Veroordeling belastingadviseur wegens doen van onjuiste aangiften IB door ten onrechte aftrekposten voor specifieke zorgkosten op te nemen

Rechtbank Midden-Nederland 28 september 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:7075 Verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude. Hij heeft opzettelijk in de aangiften inkomstenbelasting van zijn klanten aftrekposten, waaronder dieetkosten, opgenomen zonder dat deze nader onderbouwd kunnen worden. Ook heeft hij in zijn eigen aangifte inkomstenbelasting de inkomsten die hij ontving voor het doen van deze aangiften niet opgegeven bij de belastingdienst.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden.

Ook zal aan verdachte de bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat hij gedurende deze proeftijd - direct of indirect - voor derden geen belastingaangiften mag doen, en ook geen daarmee verband houdende belasting(advies)werkzaamheden voor derden mag verrichten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Fiscale versus strafrechtelijke straftoemeting

Indien de inspecteur van mening is dat opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan, dan wordt de vergrijpboete gebaseerd op de belastingheffing die voortvloeit uit de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden. In het arrest van de Hoge Raad van 4 januari 2013 (Belastingkamer) worden de overwegingen van het Hof in stand gelaten waarin het Hof deze duidelijke koppeling aanbrengt tussen de boetegrondslag en het opzet. In een recente uitspraak van het Hof Amsterdam wordt deze rechtsregel toegepast. Een reminder voor ons allen om per correctie of onderdeel van de aanslag nauwkeurig na te gaan of opzet kan worden bewezen. Ook de strafrechtadvocaat kan hier zijn voordeel mee doen. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Basiscursus Fiscaal Strafrecht

Tijdens deze basiscursus maakt u kennis met het fiscale strafrecht. De strafrechtelijke bepalingen uit de Algemene Wet Rijksbelastingen zullen worden besproken alsmede de algemene straf- en fiscaalrechtelijke leerstukken die daarmee verband houden. Naast de materiële en formele regels van het fiscale strafrecht wordt stilgestaan bij de verschillen en overeenkomsten tussen het fiscaal strafprocesrecht en (commune) strafprocesrecht.

Concreet zullen leerstukken als het uni via-beginsel, samenloop, daderschap en deelneming en ook opzet en schuld de revue passeren en onderwerpen als het strekkingsvereiste, pleitbaar standpunt en sfeerovergang, toegesneden op specifieke fiscale situaties. Voorts wordt aandacht geschonken aan de verschillende aspecten van de opsporing en handhaving van fiscale delicten.

 

Programma

Formele aspecten I & wijzen van handhaving

  • Richtlijnen AAFD
  • Una Via
  • Fiscale afdoening
  • Strafbeschikking
  • Transactie
  • Strafvervolging

Materiële aspecten I

  • Soorten fiscale delicten (68/69 AWP)
  • Kwaliteitsdelicten/deelneming in fiscaal strafrecht
  • Pleitbaar standpunt
  • Verhouding art. 69 AWR en 225 Sr en 326 Sr

Materiële aspecten II

  • Opzet
  • Strekkingsvereiste
  • Inkeer art. 69 lid 3 AWR
  • Belang fiscale nadeelberekening
  • Samenloop
  • Ne bis in idem
  • Generalis-specialis

Formele aspecten II

  • Normadressaten 47 en 52 AWR
  • Informatieverplichtingen
  • Sfeerovergang
  • Opsporing en (afwijkende) dwangmiddelen
  • De FIOD

 

Niveau: Basis, wel enige voorkennis van het strafrecht vereist.

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Fiscalisten
  • Adviseurs
  • Bedrijfsjuristen
  • Leden van de zittende magistratuur
  • Openbaar Ministerie
  • Accountants

 

Docenten

 

Praktische Informatie

Datum & tijd: Vrijdag 9 oktober 2015 2014 | 10.00 - 16.30 uur

Locatie: Plein 15-16 te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal (ca. 8 minuten).

Kosten: € 440,- excl. 21% BTW.  Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Kopie van het handboek Fiscaal straf- en strafprocesrecht van W.E.C.A. Valkenburg en J.H. van der Werff**
  • Lunch
  • Consumpties

* Nemen er meerdere personen van uw kantoor of organisatie deel aan de cursus, dan ontvangt u beiden €25,- korting.

** Beschikt u reeds over het handboek? Dan betaalt u slechts € 375,- excl. BTW.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

'Het afdwingen van fiscale informatieverplichtingen'

De naleving van informatieverplichtingen is voor een juiste belastingheffing van doorslaggevend belang. Vragen die door de inspecteur worden gesteld met het oog op de vaststelling van de materiële belastingschuld moeten daarom door de belastingplichtige worden beantwoord, ook wanneer hij daarmee de verdenking op zich laadt dat hij inkomsten heeft verzwegen. Indien vragen uitsluitend zijn gericht op bestraffing geldt echter het zwijgrecht. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin een belastingadviseur of accountant om opheldering wordt verzocht omtrent zijn betrokkenheid bij een onjuiste aangifte. Dergelijke vragen zien op een eventuele strafrechtelijke sanctie en behoeven niet te worden beantwoord. In de praktijk is de situatie vaak minder zwart-wit, omdat vragen die de inspecteur aan de belastingplichtige stelt in de regel een gemengd karakter hebben; de gevorderde informatie kan zowel relevant zijn voor de belastingheffing als een boete. Dat creëert een spanningsveld tussen enerzijds de fiscaalrechtelijke spreekplicht en anderzijds het strafrechtelijke zwijgrecht. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG in tipgeverszaken: getuigen hoefden naam tipgever niet te geven, aanslagen vernietigd

De belastingambtenaren die getuigen waren in tipgeverszaken, hoefden de naam van de tipgever niet te noemen. Dat schrijft advocaat-generaal IJzerman in zijn advies aan de Hoge Raad. In hun cassatieberoep tegen de beslissing van het hof dat zij de naam van de tipgever ten onrechte niet noemden, zijn zij echter niet ontvankelijk. Alleen partijen in een zaak kunnen cassatieberoep instellen. Dat betekent dat de eerdere uitspraak van het hof waarin de opgelegde aanslagen en boetes werden vernietigd, in stand blijft.

In deze twee zogenoemde tipgeverszaken is de Belastingdienst op de hoogte gekomen van een (vermeende) Luxemburgse bankrekening van de belastingplichtige via een tipgever. Deze heeft tegen een financiële vergoeding (tipgeld) informatie over buitenlandse bankrekeningen aan de Belastingdienst gegeven, onder voorwaarde dat de identiteit van de tipgever niet bekend wordt gemaakt.
Op basis van de verkregen bankinformatie heeft de Belastingdienst aanslagen en boetes opgelegd. In de daarop volgende procedure heeft de inspecteur geweigerd de identiteit van de tipgever bekend te maken aan de rechter en daarmee aan de belastingplichtige.
Bij de rechtbank zijn door de inspecteur alleen stukken, waaronder de overeenkomst met de tipgever, overgelegd waarin namen en andere gegevens zijn zwartgemaakt of weggelaten. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft dat in zijn beslissing niet juist geacht, maar de inspecteur is blijven weigeren de volledige stukken over te leggen. In hoger beroep bij het hof heeft de inspecteur laten weten geen hernieuwde beoordeling van die beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank te wensen.
Door het hof zijn vervolgens twee door de inspecteur meegebrachte belastingambtenaren als getuigen gehoord. Met een beroep op hun wettelijke geheimhoudingsplicht en het daaraan door hen ontleende verschoningsrecht, hebben de getuigen geweigerd de naam van de tipgever te noemen. Het hof vond dat onjuist. In cassatie bij de Hoge Raad verzetten de getuigen zich tegen die beslissing. Dit beroep in cassatie is volgens de advocaat-generaal niet-ontvankelijk, omdat naar zijn mening het fiscale procesrecht niet voorziet in de mogelijkheid dat, naast de partijen, ook bij het hof gehoorde getuigen cassatieberoep zouden kunnen instellen. Ondanks dat gaat de advocaat-generaal inhoudelijk in op de vraag of de getuigen de naam van de tipgever moesten noemen of niet.
De advocaat-generaal meent dat de vraag naar de naam van de tipgever al was afgehandeld in de geheimhoudingsprocedure over de door de inspecteur over te leggen stukken. Daarvan uitgaande stond het de getuigen, gezien het stadium waarin de procedure was gekomen,  vrij de naam van de tipgever niet te noemen.
Indien de Belastingdienst ervoor kiest om een anonieme tipgever te gebruiken, kan rechterlijke controle daarop er volgens de advocaat-generaal toe leiden dat de naam van de tipgever in principe bekend moet worden gemaakt. Zo niet, dan bestaat het risico dat belastingaanslagen en boetes die zijn opgelegd met informatie van de tipgever door de rechter worden vernietigd, zoals het hof hier gedaan heeft.
Overigens vindt de advocaat-generaal dat er ten onrechte over wordt geklaagd dat het recht van de inspecteur op berechting van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter door het hof zou zijn geschonden. Dat het hof in zijn uitspraak scherpe bewoordingen hanteert met betrekking tot de weigering om de naam van de tipgever bekend te maken en het hof grondig van mening verschilt met de inspecteur, betekent volgens de advocaat-generaal nog niet dat het hof vooringenomen is tegen de inspecteur.
De volledige tekst van de conclusies:
Print Friendly and PDF ^

'Het fiscale zwijgrecht is een farce'

Het zwijgrecht staat in belastingzaken lijnrecht tegenover de wettelijke informatieplicht. Als er iets is wat knetterhard botst, is het wel de plicht van de belastingplichtige om de Belastingdienst alle inlichtingen en informatie te verstrekken voor een juiste belastingheffing en tegelijkertijd zijn recht om een slot op zijn mond te zetten als het gaat om de boete. Dat wringt temeer omdat de boete is gebaseerd op de feiten en de omvang van de (navorderings- of naheffings)aanslag. Het had op de weg van de wetgever gelegen om een oplossing te vinden voor dit conflict, bijvoorbeeld door twee afzonderlijke trajecten te maken van de aanslagoplegging en de beboeting, maar de wetgever heeft dat niet gedaan. Die legde het probleem daarmee in wezen op het bordje van de rechter. Recentelijk heeft onze hoogste rechter zijn eindoordelen uitgesproken over het zwijgrecht van de burger tegenover de Belastingdienst. Dat gebeurde in zaken waarin de Belastingdienst eenzelfde belastingplichtige aan de praat had proberen te krijgen via een civiel kort geding en daarbij enorme dwangsommen vorderde, en diezelfde burger ook nog een informatiebeschikking gaf waarbij informatie werd geëist en werd gedreigd met omkering en verzwaring van de bewijslast en hoge boeten. De Hoge Raad heeft de belastingplichtige nu niet bepaald de helpende hand geboden. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Van Weerelt v. Nederland: geen nemo tenetur verweer zonder (definitieve) ‘criminal charge’

Over het schuren van de verplichting enerzijds om als belastingplichtige door de fiscus verplicht te kunnen worden om informatie voor de belastingheffing te verstrekken en anderzijds het recht van een verdachte om niet aan zijn eigen veroordeling mee te hoeven werken is er de afgelopen jaren het nodige te doen geweest. De laatste piketpaal was het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013. Kort samengevat stelde de Hoge Raad in deze zaak voorop dat belastingplichtigen verplicht zijn om in het kader van het komen tot een juiste belastingheffing alle gegevens en inlichtingen aan de fiscus te verschaffen. De belanghebbende verzette zich hiertegen omdat hij vreesde dat de informatie (waarvan hij overigens stelt dat hij daarover niet beschikt) tevens zou worden gebruikt als onderbouwing van een punitieve sanctie zoals het opleggen van een bestuurlijke boete (of zelf een strafrechtelijke vervolging) waardoor dit in strijd zou zijn met het nemo-teneturbeginsel. Omdat de navorderingstermijn dreigde te verjaren had de belastingdienst ter behoud van rechten de belastingplichtige niet alleen een navorderingsaanslag, maar tevens een fiscale vergrijpboete opgelegd. Hiertegen heeft de belanghebbende bezwaar gemaakt omdat verstrekking van de gevraagde informatie door de inspecteur gebruikt zou kunnen worden ter onderbouwing van de reeds de opgelegde vergrijpboete.

De Hoge Raad oordeelde evenwel dat een belastingplichtige kan worden gedwongen om al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing. Of dit materiaal vervolgens mag worden gebruikt ter onderbouwing van een punitieve sanctie zoals de opgelegde vergrijpboete hangt volgens de Hoge Raad af van de aard van het materiaal. Met referte aan het Saunders-arrest van het EHRM oordeelt de Hoge Raad dat informatie die ‘wilsafhankelijk’ is  niet mag worden gebruikt voor bestraffende doelen. De Hoge Raad liet zich in dit arrest nog niet uit over de vraag of stukken die alleen door medewerking van de belastingplichtige kunnen worden verkregen, daardoor dus ‘wilsafhankelijk’ zijn. De Hoge Raad merkt in zijn arrest op dat, voor zover de informatie toch zou worden gebruikt voor punitieve sancties, het vervolgens aan de straf- of fiscale rechter is om te beoordelen welk rechtsgevolg aan een dergelijk onrechtmatig gebruik moet worden verbonden.

EHRM: de klacht komt te vroeg

Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij het Europese Hof wat heeft geresulteerd in de uitspraak van 9 juli 2015. De klacht dat, mede vanwege het feit dat de Nederlandse wetgeving geen waarborgen biedt, het beginsel om jezelf niet hoeven te belasten door de Hoge Raad goedgekeurde gang van zaken wordt geschonden, haalde het echter in dit stadium nog niet bij het Europese Hof.

Nadat het Europese Hof in dit recente arrest opnieuw vaststelt dat het nemo-teneturbeginsel valt te scharen onder artikel 6 EVRM, haalt het Europese Hof het enkele oude  arresten aan die kennelijk hun glans nog steeds niet hebben verloren.  Verwezen wordt naar het arrest Funke waarin het Hof oordeelde dat artikel 6 EVRM was geschonden nadat een vervolging was ingesteld ten behoeve van het verkrijgen van belastende documenten van de verdachte zelf. Echter, het Hof overweegt – zoals ook de Hoge Raad dat in de onderhavige procedure deed – dat de verplichting tot openbaarmaking van inkomsten en vermogen noodzakelijk is om tot een juiste belastingheffing te komen omdat anders een belastingstelsel niet effectief kan functioneren.

Van Weerelt v. Nederland: geen nemo tenetur verweer zonder (definitieve) ‘criminal charge’. Anders gezegd: er kan zich nog een rechter uitlaten over de vraag of de door belanghebbende te verstrekken  informatie kan worden gebruikt voor punitieve doeleinden omdat de vergrijpboete nog niet onherroepelijk is komen vast te staan.  Het Hof herhaalt, onder verwijzing van J.B. v. Zwitserland, nogmaals dat wilafhankelijk materiaal niet mag worden gebruikt ten behoeve van het vaststellen van een boete. Dit is niets nieuws onder de zon.

Het hete hangijzer óf de gevraagde informatie al dan niet wilsonafhankelijk materiaal is en dus niet gebruikt mag worden voor punitieve doeleinden komt zijdelings aan de orde. Het Europese Hof overweegt onder verwijzing naar het arrest Funke dat dat ook documenten, zoals bankafschriften, ook wilsafhankelijk kunnen zijn: ‘the bringing of a prosecution with a view to obtaining incriminating documents from the accused himself’ is niet toegestaan.

Hoge Raad aan zet

Het is afwachten of de Hoge Raad desondanks de destijds door hem ingeslagen Saunders-koers zal blijven vervolgen, zoals nogmaals onlangs in het arrest van 29 mei 2015 bevestigd. De enkele restrictie volgens de Hoge Raad is dat het moet gaan om ‘stukken waarvan het bestaan moet worden aangenomen’. Het mag ook in kort geding  geen fishing expedition worden.

Of deze zaak nog een staartje krijgt hangt ervan af. Indien de belanghebbende alsnog met de gevraagde informatie op de proppen weet te komen, zal de belastingdienst de afweging moeten maken of deze informatie al dan niet als wilsafhankelijk moet worden beoordeeld. Mochten zij de huidige lijn van de Hoge Raad volgen is er alle reden om de zaak opnieuw aan het Hof voor te leggen. Immers is het maar zeer de vraag of de door de Hoge Raad gehanteerde toets om te bepalen of informatie al dan niet wilsonafhankelijk is in lijn is met die van het Europese Hof.

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Nieuw protocol AAFD: Actieve of passieve medewerking van belastingadviseur aan fraude!?'

Op 26 juni jl. is in de Staatscourant de opvolger van de Richtlijnen AAFD gepubliceerd; het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. In het nieuwe Protocol wordt naast de in het oog springende wijzigingen in (i) het drempelbedrag van het fiscale nadeel (€ 100.000) en (ii) de wijze waarop het overleg tussen het de Belastingdienst en het OM plaatsvindt (‘afstemmingsoverleg' in plaats van selectie- en tripartitieoverleg), ook het criterium van de ‘Medewerking van adviseur, deskundige derde of douane-expediteur' nader ingekleurd.

Blijkens de oude richtlijnen werd dit criterium (toen nog ‘aspect' en later ‘indicator' genoemd) reeds van groot belang geacht bij het maken van de keuze in afdoeningsmodaliteit. In het nieuwe Protocol wordt wederom opgemerkt dat in een dergelijke situatie het vertrouwen van de overheid wordt misbruikt, te meer nu de Belastingdienst aan bijvoorbeeld belastingadviseurs bepaalde faciliteiten toekent, zoals de BECON-regeling. In zoverre niets nieuws. Wat wel nieuw is, is dat in het kader van dit misbruik van vertrouwen thans expliciet wordt verwezen naar afspraken over horizontaal toezicht. Wordt hiermee de reeds vaker in de vakliteratuur opgeworpen vraag beantwoord dat ingeval van betrokkenheid van een HT-adviseur bij vermoede fraude, een dergelijke zaak eerder voor het strafrecht wordt geselecteerd?

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Plukken via een omweg: dubbel gepakt?

Het afpakken van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelden blijft een hot item. Misdaad mag immers niet lonen. De bedoeling is echter ook dat belastingheffing en ontneming niet cumuleren: afgepakte inkomsten behoren niet nog eens te worden belast. De ‘gewone’ ontneming is aftrekbaar en loopt daarmee theoretisch fiscaal neutraal. Er zijn echter ook alternatieve (om)wegen om voordeel af te pakken. Dan is de vraag: loopt dit net zo neutraal of wordt iemand daardoor dubbel gepakt?

Nieuw AAFD Protocol

Per 1 juli 2015 gaat een nieuw protocol gelden over de aanmelding en afdoening van fiscale delicten wat de oude vervolgingsrichtlijnen vervangt. Anders dan in het oude besluit wordt hierin uitdrukkelijk voorgeschreven dat ontneming en belastingheffing niet mag cumuleren. Voor fiscale delicten geldt een wettelijke anticumulatiebepaling, maar ook voor andere delicten moet worden voorkomen ‘dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken’. Bij criminele voordelen van € 5.000 of meer moeten het OM en de Belastingdienst afstemmen om te voorkomen dat de veroordeelde ‘ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel’.

In plaats van ontnemen wordt steeds vaker gegrepen naar het middel van de verbeurdverklaring. De Hoge Raad wijst zelfs uitdrukkelijk in die richting. Een ander in de praktijk gehanteerd alternatief voor het afpakken van criminele opbrengsten is het gebruik van de zogenaamde ‘afroomboete’. Dit nevendoel van een op te leggen strafrechtelijke boete wordt in de praktijk toegestaan.

Los van de vraag of deze omzeiling van daartoe geëigende wettelijke mogelijkheden – en de daarmee gewaarborgde rechtsbescherming – wel of niet ‘moet kunnen’, kan het gebruik van alternatieven gevolgen hebben voor de fiscaliteit.

Fiscale gevolgen van ontneming

Ontneming heeft – althans in theorie – tot doel om de veroordeelde terug te brengen in de (vermogens)situatie van vóór het gepleegde delict. Dat heeft als logisch gevolg dat inkomsten waarover eerder belasting is betaald maar die achteraf bekeken niet zijn genoten (doordat deze zijn afgepakt), een aftrekpost opleveren zodat de belastingheffing wordt geneutraliseerd.

De vraag die nu voorligt is: wat als niet de ‘nette route’ van de ontneming maar voor een alternatief wordt gekozen, leidt dit dan tot hetzelfde fiscaal ‘neutrale’ resultaat?

Verbeurdverklaring

Om van een veroordeelde de verkregen opbrengsten te plukken kennen we in het strafrecht ook de onttrekking aan het rechtsverkeer en de verbeurdverklaring. Onttrekking dient om het inbeslaggenomene te vernietigen en kan daarom naar het oordeel van de Hoge Raad niet op geld worden toegepast, al denken sommige rechters daar anders over.

Verbeurdverklaring kan wel. Anders dan ontneming en onttrekking is verbeurdverklaring wettelijk gezien een echte straf in plaats van een ‘maatregel’. In de praktijk hebben beide middelen echter hetzelfde doel.

De wet sluit fiscale aftrek uit voor geldboeten en kosten van misdrijven, maar corrigeert dit voor voordelen die als ontnemingsvoordeel daadwerkelijk zijn afgepakt. Omdat de wet als kosten die dus wél fiscaal worden gecorrigeerd alleen ‘ontneming’ noemt en niet de andere afpakroutes, is de vraag of die voordelen wel dubbel gepakt mogen worden.

Hof Amsterdam heeft in 2014 geoordeeld dat de betrokkene door verbeurdverklaring weliswaar niet linksom wordt gepakt omdat dit niet als ‘boete’ wordt aangemerkt, maar rechtsom wel omdat het wel als ‘kosten van misdrijf’ van aftrek wordt uitgesloten.

Dat is raar en lijkt ook niet in lijn met de parlementaire geschiedenis van de aftrekuitsluiting. In de toelichting en de memorie van antwoord wordt juist opgemerkt dat verbeurdverklaring – net als ontneming – een heel ander oogmerk heeft dan geldboeten en juist daarom buiten de aftrekuitsluiting zijn gehouden. Hierop is in het kader van de beperking van aftrekbare kosten ter zake van criminele activiteiten niet teruggekomen. De conclusie lijkt dan ook te zijn dat het afpakken van voordeel ook via de band van de verbeurdverklaring leidt tot een fiscale aftrekpost en daarmee tot het resultaat dat hetzelfde voordeel niet dubbel wordt afgenomen.

Afroomboetes

De betaling van boetes is, anders dan ontnemingsbetalingen, niet fiscaal aftrekbaar. De achtergrond van dit verschil is dat de ene maatregel bestraffend (‘punitief’) bedoeld is, terwijl de ander bedoeld is om misdaad niet te laten lonen. In de praktijk wordt de boete echter niet altijd zo zuiver gebruikt als waarvoor hij bedoeld is. Een mededoel van de boete is in sommige gevallen ‘ter afroming’ van het criminele voordeel: een ontnemingsboete dus. De Hoge Raad is van oordeel dat dit een legitieme strafmotivering is.

De Hoge Raad vindt het dus prima als de boeteoplegging mede wordt ge(mis)bruikt om voordeel van de veroordeelde af te pakken. De vervolgvraag is natuurlijk: heeft dit ontnemingskarakter tot gevolg dat de boete ook (deels) fiscaal als ontneming wordt behandeld?

Deze vraag kwam eerder aan de orde bij een opgelegde (Europese) mededingingsboete opgelegd door de NMa. De Hoge Raad oordeelde net als de rechtbank (na sprongcassatie) dat mededingingsboetes niet (mede) een ontnemingskarakter hebben. De boete is geheel op bestraffing gericht, ondanks dat bij de hoogte van de boete wordt gekeken naar de omzet van de bestrafte. Dat is volgens de Hoge Raad echter een strafmaatoverweging en houdt niet een impliciete vaststelling van het behaalde criminele voordeel in.

In zoverre zijn de afroomboete en mededingingsboetes – of in bredere zin: boetes die worden gebaseerd op de omzet van de te bestraffen onderneming – niet vergelijkbaar. Dat zou betekenen dat een afroomboete voor het af te romen gedeelte wél ontnemend van karakter is en dus fiscaal neutraal moet worden behandeld. De Hoge Raad sluit dit in ieder geval niet expliciet uit: waar de rechtbank heeft overwogen dat boetes niet fiscaal kunnen worden gesplitst, herhaald de Hoge Raad die overweging niet. Een dergelijke splitsing lijkt dan ook wel te kunnen.

De zuivere weg is dan ook bij boetes die mede tot doel hebben crimineel voordeel af te pakken, die boete (deels) fiscaal neutraal te behandelen. Op die manier wordt de betrokkene er niet de dupe van welke willekeurige route wordt bewandeld zodat de voordelen in geen geval dubbel gepakt worden.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe protocol AAFD per 1 juli 2015 in werking getreden

De richtlijnen voor de Aanmelding en Afhandeling Fiscale Delicten (‘AAFD-richtlijnen’) zijn in het leven geroepen om te beschrijven hoe een belastingambtenaar mogelijke delicten op de gebieden van belastingen, toeslagen en douane dient aan te melden bij justitie. Ook beschrijven de richtlijnen hoe zaken door de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie worden ‘uitverkozen’ voor strafrechtelijke afdoening. Op 25 juni 2015 is het besluit gepubliceerd met het nieuwe protocol AAFD dat op 1 juli 2015 in werking is getreden. De richtlijnen die tot 1 juli 2015 golden zijn te verdelen in drie fases:

  • Fase 1: aanmeldingsfase. Een ambtenaar moet vermoedens van een strafbaar feit melden bij de boete-fraudecoördinator indien het fiscaal nadeel ten minste € 10.000 voor een particulier bedraagt en € 15.000 voor een onderneming. De boete-fraudecoördinator beoordeelt of sprake is van opzet en draagt in dat geval de aangemelde zaak voor in het selectieoverleg.
  • Fase 2: selectieoverleg. Dat overleg wordt gevormd door de FIOD, de contactambtenaar van de Belastingdienst en de boete-fraudecoördinator. In dit overleg wordt getoetst of een zaak terecht is aangemeld en het selectieoverleg adviseert of – op basis van de bewijsbaarheid – een zaak in aanmerking komt voor opsporing. De zaken worden verdeeld in twee categorieën. Categorie I betreft de zaken waarin het nadeel dat aan opzet is te wijten minder dan € 125.000 bedraagt. Categorie II betreft de zaken waarin het nadeel dat aan opzet te wijten is meer dan € 125.000 bedraagt. Categorie I zaken worden bestuurlijk afgedaan door de Belastingdienst als geen sprake is van één van de indicatoren uit de richtlijnen. Indien sprake is van één of meer indicatoren zal de zaak doorgaan naar fase 3. Categorie II zaken komen ook zonder een van deze indicatoren in aanmerking voor de volgende fase.
  • Fase 3: tripartiete overleg (TPO) tussen de officier van justitie, de contactambtenaar, de boete-fraudecoördinator en de FIOD. In het TPO wordt getoetst of een zaak voldoet aan de Richtlijnen voor strafrechtelijke afdoening. Indien dat het geval is zal een opsporingsonderzoek worden ingesteld, anders gaat de zaak terug naar de Belastingdienst voor bestuurlijke afdoening.

Het nieuwe protocol moet voorkomen dat administratieve handelingen moeten worden verricht waarvan eigenlijk al bij voorbaat vaststaat dat deze niet strafrechtelijk maar bestuursrechtelijk moeten worden afgedaan. Daarom is de hoogte van de drempelbedragen geregeld in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). De aanmeldingscriteria in het nieuwe protocol zijn dat – bij een nadeelbedrag van € 100.000 – de zaak wordt aangemeld voor (mogelijke) strafrechtelijke vervolging indien sprake is van een vermoeden van opzet. Indien het nadeel minder is dan € 100.000, dan wordt de zaak alleen aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet en indien een of meerdere van de ‘aanvullende wegingscriteria’ daartoe aanleiding geven. Deze wegingscriteria zijn de indicatoren uit de vervangen richtlijnen – waarvan de toelichting daarop op onderdelen is aangepast – en daaraan is als factor toegevoegd de vraag of sprake is van ‘thematische aanpak’ door justitie. In die gevallen is bijvoorbeeld sprake van een actie gericht op specifieke groepen belanghebbenden of fiscale onderwerpen

De wijzigingen brengen met zich mee dat gevallen waarin sprake is van een (relatief) laag nadeel, minder snel worden betrokken in een strafrechtelijk traject. Anderzijds kunnen zaken die voorheen in categorie I vielen toch voor strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen als de zaak past binnen een thema waar justitie op dat moment haar pijlen op richt.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^