Ne bis in idem. Hof verklaart openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 mei 2013, LJN BZ9820

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof de beroepen beslissing zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van € 2.375, en het door de veroordeelde te betalen bedrag op nihil zal stellen.

De verdediging heeft bepleit dat het onder veroordeelde in beslag genomen geldbedrag van € 2.375,25 niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt.

Hof: De beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn ontnemingsvordering 

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie, welke op 21 juni 2012 bij de rechtbank Middelburg aanhangig is gemaakt, betrekking heeft op een op 7 september 2011 onder veroordeelde in beslag genomen bedrag groot € 2.375,25.

Het zich in het dossier bevindende - uitgewerkte - vonnis van 23 november 2011 van de politierechter in de rechtbank Middelburg in de strafzaak tegen veroordeelde onder parketnummer 12/715479-11 houdt in dat hij is veroordeeld ter zake van:

  • medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 juli 2011 tot en met 7 september 2011.
  • medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd op 7 september 2011;
  • witwassen op 7 september 2011.

Het houdt voorts in dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf en dat het onderhavige geldbedrag van € 2.375,25 is verbeurd verklaard op de grond dat het geld geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen.

In het dossier bevindt zich voorts een “Akte rechtsmiddel” met betrekking tot voornoemde strafzaak. Deze akte houdt in dat op 28 november 2011 namens de veroordeelde hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis in de strafzaak. Het hoger beroep is vervolgens, blijkens de daarvan opgemaakte akte die zich eveneens in het dossier bevindt, op 26 april 2012 namens de verdachte weer ingetrokken. Niet is gebleken dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld in de strafzaak.

Hieruit volgt dat het vonnis van de politierechter op die laatstgenoemde datum onherroepelijk is geworden.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat het geldbedrag waarop de ontnemingsvordering ziet, door de politierechter verbeurd is verklaard als zijnde (grotendeels) verkregen door middel van de strafbare feiten en dat deze verbeurdverklaring ten tijde van het aanhangig maken van de ontnemingsvordering reeds onherroepelijk was. Tegen de achtergrond van het ‘ne bis in idem’-beginsel, zoals neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ziet het hof daarin aanleiding het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF