Eventuele onrechtmatige fouillering kan niet leiden tot bewijsuitsluiting

Gerechtshof Amsterdam 1 mei 2013, LJN BZ9673

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. De raadman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Bij de ingang van het bewuste dance-event stonden weliswaar grote borden waarop te lezen was dat bezoekers gefouilleerd konden worden, maar dat had uitsluitend een privaatrechtelijke strekking. Fouillering door opsporingsambtenaren is van andere orde en wordt geregeerd door de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. In het onderhavige geval heeft een securitymedewerker kennelijk gezien dat de verdachte vermoedelijk drugs bij zich had, omdat er een pakketje werd overgedragen aan de verdachte en vormde deze constatering voor hem kennelijk voldoende grond voor de verdenking van een overtreding van de Opiumwet. Een en ander is echter onvoldoende aanleiding om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De politie had niet tot fouillering over mogen gaan. Het bewijs ontleend aan de fouillering is daarom onrechtmatig verkregen, zodat vrijspraak moet volgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens het stam proces-verbaal heeft een securitymedewerker op het terrein waar het dance-event werd gehouden gezien hoe een pakketje aan verdachte werd overhandigd en dit vervolgens bij de politie gemeld. Opsporingsambtenaren zijn vervolgens overgegaan tot een onderzoek aan de kleding van de verdachte en troffen 20 pillen XTC en een kleine hoeveelheid cocaïne aan. Volgens de aanhoudingskaart is de verdachte aangehouden door de beveiliging nadat hij een pakketje had gekocht bij een persoon. De verdachte heeft zelf bij de politie verklaard dat hij op het festivalterrein iemand sprak die hem zei dat hij een tikkie, hetgeen volgens de verdachte cocaïne betekent, moest nemen en dat hij van deze persoon een wikkel kreeg, die aannam en heeft gebruikt. Hij is toen geschrokken van de beveiliging en weggelopen, maar aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.

Gelet op een en ander kan de conclusie geen andere zijn dan dat de beveiligingsmedewerker heeft waargenomen dat de verdachte een pakketje kreeg overhandigd, dat dit wees op de overdracht van drugs, dat hij de verdachte heeft aangehouden en heeft overgedragen aan de politie en dat deze de verdachte heeft gefouilleerd. Het hof acht deze – ook door de verdediging geschetste - gang van zaken niet onrechtmatig, Datgene wat de securitymedewerker zag, leverde voldoende grond op voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Eveneens bestonden voldoende ernstige bezwaren om de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat, zelfs als hier sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige fouillering, dit niet kan leiden tot bewijsuitsluiting van de bij die fouillering gevonden Opiumwetmiddelen. Bewijsuitsluiting kan, zoals door de Hoge Raad recent nog eens uitdrukkelijk is uiteengezet (HR 19 februari 2013, LJN BY5321), als op grond van art. 359a, eerste lid Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en is slechts aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarbij moet vooral worden gedacht aan schending van de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin bewijsuitsluiting aangewezen is hoewel het recht op een eerlijk proces door het vormverzuim niet (rechtstreeks) in het geding is. In dat geval gaat het om een soort educatief gebruik van deze sanctie, als rechtsstatelijke waarborg en als middel om opsporingsambtenaren te weerhouden van (verder) onrechtmatig optreden. Een dergelijk gebruik van bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn in geval van een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte dan wel – in zeer uitzonderlijke gevallen - indien de vormverzuimen van structurele aard zijn en de verantwoordelijke autoriteiten zich onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. Een dergelijke door de Hoge Raad bedoelde zeer ingrijpende inbreuk of zeer uitzonderlijk geval doet zich hier niet voor.

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF