‘Justitie doet weinig met fraudeaangiften van curatoren’

  De faillissementscurator moet meer werk maken van fraudesignalering. Een wetsvoorstel met die strekking is onlangs door de ministerraad aangenomen. Maar curator Maria Bowmer ziet vooral praktische bezwaren.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'De curator als overtreder'

Na jaren een goed lopend bedrijf te zijn geweest, is onderneming X recente jaren in zwaar weer geraakt. Onderneming X drijft al meerdere decennia een zwaar industrieel bedrijf met bijhorende milieubelasting. Over de jaren heen is het bedrijf verouderd en door gebrek aan financiële middelen, dan wel een gebrek aan prioritering van de beschikbare middelen, bestond geen ruimte om te investeren in betere, milieuvriendelijkere technieken dan wel beheersing van de milieubelasting. Kortom, over de jaren heen heeft onderneming X de omgeving vervuild. Zolang de onderneming in bedrijf bleef en banen bood aan de omgeving waren weinigen geïnteresseerd in de vervuiling, voor zover er al inzicht in de vervuiling bestond. Onderneming X is echter failliet gegaan. In de boedel zit nu een zwaar verontreinigd industrieel terrein en tussen de curator en verschillende overheidsinstanties is discussie over de verantwoordelijkheden voor de milieuverontreiniging.

In de hiervoor omschreven situatie lopen de overheidsinstanties aan tegen de curator als beheerder van de boedel. Kunnen de overheidsinstanties die bevoegd zijn om tegen bepaalde overtredingen op te treden nu de curator aanspreken tot naleving van de wettelijke verplichtingen ten aanzien van de milieuverontreiniging die voorheen op de onderneming rustten? In andere woorden: is de curator een overtreder waartegen handhavingsacties kunnen worden genomen? Dit artikel geeft antwoord op deze vraag, waarbij primair wordt gekeken naar het milieurecht.

Lees verder:

  • De curator als overtreder door E.M.N. Noordover in TvI 2015, afl. 1a

 

Print Friendly and PDF ^

'Franse inspiratie voor een nieuw artikel 347 Sr'

In de zomer van 2013 werd een concept-wetsvoorstel tot herziening van de strafbaarstellingen inzake faillissementsfraude in consultatie gebracht. Daarin was ook een aanvulling van artikel 347 Sr opgenomen. In dit laatste wetsartikel wordt vanouds straf bedreigd tegen bestuurders en commissarissen die eraan bijdragen dat hun rechtspersoon ernstig nadeel ondervindt, buiten het geval van faillissement. Volgens het voorstel zou deze bepaling moeten worden uitgebreid met een strafbaarstelling van het misbruik maken van middelen van de rechtspersoon. Dat is opmerkelijk, niet alleen omdat artikel 347 Sr een strafbepaling is die naar huidig recht een dode letter mag heten, maar ook omdat volgens de toelichting bij het opstellen van de aanvulling op deze strafbepaling de Franse strafbaarstelling van abus de biens sociaux tot inspiratie heeft gediend. Op 18 juli 2014 is het voorstel in licht aangepaste vorm aan de Tweede Kamer aangeboden. Volgens dit definitieve wetsvoorstel wordt het huidige artikel 347 Sr niet aangevuld, maar geheel vervangen door de nieuw opgestelde tekst.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'Bestrijding van Faillissementsfraude, op zoek naar het juiste spoor'

 

De bestrijding van faillissementsfraude laat te wensen over. Het Openbaar Ministerie is niet in staat een coördinerende rol te spelen waardoor de curator ongewild de belangrijkste bestrijder is van dit maatschappelijke probleem. In dit artikel wordt ingegaan op wat faillissementsfraude is en welke vormen ervan in de praktijk bestaan. Dit wordt afgezet tegen de initiatieven die de wetgever en het Openbaar Ministerie hebben ontplooid met als belangrijk onderdeel de toebedeling aan de curator van de wettelijke taak fraude te signaleren en hierop te acteren. Door gebrek aan financiële middelen en opsporingsbevoegdheden kan de curator echter hier niet in slagen. Tenzij wordt gekozen voor een brede aanpak met de verantwoordelijkheden op de juiste plek, blijft faillissementsfraude onbestraft en betaalt de samenleving de rekening.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude: Verdachte heeft als bestuurder van een vennootschap samen met andere rechtspersonen zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Nadeel van ruim 3 miljoen euro. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Rechtbank Amsterdam 5 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1572 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

1. als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk de rechten der schuldeisers van de failliete rechtspersoon heeft verkort;

Subsidiair:

als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

2. medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

3. als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen gegeven.

Feiten

Onderneming 1 B.V., voorheen onderneming 1A B.V., is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2009 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van curator 1 tot curator. Het faillissement is op 16 februari 2009 aangevraagd door de Ontvanger van de Belastingdienst. Blijkens heeft faillissementsverslag van de curator was de schuldenpositie van onderneming 1 B.V. als volgt:

  • Preferente vordering van de fiscus €1.750.934,-
  • Preferente vordering van het UWV €27.168,32
  • Andere preferente crediteuren €276.856,80
  • Vordering concurrente crediteuren €1.199.335,33

De bestuurder en enig aandeelhouder van onderneming 1 B.V. is Holding 1 B.V. De bestuurder en enig aandeelhouder van Holding 1 B.V. is verdachte. Verdachte is tevens bestuurder van onderneming 1B B.V. en onderneming 1C B.V.

De activiteiten van onderneming 1 B.V. bestaan hoofdzakelijk uit het vervoer van ontwaterd zuiveringsslib, afkomstig van waterzuiveringsinstallaties. De opdrachtgever hiervan was onderneming 2 N.V.

Op 31 maart 2010 heeft de curator in het faillissement van onderneming 1 B.V. bij het Fraudemeldpunt Amsterdam melding gemaakt van het vermoeden van het plegen van bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrifte door verdachte. Voorts stelt de curator dat de boekhouding van onderneming 1 B.V. onvolledig is en dat daarom de (indirect) bestuurder van onderneming 1 B.V. – verdachte – niet aan zijn boekhoudplicht heeft voldaan.

De ten laste gelegde onttrekkingen

De curator stelt dat de kantoorinventaris en de garage inrichting van onderneming 1 B.V. op 30 april 2009 – nadat het faillissement van onderneming 1 B.V. op 16 februari 2009 door de Belastingdienst was aangevraagd – zijn overgedragen aan onderneming 1C B.V. voor een bedrag van €31.281,92. Deze koopprijs is in het grootboek zonder omschrijving in de rekening-courantverhouding met onderneming 1B B.V. verrekend. Op de bankrekening van onderneming 1 B.V. is voornoemde betaling niet aangetroffen.

Uit de administratie van onderneming 1 B.V. blijkt voorts dat vanaf 10 juli 2008 – ongeveer een jaar voor faillissement – tot aan het faillissement van onderneming 1 B.V. ten gunste van Holding 1 B.V. betalingen zijn gedaan van in totaal €886.964,-. Deze betalingen zijn verwerkt in het grootboek, maar de onderliggende stukken waaruit de rechtmatigheid van deze betalingen kan blijken, zijn volgens de curator niet aangetroffen. Daarnaast is op 19 maart 2009 een bedrag van €249.161,- op de door onderneming 1 B.V. aangehouden bankrekening overgemaakt naar de bankrekening van onderneming 1B B.V. met als omschrijving “OVB aflossing schuld g-rekening”. Deze betaling is door de curator vernietigd als zijnde paulianeus, aangezien de faillissementsaanvraag een maand daarvoor was aangevraagd.

Op verzoek van de curator heeft Deloitte een onderzoek ingesteld naar de rekening-courantverhouding van onderneming 1 B.V. met onderneming 1B B.V.. In het rapport van Deloitte staat dat in het tweede halfjaar 2008 mutaties hebben plaatsgevonden in de rekening-courant verhouding tussen onderneming 1 B.V. en onderneming 1B B.V. ter grootte van €2,4 miljoen. Het rekening-courant saldo is hierbij omgeslagen van een vordering van onderneming 1 B.V. per 6 juli 2008 ad €1.945.247 naar een schuld aan onderneming 1B B.V. ad €406.902. Deloitte heeft uit de bescheiden van onderneming 1 B.V. de juistheid van de uitgevoerde boekingen niet kunnen vaststellen, waarna onderneming 1B B.V. is verzocht om dit middels bescheiden aan te tonen. Verdachte heeft vervolgens namens onderneming 1B B.V., enkele overzichten van doorbelaste kosten aan de curator toegezonden. Volgens de curator komen slechts enkele bedragen in de verstrekte overzichten overeen met de in rekening-courant geboekte bedragen. Van de overige in de overzichten vermelden bedragen ontbreken de onderliggende bescheiden, zodat de curator deze bedragen niet kan verifiëren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, op grond van de verweren zoals genoemd in haar pleitnotities.

Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak van feit 1, sub D

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte van het onder 1 sub D ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, aangezien het bestaan van een vordering van onderneming 1 B.V. op een andere rechtspersoon niet kan leiden tot de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van onderneming 1 B.V..

Feit 1

Algemeen

Verdachte heeft verklaard dat het contract met onderneming 2 N.V. niet winstgevend is geweest en alleen geld heeft gekost. Persoon 1, werkneemster bij onderneming 1 B.V., heeft verklaard dat het bedrijf altijd op de rand van de afgrond verkeerde en er structureel te weinig geld was. Volgens haar was het faillissement onontkoombaar op het moment dat de eerste herinnering van de Belastingdienst binnen kwam. Deze herinnering kwam ongeveer een jaar voor het faillissement van 7 juli 2009 binnen. Zoals uit de hiervoor in rubriek 4.2. weergegeven bewijsmiddelen volgt, zijn vanaf 10 juli 2008 tot en met de faillissementsdatum door onderneming 1 B.V. betalingen verricht ten gunste van Holding 1 B.V.

Onder A)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 30 april 2009 – nadat het faillissement van onderneming 1 B.V. is aangevraagd – de kantoorinventaris en de garage inrichting van onderneming 1 B.V. zijn overgedragen aan onderneming 1C B.V. voor een bedrag van €31.281,92. Op de bankrekening van onderneming 1 B.V. is deze betaling echter niet aangetroffen. Daarentegen is de koopprijs in het grootboek zonder omschrijving in de rekening-courantverhouding met onderneming 1B B.V. – een andere B.V. van verdachte – verrekend. Uit de door verdachte overgelegde administratie van onderneming 1 B.V. is niet gebleken wat de reden is geweest van deze verrekening.

Gezien het feit dat deze handeling heeft plaatsgevonden nadat het faillissement van onderneming 1 B.V. was aangevraagd en de overboeking niet in de afschriften is terug te vinden, is de rechtbank van oordeel dat onderneming 1 B.V. de kantoorinventaris en garage-inrichting om niet heeft overgedragen aan een andere rechtspersoon.

Onder B)

In de periode van 10 juli 2008 tot en met de datum van het faillissement van onderneming 1 B.V. zijn diverse betalingen gedaan door onderneming 1 B.V. ten gunste van Holding 1 B.V. voor een bedrag van in totaal €886.964,-. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bankafschriften van Holding 1 B.V. blijkt dat hiermee salarissen en bepaalde kosten door de Holding zijn betaald.

De rechtbank stelt vast dat een onderbouwing van de stelling dat deze bedragen dienden ter betaling van de salarissen van de werknemers ontbreekt, zoals onderliggende stukken ten aanzien van de taakverdeling tussen de vennootschappen, de overeenkomsten van die werknemers met een vennootschap van verdachte alsmede de betrokken facturen. Verder kan niet worden vastgesteld dat namens Holding 1 B.V. jegens onderneming 1 B.V. een juridisch opeisbare verplichting bestond om al de salarissen van werknemers van onderneming 1 B.V. te betalen. Het lijkt er veeleer op dat verdachte gepoogd heeft zoveel mogelijk liquide middelen aan onderneming 1 B.V. te onttrekken om te voorkomen dat de betrokken gelden in het faillissement terecht zouden komen.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte tijdens zijn verhoor van 5 oktober 2010 heeft verklaard dat de betalingen aan Holding 1 B.V. zijn verricht omdat dit moest van de Rabobank, aangezien de rekening van de Holding soms negatiever stond dan die van onderneming 1 B.V.. persoon 2, werkzaam bij de Rabobank, heeft verklaard dat de Rabobank nooit expliciet tegen verdachte heeft gezegd gelden door te boeken naar de rekening van Holding 1 B.V. Tevens is vastgesteld – in tegenstelling tot wat verdachte heeft verklaard – dat de rekening-courant rekening van Holding 1 B.V. vrijwel permanent een saldo ten gunste van Holding 1 B.V. vertoonde. Tot slot heeft persoon 1 over de overboekingen verklaard dat de geldbedragen direct werden overgeboekt naar de bankrekening van Holding 1 B.V. zodat kon worden voorkomen dat de Belastingdienst overal beslag op kon leggen. Verdachte volstaat ermee een en ander te ontkennen, zonder dat hij een inzichtelijke verklaringen geeft voor het overboeken van gelden van onderneming 1 B.V. naar Holding 1 B.V..

De rechtbank leidt uit het voorgaande af, in onderlinge samenhang bezien, dat onderneming 1 B.V. onverschuldigd geldbedragen heeft overgeboekt naar de bankrekening van Holding 1 B.V..

Onder C)

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de curator heeft vastgesteld dat de rekening-courant verhouding tussen onderneming 1 B.V. en onderneming 1B B.V. in een tijdsspanne van zes maanden van een vordering van €1.945.247,- is omgezet in een schuld van €406.902,-. Op de datum van het faillissement van onderneming 1 B.V. bedroeg de totale schuld €515.189,26. De raadsvrouw heeft hierover aangevoerd dat tussen de verschillende vennootschappen van verdachte werd doorbelast, hetgeen deze mutatie verklaart.

De rechtbank stelt voorop dat het doorbelasten van kosten tussen vennootschappen niet naar believen kan worden gedaan. Zo kunnen niet allerlei kosten, ook van andere vennootschappen, zonder enige uitsplitsing en onderbouwing, voor rekening van onderneming 1 B.V. worden gebracht (terwijl de opbrengsten van onderneming 1 B.V. naar andere vennootschappen worden overgeboekt). Verdachte heeft niet inzichtelijk gemaakt dat het doorbelasten van kosten rechtmatig was terwijl in de administratie van onderneming 1 B.V. voor deze doorbelastingen geen onderbouwing is aangetroffen. Deloitte heeft immers uit de bescheiden van onderneming 1 B.V. de juistheid van de uitgevoerde boekingen niet kunnen vaststellen. Verder heeft de curator een aantal van deze (memoriaal)boekingen betwist, omdat ter zake van deze boekingen geen onderliggende documenten zijn overgelegd waaruit de juistheid hiervan kan worden vastgesteld. De rechtbank acht hier mitsdien bewezen dat bedragen onverschuldigd zijn overgemaakt door onderneming 1 B.V. aan onderneming 1B B.V. als gevolg waarvan een vordering van onderneming 1 B.V. is tenietgedaan en omgezet in een schuld van onderneming 1 B.V. aan onderneming 1B B.V..

Onder E)

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte een zodanige administratie heeft gevoerd en bewaard, dat hieruit ten alle tijde een betrouwbaar inzicht in de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van onderneming 1 B.V. kon worden verkregen.

De curator heeft in zijn melding van 31 maart 2010 gesteld dat de administratie van onderneming 1 B.V. onvolledig is en geen volledig inzicht geeft in de rechten en verplichtingen. Zo heeft de curator onder meer geen documenten aangetroffen inzake:

  • het verrekenen van rekening-courant vorderingen tussen de verschillende vennootschappen;
  • de facturen inzake het doorbelasten van brandstof door onderneming 1B B.V.;
  • de facturen inzake de doorbelasting van gebruik van containers.

Volgens persoon 1 was de administratie van onderneming 1 B.V. een drama, was nooit iets op orde en bestond er een grote achterstand. Dit was al zolang zij bij onderneming 1 B.V. werkte en verdachte was hiervan op de hoogte.

Gelet op de aangifte van de curator, de bevindingen van Deloitte en de verklaring van persoon 1, stelt de rechtbank vast dat de administratie van onderneming 1 B.V., die inzicht moet geven in de rechten en verplichtingen van de vennootschappen, niet op orde was. Dat betekent dat onderneming 1 B.V. niet heeft voldaan aan zijn administratie verplichting als bedoeld in artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek. Hoewel verdachte binnen onderneming 1 B.V. niet direct belast is geweest met het voeren van de administratie, was hij daarvoor als bestuurder wel verantwoordelijk en volgt uit de bewijsmiddelen dat hij zich van deze onvolledig en onjuist gevoerde administratie wel degelijk bewust is geweest. Ook dient verdachte er als bestuurder van onderneming 1 B.V. voor zorg te dragen dat de gehele administratie correct aan de curator wordt overgedragen. Dat dat niet is gebeurd is aan zijn schuld te wijten.

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het voorgaande af, in samenhang bezien, dat verdachte vanaf juli 2008 weet had van het aankomende faillissement. Met die wetenschap heeft verdachte voorafgaand aan het faillissement, maar ook nadat deze al was aangevraagd, de hiervoor besproken onttrekkingen uit de bedoel gedaan. Door zo te handelen stevende onderneming 1 B.V. niet alleen op een faillissement af met daarin een boedelschuld, ook leidt de rechtbank hieruit af dat verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest dat de schuldeisers van onderneming 1 B.V. door de ten laste gelegde onttrekkingen in hun verhaal zouden worden benadeeld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers en acht bewezen dat verdachte, als bestuurder van onderneming 1 B.V., opzet heeft gehad op de bedrieglijke bankbreuk ter verkorting van de crediteuren van onderneming 1 B.V..

Feit 2

De curator heeft, nadat hij verdachte heeft verzocht om inlichtingen te geven, onder meer de onder 2 ten laste gelegde facturen van verdachte ontvangen. Over deze facturen heeft de curator opgemerkt dat hierop het bankrekeningnummer en het BTW-nummer van onderneming 1B B.V. – in plaats van onderneming 1 B.V. – staan vermeld.

Voorts vallen de volgende zaken op:

  1. Ten aanzien van factuur 90201 en 90205 is van het correspondentieadres de ‘L’ van plaats niet zichtbaar, terwijl deze wel zichtbaar is op de overige facturen;
  2. Ten aanzien van alle ten laste gelegde facturen – verstuurd door onderneming 1 B.V. – staat tweemaal een correspondentieadres vermeld, waarbij opvalt dat in het bovenste correspondentieadres Postbus A (van onderneming 1B B.V. en onderneming 1C B.V.) en in het onderste correspondentieadres Postbus B (van onderneming 1 B.V.) staat vermeld;
  3. Het factuurnummer van een factuur van onderneming 1 B.V. aan onderneming 1C B.V. begint met het jaartal 2009. De ten laste gelegde facturen vermelden factuurnummers ‘90201’ tot en met ‘90206’;
  4. De facturen van na 25 mei 2009 – de datum waarop de naam onderneming 1A B.V. is gewijzigd in onderneming 1 B.V., dragen als briefhoofd onderneming 1A B.V.;
  5. Op alle ten laste gelegde facturen staat het bankrekeningnummer van onderneming 1B B.V. vermeld, alsmede het BTW nummer van onderneming 1B B.V.;
  6. Alle ten laste gelegde facturen zijn verstuurd nadat onderneming 1 B.V. in staat van faillissement is verklaard;
  7. Op alle ten laste gelegde facturen staat – in tegenstelling tot andere facturen – onderaan extra vermeld dat de betaling moet plaatsvinden op bankrekening bankrekeningnummer A.

Persoon 1 heeft verklaard dat zij de facturen herkent, maar dat zij deze niet heeft opgesteld. De facturen zijn volgens haar opgemaakt omdat bij een eerder faillissement (van onderneming 1 B.V.) duidelijk was geworden dat er facturen ten grondslag moeten liggen aan doorbelastingen tussen de verschillende vennootschappen. Persoon 3, werknemer bij onderneming 1 B.V., heeft verklaard dat tot 5 juni 2009 alle (uitgaande) facturen van onderneming 1 B.V. door hem werden gemaakt. Hij herkent de hem getoonde facturen echter niet en verklaart dat deze niet door hem zijn opgesteld. Op de vraag wat hij kan verklaren over de juistheid van deze facturen, heeft hij geantwoord dat het slechte vervalsingen betreffen.

Gelet op het voorgaande en het feit dat verdachte de ten laste gelegde facturen op verzoek van de curator en na faillissement heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat deze facturen vals zijn en dat verdachte hiervan opzettelijk gebruik heeft gemaakt, als ware deze facturen als echt en onvervalst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Feit 3

De curator heeft verdachte bij brieven van 23 juli 2009, 3 september 2009 en 17 september 2009 gesommeerd hem gedocumenteerd, middels overlegging van verifieerbare bescheiden, inlichtingen te verstrekken over mutaties met betrekking tot de vorderingen van onderneming 1B B.V. op onderneming 1 B.V.. Voorts heeft de curator om een groot aantal stukken, zoals bankafschriften, grootboekkaarten en overeenkomsten met groepsmaatschappijen verzocht. Verdachte heeft op al deze vragen geen genoegzaam antwoord gegeven, aldus de curator.

Hoewel kan worden vastgesteld dat door of namens verdachte inlichtingen zijn verstrekt aan de curator, blijkt uit de brieven van de curator dat verdachte de door hem expliciet verzochte bescheiden niet heeft overgelegd. Naast het weigeren van het geven van vereiste inlichtingen, heeft verdachte ook opzettelijk verkeerde inlichtingen gegeven. Verdachte heeft immers ter onderbouwing van rekening-courant boekingen tussen onderneming 1 B.V. en onderneming 1B B.V., de onder 2 ten laste gelegde valse facturen aan de curator overgelegd.

Gelet op de hiervoor aangehaalde geschriften van de curator en de door verdachte overgelegde valse facturen aan de curator, is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, medeplegen van het onttrekken van enig goed aan de boedel  en het vervreemden van goederen om niet en het niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, in dat artikel bedoeld
  • Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd
  • Feit 3: als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen geven

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdachte heeft als bestuurder van een vennootschap samen met andere rechtspersonen zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Terwijl verdachte wist dat deze vennootschap in zwaar weer verkeerde, heeft hij aanzienlijke geldbedragen onttrokken aan die vennootschap. Door zijn handelen heeft verdachte de crediteuren van zijn vennootschap benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het in zijn hoedanigheid als bestuurder van de failliete vennootschap niet voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen om een volledige en juiste administratie aan de curator te overleggen. Daarnaast heeft verdachte, ondanks verzoeken daartoe door de curator, niet de volledige administratie aan die curator overhandigd en zelfs opzettelijk verkeerde inlichtingen gegeven. Dergelijke gedragingen schenden het handelsverkeer en verdachte heeft hiermee tevens blijk gegeven van een lichtzinnige houding ten opzichte van de vermogensbelangen van zijn schuldeisers. Met zijn handelen heeft verdachte het de curator moeilijk gemaakt om het faillissement op juiste wijze af te wikkelen.

Ten slotte heeft de verdachte ter onderbouwing van diverse doorbelastingen zich bediend van valse facturen, om alsnog te proberen deze doorbelastingen geaccepteerd te krijgen door de curator. Hiermee heeft verdachte het vertrouwen dat curators moeten kunnen stellen in de juistheid van de aan hen verstrekte administratie ernstig geschaad.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Curator krijgt taak bij fraudesignalering'

Curatoren die in faillissementen mogelijke onregelmatigheden vaststellen, moeten die verplicht melden bij de rechter-commissaris. Vervolgens kan er melding of aangifte van de fraude volgen. Dit blijkt uit een wetsvoorstel waarmee de ministerraad heeft ingestemd. De maatregel versterkt de positie van de curator.

Straks krijgt de curator naast zijn kerntaak - vereffening van de failliete boedel ten bate van gezamenlijke schuldeisers - een wettelijke taak bij de fraudesignalering. In de praktijk stuit een faillissementscurator vaak als eerste op gaten in de administratie of het ontbreken van goederen uit de boedel. Door hem meer ruimte te geven om in die gevallen actie te ondernemen, wordt de aanpak van faillissementsfraude effectiever.

Daartoe dient de curator wel de nodige informatie te krijgen van de failliete boedel. De huidige informatie- en medewerkingsverplichtingen worden dan ook aangescherpt en verduidelijkt. Zo moet de curator bijvoorbeeld worden ingelicht over eventuele buitenlandse vermogensbestanddelen, zoals banktegoeden en onroerend goed, en moet hem medewerking worden verleend om daarover de beschikking te krijgen.

De regeling vloeit voort uit het wetgevingsprogramma herijking van het faillissementsrecht, waarvan verbetering van de bestrijding van faillissementsfraude 1 van de pijlers is.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

'Wetsvoorstel Civielrechtelijk Bestuursverbod en nemo tenetur: wikken en wegen'

Op grond van het wetsvoorstel Civielrechtelijk Bestuursverbod kan een bestuurder van een failliete rechtspersoon een bestuursverbod opgelegd krijgen wanneer hij niet voldoet aan of in ernstige mate tekortschiet in zijn in de Faillissementswet neergelegde informatie- en medewerkingsverplichtingen jegens de curator. Aan de orde komt de vraag of dit toelaatbaar is in het licht van het in art. 6 EVRM vervatte nemo tenetur-beginsel.

Print Friendly and PDF ^

'Renovatie van de Faillissementswet in zeven wetsvoorstellen'

De Faillissementswet staat in de steigers voor groot onderhoud. Zeven grote klussen worden achter   elkaar uitgevoerd, deels overlappend qua tijd. Welke zeven klussen zijn dat? Het   wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht bestaat uit een zevental afzonderlijke wetsvoorstellen, die zich laten bundelen in drie thema’s – namelijk (a) de bestrijding van faillissementsfraude; (b) de bevordering van het reorganiserend vermogen van bedrijven; en (c) de modernisering van de faillissementsprocedure.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Doorzoekingen en aanhouding in onderzoek naar faillissementsfraude bij taxibedrijf

De FIOD heeft woensdag twee woningen in Den Haag en een bedrijfspand in Amsterdam doorzocht in een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het Functioneel Parket naar faillissementsfraude bij een taxibedrijf in Den Haag. Een 41-jarige man is aangehouden.

De verdenking is dat de 41-jarige man in 2012 circa 30 taxi’s heeft onttrokken aan de boedel van zijn bijna failliete taxibedrijf. Er was geen administratie bijgehouden. De schuldeisers bleven na het faillissement met lege handen achter. De curator deed aangifte van faillissementsfraude.

Het vermoeden is dat de verdachte met de aan de boedel onttrokken taxi’s een nieuw taxibedrijf is gestart in de regio Amsterdam. Ook hier zou er geen deugdelijke administratie worden gevoerd: er zijn geen of onvolledige weekstaten, rittenstaten en urenadministratie. De verdenking is dat een deel van de ritten zwart wordt gereden.

Gezamenlijke actie

Bij de actie van de FIOD en het OM werd samengewerkt met de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW), de Belastingdienst en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft kennis en expertise geleverd over de taxibranche. De Belastingdienst heeft aanslagen opgelegd. Tijdens de doorzoekingen is beslag gelegd op duizenden euro’s contant geld en de inboedel van een woning. Daarnaast is administratie in beslag genomen.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude en daarnaast feitelijk leiding gegeven aan het oplichten van meerdere bedrijven

Rechtbank Midden-Nederland 22 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7369

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1 primair: verdachte in de periode van 13 juni 2008 tot en met 16 december 2008, als bestuurder van Hannah Klinieken B.V., die op 21 oktober 2008 in staat van faillissement is verklaard, zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude, door de volgende handelingen te verrichten:

A. in de periode van 13 juni 2008 tot en met 16 december 2008, een groot aantal computers, althans één computer, en/of een aantal andere goederen aan de boedel te onttrekken, en/of

B. in de periode van 1 februari 2008 tot en met 16 december 2006 niet te voldoen aan zijn verplichting tot het voeren van een administratie, het bewaren hiervan en het aan de curator ter beschikking stellen van deze administratie.

Feit 1 subsidiair: verdachte in de periode van 1 februari 2008 tot en met 16 december 2008, samen met anderen, faillissementsfraude heeft gepleegd doordat hij in het (vooruitzicht van het) faillissement van Hannah Klinieken B.V., een groot aantal computers, althans één computer, en/of een aantal andere goederen aan de boedel heeft onttrokken en/of betalingen betreffende (niet) opeisbare schulden heeft aangenomen, terwijl hij wist dat het faillissement van die rechtspersoon was aangevraagd.

Feit 2: Hannah Klinieken B.V. in de periode van 30 juni 2008 tot en met 1 oktober 2008, samen met anderen, Dell B.V. en/of GE Capital B.V. en/of IBM Nederland Financieringen B.V. en/of Touch N’lease door middel van oplichting heeft bewogen tot:

    • de afgifte van een (groot) aantal computers (met toebehoren) ter waarde van € 104.298,81, en/of
    • het aangaan van een schuld, te weten een/meer leaseovereenkomsten,

terwijl verdachte/zijn mededaders daaraan feitelijk leiding of daartoe opdracht heeft/hebben gegeven.

Feit 3: verdachte in de periode van 1 juli 2008 tot en met 15 juli 2008, samen met anderen, Coöperatieve Rabobank Zuid-Holland Midden U.A. door middel van oplichting heeft bewogen tot:

    • de afgifte van een geldbedrag (ter waarde van € 28.006,98), althans enig goed, en/of
    • het aangaan van een schuld, te weten een tweetal bankrekeningen met kredietfaciliteit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1 (primair), 2 en 3 heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair

Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van Hannah Klinieken B.V. in de periode van 13 juni 2008 tot en met 16 december 2008 schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude.

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in die periode bestuurder van Hannah Klinieken B.V. is geweest. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Vrijspraak feit 3

Aan de verdachte is onder 3 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 juli 2008 tot en met 15 juli 2008, al dan niet in vereniging, de Rabobank heeft opgelicht.

De oplichtingshandelingen zouden er uit hebben bestaan dat bepaalde stukken aan de Rabobank zijn overgelegd en onjuiste mededelingen zijn gedaan teneinde de Rabobank te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag en het aangaan van een schuld in de vorm van het openen van twee bankrekeningen met kredietfaciliteit.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte wist dan wel moest vermoeden dat deze stukken zijn overgelegd en de onjuiste mededelingen zijn gedaan teneinde de Rabobank te bewegen tot het afgeven van een geldbedrag en het openen van de bankrekeningen met kredietfaciliteit. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

Feiten

Stichting Cozijnsen Beheer B.V.  Verdachte was vanaf 1 februari 2008 tot en met – in ieder geval – 11 december 2008 bestuurder van Stichting Cozijnsen Beheer B.V. Van 24 juni 2008 tot en met – in ieder geval – 11 december 2008 was medeverdachte 2 (verder: medeverdachte 2) tevens bestuurder van Stichting Cozijnsen Beheer B.V.

Oosten Multi Media B.V. verdachte was in de periode van 1 februari 2008 tot 24 juni 2008 bestuurder van Oosten Multi Media B.V. Van 24 juni 2008 tot – in ieder geval – 11 april 2009 was medeverdachte 2 bestuurder van Oosten Multi Media B.V.

Hannah Klinieken B.V.  Hannah Klinieken B.V. is begin 2008 verkocht aan Oosten Multi Media B.V. Van 16 april 2008 tot 13 juni 2008 was Stichting Cozijnsen Beheer B.V. alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van Hannah Klinieken B.V. Medeverdachte 1 was vanaf 13 juni 2008 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van Hannah Klinieken B.V.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf mei 2008 voor Hannah Klinieken B.V. is gaan werken. Medeverdachte 2, medeverdachte 1 en hijzelf kenden geen hiërarchie in hun onderlinge samenwerking. Het klopt dat zij één keer in de week gezamenlijk overleg voerden. Dat kan een soort managementoverleg worden genoemd.

Medeverdachte 2 heeft als getuige verklaard dat hij vanaf ongeveer juli 2008 werkzaam is bij Hannah Klinieken B.V. verdachte is volgens hem de eigenaar/baas en medeverdachte 1 de directeur.

Volgens getuige 1 werd verdachte de eigenaar/baas toen Hannah Klinieken B.V. in 2008 werd overgenomen. Hij gaf feitelijk leiding. Medeverdachte 1 was directeur van het bedrijf Hannah Klinieken.

Hannah Klinieken B.V. werd volgens getuige 2 geleid door verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1.

Financiële positie Hannah Klinieken B.V. voor faillissement Getuige 3 heeft verklaard dat vanaf mei 2008 de salarissen en overige betalingen niet of nauwelijks meer werden uitgevoerd. Er waren collega’s met een betalingsachterstand van drie maanden. Zelf heeft ze na juli 2008 geen salaris meer gekregen.

Getuige 2 heeft sinds augustus 2008 geen salaris meer ontvangen. Ook werden leveranciers niet meer betaald. Ze kreeg alleen maar boze mensen aan de telefoon die hun geld wilden hebben. Ze heeft die mensen doorverwezen naar verdachte en medeverdachte 1.

Medeverdachte 2 heeft als getuige verklaard dat hij wist dat er salarisproblemen waren omdat er over werd gepraat en omdat mensen daarover tegen hem gingen aan zeiken. Hij wist ook dat er huurachterstanden waren.

Omstreeks de jaarwisseling van 2008 betaalde Hannah Klinieken B.V. ineens geen huur meer aan de eigenaar van het pand, de heer benadeelde 1. Blijkens het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht van 23 juli 2008 is Hannah Klinieken B.V. hoofdelijk veroordeeld tot ontruiming van het pand voor 23 augustus 2008 en tot betaling van de huurachterstand van € 77.775,00, vermeerderd met de verbeurde boetes ter hoogte van € 13.500,- alsmede de proceskosten van benadeelde 1 ter hoogte van € 1.155,44.

Faillissement Hannah Klinieken B.V.

Hannah Klinieken B.V. is bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2008 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. M. Verhoeff als curator.

Verdere bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, subsidiair

Bestellingen bij Dell B.V.

Op naam van Hannah Klinieken B.V. is in de periode van 30 juni 2008 tot en met 4 september 2008 een grote hoeveelheid computers met toebehoren besteld bij Dell B.V. In totaal is er voor € 104.298,81 aan computers met toebehoren besteld en afgeleverd op de adres in plaats.

De curator heeft deze computers met toebehoren niet in de boedel van de gefailleerde rechtspersoon aangetroffen.

Getuige 3 heeft verklaard dat de computers gebruikt zouden worden in het bedrijf, maar dat ze door verdachte zijn meegenomen. Sinds de aflevering van de dozen op de adres heeft ze de computers niet meer gezien. Ze vond dit gek omdat Hannah Klinieken er financieel niet sterk voor stond.

Verbalisant 1 heeft verklaard dat uit afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken tussen onder meer verdachten verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1 is gebleken dat verdachte en medeverdachte 2 tussen 15 september 2008 en 3 oktober 2008 computers aan derden verkochten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken heeft gevoerd en de daarin beschreven handelingen heeft gepleegd.

Verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat de 36 dozen met computers en toebehoren - welke dozen op 26 november 2008 in de berging van zijn woning in Nootdorp zijn aangetroffen - onderdeel uitmaakten van de bestellingen die op naam van Hannah Klinieken B.V. bij Dell B.V. zijn gedaan.

Desgevraagd heeft verdachte ter terechtzitting nog verklaard dat het klopt dat de opbrengsten van de computerverkopen en de dozen met computers en toebehoren die in zijn berging zijn aangetroffen niet aan de curator in het faillissement zijn aangeboden.

Aantreffen goederen Bijlage A Verbalisant 1 heeft verklaard dat er op 15 juli 2009 ter inbeslagneming is binnengetreden in een bedrijfspand te Voorburg. In dat pand werd een grote hoeveelheid goederen aangetroffen die vermoedelijk afkomstig waren van de rechtspersoon Hannah Klinieken B.V.

A is de eigenaar van het bedrijfspand waar de goederen zijn aangetroffen. A is werkzaam geweest bij Hannah Klinieken B.V.

Volgens getuige 3 zijn in de dagen en weken voorafgaande aan 3 september 2008 alle goederen van Hannah Klinieken door verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 uit het pand gehaald.

Getuige 4, wonend aan de adres te plaats, zag op 1 september 2008 dat het pand beetje bij beetje helemaal werd leeggehaald. Op een gegeven moment was het hele pand leeg. Hij heeft gezien dat verdachte, een man genaamd medeverdachte 2 en nog een derde onbekende man de complete inboedel afvoerden met bestelauto’s.

Bewijsoverwegingen feit 1, subsidiair

Door de verdediging is aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de goederen uit Bijlage A van de tenlastelegging tot de boedel van Hannah Klinieken B.V. behoorden.

Door de verdediging is verder aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het bedrieglijk verkorten van de rechten van de schuldeisers door de computers met toebehoren en de goederen uit Bijlage A aan de boedel te onttrekken.

Ook zou onvoldoende zijn gebleken dat de rechten van de schuldeisers daadwerkelijk zijn verkort, aangezien niet duidelijk is geworden wat de totale opbrengst van de verkoop van de Dell-computers is geweest. Bovendien kan niet worden bewezen dat verdachte de boedel heeft benadeeld, terwijl hij wist dat het faillissement in het vooruitzicht lag.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de goederen uit Bijlage A van de tenlastelegging op 15 juli 2009 zijn aangetroffen in een bedrijfspand dat in eigendom was van A. Gelet op het gezamenlijk aantreffen van deze goederen in één pand, welk pand eigendom is van iemand die werkzaam is geweest bij Hannah Klinieken B.V, en welke goederen naar haar aard en (een aantal) naar haar opschrift passen bij een bedrijf zoals Hannah Klinieken B.V., is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de goederen uit Bijlage A tot de boedel van Hannah Klinieken B.V. behoorden.

Dat verdachte de goederen uit Bijlage A en de Dell-computers met toebehoren tezamen en in vereniging met anderen aan de boedel heeft onttrokken - in het vooruitzicht alsmede ten tijde van het faillissement - acht de rechtbank bewezen gelet op de slechte financiële omstandigheden waarin Hannah Klinieken B.V. zich vanaf juli 2008 bevond, die zoals uit de bewijsmiddelen volgt voor verdachte en de medeverdachten kenbaar is geweest, het faillissement zoals dat op 21 oktober 2008 is uitgesproken en het door de verdachte en zijn medeverdachten verzwijgen van deze goederen, die aan de boedel toebehoorden, aan de curator in het faillissement.

De onttrekking heeft bovendien plaatsgevonden ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet moet hebben gehad om de rechten van schuldeisers te verkorten en dat niet vereist is dat de rechten van schuldeisers als gevolg van dat handelen ook daadwerkelijk zijn verkort.

De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten hebben de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers doen ontstaan, nu de goederen uit Bijlage A en de computers met toebehoren - respectievelijk eventuele opbrengsten van de verkoop van deze computers met toebehoren - anders in de failliete boedel zouden zijn gebleven waaruit de schuldeisers voldaan zouden kunnen worden. Verdachten hebben door zo te handelen deze kans ook bewust aanvaard.

Verdere bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Bestelling I bij Dell B.V.

Op 30 juni 2008 is er op naam van Hannah Klinieken B.V. een order voor een grote hoeveelheid computers met toebehoren geplaatst bij Dell B.V. De order met nummer 14312883.5 is op 4 juli 2008 op naam van medeverdachte 1 ondertekend. Hetzelfde geldt voor de bijbehorende lease- en/of financieringsovereenkomst met nummer 103224-0 van G.E. Capital B.V.

verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de order van Dell B.V. en de lease- en/of financieringsovereenkomst van GE Capital B.V. voor medeverdachte 1 heeft ondertekend, omdat medeverdachte 1 had aangegeven daarvoor geen tijd te hebben.

Blijkens de lease- en financieringsovereenkomst heeft Hannah Klinieken B.V. aan GE Capital B.V. een machtiging tot automatische incasso verleend tot het afschrijven van het geld van bankrekeningnummer nummer.

Hierna is de bestelling I in gedeelten afgeleverd in de periode van 7 juli 2008 tot en met 25 juli 2008 op de adres te plaats.

Bestelling II bij Dell B.V.

Op 7 augustus 2008 heeft verdachte opnieuw contact met Dell B.V. opgenomen voor nog een order.

Op 4 september 2008 is vanaf het e-mailadres e-mailadres de navolgende e-mail gestuurd aan e-mailadres. Touch N’Lease is een tussenpersoon van IBM Nederland Financieringen B.V.

“Hierbij deel ik u mee, dat de heer medeverdachte 2 (…) vandaag bij u langs komt om de contracten te tekenen. Hij heeft hierbij volledige volmacht om namens HannaH Klinieken BV (Amersfoort) rechtsgeldig alle handelingen te verrichten die noodzakelijk en gewenst zijn om de continuïteit van onze onderneming te waarborgen en te garanderen.

Hoogachtend,  medeverdachte 1 HannaH Klinieken B.V.

Namens Hannah Klinieken B.V. heeft medeverdachte 2 op 4 september 2008 de lease- en/of financieringsovereenkomst van IBM Nederland Financieringen B.V. met nummer 15000027 getekend. Medeverdachte 2 geeft daarbij als functie ‘manager’ op.

Blijkens deze lease- en/of financieringsovereenkomst heeft Hannah Klinieken B.V. aan IBM Nederland Financieringen B.V. een machtiging tot automatische incasso verleend tot het afschrijven van het geld van bankrekeningnummer nummer.

Vervolgens heeft de levering van bestelling II plaatsgevonden op de adres te plaats.

In totaal is er voor € 104.298,81 aan computers met toebehoren besteld en afgeleverd bij Hannah Klinieken B.V.

Volgens getuige 3 zouden de computers gebruikt worden in het bedrijf, maar zijn ze door verdachte meegenomen. Sinds de aflevering van de dozen op de adres heeft ze de computers niet meer gezien. Ze vond dit gek omdat Hannah Klinieken er financieel niet sterk voor stond.

Uit afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken tussen onder meer verdachten verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1 is gebleken dat verdachte op 11 september 2008 Dell B.V. maant tot het leveren van de computers, omdat hij anders zal stoppen met het afnemen van goederen bij Dell B.V. Daarnaast blijkt uit de afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken dat verdachte en medeverdachte 2 tussen 15 september 2008 en 3 oktober 2008 computers aan derden verkochten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken heeft gevoerd en de daarin beschreven handelingen heeft gepleegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verder verklaard dat de 36 dozen met computers en toebehoren - welke dozen op 26 november 2008 in de berging van zijn woning in Nootdorp zijn aangetroffen - onderdeel uitmaakten van de bestellingen die op naam van Hannah Klinieken B.V. bij Dell B.V. zijn gedaan.

Uit de afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken blijkt daarnaast dat medeverdachte 1 op 8 oktober 2008 door de heer benadeelde 2 van Capital Solutions wordt gebeld over de financiering en verzekering van de geleverde Dell apparatuur. Medeverdachte 1 zegt dat hij daarover terug zal bellen.

Uit de aangifte van benadeelde 3 namens Dell B.V. en de overige benadeelden blijkt dat Hannah Klinieken B.V. nooit een termijn heeft betaald aan de financierders.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte door zijn handelen het oogmerk heeft gehad zichzelf of anderen wederrechtelijk te bevoordelen. Bovendien blijkt niet dat hij of anderen daadwerkelijk wederrechtelijk zijn bevoordeeld.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat Hannah Klinieken B.V. door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels Dell B.V. heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten een groot aantal computers met toebehoren ter waarde van € 104.298,81. Daarnaast heeft Hannah Klinieken B.V. de bedrijven GE Capital Lease, IBM Nederland Financieringen en Touch N’Lease door middel van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot het aangaan van een schuld in de vorm van leaseovereenkomsten.

Het door Hannah Klinieken B.V. aannemen van een valse hoedanigheid en samenweefsel van verdichtsels heeft er feitelijk uit bestaan dat verdachte en zijn medeverdachten zich hebben voorgedaan als vertegenwoordigers van de betalende klant Hannah Klinieken B.V. ten tijde van het ondertekenen van de offerten en leaseovereenkomsten bij voornoemde bedrijven. Zij hebben dit onder meer gedaan door machtigingen tot automatische incasso af te geven van Hannah Klinieken B.V. dat zich – naar zij wisten – in zeer slechte financiële omstandigheden bevond en niet in staat was aan de afgesproken betalingsverplichtingen te voldoen.

Uit niets is gebleken dat Hannah Klinieken B.V., verdachte en zijn medeverdachten de intentie hebben gehad namens Hannah Klinieken B.V. voor de geleverde computers te betalen. Uit de bewijsmiddelen volgt zelfs dat verdachte en de medeverdachte medeverdachte 2 direct na de levering van de Dell-computers aan Hannah Klinieken B.V. over zijn gegaan tot het verkopen van deze computers aan derden. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat het oogmerk bestond om Dell B.V., GE Capital B.V., IBM Nederland Financieringen B.V. en Touch N’Lease op te lichten.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen en voornoemde overwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten telkens feitelijk leiding hebben gegeven aan die verboden gedraging.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachten geen maatregelen ter voorkoming van de oplichting hebben getroffen, terwijl zij daartoe wel bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren. Het waren verdachte en zijn medeverdachten die de feitelijke oplichtingshandelingen namens de rechtspersoon Hannah Klinieken B.V. hebben gepleegd. Zij hebben dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de oplichting zich voor zou doen, waardoor ze die gedraging opzettelijk hebben bevorderd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1, subsidiair: medeplegen van in geval van faillissement, of in het vooruitzicht daarvan, terwijl het faillissement is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: oplichting, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude en oplichting. Kort voor het faillissement is op naam van Hannah Klinieken B.V. een grote hoeveelheid Dell-computers met toebehoren besteld en afgeleverd. Verdachte heeft deze computers en toebehoren samen met anderen aan de boedel onttrokken door (een deel van) deze computers te verkopen en door niet aan de curator te melden dat deze computers óf de verkoopopbrengsten tot de boedel van Hannah Klinieken B.V. behoorden. Verdachte heeft bovendien samen met anderen een aantal andere goederen aan de boedel van Hannah Klinieken B.V. onttrokken.

Verdachte heeft daarnaast feitelijk leiding gegeven aan het oplichten van de bedrijven Dell B.V., GE Capital Lease, IBM Nederland Financieringen en Touch N’lease door Hannah Klinieken B.V. Voornoemde bedrijven zijn door deze oplichting bewogen tot de afgifte van een groot aantal computers met toebehoren ter waarde van € 104.298,81 en bijbehorende leaseovereenkomsten. Er is nooit voor deze computers met toebehoren betaald.

Daar komt nog bij dat de verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Hij schuift de schuld in de schoenen van andere natuurlijke personen, alsmede rechtspersonen, terwijl juist hij degene is geweest die een leidende rol heeft gehad bij de gepleegde strafbare feiten.

Strafoplegging

Alles afwegende zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, aan de verdachte opleggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^