Civielrechtelijk bestuursverbod en Herziening strafbaarstelling faillissementsfraude in Staatsblad

De Wet civielrechtelijk bestuursverbod en de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude zijn maandag 25 april 2016 in het Staatsblad gepubliceerd.

Wet civielrechtelijk bestuursverbod

De Wet civielrechtelijk bestuursverbod voegt aan de Faillissementswet de mogelijkheid toe om een civielrechtelijk bestuursverbod, van ten hoogste vijf jaren, op te leggen aan een bestuurder die faillissementsfraude pleegt of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement. De regering wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rond een faillissement bestrijden en voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten.

Een bestuurder met een bestuursverbod mag ook geen bestuursfunctie of commissariaat uitoefenen bij een andere organisatie. Een bestuursverbod wordt opgelegd door de civiele rechter op verzoek van het Openbaar Ministerie (OM) of op verzoek van de curator in het kader van het faillissement van een rechtspersoon waar de betrokkene bestuurder was.

Herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

De Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude moderniseert in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten de mogelijkheden voor opsporing en vervolging en voorkoming van faillissementsfraude.

Met dit voorstel wordt de wettelijke positie van de curator versterkt door het niet juist voeren van de administratie en het bewaren daarvan strafbaar te stellen.

 

Print Friendly and PDF ^

Vastgoedman vast in onderzoek naar faillissementsfraude

De FIOD heeft op maandag 18 april in de gemeente Bodegraven- Reeuwijk een voormalig vastgoedhandelaaraangehouden in een onderzoek naar faillissementsfraude en witwassen. Hij wordt ervan verdacht voor meer dan één miljoen euro aan de boedel van een van zijn failliete bedrijven en zijn privé-faillissement te hebben onttrokken. Zijn partner is ook aangehouden op verdenking van witwassen. Beide verdachten zijn door de rechter-commissaris in bewaring gesteld voor 14 dagen. De hoofdverdachte was mede-eigenaar van een groep van vastgoedbedrijven.  De bedrijven gingen in 2012 failliet. De man werd zelf in juni 2012 privé failliet verklaard. Na de faillissementen bleven schuldeisers met tientallen miljoenen euro’s aan oninbare vorderingen zitten. Het vermoeden is dat de verdachte geld heeft laten overmaken naar rekeningen waar hij het contant vanaf heeft gehaald. Ook zijn er vermoedelijk aandelen en een jacht buiten het zicht van de curator gehouden. Daarnaast zou de curator, die als functie heeft de belangen van de schuldeisers te behartigen, geen volledige administratie overhandigd hebben gekregen.

De FIOD doorzocht twee woningen in de gemeenten Ede en Bodegraven-Reeuwijk. Er is administratie in beslag genomen en waardevolle goederen zoals een zilverstaaf, munten, een postzegelverzameling en dure horloges, omdat misdaad niet mag lonen.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

'Frauderen met turboliquideren'

De turboliquidatie, waarbij een rechtspersoon wordt ontbonden zonder vereffening, is minder eenvoudig en goedkoop dan vaak wordt gedacht. Dat concludeert universitair docente Samantha Renssen in haar onderzoek naar de turboliquidatie van de BV. De huidige wettelijke regeling zet volgens haar de deur open voor misbruik en fraude. Dat is des te opmerkelijker, nu fraudebestrijding speerpunt is van het wetgevingsprogramma Herijking faillissementsrecht. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling "spil" in criminele organisatie die zich bezighield met valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude. Hof: Het opnemen van valse facturen in de administratie is niet strafbaar als belastingdelict

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1365

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude. De verdachte heeft zich daarbij persoonlijk, als bestuurder van bedrijf 8, beziggehouden met faillissementsfraude en is tevens, als feitelijk leidinggevende, betrokken geweest bij andere strafbare feiten, die door bedrijf 8 en bedrijf 1 zijn begaan (valsheid in geschrifte en omzetbelastingfraude). De verdachte was de spil van de criminele organisatie.

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat er sprake is van valse in- en verkoopfacturen, laat staan dat de verdachte daarbij als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest. Een bewezenverklaring zou hoofdzakelijk berusten op de belastende onderdelen van de verklaringen van medeverdachte D, terwijl diens verklaringen doorspekt zijn van aannames en conclusies en daarom niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt, aldus de raadsvrouwe.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof gaat, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, uit van de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachte D.

De verdediging kan weliswaar worden toegegeven dat hij wisselend heeft verklaard en dat in zijn verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris op onderdelen omstandigheden naar voren komen die hij niet zelf heeft waargenomen of ondervonden, maar daartegenover staat dat ook na eliminatie van die onderdelen een overtuigende bevestiging resteert van de eerdere, voor de verdachte belastende, verklaringen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hij bij de raadsheer-commissaris een duidelijke uitleg heeft gegeven voor de wisselingen in zijn verklaringen:

“U houdt mij voor dat ik bij mijn eerste FIOD verhoor heb verklaard dat ik het voor het zeggen had bij bedrijf 1 en dat ik bij mijn tweede tot en met vijfde verhoor bij de FIOD heb verklaard over facturen die ik in opdracht van de verdachte in de administratie heb verwerkt, en dat ik bij de rechter-commissaris weer anders heb verklaard. U vraagt mij hoe het komt dat mijn verklaringen zo verschillend zijn. In die tijd, voor het verhoor bij de rechter-commissaris, zagen voornaam van verdachte (het hof: de verdachte ) en ik elkaar regelmatig en hij zou ook zorgen dat ik een advocaat zou krijgen. U vraagt mij hoe het zit met het verschil tussen het eerste en tweede tot en met vijfde FIOD verhoor. Tijdens de lunchpauze hebben zij mij op mijn rechten en plichten gewezen. Ik kreeg steeds meer punten waar ik niet uitkwam. Ik was nog nooit eerder in contact gekomen met justitie. Toen heb ik een besluit genomen om het uit te leggen in plaats van 103 dagen in bewaring te zitten. Met uitleggen bedoel ik vertellen zoals het werkelijk gegaan is.”

Het hof neemt ten aanzien van zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van meerbedoelde verklaringen voorts in aanmerking dat hij daarin authentiek overkomt en daarmee ook zichzelf belast. Bovendien vinden de verklaringen steun in de verklaringen van medeverdachten. Zo hebben de medeverdachten A en F ook verklaard over de leidinggevende rol van de verdachte bij bedrijf 1 en over het op verzoek van de verdachte opmaken van valse facturen.

De betrokkenheid van de verdachte reikt dan ook veel verder dan het optreden als een commissionair, zoals de verdachte heeft verklaard en door de raadsvrouwe is aangevoerd. De verdachte heeft, zo volgt uit de bewijsmiddelen, grote feitelijke betrokkenheid gehad bij de strafbare feiten die door bedrijf 1 zijn begaan. Het hof is daarom met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte, evenals medeverdachte D overigens, als feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 was te beschouwen.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt ook vastgesteld dat de in de bewezenverklaring omschreven in- en verkoopfacturen vals waren. Het hof sluit zich ten aanzien daarvan aan bij de motivering van de rechtbank. Hetgeen de raadsvrouwe daartegen heeft ingebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

In het voorgaande ligt besloten dat ook het verweer van de raadsvrouwe ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit niet slaagt. Uit de betrouwbaar geachte verklaringen van medeverdachte D volgt immers dat de verdachte ook ten aanzien van de in de bewezenverklaring omschreven aangiften een leidinggevende rol heeft gehad. Dat geldt ook ten aanzien van de aangiften over het tweede kwartaal van 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2006. Medeverdachte D heeft tenslotte ten overstaan van de FIOD verklaard:

“Na de zoeking van 12 april 2005 is alles op verzoek van de verdachte gewoon doorgegaan, zoals voor 12 april 2005. (…) de verdachte heeft tegen mij gezegd dat ik op de aangiftebiljetten omzetbelasting van bedrijf 1 vanaf 12 april 2005 tot en met heden geen te betalen omzetbelasting moest aangeven.” (V25-05, pagina 2).

Voorts heeft hij verklaard:

“Elke keer als er een aangifte voor de BTW voor bedrijf 1 na 12 april 2005 moest worden gedaan kreeg ik het weer benauwd. Ik besprak met de verdachte dat ik er weinig voor voelde om weer een valse aangifte BTW in te dienen. Elke keer weer wist de verdachte mij te overtuigen dat hij het zou oplossen.”(V25-06, pagina 2).

Na te zijn geconfronteerd met de omzet van bedrijf 1 over 2005 en het eerste kwartaal van 2006, verklaarde hij ook:

“de verdachte wilde nooit de gefactureerde en verschuldigde omzetbelasting betalen. Het hele gedoe met het valselijk facturen, het inboeken van de valse inkoop en exportfacturen ging er nu juist om om met de BTW te frauderen. Als we juist en volledig hadden aangegeven had het hele gedoe geen enkel nut gehad.” (V25-06, pagina 5)

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit volgt het hof in grote lijnen de redenering van de rechtbank. Het verweer van de raadsvrouwe, dat zich tegen die redenering keert, wordt verworpen.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat medeverdachte E op 10 september 2003 het faillissement van bedrijf 8 heeft aangevraagd en dat onder andere de facturen D/123 t/m D/126 aan die aanvraag ten grondslag hebben gelegen.

Op grond van de verklaring van medeverdachte G, de secretaresse van medeverdachte E, en de resultaten van het onderzoek van de FIOD kan worden vastgesteld dat de factuur D/126 - gedateerd 6 januari 2003 - op 3 september 2003 is opgemaakt. Die factuur ziet op een (vermeende) “taxatie ter plaatse te Oudenbosch” van een “Krone oplegger” door bedrijf 13. De datum waarop die taxatie zou hebben plaatsgevonden, vermeldt de factuur niet. In het dossier bevindt zich echter ook een verkoopfactuur die betrekking heeft op de Krone oplegger (factuur D/129). Die factuur, afkomstig van bedrijf 8 en gericht aan bedrijf 14, is gedateerd van 14 oktober 2002. De inkoper van laatstgenoemde firma was destijds de getuige H. Hij heeft, naar aanleiding van een vraag over de hiervoor genoemde verkoopfactuur, onder meer verklaard:

“Ik herken deze factuur. Dat is de factuur van de aankoop door bedrijf 14 van dat containerchassis (…). Ik ben met een chauffeur van bedrijf 14 naar Meer gereden met een vrachtwagentrekker. Er werd door bedrijf 14 telefonisch betaald. Toen dat was geregeld konden we het chassis meenemen. Dat was in oktober 2002. (…) Er is onderhandeld over de prijs. (…) Ik wist wat een chassis nieuw moest kosten en de prijs die bedrijf 8 (het hof: bedrijf 8 ) vroeg was scherp. Daarom heb ik niet laten taxeren. Ik denk ook niet dat dat gebruikelijk is. (…) Er is niet getaxeerd.” (G06-01, pagina 2 en 3)

Nadat hem de taxatiefactuur (D/126) wordt voorgehouden, verklaarde hij:

“Ik zie dit voor het eerst, het zegt mij niets. Ik heb dit nog nooit gezien. In januari 2003 was het chassis al in het bezit van bedrijf 14 Ik weet niets van een taxatie af. (…) Het chassis is ook niet meer terug geweest bij bedrijf 8 na oktober 2002. Wij laten het onderhoud van het chassis ook niet uitvoeren door bedrijf 8. Er is niet getaxeerd in januari 2003.” (G06-01, pagina 3)

Het hof zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de verklaringen van medeverdachte G en getuige H zou moeten worden getwijfeld. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de oplegger in ieder geval niet is getaxeerd in de periode na 14 oktober 2002. Dat de taxatie eerder zou hebben plaatsgevonden, is niet gesteld ( E verklaarde zeker te weten dat de taxatie in december 2002/januari 2003 heeft plaatsgevonden), maar ook niet aannemelijk. Immers, in het dossier bevindt zich ook een inkoopfactuur (D/128) van de oplegger; ook die factuur is gedateerd van 14 oktober 2002. Opvallend is dat, indien deze gegevens de werkelijke gang van zaken zouden weergeven, bedrijf 8 in een zeer kort tijdsbestek een verliesgevende transactie zou moeten zijn aangegaan: de inkoopprijs zou namelijk € 17.000,-- exclusief BTW zijn geweest, de verkoopprijs € 17.500,-- exclusief BTW en de taxatiekosten € 1.750,--. Ook dat maakt de gang van zaken allerminst aannemelijk. De getuige H bracht het als volgt onder woorden:

“Het lijkt mij sterk dat bedrijf 8 iets met verlies heeft verkocht. Ik had niet de indruk dat bedrijf 8 van dat chassis af moest. (…) Zo te zien doet bedrijf 8 iets niet goed.” (G06-01, pagina 4)

Het hof komt daarom tot de conclusie dat de factuur D/126 vals moet zijn geweest. Dat het valselijk opmaken is begaan door een nauwe en bewuste samenwerking tussen bedrijf 8 en E, die daarbij handelde onder de naam van bedrijf 13, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, kan onder meer uit de door E bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring worden afgeleid: 

“de verdachte had een waardebepaling nodig van (…) die Krone oplegger. (…) Ik heb alleen een factuur met daarop vermeld de waardebepaling aan De bedrijf 8 verzonden. (…) De taxatie (het hof: beweerde taxatie) is uitgevoerd door mij in privé onder de naam bedrijf 13.”

Naar het oordeel van het hof moeten de facturen D/123 t/m D/125 tegen deze achtergrond worden bezien. Deze facturen - respectievelijk gedateerd 30 juni 2003, 24 juli 2003 en 21 augustus 2003 - zien op de huur van kantoorruimte aan een adres te Baarle-Nassau voor achtereenvolgens de maanden juli, augustus en september van het jaar 2003. De facturen zijn afkomstig van een ander bedrijf van E, namelijk bedrijf 11, en gericht aan bedrijf 8 Uit de huurovereenkomst volgt echter dat de kantoorruimte werd verhuurd aan bedrijf 12, een ander bedrijf van de verdachte. Medeverdachte E heeft ten overstaan van de FIOD onder meer verklaard:

“De huurder van het kantoor boven, unit 8, moest met ingang van 1 juli 2003 niet meer bedrijf 12 maar bedrijf 8 (…) zijn. Ik had die afspraak mondeling met de verdachte gemaakt op 11 juni 2003 (…). Ik heb voornaam van G (het hof: medeverdachte G ) opdracht gegeven (…) om de reeds uitgeschreven en uitgereikte huurnota’s over de maanden juli tot en met september 2003, D/123 tot en met D/125, aan bedrijf 12 om te zetten in bedrijf 8, zoals eerder was afgesproken met de verdachte. (…) De naamswijziging is van de verdachte gekomen.” (V14-03, pagina 4 en 5)

Medeverdachte G heeft voorts ten overstaan van de FIOD verklaard:

"Huurfacturen maakte ik absoluut niet van tevoren op. De facturen voorzien van de stickers met bijlagennummer D/123 tot en met D/125 heb ik oorspronkelijk opgemaakt met als geadresseerde bedrijf 12 op of omstreeks de op de facturen vermelde data. Ik moet dus (het hof: gelet op de data van de facturen) na 21 augustus 2003 de opdracht van mijn directeur E hebben gekregen om de tenaamstelling van de oorspronkelijke huurder bedrijf 12 om te zetten in bedrijf 8 ”(V29-01, pagina 4)

Voor zover E heeft verklaard dat ook de huurovereenkomst van bedrijf 12 naar bedrijf 8 zou zijn overgezet, is het hof met de rechtbank van oordeel dat aan die verklaring geen geloof kan worden gehecht. Die verklaring wordt niet gesteund door enig bewijsmiddel. Zo is er bijvoorbeeld geen schriftelijke huurovereenkomst met bedrijf 8 aangetroffen in de administratie van de bedrijven van E.

De verklaring van medeverdachte G duidt bovendien op het tegendeel. Dat van haar verklaring moet worden uitgegaan, blijkt ook uit een brief (D/440) die in opdracht van E naar bedrijf 12 is uitgegaan. Die brief is gedateerd van 30 juni 2003 - en aldus ruim nadat de afspraak zou zijn gemaakt om de huurovereenkomst over te zetten naar bedrijf 8 - en vermeldt dat alle openstaande huurnota’s tot en met juni 2003 per kas zijn voldaan en dat de huurnota voor juli 2003 is bijgevoegd.

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande (derhalve eveneens op grond van hetgeen ten aanzien factuur D/126 is overwogen) dat het niet anders kan zijn dan dat de facturen D/123 t/m D/125 valselijk zijn opgemaakt ten behoeve van de faillissementsaanvraag van bedrijf 8.

Een extra aanwijzing dat die conclusie juist is, is gelegen in de omstandigheid dat de originele facturen zich bevonden in het faillissementsdossier dat E had opgemaakt voor de aanvraag van het faillissement van bedrijf 8, terwijl in de administratie van bedrijf 8 louter kopiefacturen zijn aangetroffen. In het handelsverkeer is het immers zeer gebruikelijk om de originele factuur toe te zenden aan degene voor wie de factuur is bestemd.

Het valselijk opmaken moet gelet daarop hebben plaatsgevonden ná 21 augustus 2003 (verklaring medeverdachte G ) en vóór 10 september 2003 (dag waarop het faillissement is aangevraagd).

Naar het oordeel van het hof is dat het resultaat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen bedrijf 8 en bedrijf 11, in die zin dat E degene is geweest die aan medeverdachte G (als secretaresse van zijn bedrijf bedrijf 11 ) de opdracht heeft gegeven om de huurfacturen opnieuw op te maken en dat de verdachte daarbij betrokken was als feitelijk leidinggevende van bedrijf 8.

Bij het oordeel omtrent de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van alle hiervoor genoemde facturen betrekt het hof, evenals de rechtbank, nog dat die niet alleen een uitvloeisel waren van tussen E en de verdachte gemaakte afspraken, maar dat de verdachte ook wist dat die afspraken daadwerkelijk hadden geresulteerd in het valselijk opmaken van facturen. De verdachte heeft immers, toen hij op 8 september 2003 werd aangemaand om de facturen nog dezelfde dag te betalen, op 9 september 2003 een fax naar E gestuurd met de boodschap dat hij niks meer zou betalen; uit de bijlage bij dat faxbericht blijkt dat hij daarbij doelde op de meergenoemde facturen (D/424 en D425). Dat de verdachte samen met E het plan heeft opgevat om de facturen valselijk op te maken, ligt ook in de rede, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen: de verdachte had namelijk belang bij het gebruik van die facturen.

Het hof verwerpt ten slotte ook het verweer van de raadsvrouwe ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit. Het hof verwijst daarvoor naar de uitgebreide overwegingen van de rechtbank, als weergegeven op pagina 24 tot en met 29 van het vonnis, en maakt die tot de zijne. Anders dan de raadsvrouwe meent, volgt daaruit dat het bewijs voor deelneming aan een criminele organisatie toereikend is.

Het voorwaardelijke verzoek dat de raadsvrouwe in dit verband heeft gedaan, namelijk het verzoek tot het horen van medeverdachte I, wordt door het hof afgewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe ontbreekt. Daarbij heeft het hof enerzijds gelet op hetgeen de raadsvrouwe daaromtrent naar voren heeft gebracht en anderzijds op de steun die de verklaringen van medeverdachte I vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van medeverdachten A en B.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon baten niet verantwoorden of enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
  • Feit 4: Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van ingevolge de Invorderingswet 1990 verplicht zijnde inlichtingen of gegevens te verstrekken, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 6: Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging 

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude: Rb veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk

Rechtbank Overijssel 22 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:955 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Hij heeft zijn inlichtingenplicht geschonden en (aanzienlijke) baten uit het zicht van de curator proberen te houden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij alleen aan zijn eigen financiële positie heeft gedacht, de schuld in de schoenen van anderen schuift, en geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen.

Verdenking

De verdenking komt erop neer dat verdachte:

  • Feit 1: nadat hij failliet is verklaard, geen of onjuiste informatie heeft gegeven aan de curator;
  • Feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorvragen

Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat hetgeen in de tenlastelegging onder het zevende aandachtstreepje is weergegeven onbegrijpelijk is. De rechtbank zal de dagvaarding op dat punt partieel nietig verklaren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige wél geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake is geweest van baten die verdachte buiten de boedel heeft gehouden en/of werkzaamheden/inkomsten waarvan hij de curator op de hoogte diende te stellen.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de stukken van het dossier vast dat verdachte bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 18 december 2012, welk vonnis bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 7 februari 2013 is bekrachtigd, in staat van faillissement is komen te verkeren. In dat vonnis is mr. L.M. de Jong, advocaat te Kampen, als curator aangesteld. Op 29 augustus 2014 heeft de curator aangifte tegen verdachte gedaan ter zake van – kort gezegd – faillissementsfraude.

De rechtbank overweegt allereerst dat de Faillissementswet (Fw) in beginsel het stelsel kent dat de gehele gemeenschap van goederen als één faillissement wordt behandeld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 61 Fw beoogt zowel de echtgenoot van de gefailleerde te beschermen als ook bescherming te bieden aan de gezamenlijke schuldeisers. Volgens vaste jurisprudentie wordt deze bepaling toegepast ongeacht het tussen de betrokkenen geldende huwelijksvermogensregime.

Dit beginsel lijdt ingevolge het bepaalde in artikel 61 van de Fw slechts uitzondering als de echtgenoot of partner kan bewijzen dat bepaalde goederen niet tot de gemeenschap behoren.

Het vorenstaande betekent dat de curator mag aannemen dat de goederen waarvan wordt beweerd dat ze toebehoren aan de echtgenoot van de gefailleerde, tot de failliete boedel behoren, tenzij de echtgenoot het bewijs levert dat die goederen aan hem toebehoren.

Uit de stukken blijkt dat verdachte en zijn echtgenote (medeverdachte) op huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Hoe die voorwaarden luiden is niet gespecificeerd, noch is aangetoond welke goederen uitsluitend aan verdachte dan wel zijn echtgenote toebehoren.

Uit artikel 105 van de Fw volgt dat de gefailleerde dient mee te werken aan een goed verloop van de afwikkeling van het faillissement. In het kader van zijn taakuitoefening moet de curator kunnen beschikken over alle informatie betreffende het faillissementsvermogen. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR: 2002:AD9144) mag van de gefailleerde worden verwacht dat hij, in verband met de aard van de aan hem gestelde vragen, ook inlichtingen verschaft waarom niet uitdrukkelijk is gevraagd.

Uit een brief van 24 december 2012 – met daaraan gehecht een verslag van een gesprek van 19 december 2012 - leidt de rechtbank af dat de curator met verdachte heeft besproken welke informatie hij van belang acht voor de afwikkeling van het faillissement. Hieruit blijkt dat de benodigde informatie meer omvat dan opgave van inkomsten en dat het ook gaat om opgave van vermogensbestanddelen. Mocht het verdachte tijdens het gesprek van 19 december 2012 (nog) niet (voldoende) duidelijk zijn geworden dat hij de curator op de hoogte diende te stellen van zijn vermogensbestanddelen en/of inkomsten welke de boedel zouden kunnen betreffen, dan had verdachte dat naar aanleiding van de zich in het dossier bevindende correspondentie tussen de curator en verdachte gaandeweg moeten weten.

De uitleg van verdachte dat hij ervan uit mocht gaan dat hij slechts inkomsten hoefde op te geven, strookt niet met de inhoud van het hiervoor bedoelde verslag en daaropvolgende correspondentie.

De rechtbank zal de verweten gedragingen op de tenlastelegging hieronder afzonderlijk bespreken.

Feit 1

Motor Iveco Cursor 8

In het dossier bevindt zich een telefoonnotitie van de curator van 16 januari 2013 waaruit blijkt dat de curator op die dag naar aanleiding van een ontvangen brief van 15 januari 2013 van Bedrijf 1 te Zwolle telefonisch heeft gesproken met de aldaar werkzame

Mevrouw naam 2. Laatstgenoemde deelde de curator in dat telefoongesprek mee dat verdachte op 24 december 2012 een motor bij Bedrijf 1 heeft gekocht en dat hij deze in eerste instantie contant zou betalen, maar dat hij aan de balie zei dat hij wel in het systeem stond. Volgens de telefoniste is verdachte diezelfde dag nog een factuur voor een bedrag van € 3.327,50, incl. btw, verzonden. Omdat betaling uitbleef is verdachte uiteindelijk bij verstekvonnis d.d. 3 september 2013 door de kantonrechter te Zwolle tot betaling van dat bedrag veroordeeld. In zijn verhoor bij de politie van 31 augustus 2015 heeft verdachte verklaard dat hij hier niets mee te maken heeft en dat er meer achternaam verdachte in Genemuiden zijn die Bedrijfsactiviteiten ontplooien. Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat hij uitsluitend heeft bemiddeld bij de verkoop van de bewuste motor, maar dat hij deze niet op eigen titel heeft gekocht.

Op grond van de telefoonnotitie van de curator, de factuur die op naam van verdachte is gesteld en de wisselende verklaringen die verdachte op dit punt heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 24 december 2012, en dus nadat hij failliet was verklaard, de desbetreffende motor heeft gekocht.

Bedrijf 2

In het dossier bevindt zich een factuur van Bedrijf 2 d.d. 1 maart 2013 tot betaling van een bedrag van € 496,71 op grond van verrichte diensten en geleverde materialen ten behoeve van een Mercedes. Die factuur is blijkens de toelichting die de curator per brief van 1 september 2014 op de aangifte heeft gegeven door de postblokkade ter kennis van de curator gekomen. In zijn verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat dit een reparatie van de auto van zijn echtgenote betrof. De echtgenote van verdachte heeft echter in haar verhoor bij de politie verklaard dat deze rekening haar niet bekend voorkomt en dat zij in een Renault Twingo rijdt. Deze Renault Twingo brengt zij – zo heeft zij bij de politie verklaard – voor reparaties naar een garageBedrijf in Genemuiden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de diensten en de levering van de materialen, zoals genoemd in de bovenvermelde factuur.

Bedrijf 3

In het dossier bevindt zich een factuur van 26 januari 2013 tot betaling van een bedrag van € 66,10, incl. btw, op grond van door Bedrijf 3 B.V. aan Bedrijf verdachte geleverde materialen. Verdachte heeft verklaard dat die factuur door zijn vrouw is betaald, maar heeft die stelling verder niet onderbouwd.

Rupskraan Bedrijf 4

In het dossier bevindt zich een factuur d.d. 2 oktober 2013 waarop de naam van verdachte is gesteld. In die factuur is weergegeven dat verdachte een rupskraan heeft verkocht aan het Bedrijf Bedrijf 4 te Hollandscheveld voor een bedrag van € 4.840, incl. btw. In zijn verhoor van 31 augustus 2015 heeft verdachte verklaard dat hij die kraan samen met iemand anders in Duitsland heeft gekocht en dat hij deze kraan aan Bedrijf 4 heeft doorverkocht. Het geld hebben zij vervolgens gedeeld. In het dossier bevindt zich ten aanzien van deze kraan nog een brief van Bedrijf 4 van 21 oktober 2013 en een brief van Achmea Rechtsbijstand van 14 november 2013 waarin verdachte aansprakelijk wordt gesteld voor het niet leveren van de kraan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij uitsluitend heeft bemiddeld bij de verkoop van deze rupskraan. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan dit proces-verbaal van 31 augustus 2015 en houdt verdachte aan de daarin weergegeven verklaring. Gelet op die verklaring en de hiervoor genoemde stukken acht de rechtbank de verklaring van verdachte, te weten dat hij slechts kosteloos heeft bemiddeld, niet aannemelijk. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte deze kraan op eigen titel met winst heeft verkocht.

Iveco 260s naam 1

In het dossier bevindt zich een factuur d.d. 2 december 2014 waaruit blijkt van een aan naam 1, wonende te plaats 1, verkochte Iveco 260s truck voor een bedrag van € 18.750. Die factuur is eveneens op naam van verdachte als verkopende partij gesteld. Op die factuur is als aantekening geplaatst dat de koper (naam 1) van de verkoper een bedrag ad € 3.750 aan btw retour zal ontvangen bij inlevering van een document uit Libië. Op grond van de postblokkade is deze ‘terugvordering’ d.d. 14 januari 2014 van de koper bij de curator binnengekomen. De koper heeft verdachte blijkens de aanhef van deze brief aangemerkt als verkopende partij. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat deze transactie op naam van zijn echtgenote is gesloten, gelet op de hiervoor genoemde stukken, niet aannemelijk. Bovendien is op de factuur, waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij die heeft opgemaakt, aangetekend dat het verschuldigde bedrag is voldaan. De rechtbank stelt verder nog vast dat de echtgenote van verdachte heeft verklaard dat de vrachtwagen is gefinancierd met het geld van de rekening uit Duitsland en met winst is verkocht.

Contante bedragen van € 6.150 en € 10.850

In de stukken van het dossier zit een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 4 februari 2014 een contant geldbedrag van € 10.850 is aangetroffen. Verdachte heeft daarover verklaard dat het geld van zijn echtgenote was. De echtgenote van verdachte heeft in haar verhoor verklaard dat het haar handelsgeld is dat bestemd was voor de inkoop van materialen uit België. Wat betreft het tijdens een politiecontrole op 3 januari 2013 onder verdachte in beslag genomen contante geldbedrag van € 6.151 heeft verdachte verklaard dat dit geld ook van zijn echtgenote was en dat hij dat even daarvoor had opgenomen bij de bank. Uit de toelichting op het proces-verbaal van aangifte heeft de curator verklaard dat uit de door verdachte aan hem toegestuurde bankafschriften blijkt dat dat bedrag op 20 en 21 december 2012 is opgenomen.

Gevolmachtigde en werkzaamheden koeriersdienst

Uit een uittreksel uit het handelsregister van 15 mei 2013 blijkt dat koeriersdienst op 8 maart 2013 als eenmanszaak op de naam van naam 3 is ingeschreven. Verder blijkt uit dat uittreksel dat verdachte zich ten aanzien van deze onderneming heeft ingeschreven als gevolmachtigde. Uit dat uittreksel blijkt voorts dat het geen beperkte volmacht betreft en dat verdachte dus volledig vertegenwoordigingsbevoegd is.

Ter terechtzitting en in zijn verhoren bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij voor naam 3 de administratie van zijn onderneming op zich heeft genomen, dat hij voor hem de nieuwe opdrachten regelde en dat hij zich bezig hield met het incasseren van vorderingen, maar dat hij door zijn werkzaamheden geen inkomsten heeft vergaard.

De rechtbank acht niet aannemelijk, gelet op de zich in het dossier bevindende correspondentie (waaronder begrepen facturen waarop het rekeningnummer van de echtgenote van verdachte stond vermeld) tussen verdachte, Bedrijf 5 BV en Bedrijf 6, dat verdachte de werkzaamheden voor koeriersdienst om niet heeft verricht.

De inkomsten uit koeriersdienst zijn volgens de verklaring van verdachte ten behoeve van naam 3 op de rekening van de echtgenote van verdachte gestort of contant aan hem doorbetaald. Nu die gang van zaken de rechtbank hoogst ongebruikelijk voorkomt en de stelling van verdachte op dat punt – ook in verband met de door verdachte gestelde contante (door)betalingen – niet te verifiëren is, zal de rechtbank daar aan voorbij gaan. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte als gevolmachtigde van koeriersdienst met de door hem verrichte werkzaamheden wel degelijk inkomsten heeft vergaard.

Beleggersrekening en een aandelendepot

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2014 blijkt dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 4 februari 2014, naast het contante geldbedrag ad

€ 10.850, een tweetal bancaire bescheiden is aangetroffen dat betrekking heeft op de Duitse financiële instelling bank 1. Uit die bancaire bescheiden blijkt van het bestaan van een tweetal Duitse bankrekeningen onder de hierboven vermelde nummers. Uit de zich in het dossier bevindende kennisgevingen van inbeslagname volgt dat op 7 februari 2014 het rekeningnummer bankrekening 1 een waarde van € 25.000, en het rekeningnummer aandelendepot een waarde van € 67.125,40 vertegenwoordigde. Verder volgt uit die kennisgevingen van inbeslagname dat die bankrekeningen op naam van de echtgenote van verdachte zijn gesteld. In het dossier bevindt zich verder een tweetal tapverslagen van door verdachte gevoerde gesprekken met een persoon die optreedt namens de hiervoor genoemde financiële instelling. De telefoongesprekken gaan over aandelentransacties en vragen ten aanzien van de mogelijkheid tot het overboeken van een bedrag van € 14.000 naar een rekening in België. De rechtbank heeft verder kennis genomen van de getuigenverklaring van de vermogensadviseur vermogensadviseur van de bank 1. Uit de getuigenverklaring van deze vermogensadviseur blijkt dat hij sinds eind 2010 verantwoordelijk is voor het takenpakket betreffende de rekeningen van verdachte en zijn echtgenote. Volgens de vermogensadviseur werden de gesprekken over te maken keuzes ten aanzien van de bankrekeningen en aandelentransacties met verdachte gevoerd en was verdachte volledig gevolmachtigde van deze rekeningen. Het was verdachte die telefonisch concrete instructies gaf met betrekking tot de koop en verkoop van aandelen. Verder heeft de vermogensadviseur verklaard dat hij de echtgenote van verdachte alleen heeft gezien bij de overdracht van het depot van verdachte op haar depot.

Ten aanzien van de saldi op de bankrekeningen in Duitsland is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat als gevolg van de huwelijkse voorwaarden vermogensbestanddelen zijn afgescheiden, en dus van de boedel moeten worden uitgesloten. Bovendien blijkt uit de stukken van het dossier, waaronder de tapverslagen en de getuigenverklaring van de vermogensadviseur vermogensadviseur, dat verdachte wat betreft de Duitse bankrekeningnummers, die op naam van zijn echtgenote stonden, volledig gevolmachtigd was om daarover te beschikken en dat hij de gesprekken voerde en daarbij aan de vermogensadviseur aanwijzingen gaf met betrekking tot de te varen koersen betreffende aandelentransacties en overboekingen. Uit het voorgaande vloeit derhalve voort dat verdachte deze gelden kon aanwenden, hetgeen gelet op de verklaringen van verdachte en zijn echtgenote (medeverdachte) in ieder geval wat betreft de verkoop van de Iveco 260s vast is komen te staan, om handel te drijven.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte weliswaar schriftelijk heeft gereageerd op vragen van de curator, maar dat de informatie die hij heeft verstrekt zeer summier dan wel onvolledig was. Ten aanzien van de Iveco 260 s heeft hij de curator in het geheel niet geïnformeerd. Ook heeft hij niet gemeld dat hij over grote contante geldbedragen beschikte. Het bestaan van de tegoeden in Duitsland heeft hij tegenover de curator uitdrukkelijk ontkend. Hij heeft immers verklaard dat er geen sprake is van spaargeld. De rechtbank is, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte in de periode van 18 december 2012 tot en met 26 oktober 2015 ten aanzien van de hierboven opgesomde posten opzettelijk heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven.

Aanvullend pensioen en zitmaaier

De rechtbank is tot slot van oordeel dat op basis van de stukken van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte aanvullend pensioen heeft genoten dat hij op diende te geven en dat hij in het bezit is geweest van een zitmaaier. De rechtbank zal verdachte vrijspreken ten aanzien van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Feit 2

Uit de bewezenverklaring met betrekking tot hetgeen onder 1 ten laste is gelegd volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte door de verkoop van de rupskraan, de werkzaamheden voor koeriersdienst en de verkoop van de Iveco type 260s baten heeft verkregen die hij niet heeft verantwoord aan de curator. Ook de contant aangetroffen geldbedragen van € 6.150 en € 10.850, en de saldi op de/het beleggersrekening/aandelendepot in Duitsland heeft hij buiten het zicht van de curator willen houden met als gevolg dat de aanmerkelijk kans is ontstaan dat de schuldeisers werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Door het handelen van verdachte zijn de hiervoor genoemde baten onttrokken aan het zicht van de curator en buiten de failliete boedel gebleven, waaruit de schuldeisers voldaan hadden kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers in het leven heeft geroepen en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: als degene die in staat van faillissement is verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen geven.
  • Feit 2: bedrieglijke bankbreuk.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

Vordering benadeelde partij

Mr. L.M. de Jong q.q. curator van verdachte heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert namens de gezamenlijke schuldeisers veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 135.938,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De curator maakt aanspraak op alle op de tenlastelegging vermelde inkomsten en vermogensbestanddelen. Ter terechtzitting is echter vast komen te staan dat een gedeelte daarvan reeds in het bezit van de curator is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de exacte hoogte van alle in de tenlastelegging genoemde bedragen niet vast is komen te staan, zodat het voor de rechtbank niet precies is vast te stellen tot welk bedrag de curator namens de gezamenlijke schuldeisers is benadeeld.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Eerste Kamer steunt versterking aanpak faillissementsfraude

De Eerste Kamer heeft vandaag met algemene stemmen twee wetsvoorstellen aanvaard van minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) die de bestrijding van faillissementsfraude versterken. De beide maatregelen, die naar verwachting op 1 juli 2016 in werking treden, maken deel uit van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’. Van der Steur: ‘ De aanvaarding van deze wetsvoorstellen is belangrijk voor de opsporingspraktijk. Zowel langs civielrechtelijke als strafrechtelijke weg kan laakbaar handelen bij of voorafgaand aan faillissementen beter worden aangepakt’.

Het eerste wetsvoorstel dat werd aangenomen, regelt dat een malafide bestuurder maximaal vijf jaar geen rechtspersoon meer mag besturen - of daar commissaris mag blijven of worden - als de rechter een civiel bestuursverbod heeft opgelegd. Minister Van der Steur wil verhinderen dat malafide bestuurders hun activiteiten kunnen blijven voortzetten door hun fraudeleuze activiteiten te maskeren via een web van rechtspersonen of door steeds nieuwe ondernemingen op te richten en deze vervolgens failliet te laten gaan.

Daarnaast stemde de Eerste Kamer in met een wetsvoorstel dat de strafrechtelijke mogelijkheden verruimt om effectiever en harder op te treden tegen frauduleuze faillissementen. Fraudeurs ontspringen nu vaak de dans als de curator een lege boedel aantreft. Activa van de onderneming blijken voor het intreden van het faillissement al weggesluisd en er is opzettelijk geen administratie gevoerd. Dit maakt 'terugrechercheren' moeilijk. Om faillissementsfraude beter te kunnen aanpakken komt er daarom onder andere een aparte strafbaarstelling van overtreding van de administratieplicht bij faillissement.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak faillissementsfraude

Rechtbank Overijssel 22 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:959 De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • primair: samen met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude
  • subsidiair: medeplichtig is aan faillissementsfraude.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een werkstraf voor de duur van 200 uren.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een veroordeling van verdachte, zodat vrijspraak dient te volgen.

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit de processen-verbaal van de verhoren van verdachte niet is gebleken dat zij in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan haar eerste, tweede, derde en vierde verhoor een advocaat te raadplegen. Uit de mededeling van de verdachte, dat haar advocaat niet beschikbaar is omdat deze op dat moment haar echtgenoot bijstaat, blijkt niet dat zij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van haar consultatierecht. De rechtbank is van oordeel dat dit een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert. De rechtbank zal de verklaring die verdachte in deze verhoren heeft afgelegd uitsluiten van het bewijs.

Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte al jaren geleden haar echtgenoot (medeverdachte) de bevoegdheid heeft gegeven om volledig over haar rekeningen te beschikken en deze te beheren door hem een volledige volmacht te verlenen. Deze omstandigheid levert echter op zich zelf genomen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte het oogmerk op benadeling van de faillissementsboedel heeft gehad. Nu de rechtbank aan de hand van de stukken van het dossier verder niets kan vaststellen op basis waarvan een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het plegen van het tenlastegelegde feit, kan worden aangenomen, laat staan dat verdachte deze feiten heeft gefaciliteerd, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van hetgeen haar is tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM eist tot vier jaar cel wegens onder meer faillissementsfraude

Tegen acht verdachten van hypotheekfraude, oplichting, faillissementsfraude en witwassen eiste de officier van justitie op woensdag 23 maart tot vier jaar cel. De verdachten worden er onder meer van verdacht tussen 2009 en 2014 verschillende hypotheekverstrekkers voor tonnen te hebben opgelicht. De officier beschouwt een 42-jarige man uit Den Haag als het brein achter de fraudes. Hij werd al eerder voor fraude veroordeeld. Volgens het OM omringt hij zich met mensen die voor hem hand- en spandiensten verlenen. Dat varieert van zich voordoen als koper tot directeur of aandeelhouder in één van de rechtspersonen die aan de hoofdverdachte te koppelen zijn. Dat laatste was bijvoorbeeld het geval met een 24-jarige vrouw uit Rijswijk en een 29-jarige man uit Den Haag. De officier legt deze drie ook deelname aan een criminele organisatie ten laste. Geen van hen had een ‘normale’ baan naast hun werk in de bedrijfjes van de 42-jarige Hagenaar. Dit toont in de ogen van het OM aan dat er geen sprake was van incidentele maar van structurele criminaliteit.

Tegen de 42-jarige Hagenaar eiste de officier vier jaar cel wegens het deelnemen aan een criminele organisatie, diverse hypotheekfraudes, oplichtingen, faillissementsfraude, en witwassen van geldbedragen die richting de €1.000.000,- gingen en een geldboete van €50.000,- alsmede deverbeurdverklaring van 53.000 euro aan in beslag genomen geld. Later zal er nog een ontnemingszaak tegen hem volgen.

Tegen de 24-jarige Rijswijkse eiste de officier 24 maanden cel wegens het deelnemen aan een criminele organisatie, faillissementsfraude, witwassen van grote geldbedragen en valsheid in geschriften. Ook eiste het OM verbeurdverklaring van 10.500 euro die de verdachte bij haar aanhouding contant bij zich had.

Tegen de 29-jarige Hagenaar eiste de officier 20 maanden cel wegens het deelnemen aan een criminele organisatie, witwassen, oplichting en valsheid in geschriften. Ook in deze laatste twee zaken volgt nog een ontneming.

Tegen de overige verdachten eiste hem OM straffen die variëren van 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot aan een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

De verdachten hadden verschillende manieren van werken. Eén daarvan was om een pand op papier van eigenaar te laten verwisselen voor een hogere prijs dan feitelijk het geval was. Met vervalste werkgeversverklaringen en salarisstroken werd een hypotheek aangevraagd. Zodra die binnen was, boekte de verkoper het hogere deel terug naar de koper, die het doorstortte naar de rekening van een BV die in verband met de verdachten kon worden gebracht. Verder werd uit onderzoek duidelijk dat er vele malen vele contante geldbedragen om onverklaarbare redenen op de rekening van diverse verdachten en diverse rechtspersonen werden gestort.

De officier van justitie hield in zijn strafeisen rekening met het belang van de samenleving. Die wordt door dergelijke witteboordencriminaliteit ernstig benadeeld. De schade die hypotheekverstrekkers lopen, wordt uiteindelijk verdisconteert in de betalingen die bonafide hypotheekaanvragers moeten doen. Zo wordt de samenleving op kosten gejaagd. Ook bij faillissementsfraude lopen ondernemers die nog geld behoren te krijgen, dit mogelijk mis. Fraude ondermijnt het vertrouwen in het normale economische verkeer dat daardoor ontwricht kan raken.

Door de manier van frauderen en door de proceshouding van de verdachten heeft er lang, uitgebreid en kostbaar onderzoek moeten plaatsvinden om strafbare feiten voldoende aan het licht te brengen.

De uitspraak wordt over 4 weken verwacht.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens feitelijk leiding geven aan faillissementsfraude. Geen oplegging gevangenisstraf wegens gezondheidsredenen.

Rechtbank Amsterdam 9 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8766 Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat voor verdachte al medio 2010 duidelijk was dat de onderneming waarvan hij de feitelijke bestuurder was, bedrijf 1 BV, zou failleren. In 2009 heeft bedrijf 1 BV een verlies van €561.829 geleden, verdachte heeft zich in augustus 2010 tot een advocaat gewend voor advies over de sanering van bedrijf 1 BV en op 9 augustus 2010 is een melding betalingsonmacht uitgegaan naar de Belastingdienst.

Na het faillissement op 18 januari 2011 is (een deel van) de administratie van bedrijf 1 BV overgedragen aan de curator. De curator heeft, na het bekijken daarvan, geconstateerd dat meerdere vóór het faillissement verrichte handelingen wijzen op een sterfhuisconstructie en heeft daarvan aangifte gedaan.

In de periode van 28 september 2009 tot 7 mei 2010 wordt in totaal €495.000 overgemaakt door naam 2 Belastingadviseur BV en naam 3 Beheer BV aan vennootschappen waarvan verdachte en of diens echtgenote bestuurder zijn, niet zijnde bedrijf 1 BV, met uitzondering van een bedrag van 50.000 dat betaald wordt aan bedrijf 1 BV. De andere betalingen (in totaal 445.000) komen terecht bij verdachte zelf, bij bedrijf 3 BV en bij bedrijf 6 BV (waarvan verdachte bestuurder is). In de jaarrekening 2009 is niets te vinden over deze overboekingen of de grondslag daarvan. De advocaat van bedrijf 2 BV legt nadien aan de curator een produktieovereenkomst over, gedateerd 27 september 2009, tussen bedrijf 2 BV en bedrijf 1 BV waaruit blijkt dat bedrijf 2 BV €495.000 exclusief BTW (589.050 inclusief BTW) zou betalen voor het produceren van steigers vooruitlopend op een in februari 2010 verwachte order van verhuurbedrijf. Uit de door verdachte overgelegde produktieovereenkomst blijkt dat de schuld van bedrijf 1 BV aan bedrijf 2 BV zou worden verrekend met een factuur van geleverd materiaal aan bedrijf 1 BV. Verder is er sprake van een aanvullende overeenkomst, een zogenaamde opdracht tot overboeking, waaruit blijkt dat verdachte kan aangeven aan wie en wanneer de verschuldigde bedragen moeten worden betaald. Volgens de curator is onder meer opvallend dat de in de factuur van bedrijf 1 BV aan bedrijf 2 BV van 15 september 2010 genoemde specificaties niet aanwezig zijn, dat de produktieovereenkomst en de opdracht tot overboeking alleen zijn ondertekend door verdachte, dat bedrijf 2 BV geen rentevergoeding zou ontvangen voor het uitlenen van het geldbedrag en dat de overeenkomst niet voorkomt in de administratie van bedrijf 1 BV. Er is bovendien geen voorraadadministratie zodat geen controle plaats kan vinden op de vraag of de steigers zijn geproduceerd dan wel uiteindelijk aan bedrijf 2 BV zijn geleverd, toen de order van verhuurbedrijf uitbleef.

  • bedrijf 1 BV heeft in 2010 in totaal €67.406 overgemaakt aan bedrijf 3 BV van welke vennootschap verdachte bestuurder is. Ook is nog een betaling van €20.000 contant gedaan. Van deze betalingen zijn geen onderliggende facturen aangetroffen. Wel zijn de betalingen gedebiteerd in de rekening-courantverhouding van bedrijf 1 BV met bedrijf 7, terwijl bedrijf 1 BV de vordering niet op bedrijf 7 maar op bedrijf 3 BV heeft.
  • bedrijf 5 BV, op welke onderneming bedrijf 1 BV een vordering had, heeft op 21 oktober 2010 een betaling van €54.729,42 gedaan aan bedrijf 4 BV, bij welke onderneming bedrijf 1 BV een schuld open had staan. In het grootboek is met betrekking tot de betaling opgenomen: ‘betaling bedrijf 4 BV voor bedrijf 1 BV betaald”.
  • bedrijf 6 BV, de formele bestuurder van bedrijf 1 BV en tevens 100% aandeelhouder, is een financiële holding waarvan verdachte bestuurder is. 100% aandeelhouder van bedrijf 6 BV is de Stichting Administratiekantoor bedrijf 6 BV waarvan persoon 1, echtgenote van verdachte, de certificaten bezit. persoon 1 had een achtergestelde lening aan bedrijf 1 BV verstrekt van €225.000 die per 1 januari 2008 is afgewaardeerd naar nihil. Verdachte heeft alle vorderingen die bedrijf 1 BV in rekening-courant had, overgeheveld naar de rekening-courant verhouding tussen bedrijf 6 BV en bedrijf 1 BV waarmee een bedrag van €220.060 is overgegaan van bedrijf 1 BV op bedrijf 6 BV. Ook een aantal schulden is overgegaan. De vorderingen die bedrijf 1 BV had op andere ondernemingen zijn zo verminderd op de schuld van bedrijf 1 BV aan bedrijf 6 BV
  • Er is geen voorraadadministratie gevoerd. De administratie was deels nauwkeurig en deels niet; een onderhandenwerk/projectadministratie is niet ter beschikking gesteld. De administratie was niet volledig. Aan de hand van de administratie heeft de curator in ieder geval niet bovenvermelde betalingen op juiste wijze kunnen controleren. De curator heeft dan ook aangifte gedaan.

Ter terechtzitting heeft verdachte geen duidelijkheid gegeven over de grondslag van deze overboekingen en de overige door de curator gesignaleerde gebreken. Hij heeft verklaard dat hij alles in het belang van het bedrijf heeft gedaan en dat hij – hoewel hij zich realiseerde dat het niet goed was – fouten heeft gemaakt en daarin heeft gehandeld met het oog op ‘het goed achterlaten van zijn familie’ waarmee hij doelt op zijn werknemers.

De rechtbank komt op grond van de stukken tot de conclusie dat verdachte voorafgaand aan het faillissement vrijwel alle activa van bedrijf 1 BV elders heeft ondergebracht en de schulden in bedrijf 1 BV heeft gelaten dan wel ondergebracht. Door aldus te handelen heeft verdachte een aantal crediteuren van bedrijf 1 BV benadeeld, waaronder de ABN-AMRO-bank die aan bedrijf 1 BV een bedrijfskrediet van 1 miljoen euro had verstrekt. In de periode vooruitlopend op het faillissement door verdachte als bestuurder verrichte handelingen, ligt zijn opzet besloten, zodat de rechtbank het opzet van verdachte bewezen acht.

Bewezenverklaring

Bedrieglijke bankbreuk, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gelet op het feit dat verdachte lijdt aan een vorm van kanker waarvoor hij intensieve behandelingen moet ondergaan acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

SFO & PV ontneming gebaseerd op wvv uit bedrieglijke bankbreukovertredingen. Beklag ongegrond ondanks dat klager is vrijgesproken voor deze feiten.

Rechtbank Rotterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1618

In 2007 is het OM een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Golf’ gestart tegen de klager en anderen wegens onder andere faillissementsfraude, valsheid in geschrift en omkoping. In dat strafrechtelijk onderzoek is op 29 augustus 2007 door de rechter-commissaris een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek afgegeven. Binnen dit onderzoek zijn op diverse data op de voet van artikel 94a Sv beslagen gelegd.

Op 22 april 2010 is vervolgens door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 20.000.000 afgegeven en op 2 oktober 2015 is voorts door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 42.253.198,95 afgegeven.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juli 2013 is de klager veroordeeld ter zake van omkoping, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk, meineed en het bezitten van een vals reisdocument. Door het openbaar ministerie is bij de behandeling van de strafzaak tevens een ontnemingsvordering aangekondigd.

Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de klager vrijgesproken van de bedrieglijke bankbreuken, meineed en het bezitten van een vals reisdocument. De klager is veroordeeld voor omkoping en valsheid in geschrift. Tegen dit arrest is door het openbaar ministerie cassatie ingesteld.

Op 21 mei 2015 is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel thans wordt geschat op € 42.253.198,95, aan de klager betekend.

Standpunt klager en standpunt officier van justitie

De klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd althans de voortduring van de beslagen onrechtmatig is. Tegen de klager is een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna: SFO) ingesteld. Zowel het SFO als de ontnemingsvordering zijn (uitsluitend) gebaseerd op verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen, waarvan de klager bij arrest van 30 juni 2015 is vrijgesproken.

Uit het Geerings-arrest van het EHRM en de vaste nationale jurisprudentie volgt dat een feit, waarvan de betrokkene is vrijgesproken, niet (meer) ten grondslag kan worden gelegd aan een ontnemingsmaatregel. Met de gegeven vrijspraken ten aanzien van de bedrieglijke bankbreuken is derhalve de grondslag van de ontnemingsvordering en van de, ten behoeve van de ontnemingsvordering gelegde, beslagen komen te ontvallen, waardoor de gelegde beslagen niet, althans niet langer, rechtmatig zijn. Hiermee doet zich het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelende, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Voorts is de voortduring van de gelegde beslagen disproportioneel in relatie tot de zakelijke en privé belangen van de klager bij opheffing.

De klager heeft verzocht de gelegde beslagen op te heffen en te beslissen dat alle beslagen zullen worden geretourneerd aan de klager dan wel de andere rechthebbenden.

De officier van justitie heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de klager niet ontvankelijk in zijn beklag dient te worden verklaard, nu hij niet stelt de rechthebbende van de zogenaamde ander-beslagen te zijn. Daarbij stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de wet geen mogelijkheid biedt om de teruggave aan een ander dan de klager te gelasten, terwijl de klager in zijn klaagschrift zulks wel verzoekt.

De officier van justitie heeft zich in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, nu niet buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat de klager als eigenaar kan worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal zijn gepresenteerd, laten enerzijds zien dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om het verhaal te frustreren en anderzijds om bewust twijfel te creëren over de werkelijke eigendom. Ondanks dat voldoende aannemelijk is dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om verhaal te frustreren, brengt die werkwijze met zich mee dat zowel van de ander-beslagenen als van de verdachte niet meer buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie de daadwerkelijke en/of formele eigenaar is.

De officier van justitie heeft zich in de derde plaats op het standpunt gesteld dat het beklag voor wat betreft de door de klager gestelde onrechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag wegens de vrijspraken voor de bedrieglijke bankbreuken onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Nu geen sprake is van een algehele vrijspraak, laat staan een onherroepelijke uitspraak, bestaat thans geen reden om de ontnemingsprocedure te beëindigen of afwijzing hiervan te vrezen. Het belang van strafvordering is nog steeds onverkort gediend bij het voortduren van de conservatoire beslagen die dienen tot zekerheid van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel en/of geldboete. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 30 juni 2015 de klager veroordeeld voor feiten die een aanzienlijk wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen verklaren. Het financieel onderzoek naar de hoogte van dit voordeel wordt thans nog voortgezet. Tot het moment dat de klager onherroepelijk is veroordeeld in deze zaak zal de ontnemingsprocedure in ieder geval vooralsnog gericht zijn op ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat verkregen is uit de door het gerechtshof bewezenverklaarde feiten en/of uit andere door verdachte gepleegde strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan (artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) en/of waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde dit op enigerlei wijze uit andere feiten heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr). Uitgaande van de feiten waarvoor de klager door het gerechtshof is veroordeeld, kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden berekend op grond van de waarde en/of bespaarde kosten van de verstrekte garanties en van de overige tegenprestaties en/of de waarde van de (deels op grond van deze garanties) verstrekte geldbedragen en het vervolgprofijt dat met het wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van omstandigheden die nopen tot een onderzoek naar de proportionaliteit dan wel dat het gelegde conservatoire beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

Ontvankelijkheid

Vooropgesteld wordt dat uitsluitend belanghebbenden zich op grond van artikel 552a Sv kunnen beklagen over inbeslagneming. Belanghebbenden bij een klacht tegen de inbeslagneming zijn al degenen (natuurlijke of rechtspersonen) die op grond van artikel 116 Sv een recht op teruggave van het inbeslaggenome aan hen kunnen claimen. In de eerste plaats betreft dit degene onder wie het beslag is gelegd. Dit kan degene zijn tegen wie het strafrechtelijk onderzoek loopt of een andere derde. In de tweede plaats betreft dit degene die stelt rechthebbende op het beslag te zijn. De klager heeft ten aanzien van de gelegde beslagen gesteld dat hij rechthebbende is omdat de beslagen onder hem zijn gelegd naar aanleiding van de tegen de klager ingestelde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de klager ontvankelijk zal worden verklaard in het beklag.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Voor wat betreft die voorwerpen die onder de klager in beslag zijn genomen, oordeelt de rechtbank mede over de (on)rechtmatigheid van de inbeslagneming. Het onderzoek met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag ziet in onderhavige procedure, gelet op het summiere karakter, slechts op de formaliteiten waaraan een beslaglegging moet voldoen.

De rechtbank zal onderzoeken I) of aan de criteria van artikel 94a Sv is voldaan, II) of aan de vormvoorschriften van de artikelen 94b, 94c of 103 Sv is voldaan en III) of het leggen dan wel het voortduren van het beslag in kwestie proportioneel is.

Ad I artikel 94a Sv

Verdenking of veroordeling wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 94aSv?

Bij arrest van 30 juni 2015 is de klager veroordeeld ter zake van artikel 177 en 225 Sr. Voor beide feiten geldt dat hiervoor een geldboete van de vijfde categorie opgelegd kan worden. Gelet hierop wordt voldaan aan het vereiste van artikel 94a Sv dat sprake moet zijn van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Niet hoogst onwaarschijnlijk dat een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd?

De tweede vraag die in het kader van artikel 94a Sv beantwoord dient te worden is of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De kern van het klaagschrift is dat aan dit vereiste niet wordt voldaan.

De rechtbank verwerpt deze klacht. Vaststaat dat het SFO en het proces-verbaal ontneming thans (nog) zijn gebaseerd op wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen en dat de klager ter zake dit feit door het gerechtshof is vrijgesproken. Echter, het gerechtshof heeft de klager wel veroordeeld ter zake van artikel 177 Sr (omkoping) en vastgesteld dat aan de klager gelieerde vennootschappen daardoor zijn bevoordeeld. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangevoerd dat de klager als gevolg daarvan voordeel heeft genoten en dat de ontnemingsvordering op dit voordeel zal worden gebaseerd. Nader onderzoek hiernaar vindt nog plaats. Bij deze stand van zaken kan niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. Bij dit oordeel is betrokken dat het de officier van justitie in dit stadium van het onderzoek vrij staat om de (grondslag van de) ontnemingsvordering aan te passen of te wijzigen en dat de strafzaak tegen de klager nog niet onherroepelijk is. Daarbij geldt nog dat, anders dan de klager lijkt te menen, voor een verdergaande inhoudelijke toets in de beklagprocedure geen plaats is omdat het dossier dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

Aan de criteria van artikel 94a Sv is derhalve voldaan.

Ad II vormvoorschriften

Uit de hiervoor weergegeven feiten en de stukken in het raadkamerdossier blijkt dat aan de vormvoorschriften van de artikelen 94b, 94c en 103 Sv is voldaan. De beslagen zijn gelegd na schriftelijke machtigingen van de rechter-commissaris en zijn aan de klager dan wel derden betekend. Dat in de vordering SFO van 29 augustus 2007 slechts het artikel ter zake van de bedrieglijke bankbreuk was opgenomen en de klager hiervan door het gerechtshof is vrijgesproken, doet hier niets aan af. De vordering dateert van het begin van het strafrechtelijk onderzoek naar de klager als verdachte. Het onderzoek naar (andere) strafbare handelingen was op dat moment nog gaande. In 2010 is de vordering machtiging handhaving conservatoir beslag gebaseerd op alle aan de klager ten laste gelegde feiten. Ook de vordering machtiging handhaving conservatoir beslag van 29 september 2015 omvat de feiten waarvan de klager verdacht wordt, alsmede de feiten waarvoor de klager thans door het gerechtshof is veroordeeld.

Ad III proportioneel

Uit het verhandelde in raadkamer is gebleken dat het onderzoek naar de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel thans nog niet is afgerond. De hoogte van de op 21 mei 2015 aan de klager betekende ontnemingsvordering behelst een schatting van een wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 42 miljoen. De totale waarde van de tot nu toe gelegde beslagen bedraagt ongeveer € 6 miljoen. De exacte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dit stadium nog niet bekend, doch wordt thans door het openbaar ministerie geschat op een bedrag dat hoger is dan het ten laste van de klager gelegde beslag. Gelet hierop is geen sprake van een disproportioneel gelegd beslag.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het – voorlopig oordelend – niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag wordt dan ook ongegrond verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^