - middellijk dan wel onmiddellijk - afkomstig zijn van enig misdrijf.

De vordering van de benadeelde partij wijst het hof af, omdat sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de schade, geleden ten gevolge van de verduistering door de echtgenote van verdachte, en het bewezen verklaarde gewoontewitwassen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft opdracht gegeven tot het gedeeltelijk slopen van een woning waarin asbest was verwerkt, zonder over een asbestinventarisatierapport te beschikken, door een bedrijf dat niet in het bezit was van een daartoe benodigd certificaat

Gerechtshof 's-Gravenhage 14 december 2021, LJN BZ9414

De verdachte heeft opdracht gegeven tot het gedeeltelijk slopen van een woning waarin asbest was verwerkt, zonder over een asbestinventarisatierapport te beschikken, door een bedrijf dat niet in het bezit was van een daartoe benodigd certificaat.

In de koopovereenkomst van het betreffende pand te Voorburg staat op pagina drie uitdrukkelijk vermeld dat aan koper - dus aan de verdachte - bekend is dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt. In de akte van levering staat op pagina zes eveneens vermeld dat aan koper bekend is dat in het verkochte asbest is verwerkt.

Gelet hierop wist de verdachte van het bestaan van asbest in het gekochte object, als zij al niet op dat spoor gebracht was door het feit dat het een woning betrof die voor 1994 was gebouwd, en had zij - als professioneel ondernemer - zich dienen te oriënteren ten aanzien van de wettelijke eisen voor asbestverwijdering en effectieve voorzorgs- maatregelen moeten nemen. Door dat na te laten heeft zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de werkzaamheden werden uitgevoerd zonder het vereiste asbestinventarisatierapport door een niet-gecertificeerd bedrijf. Het bewezenverklaarde is haar dus volledig toe te rekenen.

Daaraan doet niet af dat gedacht werd dat het om asbest in het - nog niet gesloopte - schuurdak ging. Anders dan door de raadsman ter terechtzitting is verklaard, blijkt uit het Rapport verkoopkeuring dat de verkoper had laten maken en dat verdachte heeft doen overleggen, niet dat het schuurdak asbest bevatte. In het daarvoor bestemde vakje is immers niets vermeld. De maker van dat rapport die ter terechtzitting als getuige is gehoord, heeft ook verklaard dat hij niet heeft waargenomen dat het schuurdak asbesthoudend was. Aan dat rapport kon verdachte dat vermoeden dan ook niet ontlenen. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Verdachte wordt veroordeelt tot een geldboete van € 8.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak: Ontbreken van wettelijke grondslag voor het doen van de ten laste gelegde vordering

Gerechtshof Leeuwarden 6 mei 2013, LJN BZ9374

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 januari 2010, in de gemeente [gemeente], opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 19 van de Wet op de economische delicten, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door [verbalisant], hoofdagent van politie Team [plaats], zijnde een opsporingsambtenaar, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze opsporingsambtenaar van hem had gevorderd de rittenstaat ter inzage af te geven, geen gevolg gegeven aan die vordering;

subsidiair: hij op of omstreeks 19 januari 2010, te [plaats], opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 19 van de Wet op de economische delicten en/of artikel 87 lid 2 Wet Personenvervoer 2000 en/of artikel 5:17 Wet Bestuursrecht, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant], hoofdagent van politie Team [plaats], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, te weten het controleren van een taxi die geparkeerd stond op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangegeven door bord E9, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd inzage te geven in zijn, verdachtes, rittenstaat, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.

Het hof acht het in het subsidiair opgenomen onderdeel 'Wet Bestuursrecht' een kennelijke vergissing en leest dit verbeterd als 'Algemene wet bestuursrecht'.

Vrijspraak 

Vaststaat dat de hoofdagent van politie aan verdachte tot viermaal toe de vordering heeft gedaan om de rittenstaten ter inzage te geven en dat verdachte niet aan deze vordering heeft voldaan. Verdachte betwist de rechtmatigheid van de vordering.

Uit het dienaangaande opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt niet dat aan verdachte is meegedeeld waarop de vordering steunde dan wel met het oog waarop de vordering is gedaan.

Het hof zal gelet hierop verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde, reeds hierom omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zich bewust is of moet zijn geweest van het gegeven dat de vordering die de verbalisant heeft gedaan, kan steunen op een voorschrift van de Wet op de economische delicten.

Subsidiair is ten laste gelegd dat de vordering is gegrond op artikel 19 van de Wet op de economische delicten, artikel 87, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000, artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht of enig ander wettelijk voorschrift en dat de vordering is gedaan met het oog op het controleren van een taxi die geparkeerd stond op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangegeven door bord E9.

Artikel 19 van de Wet op de economische delicten kan voor deze vordering niet de grondslag bieden. Het eerste lid van dit artikel kent aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid toe om inzage te vorderen van gegevens en bescheiden in het belang van de opsporing en niet, zoals ten laste gelegd, ter controle.

Artikel 87, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 vormt evenmin een deugdelijke grondslag voor de vordering. Deze bepaling belast, kort gezegd, opsporingsambtenaren als verbalisant met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens die wet, maar kent geen toezichtsbevoegdheden toe.

Dat doet artikel 5:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wel. Dit artikellid kent aan de toezichthouder, als hoedanig verbalisant gelet op artikel 87, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 kan worden aangemerkt, de bevoegdheid toe om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. Artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt vervolgens dat de toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt niet hetgeen is ten laste gelegd, namelijk dat de verbalisant de inzage van de rittenstaat heeft gevorderd met het oog op de controle van een taxi die geparkeerd stond op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangegeven door bord E9. Artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich ook tegen het gebruik van de bevoegdheid van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht hiertoe.

Het onderzoek naar het foutief parkeren was al afgerond. Verdachte was voor deze gedraging al proces-verbaal aangezegd.

Het hof heeft ook geen andere wettelijke grondslag gevonden voor het doen van de vordering zoals ten laste gelegd.

Dit betekent dat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens valsheid in geschrifte en overtreden Flora en Faunawet

Gerechtshof Arnhem 16 april 2013, LJN BZ7453

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het overtreden van artikel 13 van de Flora en Faunawet en artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf van 180 uur.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen van inheemse beschermde vogels die voor een deel in het wild waren gevangen. De verdachte maakte daarbij ook gebruik van vervalste ringen. De verdachte heeft daarmee niet voldaan aan de in de Flora- en Faunawet neergelegde regeling en evenmin is aannemelijk geworden dat hij heeft voldaan aan de eisen die in de wet opgenomen uitzonderingen zijn opgenomen. Daarom geen sprake van in gevangenschap gefokte vogels.

Beroep op overmacht en beroep op rechtsdwaling falen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nog een reden voor beroep op zwijgrecht? Afwijzing vergoeding kosten raadsman vanwege bekennende verklaring.

Gerechtshof Arnhem 4 februari 2013, LJN BZ9323

Bij vonnis van de rechtbank van 22 november 2010 is de gewezen verdachte veroordeeld ter zake het seksueel binnendringen bij iemand beneden zestien jaar en verkrachting, meermalen gepleegd. Tegen dit vonnis heeft de gewezen verdachte hoger beroep ingesteld. Op 8 juli 2011 is verdachte overleden. Bij arrest van 24 mei 2012 heeft het gerechtshof te Arnhem het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte wegens diens overlijden. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan 9a Sr.

Door de raadsman van verdachte is een verzoek strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591 Sv ingediend voor de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten, zijnde de kosten van het opstellen van een rapportage door het recherchebureau PD Recherche alsmede de kosten van het opstellen van een rapportage door een forensisch psycholoog. Het verzoek strekt tevens tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a Sv in de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift en het gelijktijdig ingediend verzoek ex artikel 89 Sv.

Overwegingen hof

Kosten rapportages recherchebureau PD Recherche en forensisch psycholoog

Het hof is van oordeel dat de op verzoek van de gewezen verdachte uitgebrachte rapportages van het recherchebureau PD Recherche en van de forensisch psycholoog, het belang van het onderzoek niet hebben gediend. De opdrachten tot het opstellen van bedoelde rapportages zijn eerst na het veroordelend vonnis van de rechtbank te Utrecht gegeven. Nu de zaak in hoger beroep vervolgens is geëindigd wegens het overlijden van de gewezen verdachte, zijn beide rapporten niet gebruikt. Ook overigens is niet gebleken dat de rapporten het belang van het onderzoek hebben gediend. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

Kosten raadsman

Het hof constateert dat de gewezen verdachte naar aanleiding van een tegen hem gedane aangifte op 6 april 2009 een verklaring heeft afgelegd ten overstaan van de verbalisanten en dat hij daarbij heeft bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan de aan hem verweten gedragingen. De raadsman heeft gesteld dat die van het bewijs uitgesloten had dienen te worden, nu het recht op effectieve rechtsbijstand van de gewezen verdachte is geschonden. Wat daarvan ook zij, bij de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een schadevergoeding, kan het hof die verklaring meewegen.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name ook de door de gewezen verdachte afgelegde bekennende verklaring, acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de gevraagde vergoeding. Het hof zal daarom het verzoek ook in zoverre afwijzen.

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schade- vergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift en het tegelijkertijd ingediende verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

Conclusie

Het hof kent aan verzoeker toe een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 540 als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van onderhavig verzoekschrift en het tegelijkertijd ingediende verzoekschrift ex artikel 89 Sv, gelast de tenuitvoerlegging daarvan en wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens versturen dreigbrief naar voorzitter College van procureurs-generaal

Gerechtshof 's-Gravenhage 20 maart 2013, LJN BZ9393

De verdachte heeft uit pure frustratie, omdat hij stelt nooit antwoord te hebben gekregen op eerdere brieven, een dreigbrief verstuurd naar de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal. De brief bevat diverse passages waarin onder meer wordt gedreigd de aangever van het leven te beroven, indien niet tegemoet wordt gekomen aan de wensen van de verdachte. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en voorts gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Begrip afvalstoffen, veroordeling art. 8.1 Wet milieubeheer

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 april 2013, LJN BZ9238

Feiten

De kern van de zaak is dat verdachte niet heeft voldaan aan de regels die gelden voor handelingen met betrekking tot afvalstoffen. Verdachte gaf feitelijk leiding aan de onvergunde opslag van afvalstoffen op twee locaties.

Tenlastelegging

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van feit 1 primair en feit 3. Hij is ter zake van de volgende feiten tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis:

  • feit 1 subsidiair: het medeplegen van het in werking hebben van een inrichting zonder de daarvoor vereiste vergunning, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven,
  • feit 2: het medeplegen van het plegen van handelingen op de boden waardoor - naar men wist of redelijkerwijs kon vermoeden - de bodem kon worden verontreinigd, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, en 
  • feit 4: het medeplegen van het in werking hebben van een inrichting zonder de daarvoor vereiste vergunning, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Begrip afvalstof

De verdediging heeft op basis van verschillende argumenten betoogd dat de in de inrichtingen van verdachte aangetroffen carbon black geen afvalstof was. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit bijlage I bij richtlijn 2006/12/EG blijkt dat vele stoffen en voorwerpen als afvalstof kunnen worden aangemerkt. Niet alleen de afvalstoffen die vallen onder de categorieën die expliciet zijn genoemd, maar - zo staat te lezen in bijlage I - ook alle stoffen, materialen of producten die niet in te delen zijn in een van die categorieën.

Of stoffen gekwalificeerd kunnen worden als afvalstoffen, wordt dus primair bepaald door het gedrag of de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stoffen ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Bij de beoordeling van de intentie van de houder moet rekening worden gehouden met de doelstelling van de afvalstoffenrichtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van richtlijn 2006/12/EG dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip afvalstof dient bijgevolg niet restrictief te worden uitgelegd.

In de onderhavige zaak blijkt met betrekking tot de weg die de bij verdachte aangetroffen carbon black heeft afgelegd, het volgende.

De blijkens de etikettering uit verschillende partijen bestaande hoeveelheden in de inrichtingen van verdachte aan adres 1 te Asten en adres 2 te Deurne aangetroffen carbon black waren afkomstig van X, de voormalige huurder van loodsen van verdachte te Deurne. X - zo wist ook verdachte - had de carbon black op zijn beurt ontvangen van het bedrijf rechtspersoon 7.

Rechtspersoon 7 heeft zich in de periode 2002 tot 2004/2005 ontdaan van de carbon black door die via afvalinzamelaar en -transporteur Sita af te laten afvoeren naar X. Al de carbon black die rechtspersoon 7 naar X liet afvoeren - behoudens een hoeveelheid teruggehaald materiaal, met een voorraadverschil van 15 ton - was volgens rechtspersoon 7 afval. De carbon black werd dan ook onder begeleiding van een zogenaamd PMV-formulier afgevoerd.

Een van de PMV-formulieren is opgenomen in het dossier. Op dit formulier is de afgevoerde carbon black, onder vermelding datum aanvang transport 23-11-2004, aangeduid met Euralcode 06 13 05, zijnde de code die de betreffende afvalstof heeft op de door de Commissie opgestelde afvalstoffenlijst, behorende bij Beschikking 2000/532/EG (Europese afvalcatalogus). De door rechtspersoon 7 via Sita naar X afgevoerde carbon black werd ook door Sita als afvalstof geduid.

Vanaf het moment dat rechtspersoon 7 zich ontdeed van de carbon black tot het moment dat het materiaal in de zomer van 2010 bij verdachte werd aangetroffen, is daaraan nooit het karakter van afvalstof komen te ontvallen (einde-afvalfase). Dit had wel het geval kunnen zijn indien de carbon black in de tussentijd een behandeling voor nuttige toepassing zou hebben ondergaan, als bedoeld in bijlage II B van richtlijn 2006/12/EG (waarnaar verwezen wordt in art. 1.1 lid 1 Wet milieubeheer jo. art. 1 richtlijn 2006/12/EG, zoals die luidden ten tijde van het ten laste gelegde).

Van een dergelijke behandeling is het hof niet gebleken. Eerst heeft X de ontvangen carbon black achtergelaten in de loods van verdachte, waardoor ook X zich er feitelijk van heeft ontdaan. Ten slotte wilde verdachte zich van de carbon black ontdoen door die te verkopen aan een derde.

Gelet op het voorgaande is de carbon black vanaf het moment dat rechtspersoon 7 zich ervan ontdeed aan te merken als een afvalstof en is er daarin nadien geen verandering gekomen.

De raadsman heeft voorts nog betoogd dat de carbon black een bijproduct is en daarom geen afvalstof.

Het hof passeert ook dit standpunt. Immers niet is gebleken dat de aangetroffen carbon black voldeed aan de door het Europees Hof van Justitie geformuleerde voorwaarden voor bijproducten (zaak C-9/00 (Palin Granit), zoals thans vastgelegd in artikel 5 van Richtlijn 2008/98/EG). Meer in het bijzonder is niet gebleken dat sprake was van een situatie waarin hergebruik zeker was, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring 

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Eventuele onrechtmatige fouillering kan niet leiden tot bewijsuitsluiting

Gerechtshof Amsterdam 1 mei 2013, LJN BZ9673

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. De raadman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Bij de ingang van het bewuste dance-event stonden weliswaar grote borden waarop te lezen was dat bezoekers gefouilleerd konden worden, maar dat had uitsluitend een privaatrechtelijke strekking. Fouillering door opsporingsambtenaren is van andere orde en wordt geregeerd door de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. In het onderhavige geval heeft een securitymedewerker kennelijk gezien dat de verdachte vermoedelijk drugs bij zich had, omdat er een pakketje werd overgedragen aan de verdachte en vormde deze constatering voor hem kennelijk voldoende grond voor de verdenking van een overtreding van de Opiumwet. Een en ander is echter onvoldoende aanleiding om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De politie had niet tot fouillering over mogen gaan. Het bewijs ontleend aan de fouillering is daarom onrechtmatig verkregen, zodat vrijspraak moet volgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens het stam proces-verbaal heeft een securitymedewerker op het terrein waar het dance-event werd gehouden gezien hoe een pakketje aan verdachte werd overhandigd en dit vervolgens bij de politie gemeld. Opsporingsambtenaren zijn vervolgens overgegaan tot een onderzoek aan de kleding van de verdachte en troffen 20 pillen XTC en een kleine hoeveelheid cocaïne aan. Volgens de aanhoudingskaart is de verdachte aangehouden door de beveiliging nadat hij een pakketje had gekocht bij een persoon. De verdachte heeft zelf bij de politie verklaard dat hij op het festivalterrein iemand sprak die hem zei dat hij een tikkie, hetgeen volgens de verdachte cocaïne betekent, moest nemen en dat hij van deze persoon een wikkel kreeg, die aannam en heeft gebruikt. Hij is toen geschrokken van de beveiliging en weggelopen, maar aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.

Gelet op een en ander kan de conclusie geen andere zijn dan dat de beveiligingsmedewerker heeft waargenomen dat de verdachte een pakketje kreeg overhandigd, dat dit wees op de overdracht van drugs, dat hij de verdachte heeft aangehouden en heeft overgedragen aan de politie en dat deze de verdachte heeft gefouilleerd. Het hof acht deze – ook door de verdediging geschetste - gang van zaken niet onrechtmatig, Datgene wat de securitymedewerker zag, leverde voldoende grond op voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Eveneens bestonden voldoende ernstige bezwaren om de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat, zelfs als hier sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige fouillering, dit niet kan leiden tot bewijsuitsluiting van de bij die fouillering gevonden Opiumwetmiddelen. Bewijsuitsluiting kan, zoals door de Hoge Raad recent nog eens uitdrukkelijk is uiteengezet (HR 19 februari 2013, LJN BY5321), als op grond van art. 359a, eerste lid Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en is slechts aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarbij moet vooral worden gedacht aan schending van de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin bewijsuitsluiting aangewezen is hoewel het recht op een eerlijk proces door het vormverzuim niet (rechtstreeks) in het geding is. In dat geval gaat het om een soort educatief gebruik van deze sanctie, als rechtsstatelijke waarborg en als middel om opsporingsambtenaren te weerhouden van (verder) onrechtmatig optreden. Een dergelijk gebruik van bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn in geval van een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte dan wel – in zeer uitzonderlijke gevallen - indien de vormverzuimen van structurele aard zijn en de verantwoordelijke autoriteiten zich onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. Een dergelijke door de Hoge Raad bedoelde zeer ingrijpende inbreuk of zeer uitzonderlijk geval doet zich hier niet voor.

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^