Faillissementsfraude, strafmaatappel

Gerechtshof Amsterdam 24 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4674

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de uitspraak openbaar wordt gemaakt in het dagblad De Telegraaf op de door de rechtbank bepaalde wijze met een veroordeling van de verdachte tot het betalen van de kosten van voornoemde publicatie, begroot op € 2500,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de openbaarmaking zal gelasten van de uitspraak op de door de rechtbank gelaste wijze.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte niet gebaat is bij een gevangenisstraf zoals deze in eerste aanleg is opgelegd en dat hij niet de middelen heeft de opgelegde geldboete te betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij reeds 8 jaren niet meer in contact is geweest met politie of justitie in verband met nieuwe strafbare feiten. Een gevangenisstraf zou die positieve wending weer kunnen doorbreken. Gelet op de huidige draagkracht van de verdachte, kan voorts een geldboete ter hoogte van € 50.000,00 niet in redelijkheid aan de verdachte worden opgelegd.

Oordeel hof

De verdachte heeft zich als adviseur voor noodlijdende bedrijven geprofileerd maar heeft zich in die rol als feitelijk leidinggevende van de in financiële moeilijkheden verkerende vennootschap schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door het faillissement en de leegverkoop van de B.V. enkel te bespoedigen en de nog aanwezige gelden weg te sluizen. Tevens hebben verdachte en zijn medeverdachten ervoor gezorgd dat de administratie van het bedrijf is weggehaald en niet meer aan de curator ter beschikking kon worden gesteld. Door het op dergelijke wijze ondermijnen van het faillissementssysteem wordt het vertrouwen dat kredietverlening vereist, beschaamd en wordt de vermogenspositie van schuldeisers geschaad. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 september 2014 is de verdachte eerder voor soortgelijke frauduleuze handelingen onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte. Het spreekt echter voor de verdachte dat hij is verschenen ter terechtzitting in hoger beroep en een verklaring heeft afgelegd. Het hof ziet mitsdien aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, maar acht het van belang, gelet op de justitiële documentatie van de verdachte, dat het voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur van substantiële duur is. Het hof zal daarom te dezen de advocaat-generaal volgen ten aanzien van de gevangenisstraf.

Tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat zijn persoonlijk faillissement eind 2010 is opgeheven. Thans heeft de verdachte een aanzienlijke schuld bij de Nationale Nederlanden. Het gaat om € 300.000,00 en ‘een beetje’, aldus de verdachte. Zijn belastingschuld heeft hij voor een gering bedrag kunnen kwijten na een overeenkomst met de belastingdienst, welke, naar verdachtes eigen zeggen, behelst dat hij niet meer mag handelen in besloten vennootschappen. De verdachte kan nog wel eigen onderneming(en) starten en hij is thans nog altijd bestuurder van verscheidene (in ieder geval twee) vennootschappen. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij (ongeveer) € 400.000,00 in een beleggingspolis heeft zitten, waarmee hij voornemens is zijn schuld bij de Nationale Nederlanden af te lossen.

Nu het draagkrachtverweer van de verdediging niet onderbouwd is, noch getoetst kan worden op grond van door de verdediging overgelegde stukken – evenmin met betrekking tot de overeenkomst die de verdachte met de belastingdienst heeft gesloten –, gaat het hof uit van de hiervoor weergegeven informatie. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding de in eerste aanleg opgelegde geldboete te matigen.

Het hof ziet, mede gelet op het tijdsverloop, geen aanleiding de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak te gelasten overeenkomstig het bepaalde in artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen dat verdachtes reputatie via de gebruikelijke digitale zoekmachines gemakkelijk te vinden is. Een openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak sorteert dan ook geen effect dat van enige meerwaarde kan zijn.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 50.000,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht bedrieglijke bankbreuk

Hoge Raad 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2954

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 7 augustus 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren waarvan negen maanden voorwaardelijk voor

  • feit 2D: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,
  • feit 2E: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,
  • feit 3: In een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen,
  • feit 4: Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,
  • feit 5: Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk,
  • feit 6: Medeplegen van poging tot oplichting,
  • feit 7: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
  • feit 8A: Medeplegen van oplichting, en feit 8B: Medeplegen van poging tot oplichting.

Mr. M. Wiersma, advocaat, heeft cassatie ingesteld. Mrs. S.F.W. van 't Hullenaar en mr. C.H.W. Janssen, advocaten te Arnhem, hebben een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

Middel

Het vijfde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende met redenen is omkleed. Meer in het bijzonder kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte wist dat betrokkene 6 failliet was verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 5 bewezenverklaard dat hij: "in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 in Nederland en/of in België en/of Hong Kong, tezamen en in vereniging met [betrokkene 6] en een ander, terwijl die [betrokkene 6], bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 april 2006, in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [betrokkene 6], een bate niet heeft verantwoord, immers hebben hij, verdachte, die [betrokkene 6] en die ander een geldbedrag ontvangen zonder de curator daarvan in kennis te stellen, te weten in de maand maart 2007 een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,-."

Voorts heeft het Hof ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Als feit 5 is verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 bedrieglijke bankbreuk zou hebben gepleegd in het kader van een of meer faillissementen. Er worden drie faillissementen genoemd: het faillissement van [B] BV, van [H] BV, beide uitgesproken op 25 januari 2006, en het faillissement van [betrokkene 6] privé, uitgesproken op 5 april 2006.

Verdachte zou, al dan niet samen met [betrokkene 6] en/of anderen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [betrokkene 6] en die ondernemingen baten niet hebben verantwoord en/of goederen aan de boedel hebben onttrokken, door geen melding te maken van het bezit c.q. de ontvangst van EUR 30.000,- in de maand maart van 2007.

Het hof acht bewezen dat verdachte dit feit samen met [getuige 3], directeur van [T], en [betrokkene 6] heeft gepleegd.

Het hof baseert dat oordeel op het volgende.

Op 12 maart 2007 heeft [betrokkene 6], aldus [getuige 3] in zijn verklaring bij de politie, in een telefoongesprek aan hem gevraagd of hij geld, afkomstig van wat dingen die "[verdachte]" (het hof begrijpt: verdachte) verkocht had, op de derdengeldrekening van [T] mocht laten storten en of hij dat geld dan kon krijgen. [getuige 3] ging daarmee akkoord. Op 19 maart 2007 werd in opdracht van [verdachte] van de rekening van zijn bedrijf [S] een bedrag van EUR 30.000,- min kosten gestort op de rekening van [T] onder de vermelding "cost of sales". Dit geld is doorgeboekt naar de rekening van een zekere [betrokkene 6]. Op 23 maart 2007 is het geld contant afgehaald. [getuige 3] heeft verklaard dat "[betrokkene 6]" [betrokkene 6] is. [getuige 3] heeft in een mailbericht aan de raadsman van [betrokkene 6] weliswaar verklaard dat hij niet meer zeker is van zijn eerdere veronderstelling met betrekking tot de som van EUR 30.000,- welke [betrokkene 6] zou hebben ontvangen via zijn derdengeldrekeing, maar het hof ziet daarin geen aanleiding om aan de juistheid van zijn eerdere verklaring te twijfelen.

Het geld is door [betrokkene 6] niet aan de curator gemeld.

[verdachte] ontkent goederen voor [betrokkene 6] te hebben verkocht en denkt dat de boeking van het geld van [S] naar [T] verband hield met het [U]-project waarin [getuige 3] deelnam. Dit geuite vermoeden wordt echter niet door enig stuk of enige verklaring ondersteund, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Gelet op het feit dat [verdachte] wist dat [betrokkene 6] failliet was verklaard en gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken heeft [verdachte] naar het oordeel van het hof op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [betrokkene 6] het geld niet zou verantwoorden bij de curator en daarbij zo nauw met hem samengewerkt dat hij als mededader kan worden aangemerkt."

Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof bij diens oordeel dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van betrokkene 6 niet verantwoorden van een bate, betrokken de omstandigheid dat de verdachte "wist dat betrokkene 6 failliet was verklaard". Nu zulks echter niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, is de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Mega-onderzoek Essonne: Verdachte heeft zich als leider van een criminele organisatie schuldig gemaakt aan onder meer oplichting van banken en het witwassen van uit misdrijf verkregen geldbedragen

Rechtbank Noord-Holland 27 oktober 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:10014

Achtergrond

Op 27 juli 2009 is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Essonne. Het opsporingsonderzoek richt zich op bancaire fraude gepleegd ten aanzien van de ABN AMRO Bank (zaaksdossiers 1 t/m 4) en de ING Bank (zaaksdossier 5). In het opsporingsonderzoek zijn tussen de zaaksdossiers 1 t/m 5 meerdere overeenkomsten vastgesteld. Eén van de overeenkomsten betreft een tweetal IP-adressen. Ten gevolge van een IP-tap op één van deze IP-adressen richt het opsporingsonderzoek zich tevens op fraude jegens de onderneming 5 en het hieraan gelieerde onderneming 6 (zaaksdossier 6). Bovendien richt het onderzoek zich op het witwassen van uit misdrijf verkregen geld (zaaksdossier 7) en het vermoeden van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, welke tot doel had het plegen van misdrijven (zaaksdossier 8).

Verdachte wordt in het onderzoek Essonne verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van onderneming 2 en/of de ABN AMRO bank en/of het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van in totaal € 70.000 (zaaksdossier 1), (het medeplegen van) oplichting van benadeelde 1 en/of de ABN AMRO Bank en/of het (medeplegen van) witwassen van een geldbedrag van in totaal € 12.800 (zaaksdossier 2), (het medeplegen van) oplichting van benadeelde 2 en/of de ABN AMRO bank en/of het (medeplegen van) witwassen van een geldbedrag van in totaal € 101.439,50 (zaaksdossier 3), (het medeplegen van) oplichting van benadeelde 3 en/of de ABN AMRO Bank en/of het (medeplegen van) witwassen van een geldbedrag van € 154.031,77 (zaaksdossier 4), (het medeplegen van) oplichting van onderneming 3 en/of onderneming 4 en/of de ING bank en/of het (medeplegen van) witwassen van een geldbedrag van in totaal € 74.583 (zaaksdossier 5), het (medeplegen van) oplichting van de onderneming 5 en/of onderneming 6 en/of het (medeplegen van) witwassen van 134 laptops (zaaksdossier 6) en het (medeplegen van) witwassen van een geldbedrag van in totaal € 234.024,61 (zaaksdossier 7). Voorts wordt verdachte verweten dat hij in dit kader als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (zaaksdossier 8).

Naar aanleiding van restinformatie uit het onderzoek Essonne is op 7 november 2011 een onderzoek onder de naam Yen gestart. Dit onderzoek richt zich op fraude gepleegd met betrekking tot het faillissement van de onderneming bedrijf F.

In het onderzoek Yen wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van faillissementsfraude door wederrechtelijk geld en goederen uit de boedel van bedrijf F te onttrekken en door het niet voldoen aan verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie, een en ander ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van voornoemde vennootschap.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

  • vrijspraak van de onder 1 en 5 telkens als oplichting in vereniging ten laste gelegde feiten;
  • bewezenverklaring van de onder 1 , 2, 3, 4, 5, 6, 7 als medeplegen witwassen en 8 en onder parketnummer 15/740544-12 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank

  • Feit 1

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op grond van de stukken van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) oplichting van onderneming 2 en/of de ABN AMRO Bank. Verdachte dient in zoverre van het onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 als het medeplegen van witwassen ten laste gelegde feit.

Op 12 december 2008 vindt er een inbraak plaats in het bedrijfspand van de onderneming 1 te Dordrecht. Bij deze inbraak wordt onder meer een ABN AMRO bankpas behorende bij rekening rekeningnummer 1 ten name van de aan onderneming 1 te relateren onderneming 2 en bijbehorende pincode weggenomen. Op 12 en 14 december 2008 worden vanaf de rekening van onderneming 2 via internetbankieren bedragen van €60.000,22 en €13.500 overgemaakt naar bankrekening rekeningnummer 2 ten name van betrokkene 1.

Op 14 december 2008 om 17.55 uur wordt vanaf deze rekening van betrokkene 1 een bedrag van €70.000 doorgeboekt naar bankrekening rekeningnummer 28 ten name van medeverdachte 1.

Op 14 en 15 december 2008 worden vanaf genoemde rekening van medeverdachte 1 bedragen naar diverse rekeningen overgemaakt. Alle overboekingen vanaf de rekening van medeverdachte 1 zijn verricht door verdachte vanaf het IP-adres 1, waarvan is vastgesteld dat dit IP-adres op 27 en 28 april 2009 op naam stond van bedrijf L te Wormerveer. Vanaf genoemde rekeningen zijn vervolgens diverse geldbedragen doorgeboekt naar andere rekeningen en/of opgenomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de middag van 14 december 2008 door medeverdachte 22 en medeverdachte 26 is benaderd. Medeverdachte 26 vertelde hem dat hij (medeverdachte 26) ongeveer €70.000 op een rekening had staan. Als verdachte dat geld naar verschillende rekeningen kon storten en kon cashen, dan zou de helft voor verdachte zijn en degenen die hij moest betalen en de andere helft voor medeverdachte 26. Diezelfde avond moest verdachte laten weten of ze het konden doen. Het moest direct gebeuren, want anders is het geld weg. Daarop is – via medeverdachte 16 – medeverdachte 15 benaderd, omdat hij altijd veel mensen om zich heen heeft die hij eten geeft en laat slapen in zijn kapsalon. Verdachte kende medeverdachte 15 als een rommelaar en een ronselaar: “een mannetje die dit soort dingen kan regelen.” Verdachte wist dat medeverdachte 15 zich bezig hield met oplichting.

Vervolgens is medeverdachte 15 met medeverdachte 1 gekomen. Ook medeverdachte 21, medeverdachte 24, medeverdachte 25 en medeverdachte 18 zijn via medeverdachte 15 gekomen. De volgende ochtend moest het gebeuren. Medeverdachte 15 moest iedereen paraat hebben en iedereen moest geld gaan opnemen. Door medeverdachte 26 is toen het geld overgemaakt van de rekening van betrokkene 1 naar medeverdachte 1. Verdachte heeft van medeverdachte 15 de pas en pincode van medeverdachte 1 in ontvangst genomen. Verdachte heeft vervolgens het geld overgemaakt naar de rekeningen die hij zelf had en naar de rekeningen die medeverdachte 15 hem had opgegeven. Rekeninghouders die het geld gingen pinnen moesten alles afstaan aan medeverdachte 15, die bij het pinnen aanwezig was. Medeverdachte 15 gaf het gehele bedrag aan medeverdachte 16 en medeverdachte 16 gaf het vervolgens aan verdachte.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet wist dat het geld dat aan hem werd toevertrouwd ter verdeling uit misdrijf afkomstig was. Volgens de verdediging zou sprake zijn van schuldwitwassen, hetgeen echter niet is tenlastegelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de wijze waarop verdachte de beschikking over het geld kreeg en het feit dat verdachte dit slechts hoefde ‘te cashen’ om er de helft van te mogen houden, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Hierbij betrekt de rechtbank bovendien dat na het ‘aanbod’ van medeverdachte 26 direct medeverdachte 15 – een man van wie verdachte wist dat hij zich bezig hield met oplichting – is benaderd om (bankrekeningen van) katvangers te regelen en dat het verdachte duidelijk was dat het overboeken van de gelden en het opnemen ervan snel moesten gebeuren, omdat het geld anders weg zou zijn (de rechtbank begrijpt: zou worden teruggehaald door de bank).

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte tezamen met anderen een geldbedrag van €70.000 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was.

  • Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde.

Op zaterdag 10 januari 2009 tussen 03:00 uur en 04:00 uur wordt benadeelde 1 op de Amsteldijk te Amsterdam met geweld beroofd van zijn portemonnee met daarin onder meer een ABN AMRO bankpas met pasnummer 1, behorende bij rekeningnummer 5.

Op 10 januari 2009 om 14.42 uur wordt een bedrag van €6.705,18 overgeboekt van de internetspaarrekening van benadeelde 1 naar zijn betaalrekening met nummer rekeningnummer 5. Twee minuten later wordt naar deze betaalrekening ook een bedrag van €3.001,56 overgemaakt, afkomstig van de privérekening van benadeelde 1 met rekeningnummer 7.

Om 14.55 uur wordt van de betaalrekening van benadeelde 1 een bedrag van €12.300 overgeboekt naar rekening rekeningnummer 4 ten name van bedrijf A met als omschrijving “aanschaf machines”. Om 15.03 wordt van dezelfde rekening een bedrag van €500 overgeboekt naar voornoemde rekening van bedrijf A met als omschrijving “hairwave”.

De hiervoor genoemde overboekingen zijn alle verricht door verdachte vanaf het IP-adres 2. Dit IP-adres was op de tijdstippen dat de overboekingen plaatsvonden toegewezen aan verdachte.

Op 12 januari 2009 te 13.35 uur wordt van eerdergenoemde rekening rekeningnummer 4 ten name van bedrijf A een bedrag van €11.900 opgenomen bij een Postbank/ING kantoor op de Houttil in Alkmaar. Daarnaast wordt een bedrag van in totaal €900 opgenomen bij een geldautomaat, eveneens aan de Houttil te Alkmaar.

Procuratiehouder van de rekening rekeningnummer 4 betreft medeverdachte 1. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf A van 17 september 2008 tot en met 19 januari 2009 werd gedreven voor zijn rekening.

Verdachte heeft verklaard dat ook in dit geval medeverdachte 22 naar hem toe is gekomen met de vraag of hij een geldbedrag kon doorstorten en opnemen. Vervolgens heeft verdachte met medeverdachte 16 en medeverdachte 15 overlegd. Medeverdachte 15 had een bankpas waar het geld naartoe kon gaan. Medeverdachte 15 is met medeverdachte 1 meegegaan om het geld op te nemen en medeverdachte 15 heeft het geld vervolgens afgegeven op kantoor.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Door de raadsman is betoogd dat geen sprake is van oplichting van de heer benadeelde 1 noch van de ABN AMRO Bank. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer benadeelde 1 niet zelf degene is geweest die ‘is bewogen’ tot iets. Tevens is geen sprake van oplichting van de bank, nu het enkele inloggen en geld overboeken geen ‘samenweefsel van verdichtsels’ oplevert. Naar de mening van de raadsman dient de feitelijke gang van zaken te worden gekwalificeerd als diefstal met een valse sleutel, hetgeen echter niet als zodanig is tenlastegelegd.

De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog voor zover dit betrekking heeft op de ten laste gelegde oplichting van de heer benadeelde 1. Verdachte dient in zoverre van het tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken. Dit is anders ten aanzien van de oplichting van de bank. Verdachte heeft immers een valse hoedanigheid aangenomen door zich voor te doen als de rechtmatige eigenaar/houder van de bankpas en de bijbehorende pincode van benadeelde 1 door met deze bankpas en gegevens in te loggen op de verschillende bankrekeningen van benadeelde 1 om gelden over te boeken. De ABN AMRO Bank is door dit handelen van verdachte bewogen een bedrag van €12.800 over te maken naar de rekening van bedrijf A. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de ABN AMRO Bank. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank (met de verdediging) niet bewezen dat verdachte zich heeft voorgedaan als de heer benadeelde 1 door een Breitling horloge aan te kopen bij Gassan Plaza op Schiphol met benadeelde 1’ pinpas. (Reeds) gelet op het tijdstip waarop deze aankoop heeft plaatsgevonden – uren voordat verdachte over de pinpas van benadeelde 1 beschikte – als op de omstandigheid dat op de camerabeelden van Gassan Plaza twee (onbekend gebleven) mannen staan, die niet aan verdachte kunnen worden gekoppeld, dient verdachte in zoverre van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Tevens kan worden bewezen dat verdachte voornoemd geldbedrag van €12.800, waarvan hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was, tezamen met anderen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

  • Feit 3

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de stukken van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) oplichting van benadeelde 2 en/of de ABN AMRO Bank. Verdachte dient in zoverre van het onder feit 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat van oplichting van benadeelde 2 geen sprake is en dat verdachte pas in beeld komt op het moment dat de oplichting van de ABN AMRO Bank reeds is voltooid. Niet is immers gebleken dat het verdachte is geweest die de overboeking heeft verricht van de rekening van benadeelde 2 naar bedrijf B, het bedrijf dat op naam staat van katvanger medeverdachte 2 noch is bewijs voorhanden dat verdachte bij deze overboeking anderszins betrokken is geweest.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 als het medeplegen van witwassen ten laste gelegde.

Op 10 augustus 2008 wordt via internet uit naam van benadeelde 2 een extra wereldpas voor ABN AMRO rekening rekeningnummer 9 aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag wordt op 9 oktober 2008 door de ABN AMRO Bank een brief ‘aanvraag wereldpas’ verzonden naar het bij de bank bekende woonadres van benadeelde 2. Deze brief is vervolgens omstreeks 5 november 2008 met handtekeningen, die door moesten gaan voor die van benadeelde 2, aan de bank geretourneerd. Na ontvangst van de ondertekende brief ‘aanvraag wereldpas’ wordt op 11 november 2008 wereldpas datum verzonden naar het adres van benadeelde 2. Op 14 januari 2009 wordt bij ABN AMRO bankshop Churchilllaan 11 te Utrecht een op naam van benadeelde 2 gestelde wereldpas met pasnummer 2 geactiveerd. Bij het activeren wordt een Nederlands rijbewijs op naam van benadeelde 2 getoond. Later blijkt dat het rijbewijs een blanco gestolen rijbewijs betreft dat valselijk is opgemaakt.

Op 14 januari 2009 om 18.29 uur wordt via internetbankieren vanaf genoemde bankrekening rekeningnummer 9 op naam van benadeelde 2 een bedrag van €106.500 overgemaakt naar de rekening rekeningnummer 8 ten name van bedrijf B met als omschrijving ‘Overname bedrijf B’. Bedrijf B wordt gedreven voor rekening van medeverdachte 2, geboren op geboortedatum 2 te geboorteplaats 2.

Dezelfde dag worden vanaf genoemde rekening van bedrijf B naar diverse andere rekeningen geldbedragen overgemaakt. De overboekingen zijn verricht door verdachte. Vanaf genoemde rekeningen zijn diverse geldbedragen doorgeboekt naar andere rekeningen en/of opgenomen.

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte 22 en de eerdergenoemde medeverdachte 26 naar hem toe waren gekomen. Verdachte heeft van medeverdachte 26 een bedrag te horen gekregen, waarna aan medeverdachte 15 is gevraagd hoeveel pasjes hij direct beschikbaar had. Medeverdachte 15 had medeverdachte 18 (bedrijf I), medeverdachte 24, medeverdachte 25 (bedrijf J), medeverdachte 1 en medeverdachte 27 (rechtbank: van bedrijf M) beschikbaar. Verdachte en medeverdachte 16 hadden medeverdachte 19 aangeleverd en medeverdachte 9 had medeverdachte 2 aangeleverd. Verdachte kreeg de pasjes, logde in en maakte het geld over.

Verdachte heeft voorts verklaard dat op het moment dat het geld op naam van bedrijf B staat hij en medeverdachte 16 verantwoordelijk zijn voor het geld. Verdachte wist dat de volgende dag al het geld verzameld ging worden. Verdachte of medeverdachte 16 kreeg het geld van medeverdachte 9 en medeverdachte 19. Medeverdachte 16 kreeg het geld van medeverdachte 15.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet wist dat het geld dat hem ter verdeling werd toevertrouwd uit misdrijf afkomstig was. Volgens de verdediging zou sprake zijn van schuldwitwassen, hetgeen niet is ten laste gelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als hiervoor is overwogen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte tezamen met anderen een geldbedrag van €101.439,50 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was.

  • Feit 4

Door de raadsman is betoogd dat geen sprake is van oplichting van mevrouw benadeelde 3 noch van de ABN AMRO Bank. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer benadeelde 3 niet zelf degene is geweest die ‘is bewogen’ tot iets. Tevens is geen sprake van oplichting van de bank nu het enkele inloggen en geld overboeken geen ‘samenweefsel van verdichtsels’ oplevert. Naar het oordeel van de raadsman dient de feitelijke gang van zaken te worden gekwalificeerd als diefstal met een valse sleutel, hetgeen echter niet als zodanig is tenlastegelegd.

De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog voor zover dit betrekking heeft op de ten laste gelegde oplichting van mevrouw benadeelde 3. Verdachte dient in zoverre van het tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken. Dit is anders ten aanzien van de oplichting van de bank. Verdachte althans zijn mededaders heeft/hebben immers een valse hoedanigheid aangenomen door zich voor te doen als de rechtmatige eigenaar/houder van de bankpas en de bijbehorende pincode van benadeelde 3 door met deze bankpas en gegevens in te loggen op de spaar- en betaalrekening van benadeelde 3 om gelden over te boeken naar de rekeningen van ‘katvangers’. De ABN AMRO Bank is door dit handelen van verdachte en/of zijn mededaders bewogen een bedrag van in totaal €158.500 over te maken naar de rekeningen van ‘katvangers’. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de ABN AMRO Bank.

Tevens kan worden bewezen dat verdachte voornoemd geldbedrag waarvan hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was, tezamen met anderen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

  • Feit 5

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet wist dat het geld dat hem ter verdeling werd toevertrouwd uit misdrijf afkomstig was. Volgens de verdediging zou sprake zijn van schuldwitwassen, hetgeen niet is tenlastegelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als reeds hiervoor overwogen. Nu verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap heeft van(af) het bedrag van €53.533 en het dossier geen bewijs bevat dat verdachte op een andere (eerdere) wijze betrokken is geweest kan het in de tenlastelegging genoemde bedrag van €74.583 niet worden bewezen. De rechtbank acht (dan ook) bewezen dat verdachte tezamen met anderen een geldbedrag van €53.533 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was.

  • Feit 6

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 6

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen van 134 laptops (met een waarde van €94.956,05. Hoewel het voor de hand ligt dat genoemde laptops zijn doorverkocht (op de zwarte markt in Beverwijk) - te meer daar uit de aangifte blijkt dat aangever een gedeelte van zijn eigen laptops weer heeft terug gekocht - kan dit niet (voldoende) uit de voorhanden bewijsmiddelen afgeleid worden. Verdachte dient in zoverre van het onder 6 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 6

Door de verdediging is aangevoerd dat niet verdachte, maar betrokkene 8 en medeverdachte 16 de e-mails hebben gestuurd in naam van betrokkene 2, en dat zij de computers hebben besteld en niet hebben betaald; verdachte wist van deze constructie niet af.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het onderzoek telecommunicatie is gebleken dat het IP-adres eindigend op -75, dat op naam van verdachte staat en is gekoppeld aan zijn woning, gebruikt is bij het ontvangen en verzenden van diverse documenten en e-mails namens bedrijf E. Bovendien zijn op het kantoor van verdachte meerdere (papieren en digitale) documenten van of met betrekking tot bedrijf E aangetroffen. Volgens medeverdachte 20 heeft hij nooit iemand van bedrijf E – en dus ook betrokkene 8 niet – op het kantoor aan de adres 11 in Purmerend gezien. Ten slotte heeft medeverdachte 20 verklaard dat hij de eerste partij laptops samen met medeverdachte 13 heeft afgeleverd op het woonadres van verdachte. De rechtbank acht het alternatieve scenario van verdachte dan ook geenszins aannemelijk, en stelt deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde.

De onderneming 5 en/of onderneming 6 is door dit handelen van verdachte bewogen tot de afgifte van 134 laptops (met een waarde van €94.956,05). Voor het tenlastegelegde medeplegen is geen bewijs voorhanden. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de onderneming 5 en/of onderneming 6.

  • Feit 7

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 7 ten laste gelegde feit.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen moet worden bewezen dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Daarbij hoeft niet te worden vastgesteld door wie, wanneer en waar het misdrijf is gepleegd of welk specifiek misdrijf het betreft. In aanmerking genomen dat

  • verdachte de geldbedragen van in totaal €165.140 niet op zijn eigen rekening stort, maar op twee privérekeningen van medeverdachte 13, een persoon die niet gelieerd is aan het telecombedrijf van verdachte;
  • verdachte de geldbedragen vervolgens overboekt naar de rekening van bedrijf Q, een bedrijf dat niet gelieerd is aan het telecombedrijf van verdachte;
  • verdachte bovendien geldbedragen van in totaal €68.884,61 rechtstreeks op de rekening van bedrijf Q stort;
  • de persoonlijke en zakelijke uitgaven en ontvangsten van verdachte en zijn echtgenote geen economische verklaring bieden voor de contante geldstortingen,

is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit moet hebben geweten. Bovendien heeft verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring voor de herkomst van het geld gegeven. Immers, de verklaring van verdachte dat het geld een legale herkomst heeft, namelijk de opbrengst uit de mobiele telefonie, wordt niet met verifieerbare informatie ondersteund.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat verdachte een geldbedrag van in totaal €234.024,61 voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, waarvan hij wist dat dit uit misdrijf afkomstig was. Het tenlastegelegde medeplegen acht de rechtbank niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

  • Feit 8

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met onder meer medeverdachte 9, medeverdachte 15, medeverdachte 19 en medeverdachte 22 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 326 en artikel 420bis Sr. De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte, gelet op zijn initiërende en aansturende rol, als leider van de organisatie dient te worden aangemerkt.

De bewezen verklaarde feiten met betrekking tot de zaaksdossiers 1 tot en met 5 hebben zich afgespeeld over een periode van ruim 5 maanden, waarbij naast verdachte (onder meer) ook medeverdachte 15, medeverdachte 22, medeverdachte 9 en medeverdachte 19 betrokkenheid hadden. De verschillende feiten zijn door dezelfde personen gepleegd, in wisselende samenstelling en al dan niet aangevuld met anderen.

Reeds uit deze bewezen verklaarde feiten onder 1 tot en met 5 volgt dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, gericht op het medeplegen van oplichting en van witwassen van geldbedragen. De rechtbank gebruikt de ‘redengevende feiten en omstandigheden’ ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5, met bijbehorende bewijsmiddelen in de voetnoten, dan ook tevens bij de bewezenverklaring van feit 8, voor zover zij blijkens hun inhoud hier op betrekking hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan de bewezenverklaring van de feiten 6 en 7 niet bijdragen aan de bewezenverklaring van feit 8, nu de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen acht.

De voor de criminele organisatie noodzakelijke duurzame en gestructureerde samenwerking komt mede tot uiting in het hiërarchische systeem dat is ontstaan doordat er opdrachtgevers, uitvoerders/ronselaars en katvangers binnen de organisatie zijn. Dit systeem blijkt onder andere uit het gegeven dat er opdrachten worden gegeven aan de uitvoerders en dat er geen rechtstreeks contact is tussen de opdrachtgevers en de katvangers. Door deze werkwijze blijft de opdrachtgever buiten beeld.

De rechtbank acht in dit verband voorts de volgende redengevende feiten en omstandigheden van belang:

medeverdachte 9 heeft verklaard dat hij van verdachte de opdracht had gekregen om een katvanger wegwijs te maken in het casino. De katvanger moest geld opnemen en medeverdachte 9 moest de katvanger in de gaten houden, zodat hij niet met dat geld ging gokken.

De katvangers hadden bovendien contact met de ronselaars en niet met de opdrachtgevers. Medeverdachte 22 heeft hierover verklaard dat verdachte de bankpas niet zelf wilde ophalen omdat hij niet wilde dat zij (de rechtbank begrijpt: de katvangers) zijn gezicht kenden. Verdachte wilde niemand ontmoeten, dat ging altijd via via.

De leden van de organisatie bedienen zich in de onderlinge communicatie soms van codegebruik, kennelijk met de bedoeling om eventueel meeluisterende opsporingsinstanties zand in de ogen te strooien. Zo wordt over ‘Ajax’ en ‘een groene’ gesproken, waarmee de ABN AMRO bank wordt bedoeld en zijn ‘Feyenoord’, ‘Ingrid’ en ‘P-tjes’ synoniemen voor respectievelijk de Fortisbank, de ING bank en de Postbank.

Van codetaal is bijvoorbeeld sprake in het gesprek tussen verdachte (R) en medeverdachte 22 (W), op 27 april 2009.

Voor de onderbouwing van de rol van verdachte verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen die zij ten grondslag heeft gelegd aan de hiervoor genoemde bewezen verklaarde feiten. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte, katvangers regelt, de verantwoordelijkheid draagt voor het ‘buitgemaakte’ geld, zodra het op een bankrekening staat waarover hij kan beschikken en dat het verdachte is die vervolgens de gelden wegsluist naar de rekeningen van diverse katvangers, teneinde het geld zo snel mogelijk te kunnen opnemen. Het vervolgens opgenomen geld wordt eerst verzameld door (bij) verdachte, waarna het geld pas wordt verdeeld. Ook blijkt dat verdachte zijn medeverdachten opdrachten geeft en dat hij zelf uit het zicht van de katvangers wilde blijven. Aldus kan worden gesteld dat verdachte binnen de organisatie een initiërende en aansturende rol heeft gehad.

  • Parketnummer 15/740544-12

Partiële vrijspraak 

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk onttrekken van de restvoorraad kleding, de winkelinventaris en het kasgeld aan de boedel van bedrijf F De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier blijkt dat voornoemde goederen uit de winkel zijn weggehaald in de periode dat verdachte in voorlopige hechtenis en beperkingen zat. Niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze de hand heeft gehad in de onttrekking van deze goederen. Verdachte kan hier dan ook niet in strafrechtelijke zin verantwoordelijk voor worden gehouden. In zoverre dient verdachte van het onder parketnummer 15/740544-12 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden t.a.v. parketnummer 15/740544-12

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/740544-12 ten laste gelegde feit.

Bedrijf F is opgericht op 7 mei 2008. Op 13 mei 2008 is de onderneming ingeschreven in het handelsregister. De bedrijfsomschrijving luidt: ‘Detailhandel in kinderkleding en aanverwante accessoires’. De onderneming is gevestigd aan adres 12 te Purmerend. Verdachte was vanaf de oprichting tot en met 29 april 2010 bestuurder van bedrijf F. Op 4 december 2009 is aan bedrijf F aangetekend een oproeping verzonden om te verschijnen in de raadkamer van de Rechtbank Haarlem teneinde te worden gehoord op een verzoekschrift namens onderneming 9, strekkende tot faillietverklaring van bedrijf F.

In januari 2010 heeft verdachte tijdens een verhoor bij de politie verklaard dat het niet goed gaat met bedrijf F. In opdracht van verdachte zijn in de periode van 4 februari 2010 tot en met 29 maart 2010 van de zakelijke rekening van bedrijf F, rekeningnummer 26, diverse geldbedragen overgeboekt naar rekeningnummer 27 op naam van medeverdachte 23. Deze overboekingen, voor in totaal €25.350,85, hebben alle als omschrijving “parkeren”.

Op 29 april 2010 is de ‘stichting X’ als bestuurder in functie getreden. De bestuurder van deze stichting is de ‘stichting Y’ te Den Haag, van welke stichting medeverdachte 14 bestuurder was.

Naar aanleiding van een bij de rechtbank op 15 april 2010 binnengekomen nieuwe verzoekschrift van onderneming 9 is bedrijf F bij vonnis van de Rechtbank Haarlem op 25 mei 2010 in staat van faillissement verklaard. Daarbij is aangever 4, advocaat te Purmerend, aangesteld tot curator. Ten tijde van het faillissement was verdachte nog steeds enig aandeelhouder van bedrijf F.

Op 1 juni 2010 en 7 juli 2010 heeft de curator in het faillissement besprekingen gevoerd met verdachte op zijn kantoor in Purmerend. De curator heeft daarbij verzocht de volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers aan hem te overhandigen. In de periode van 27 mei 2010 tot en met 27 september 2010 heeft de curator verdachte schriftelijk gevorderd de volledige administratie, boeken, bescheiden en andere daarop betrekking hebbende gegevensdragers te overhandigen. De reactie van verdachte was dat de gehele administratie op 26 april 2010 aan mevrouw medeverdachte 14 zou zijn afgegeven. Een ontvangst- of afgiftebewijs heeft verdachte volgens eigen verklaring nooit ontvangen. Verder deelde verdachte mede dat er nooit jaarrekeningen zijn opgesteld.

Op 26 mei 2010 en op 2 juni 2010 heeft de curator schriftelijk tegen ontvangstbevestiging medeverdachte 14 gevorderd de volledige administratie, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te overhandigen. Aan deze vorderingen is niet voldaan. Omdat medeverdachte 14 niet reageerde op schriftelijke oproepen en de curator haar telefonisch niet kon bereiken, heeft de curator de rechtbank verzocht haar in verzekerde bewaring te stellen. Op 12 juni 2010 heeft de rechtbank dit bevolen. Op 27 september 2010 heeft medeverdachte 14 twee dozen met administratie bij het kantoor van de curator afgeleverd. Tussen deze ontvangen bescheiden bevonden zich geen (concept-)balansen of winst- of verliesrekeningen. Wel trof de curator een overzicht met betrekking tot leningen en bankafschriften aan waarop een aantal mutaties is terug te vinden waarover medeverdachte 14 heeft nagelaten nadere informatie te verstrekken.

Verdachte heeft verklaard dat de geldbedragen niet zijn overgeboekt met het doel om schuldeisers te benadelen, maar om strafrechtelijk beslag te ontlopen. Op deze wijze wilde hij juist (mede) de belangen van zijn schuldeisers dienen. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers gelden aan de boedel heeft onttrokken. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte opdracht heeft gegeven om in februari en maart 2010 geldbedragen te laten overboeken, terwijl hij op dat moment wist dat het slecht ging met zijn bedrijf F. Er was reeds een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring bij de rechtbank ingediend. Op dat moment bestond derhalve de aanmerkelijke kans dat een faillietverklaring met een tekort daarin zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door deze gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. De gelden zijn door de overboeking immers buiten bereik en beheer van de (toekomstige) curator gebracht. Door deze overboekingen te laten verrichten zonder onderzoek te doen naar legale mogelijkheden om de belangen van zijn schuldeisers daadwerkelijk te behartigen heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook aanvaard.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de omstandigheid dat de curator nooit de beschikking heeft gekregen over (concept-)balansen of winst- of verliesrekeningenverklaring en verdachtes verklaring dat er nooit jaarrekeningen zijn opgesteld dat door verdachte en zijn medeverdachte niet is voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bewaren of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld. Het ontbreken van dergelijke stukken frustreert immers een behoorlijke afwikkeling van het faillissement, zodat sprake is van een verkorting van de rechten van de schuldeisers van bedrijf F. Het kan redelijkerwijs niet anders dan dat verdachte dit wist. De rechtbank acht derhalve opzet bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en parketnummer 15/740544-12 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 15/740879-09: (onderzoek Essonne)

  • Feit 1 (zaaksdossier 1): witwassen
  • Feit 2 (zaaksdossier 2): oplichting in vereniging en witwassen
  • Feit 3 (zaaksdossier 3): witwassen
  • Feit 4 (zaaksdossier 4): oplichting in vereniging en witwassen
  • Feit 5 (zaaksdossier 5): witwassen
  • Feit 6 (zaaksdossier 6): Oplichting
  • Feit 7 (zaaksdossier 7): witwassen
  • Feit 8 (zaaksdossier 8): deelname aan een criminele organisatie

Parketnummer 15/740544-12: (onderzoek Yen)

  • medeplegen faillissementsfraude

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van 342 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar
  • een werkstraf van 240 uur
  • een geldboete van € 30.000

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 5 maanden, samen met anderen in georganiseerd verband, schuldig gemaakt aan de oplichting van banken en het witwassen van uit misdrijf verkregen geldbedragen. Verdachte heeft als leider van de organisatie medeverdachten opdracht gegeven ervoor te zorgen dat aan de organisatie bankrekeningen van katvangers ter beschikking werden gesteld, die konden worden gebruikt om uit misdrijf verkregen gelden door te boeken en zo snel mogelijk op te nemen. Daarbij was het steeds verdachte die door middel van internetbankieren de betreffende geldbedragen overgeboekte. Tevens heeft verdachte door middel van oplichting een groot aantal laptops verworven. Voorts heeft verdachte uit misdrijf verkregen (contante) geldbedragen op rekeningen van katvangers gestort en doorgeboekt. Verdachte heeft hierbij gehandeld louter uit financieel gewin. Met zijn handelen heeft verdachte samen met anderen voor in totaal ruim € 700.000,- witgewassen danwel verkregen door middel van oplichting. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Door verdachtes handelen is een behoorlijke afwikkeling van het faillissement van zijn (voormalige) onderneming bedrijf F gefrustreerd en is de boedel benadeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

BTW-carrousel: Slagende bewijsklachten bedrieglijke bankbreuk & witwassen. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:3084

Het Gerechtshof Arnhem heeft bij arrest van 27 juni 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden ter zake van

  • parketnummer 16-993111-05 onder 1 en parketnummer 16-994001-07 onder 1, 2 en 6 telkens medeplegen van meermalen gepleegd, valsheid in geschrift;
  • parketnummer 16-993111-05 onder 2 en parketnummer 16-994001-07 onder 3 telkens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  • parketnummer 16-993111-05 onder 3 en parketnummer 16-994001-07 onder 4 telkens bedrieglijke bankbreuk; en
  • parketnummer 16-994001-07 onder 5 witwassen.

Aan verdachte wordt onder meer verweten dat hij schijntransacties heeft opgezet door het maken van valse facturen, terwijl er geen sprake was van een koopovereenkomst, noch van een intentie tot levering van goederen. Het enige doel van de facturen zou zijn het plegen van BTW-fraude. Het fiscale nadeel zou hierbij zijn gelegen in het Verenigd Koninkrijk.

De BTW-fraude waar het in deze zaak om gaat wordt ook wel aangeduid als BTW-carrouselfraude. Het gaat bij deze vorm van BTW-fraude om een opzet waarbij verschillende vennootschappen in verschillende landen betrokken zijn. In casu gaat het om de verkoop van Computer Processing Units (CPU’s). Bij een doos met CPU’s is de inhoud zeer kwetsbaar en verliest bij opening zijn waarde, bijvoorbeeld CPU’s die stofvrij zijn verpakt. Dozen blijven hierdoor veelal ongeopend. Er vindt een aankoop van CPU's plaats vanuit een andere EU-lidstaat. Het gaat daarbij om een aankoop tegen het intracommunautaire 0% tarief voor de BTW. De goederen worden vervolgens aan een binnenlandse partij verkocht waarbij BTW in rekening wordt gebracht. De importeur is gehouden de aldus ontvangen BTW af te dragen, maar blijft daarbij in gebreke. De importeur wordt ook wel aangeduid als de ploffer. De koper van de goederen verkoopt de goederen vervolgens en kan de BTW verrekenen of terugvragen. De goederen worden vervolgens veelal geëxporteerd, soms naar een land buiten de EU, zodanig dat de verkoper geen BTW in rekening hoeft te brengen.

Om de winst te vergroten kunnen dezelfde goederen meermalen een ronde maken. Vaak worden verschillende tussenschakels in verschillende landen gebruikt om zo de kans op ontdekking te verkleinen. Deze tussenschakels worden ook wel aangeduid als buffers. De winst, dat wil zeggen de niet afgedragen, maar wel teruggevorderde, BTW, wordt over de schakels verdeeld. Ook kan er sprake zijn van facturen zonder dat er enige levering van goederen plaatsvindt. Er wordt dan een fictieve handelsstroom gecreëerd.

In de zaak met parketnummer 16-994001-07 werden er op één dag dozen met CPU’s gekocht en verkocht door bedrijven in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. De goederen begonnen bij P in België en werden aan het einde van de dag weer teruggekocht door P. De partij die begon met het overboeken van het geld kreeg op zeer korte termijn (een uur tot enkele uren later) zijn geld weer terug. Het geld heeft dan een ronde gemaakt langs alle bankrekeningen van alle betrokken kopers en verkopers.

Alle betrokkenen hielden rekeningen aan bij een wisselkantoor dat in staat was om zeer snel betalingen van de ene naar de andere rekening te maken. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de goederen daadwerkelijk getransporteerd en opgeslagen. Voordat de goederen aan hun ronde langs de bedrijven begonnen stond al vast wat de prijs was die ieder van de betrokkenen zou betalen en ontvangen.

In de zaak met parketnummer 16-993111-05 werden de CPU’s veelal ingekocht van buitenlandse leveranciers en werden aan een buitenlandse afnemer verkocht. De opslag geschiedde in Nederland of het Verenigd Koninkrijk. De dozen gingen vaak meerdere keren rond.

Verdachte heeft tegen de uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Verbruggen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende acht middelen van cassatie.

Zesde middel

Het middel klaagt onder meer over de motivering van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 4 bewezenverklaarde (bedrieglijke bankbreuk).

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is in voormelde zaak onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 september 2005 tot en met 26 januari 2007 in Nederland, telkens terwijl ten aanzien van verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 februari 2004 (04/188 R) de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing was ter bedrieglijke verkorting van de rechten die zijn schuldeiser(s) jegens de boedel kunnen doen gelden, en terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 31 juli 2006 (04/188 R) failliet is verklaard ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), lasten heeft verdicht en baten niet heeft verantwoord, hebbende hij, verdachte,

  • voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje (rekeningnummer [001]) en voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de la Caixa Bank te Spanje (rekening nummer(s) [002] en [003]) en
  • voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat er vanaf genoemde bankrekeningen gelden zijn overgemaakt naar bankrekening(en) en/of de Master Card en/of de Visa Card welke op naam was/waren gesteld van [betrokkene 1]."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (D-197 van dossier 34521, 34952 en 34953), te weten een definitieve toepassing schuldsanering van de rechtbank Utrecht d.d. 25 februari 2004, voor zover inhoudende:

De rechtbank spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965.

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-1-1, pagina 4), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had de beschikking over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-l-10, pagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] en mij geld geleend. Ik denk dat ik in 2006 in totaal circa € 60.000 van hem heb gekregen. Dit geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Tweede aanvullend proces-verbaal, G-3-1), voor zover inhoudende als verklaring van M. Verhoeff curator, zakelijk weergegeven:

Ik wist niet dat [verdachte] kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland. Bij deze wens ik aangifte te doen van bedrieglijke bankbreuk."

Het Hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

"Op 25 februari 2004 is ten aanzien van verdachte de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard (D-197).

Verdachte heeft verklaard dat hij de beschikking had over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort (V1-1).

Voorts heeft verdachte verklaard dat de curator niet wist dat hij facturen had gezonden vanuit [A] in Spanje en ook niet dat hij over de gelden van [A] kon beschikken (V1-2).

In het dossier bevindt zich een afschrift van een Postbankrekening van [betrokkene 1] en een stortingsbewijs, waaruit blijkt dat verdachte op 15 september 2009 € 3.000,− op deze rekening heeft gestort (D-145).

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij dat geld contant in zijn zak had zitten en dat hij dat kort daarvoor contant had opgenomen bij zijn bank in Andorra. Verdachte denkt in totaal in 2006 € 60.000,− van [betrokkene 2] te hebben gekregen. Dat geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

Bewindvoerder M. Verhoef heeft tegen verdachte aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk. Zij heeft verklaard dat zij niet wist dat verdachte kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland (G3-1).

Op grond van deze bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd."

Uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat de verdachte de beschikking had over "gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje (rekeningnummer [001])" noch dat vanaf genoemde bankrekening en de bankrekening bij de La Caixa Bank te Spanje "gelden zijn overgemaakt" naar bankrekening(en) en/of de Master Card en/of de Visa Card welke op naam was/waren gesteld van betrokkene 1.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG Vegter

De steller van het middel heeft gelijk dat de bewijsvoering gebreken vertoont. Uit de bewijsvoering die wordt gevormd door de in de aanvulling gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging kan niet volgen dat verdachte de beschikking had over gelden op een bankrekening bij de Bank Sabadell te Spanje onder het in de bewezenverklaring vermelde nummer.

De als bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring van verdachte houdt onder meer in: “Dit geld (gedoeld wordt op € 60.000,-;PV) is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.”

Het laatste onderdeel (laatste liggende streepje) van de bewezenverklaring wordt daarmee niet zonder meer gedekt. Deze gebreken in de bewijsmotivering doen mijns inziens in het licht van het geheel aan bewezenverklaarde feiten niet af aan de ernst van het bewezenverklaarde feit 4 zodat cassatie achterwege kan blijven.

Het middel treft weliswaar doel, maar tot cassatie behoeft dit niet te leiden.

Zevende middel

Het middel klaagt onder meer over de motivering van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 5 bewezenverklaarde (witwassen).

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is in voormelde zaak onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 september 2005 tot en met 26 januari 2007 in Nederland en/of in Spanje een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag − onmiddellijk of middellijk − afkomstig was uit enig misdrijf."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (D-197 van dossier 34521, 34952 en 34953), te weten een definitieve toepassing schuldsanering van de rechtbank Utrecht d.d. 25 februari 2004, voor zover inhoudende:

De rechtbank spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965.

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-1-1, pagina 4), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik had de beschikking over gelden die op de rekening van [A] zijn gestort.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (V-l-10, pagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: [betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] en mij geld geleend. Ik denk dat ik in 2006 in totaal circa € 60.000 van hem heb gekregen. Dit geld is deels overgemaakt naar de bankrekening van [A] bij La Caixa en een ander deel is overgemaakt naar Andorra.

22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Tweede aanvullend proces-verbaal, G-3-1), voor zover inhoudende als verklaring van M. Verhoeff curator, zakelijk weergegeven: Ik wist niet dat [verdachte] kon beschikken over bankrekeningen in het buitenland. Bij deze wens ik aangifte te doen van bedrieglijke bankbreuk."

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/994001-07 onder 4 en onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie AG Vegter

Nu van enige legale herkomst van het geldbedrag niet is gebleken, kon het Hof in het totale verband van deze strafzaak er zonder meer van uit gaan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Het Hof heeft kennelijk niet aannemelijk geacht dat verdachte bijvoorbeeld een tegenprestatie heeft verricht, dat een schuld werd ingelost of dat er een titel voor schenking was. Het is daarmee niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft bewezenverklaard dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Het betreft hier geld uit eigen misdrijf en dat betekent dat voor kwalificatie van het bewezenverklaarde voorhanden hebben als witwassen moet vaststaan dat verdachte handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. In het kader van een faillissement rust op verdachte de verplichting de staat van inkomen en vermogen te melden aan de curator. Dat is een bijzondere rechtsplicht en het komt mij voor dat wanneer daaraan niet voldaan wordt van verhullen of verbergen (op zijn minst tegenover de curator) kan worden gesproken.

Het middel treft geen doel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht NOvA en KNB kritisch over wetvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod

De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) plaatst kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod. De commissie onderkent het maatschappelijk belang dat is gediend met het voorkomen en bestrijden van misbruik van en fraude met rechtspersonen, maar onderstreept dat een nieuwe wet alleen niet zal helpen. Van groot belang is dat van de geboden wettelijke ruimte tot aanpak ook daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt. Dit geldt ook voor de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging zoals voorzien in het wetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdenking belasting- & faillissementsfraude

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4381

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van:

  1. opzettelijk onjuist belastingaangifte doen (feit 1)
  2. bedrieglijke bankbreuk (feit 3)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte is bij dit vonnis vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Zowel verdachte en als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 6 maart 2013 heeft de officier van justitie het tegen feit 2 ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Vrijspraak feit 1 (opzettelijk onjuist belastingaangifte doen)

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde opzettelijk onjuist doen van zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Verdachte is vanaf 17 december 1993 tot 9 oktober 2001 eigenaar geweest van 50% van de aandelen in de vennootschap N.V. A Medio jaren negentig is N.V. A gefailleerd en is – na homologatie van een akkoord met schuldeisers – door N.V. A jarenlang geprocedeerd over een vordering van N.V. A op Vereniging B, welke vordering door Vereniging B werd betwist. Uiteindelijk heeft deze procedure geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van januari 2001 waarbij is overeengekomen betaling van een bedrag van fl. 825.000 door Vereniging B aan N.V. A ter algehele en finale kwijting van zowel N.V. A, als verdachte en de echtgenote van verdachte. Na verrekening van kosten is begin februari 2001 op bankrekeningnummer XXX ten name van N.V. A een bedrag gestort van fl. 760.000, waarna dit bedrag op 9 februari 2001 is gestort op bankrekeningnummer ZZZ ten name van verdachte en de echtgenote van verdachte.

Aan verdachte wordt thans verweten dat hij in de aangifte inkomstenbelasting over 2001 opzettelijk het door hem in dat jaar genoten gedeelte van genoemd bedrag van fl. 760.000 niet heeft aangegeven als zijnde inkomsten uit aanmerkelijk belang. Verdachte heeft met betrekking tot dit verwijt ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Ik heb de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 ondertekend. De boekhouder heeft deze aangifte ingevuld. Ik heb dat niet zelf gedaan. Ik ben alleen langs gekomen om mijn handtekening te zetten. Ik was niet in detail op de hoogte van wat er in die aangifte was opgenomen. Abusievelijk is in die aangifte niet aangekruist dat er sprake was van een buitenlands aanmerkelijk belang. (…) De aangifte is daarna door Hertogs ingediend. De gegevens in deze aangifte weken niet af van de gegevens zoals die in al de jaren daarvoor sinds 1999 waren opgegeven. Er was niets veranderd. In al die jaren is evenmin opgave gedaan van het aanmerkelijk belang. (…) Het jaar 2001 was ook het eerste jaar dat het nieuwe boxensysteem was ingevoerd. (…)

Mijn echtgenote en ik zijn sinds 1993 in het bezit van de aandelen in N.V. A Ik beschik over 50% van de aandelen. Medio jaren negentig is deze N.V. in een faillissement geraakt. Deze N.V. was op dat moment in een gerechtelijke procedure verwikkeld met Vereniging B. Na dat faillissement kon ik toen na homologatie de vordering van N.V. A op Vereniging B realiseren. Ik was toen weer heer en meester van de vordering. Ik heb daarna zelfstandig de procedure tegen Vereniging B doorgezet. Tijdens de hierop volgende jarenlange procedure hebben wij veel kosten gemaakt, ongeveer € 200.000 tot € 300.000, waaronder onder meer advieskosten. De kosten voor het overnemen van deze vordering uit het faillissement bedroegen ongeveer fl. 90.000. Jarenlang is in verband met deze vordering door ons geld betaald, omdat in N.V. A geen geldmiddelen zaten. Uiteindelijk heb ik de procedure gewonnen, waarna wij een bedrag van fl. 760.000 hebben ontvangen. Ik zag dat bedrag als terugbetaling van al onze investeringen in N.V. A (…)

Ik heb in de aangiften vermogensbelasting ook opgegeven dat er sprake was van een vordering van ongeveer fl. 800.000 à fl. 900.000. Die vordering was verder niet uitgesplitst. Daar werd in al die jaren ook niet om gevraagd door de fiscus. In de aangiften over de aan 2001 voorafgaande jaren is vanaf 1999 de vordering tegen dit bedrag ook telkens in de aangifte vermogensbelasting opgenomen. (…)

Ik had ten tijde van de aangifte veel informatie niet meer voorhanden. De hierop betrekking hebbende geldleningsovereenkomst tussen mij en N.V. A is verloren gaan. Ik heb mijn adviseur destijds niet veel informatie kunnen verstrekken. Ik beschik nu wel weer over stukken die de door mij gedane investeringen onderbouwen. Die stukken heb ik van de FIOD. Het bewijs van homologatie is nu boven water. (…)

We leefden in de veronderstelling dat met de ontvangst van het bedrag van fl. 760.000 het door ons geïnvesteerde geld terug werd betaald.”

Het hof constateert dat verdachte – zowel gedurende de gehele belastingprocedure, die is uitgemond in de uitspraak van de belastingkamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 november 2010, 09/00655, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7293, als tijdens onderhavige strafprocedure – heeft gepersisteerd bij de stelling dat het door hem en de echtgenote van verdachte, op 9 februari 2001 ontvangen bedrag van fl. 760.000 de terugbetaling betrof van een vordering van hem en zijn echtgenote op N.V. A tot minstens dit bedrag. Blijkens onder meer verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep is hij van mening dat hij en zijn echtgenote een vordering hadden op N.V. A Deze vordering is volgens verdachte ontstaan doordat hij en zijn vrouw de kosten van de overname van de vordering op Vereniging B uit het faillissement van N.V. A, alsmede de zeer kostbare jarenlange civiele procedure die N.V. A heeft moeten voeren om de vordering van N.V. A op Vereniging B tot uitbetaling te zien komen, hebben moeten financieren.

Onder deze omstandigheden acht het hof aannemelijk, dat verdachte (en zijn echtgenote) een vordering hadden op N.V. A uit hoofde van de financiering door hen van N.V. A voor de procedure tegen Vereniging B. Hierbij wordt – ten overvloede – overwogen, dat ook de belastingkamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder 4.23 in bovenvermelde uitspraak reeds heeft geoordeeld in die zin. Het hof is dan ook van oordeel, dat verdachte op het moment van indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 redelijkerwijs mocht menen dat de wijze waarop hij deze aangifte deed, toelaatbaar was, nu hij het van N.V. A. ontvangen geldbedrag van fl. 760.000 beschouwde als een terugbetaling van eerder door hem en zijn echtgenote aan de vennootschap geleend geld (Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, rov. 7.3).

De omstandigheid dat over de precieze omvang van de vordering van verdachte (en zijn echtgenote) op N.V. A wellicht discussie mogelijk was en het feit dat verdachte in de door hem met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 gevoerde belastingprocedure er niet in is geslaagd het volledige bedrag van de door hem voorgestane hoogte van de vordering op N.V. A aannemelijk te maken, doet aan het oordeel dat verdachte de aangifte heeft mogen invullen zoals hij heeft gedaan niet af.

Voorts overweegt het hof als volgt. Het feit, dat verdachte op het voorblad niet heeft aangekruist dat aangifteblad 4 zou moeten worden meegezonden strekt op zich niet ertoe dat te weinig belasting werd geheven. Immers, het feit dat verdachte wel een aanmerkelijk belang had in N.V. A brengt niet met zich dat hij inkomsten uit aanmerkelijk belang had genoten. Bovendien hecht het hof geloof aan de verklaring van verdachte dat hij zijn aandelenbezit sinds 1999 nimmer in zijn aangiften heeft vermeld en dat dat de reden is dat zijn aanmerkelijk belang abusievelijk evenmin in de aangifte over 2001 is vermeld. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat niet bewezen is dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet op het voorblad niet heeft aangekruist dat aangifteblad 4 moest worden meegezonden.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat verdachte niet kan worden verweten dat hij de in de tenlastelegging genoemde aangifte opzettelijk onjuist zou hebben gedaan, ook niet in voorwaardelijke zin. Evenmin acht het hof, gelet op het vorenoverwogene, bewezen dat de aangifte ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Mitsdien moet verdachte van het ten laste gelegde onder 1 worden vrijgesproken.

Feit 3 (bedrieglijke bankbreuk)

Vrijspraak feit 3 eerste gedachtestreepje

Met betrekking tot het ten laste gelegde onder 3, in het bijzonder de onder het eerste gedachtestreepje bedoelde vordering op BV X en BV Y van in totaal € 217.500, constateert het hof dat het dossier een drietal ‘overeenkomsten van geldlening’ aan bedoelde vennootschappen bevat. Slechts één van deze drie overeenkomsten, waarin alleen de echtgenote van verdachte als schuldeiser is vermeld, is daadwerkelijk bekrachtigd met een handtekening van de van die overeenkomst deel uitmakende partijen. In de twee overige overeenkomsten – verder niet voorzien van enige handtekening – wordt verdachte (onder meer) als schuldeiser genoemd.

Verdachte heeft dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat weliswaar in een e-mailbericht d.d. 5 december 2006 melding wordt gemaakt van het opstellen van een geldlening ten bedrage van € 217.500 op naam van verdachte en een concept van die overeenkomst in de bijlage van dat bericht aan hem is toegezonden, doch hij nimmer met de voorwaarden van deze lening aan BV X en BV Y akkoord is gegaan en derhalve ook nooit sprake is geweest van een vordering van verdachte op deze vennootschappen tot een bedrag € 217.500. Aldus verdachtes verklaring in hoger beroep betrof het hier een geldlening van NV S en niet van verdachte aan bedoelde vennootschappen. Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat uit een rechtshulpverzoek is gebleken dat op 2 juni 2006 van de Dexiabankrekening van NV S en/of NV T een bedrag van € 200.000 is overgemaakt naar de bankrekening van BV Y.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van zodanige twijfel over het daadwerkelijk bestaan van een geldvordering op bedoelde vennootschappen op naam van verdachte tot een bedrag zoals ten laste gelegd, dat het hof het bestaan van een zodanige vordering niet bewezen acht. Mitsdien dient verdachte van hetgeen hem in dit verband onder 3 is tenlastegelegd te worden vrijgesproken.

Onderdeel A.

Verdachte is op 19 september 2006 in staat van faillissement verklaard. Op 17 oktober 2007 heeft mr. H in de hoedanigheid van curator in het faillissement van verdachte aangifte gedaan bij de FIOD/ECD ter zake van onder meer bedrieglijke bankbreuk door verdachte. In bedoelde aangifte maakte de curator melding van de volgende zaken, te weten:

  • verdachte heeft in strijd met de waarheid van het begin af aan stellig beweerd over geen enkel actief te beschikken;
  • verdachte blijkt voor 50% eigenaar te zijn van een woning in Kaprun die hij kort voor het faillissement samen met zijn echtgenote heeft gekocht voor € 900.000. De aankoopprijs is voldaan door betaling van € 280.000 terwijl voor € 620.000 een bestaande hypotheek is overgenomen.
  • Voorts heeft verdachte voor en na het faillissement bij voortduring gebruik gemaakt van een rekening bij de Raiffeisenbank in Kaprun. Van deze rekening zijn met name € 250.000 op een Nederlandse rekening van de echtgenote van verdachte betaald, alsmede € 250.000 op naam van betrokkene 1, de partner van de zoon van verdachte;
  • (…)
  • verdachte heeft het bestaan van een overeenkomst verzwegen op basis waarvan zijn echtgenote aan hem € 235.000 verschuldigd is, zij het dat deze vordering eerst opeisbaar is op het moment dat verdachte 65 jaar wordt.

Blijkens een concept crediteurenlijst d.d. 30 maart 2007 afkomstig van curator mr. H bedroeg het totaal van de vorderingen in het faillissement van verdachte € 5.085.367,68.

Bij brief d.d. 9 mei 2007 heeft de curator mr. H melding gemaakt van het feit dat verdachte zich in het eerste gesprek met de curator van 21 september 2006 heeft laten ontvallen dat niemand zijn vermogen dan wel zijn vermogensbestanddelen zou kunnen achterhalen. Blijkens de inhoud van een op dit gesprek volgende aan verdachte gerichte brief d.d. 28 september 2006 heeft de curator verdachte erop gewezen dat hij omtrent de activa en passiva van zijn privé-vermogen volledige openheid van zaken dient te geven en heeft de curator verdachte alsnog in de gelegenheid gesteld om aan de curator zijn bezittingen op gedetailleerde wijze kenbaar te maken.

Verdachte heeft bij brief d.d. 19 oktober 2006 aan de curator kenbaar gemaakt als bezitting niets meer op zijn naam te hebben staan.

Met betrekking tot de in de aangifte d.d. 17 oktober 2007 genoemde rekening bij de Raiffeisenbank wijst curator mr. H in genoemde brief d.d. 9 mei 2007 er onder meer op – voor zover hier van belang – dat deze rekening op naam van verdachte staat en op deze rekening op 19 oktober 2006 een bedrag van € 500.000 is bijgeschreven, hetgeen wordt bevestigd door een van het dossier deel uitmakend rekeningoverzicht van genoemde rekening bij de Raiffeisenbank lopend van 8 september 2006 tot 12 maart 2007, waarin de naam van de echtgenote van verdachte niet als mederekeninghouder wordt genoemd en melding wordt gemaakt van het bijschrijven van genoemd bedrag op 19 oktober 2006.

In het uittreksel uit het Kadaster van Kaprun (Oostenrijk) d.d. 7 februari 2007 worden verdachte en de echtgenote van verdachte vermeld als zijnde de eigenaren van het onroerend goed aan de adres in Kaprun. Genoemd pand is blijkens de door zowel verdachte als de echtgenote van verdachte ondertekende koopovereenkomst d.d. 8 september 2006 gekocht voor een bedrag van € 900.000. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 september 2014 erkend mede-eigenaar te zijn van genoemde woning.

Bij overeenkomst “Akte schuldigerkenning, tevens akte van cessie, alsmede verplichting tot medewerking aan zekerheidstelling” d.d. 29 april 2005, met als ondergetekenden

BV B, verdachte en de echtgenote van verdachte, is vastgesteld dat verdachte en de echtgenote van verdachte op B.R. Bedding B.V. een vordering hebben van in totaal € 469.700. Blijkens de inhoud van deze overeenkomst hebben verdachte en de echtgenote van verdachte voorts overeenstemming bereikt over de verkoop door verdachte aan de echtgenote van verdachte van verdachtes deel in deze in onverdeelde eigendom aan beiden toebehorende vordering op BV B ad € 469.700, waarbij de echtgenote van verdachte de koopsom van dit gedeelte van de vordering, te weten € 235.000, schuldig blijft aan verdachte tot de eerste werkdag van de maand waarin verdachte de 65-jarige leeftijd bereikt. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 september 2014 het bestaan van deze vordering op zijn echtgenote de echtgenote van verdachte niet ontkend.

Onderdeel B.

Ten aanzien van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de rekening bij de Raiffeisenbank in Kaprun overweegt het hof dat dit verweer feitelijke grondslag ontbeert en mitsdien reeds om deze reden wordt verworpen.

Ten aanzien van verdachtes aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk dit aandeel niet aan de boedel heeft verantwoord c.q. aan de boedel heeft onttrokken en verdachte mitsdien van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Dienaangaande is door de verdediging aangevoerd dat verdachte zich niet ervan bewust is geweest dat het op zijn weg lag om de curator van dit aandeel in het eigendomsrecht op de hoogte te stellen, nu deze woning in zijn geheel was gefinancierd door de echtgenote van verdachte en verdachte om die reden meende dat zij zich bij voorrang op deze woning zou kunnen en mogen verhalen en deze woning aldus niet in de boedel terecht zou komen.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte, na op 28 september 2006 door de curator uitdrukkelijk te zijn gewezen op het geven van volledige openheid van zaken omtrent zijn privé-vermogen, per brief van 19 oktober 2006 aan de curator heeft kenbaar gemaakt geen enkele bezitting op zijn naam te hebben staan. Ondanks het feit dat de koopovereenkomst van de woning in Kaprun nog nauwelijks een maand eerder was gesloten heeft verdachte toch geen aanleiding gezien om van zijn aandeel in het eigendomsrecht van deze woning melding te maken bij de curator.

Het hof wijst in dit verband er voorts op dat de schulden in het faillissement zeer omvangrijk waren, volgens opgaaf van de curator meer dan € 5.000.000.

In de gegeven omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verdachte gelegen om van dit aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun melding te maken bij de curator en te verifiëren of de reden waarom hij van mening was dat dit aandeel niet aan de boedel toebehoorde juridisch juist was.

Nu verdachte, ondanks de op hem rustende verplichting om een volledig inzicht te geven in zijn privévermogen, bewust ervoor heeft gekozen de curator niet in te lichten over zijn eigendomsrecht in de woning in Kaprun en verdachte voorts ook geen navraag heeft gedaan of de door hem gestelde beweegredenen om zulks niet te doen juist waren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat door het niet opgeven van zijn aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, baten niet werden verantwoord en/of goederen aan de boedel werden onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van de vordering van verdachte op de echtgenote van verdachte ten bedrage van € 235.000 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vordering kort vóór het faillissement is verrekend met een vordering van de echtgenote van verdachte en derhalve – zo begrijpt het hof – niet (meer) tot de boedel behoorde.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte eerst in hoger beroep, zonder nadere onderbouwing, heeft verklaard dat onderhavige vordering op de echtgenote van verdachte zou zijn verrekend met een vordering van de echtgenote van verdachte op verdachte. Die verrekening zou bovendien – aldus de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – ruimschoots vóór aanvang van het faillissement hebben plaatsgevonden.

Genoemde omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof niet aannemelijk dat sprake zou zijn geweest van een verrekening van vorderingen zoals door de verdediging bepleit.

Voor wat betreft het door de verdediging in verband met onderhavige vordering gevoerde opzetverweer overweegt het hof dat verdachte hoewel hij door de curator uitdrukkelijk is gewezen op het geven van volledige openheid van zaken omtrent zijn privévermogen, verdachte desondanks per brief van 19 oktober 2006 aan de curator heeft kenbaar gemaakt geen enkele bezitting op zijn naam te hebben staan.

Het hof wijst in dit verband er voorts op dat de schulden in het faillissement zeer omvangrijk waren, volgens opgaaf van de curator meer dan € 5.000.000.

In de gegeven omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verdachte gelegen van onderhavige vordering melding te maken bij de curator en te verifiëren of aan deze ten tijde van het faillissement nog niet opeisbare doch verder in de toekomst wél opeisbare vordering, enige betekenis respectievelijk waarde toekwam.

Nu verdachte, ondanks de op hem rustende verplichting om een volledig inzicht te geven in zijn privévermogen, bewust ervoor heeft gekozen bij de curator van bedoelde omvangrijke vordering op de echtgenote van verdachte geen melding te maken en verdachte voorts ook geen navraag heeft gedaan of door hem gestelde beweegredenen om deze vordering niet te verantwoorden juist waren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat hierdoor ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers baten niet werden verantwoord en/of goederen aan de boedel werden onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Feit 3: Bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Spreken is zilver, zwijgen is goud: een inlichtingenverplichting zonder waarborg fout? De reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel en de (voorgenomen) faillissementswetgeving'

In deze bijdrage gaan de auteurs in op een aantal onderwerpen waarbij de reikwijdte en toepassing van het nemo tenetur-beginsel aan de orde is. Ten eerste is dit het veelbesproken Chambaz-arrest van het EHRM. In dit arrest heeft het EHRM het nemo tenetur-beginsel uitgebreid naar de persoon die ‘niet kan uitsluiten’ dat gevorderd materiaal voor bestraffingsdoeleinden gebruikt zal worden.

Vervolgens wordt ingegaan op de ‘receptie’ van het Chambazarrest in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor een goed begrip voor de samenhang met voorgaande EHRM-arresten wordt voorafgaand aan beide onderwerpen een analyse gegeven van de ‘klassieke’ jurisprudentie ten aanzien van het nemo tenetur-beginsel. Hiernaast wordt aandacht besteed aan een nieuwe wending bij de toepassing van het nemo tenetur-beginsel, namelijk de uitwerking in de faillissementspraktijk. Door de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie en de focus van het Openbaar Ministerie op faillissementsfraude is de toepassing van het nemo tenetur-beginsel op dit terrein actueel geworden. In de faillissementswetgeving zijn legio verplichtingen opgenomen van een gefailleerde ten opzichte van de curator, terwijl het nemo tenetur-beginsel in die relatie nog betrekkelijk onontgonnen gebied lijkt. Ten slotte wordt afgerond met een standpunt omtrent de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel, alsmede een waardering hoe de huidige en toekomstige faillissementswetgeving zich verhoudt tot dat beginsel.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij horecabedrijven. Hij heeft schuldeisers van gefailleerde bedrijven door middel van sterfhuisconstructies ernstig benadeeld.

Rechtbank Overijssel 20 oktober 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5590

Verdenking

  • Feit 1: in de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 september 2009 samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de stichting en de besloten vennootschap bedrijf 1 BV terzake van het plegen van faillissementsfraude;
  • Feit 2: in de periode van 22 mei 2007 tot en met 27 februari 2008 samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de commanditaire vennootschap bedrijf 2 CV terzake van het plegen van faillissementsfraude;
  • Feit 3: in de periode van 13 augustus 2007 tot en met 3 september 2009 als bestuurder of als commissaris van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV, samen met anderen, hoewel wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen heeft geweigerd deze inlichtingen te geven dan wel opzettelijk de verkeerde inlichtingen heeft gegeven;
  • Feit 4: in de periode van 3 januari 2005 tot en met 27 februari 2008, samen met anderen, met betrekking tot verschillende documenten valsheid in geschrift heeft gepleegd, dan wel dat hij dit als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van bedrijf 3 CV, bedrijf 2 CV en bedrijf 1 BV heeft gepleegd, dan wel dat hij als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van bedrijf 3 CV, bedrijf 2 CV en bedrijf 1 BV verschillende valse documenten voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is op grond van verschillende in het dossier opgenomen verklaringen en schriftelijke bescheiden van mening dat verdachte middellijk en/of onmiddellijk zeggenschap heeft gehad over de in de tenlastelegging onder de feiten 1 tot en met 4 genoemde rechtspersonen. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de stichting en aan bedrijf 1 BV terzake van de onder

feit 1 ten laste gelegde faillissementsfraude. Daarnaast heeft hij feitelijk leiding gegeven aan bedrijf 2 CV terzake van de onder feit 2 ten laste gelegde faillissementsfraude. Ook heeft hij geen dan wel onjuiste informatie verschaft aan de curator in het faillissement van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV, zoals ten laste gelegd onder feit 3. Tot slot heeft hij de onder feit 4 genoemde oprichtingsaktes, facturen en overeenkomsten valselijk opgemaakt.

De feiten 1, 2, 3 en 4 primair zijn derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde heeft verdachte gesteld dat hij niet als bestuurder of anderszins als feitelijk leidinggevende bij bedrijf 1 BV betrokken is geweest. Die BV was van betrokkene. Verdachte heeft haar wel geholpen met de belastingproblemen en voor zijn hulp heeft hij ook facturen verstuurd. Van de stichting is verdachte wél feitelijk leidinggevende geweest, maar het verwijt dat inventaris en goodwill van die Stichting zijn overgedragen zonder dat de waarde aan de Stichting ten goede is gekomen, is niet juist. Weliswaar zijn geldbedragen aan de Stichting onttrokken, maar daarvoor bestond telkens een rechtmatige titel. De administratie van de Stichting is wel degelijk aan de curator overgedragen, dat betrof tien dozen.

De optelling die aan feit 2 ten grondslag ligt is niet correct. Er zijn in november en december 2007 contante geldbedragen gebruikt om leveranciers te betalen en die betalingen zijn wegens tijdgebrek pas in januari van het jaar daarop in de boekhouding verwerkt.

Ook het verwijt dat verdachte geen of onjuiste inlichtingen zou hebben verstrekt aan de curatoren van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV (feit 3) is niet terecht.

Met betrekking tot de onder feit 4 ten laste gelegde valsheden heeft verdachte gesteld dat hetgeen onder A en B staat vermeld juist is, maar dat hij er geen kwade bedoelingen mee heeft gehad. Ten aanzien van het onder C tenlastegelegde heeft hij verklaard dat hij bij de eerste factuur vergeten is om de juiste datum in te vullen. De andere drie onder C genoemde facturen zijn echter wel juist. Verdachte stelt niet geweten te hebben dat bedrijf 5 failliet was verklaard. Nadat hij daar achter kwam zijn op de aangegeven data de creditfacturen onder D opgemaakt. Ten aanzien van de onder E genoemde overeenkomsten heeft verdachte gesteld dat hij na de opheffingsdatum van bedrijf 3 CV nog inventaris tegen kwam op andere locaties. Hij heeft toen de data ingevuld van de daadwerkelijke overdracht van die inventaris.

Verdachte dient derhalve van alle aan hem ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Oordeel rechtbank

Feit 1

De stichting is opgericht in 1998 en op 13 augustus 2007 door de Rechtbank te Zwolle failliet verklaard. Als curator is benoemd mr. J.J.D. de Leur. Verdachte is volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 6 augustus 2007 tot 13 augustus 2007 bestuurder geweest van de stichting. Verdachte heeft echter ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende de gehele ten laste gelegde periode feitelijk leidinggever is geweest van de stichting. Bedrijf 1 BV is opgericht op 23 december 2005 en op 27 februari 2008 door de Rechtbank te Zwolle failliet verklaard. Als curator is benoemd mr. S.J. de Vries. Vanaf 23 maart 2007 was mevr. betrokkene enig aandeelhouder van bedrijf 1 BV. Verdachte heeft geen formele zeggenschap gehad binnen deze BV. De rechtbank leidt uit de verklaring van betrokkene, die op onderdelen ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen en op de rechtbank betrouwbaar overkomt, echter af dat verdachte vanaf het moment dat voornoemde betrokkene de aandelen van bedrijf 1 BV overnam feitelijk degene is geweest die binnen die BV de gang van zaken bepaalde en dus als feitelijk leidinggevende beschouwd moet worden.

Bedrijf 2 CV is opgericht op opgericht op 1 oktober 2007 en gefailleerd op 27 februari 2008. Als curator is benoemd mr. S.J. de Vries. Bedrijf 1 is van 1 oktober 2007 tot 27 februari 2008 beherend vennoot geweest van de CV. Bedrijf 4 is in diezelfde periode commanditair vennoot van de CV geweest. De aandeelhouders/zaakvoerders van deze BVBA waren verdachte en zijn zoon medeverdachte. Ook van bedrijf 2 CV was verdachte dus de feitelijk leidinggevende.

Feit 1 onder A en B

Feit 1 onder A en B van de tenlastelegging is nader uitgewerkt in verschillende onderdelen die hierna besproken zullen worden.

- 1 ᵉ gedachtestreepje: de overdracht van inventaris van de Stichting aan bedrijf 3 CV en/of bedrijf 1 BV en/of bedrijf 2 CV

Op 31 december 2004 had de stichting de inventaris van de bowlingbaan locatie 1 aan de adres te plaats en de cocktailbar locatie 2 aan de adres te plaats in eigendom. De stichting heeft deze inventaris met ingang van 1 januari 2005 ingebracht in bedrijf 3 CV. Deze CV is opgericht op 1 januari 2005 en ontbonden op 1 juni 2007. Verdachte is gedurende deze periode middellijk en onmiddellijk de feitelijk leidinggevende binnen bedrijf 3 CV geweest.

Met ingang van 1 juni 2007 heeft bedrijf 1 BV alle activiteiten (de exploitatie van bowlingbaan locatie 1 en van cocktailbar locatie 2) overgenomen van bedrijf 3 CV.

Uit het dossier blijkt dat Van de Weerd Horecamakelaardij op 20 mei 2007 de waarde van de bedrijfsinventaris van cocktailbar locatie 2 op €100.000 heeft gewaardeerd. Van de Weerd Horecamakelaardij heeft op 18 januari 2008 de waarde van de inventaris van bowlingbaan locatie 1 per juni 2007 gewaardeerd op €150.000. Op 8 juni 2007 heeft bedrijf 3 CV de inventaris van zowel de bowlingbaan als de cocktailbar voor €75.000 verkocht aan bedrijf 1 BV. De inventarissen van de bowlingbaan en de cocktailbar hadden tezamen een getaxeerde waarde van €250.000 en zijn dus ver onder de waarde door bedrijf 3 CV verkocht aan bedrijf 1 BV. De (op zich al te lage) opbrengst van de verkoop van de inventaris aan bedrijf 1 BV is niet bij de stichting terecht gekomen, waardoor de schuldeisers in het faillissement van de stichting zijn benadeeld.

- 1 ᵉ gedachtestreepje: de overdracht van goodwill van de Stichting aan bedrijf 3 CV en/of bedrijf 1 en/of bedrijf 2 CV

Op 8 juni 2007 heeft de Stichting ingestemd met de verkoop van de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 3 CV aan bedrijf 1 BV. Op 15 juni 2007 heeft verdachte, namens bedrijf 3 CV, de bedrijfsactiviteiten aan bedrijf 1 BV verkocht en daarbij een goodwill van €205.500 bedongen. Deze bate inzake de verkochte goodwill, die in de afrekening tussen vennoten van bedrijf 3 CV diende te worden opgenomen, is niet verantwoord aan de boedel van de Stichting, waardoor de schuldeisers in het faillissement van de stichting zijn benadeeld.

- 2 ᵉ gedachtestreepje: betreft het kassaldo ad €20.500 dat ten tijde van de ontbinding van bedrijf 3 CV aanwezig was en dat niet aan de stichting ten goede is gekomen

Bij de ontbinding van bedrijf 3 CV op 1 juni 2007 blijkt niet van een verrekening. Op vragen van de Belastingdienst heeft betrokkene een document naar de Belastingdienst gestuurd waarin is vermeld dat op de overnamedatum een kassaldo a€20.500 in de centrale kas van bedrijf 3 CV aanwezig was. Dat bedrag zou als persoonlijke lening aan betrokkene zijn verstrekt. Van deze lening is echter geen schriftelijke overeenkomst aangetroffen en betrokkene heeft bij de FIOD nader verklaard dat aan haar géén lening is verstrekt. Deze verklaring vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in het onderzoek van de FIOD naar de bankrekening van betrokkene.

- 3 ᵉ gedachtestreepje: betreft een bedrag van €1.640 dat zonder rechtsgrond is van de rekening van de stichting is overgemaakt naar de privé rekening van betrokkene

Uit het onderzoek van de FIOD is naar voren gekomen dat betrokkene op 29 juni 2007 op haar bankrekening, naast haar loon, onder de vermelding ‘overboeking saldo’ een bedrag van €1.640 heeft ontvangen van de Stichting. Dit bedrag had moeten worden opgenomen in de vereffening tussen vennoten van bedrijf 3 CV en is ten onrechte niet verantwoord aan de boedel van de stichting.

- 4 ᵉ gedachtestreepje: betreft de contante opname van een bedrag van €22.400 vanaf de rekening van de stichting

Uit rekeningafschriften van de bankrekening van de stichting bij de Postbank, later ING bank, blijkt dat op 30 en 31 mei 2007 respectievelijk bedragen ad €12.000 en €10.400 contant zijn opgenomen. De Stichting heeft geen kasadministratie verstrekt aan de curator. Derhalve kan niet worden nagegaan wat er met deze gelden is gebeurd.

- 5 ᵉ gedachtestreepje: betreft contante opname van in totaal €19.480 vanaf een rekening van bedrijf 1 BV

Uit afschriften van de bankrekening van bedrijf 1 BV blijkt dat op 18 januari 2008 bedragen van €5.000 en €12.000 zijn opgenomen. In de weken erna is er nog een aantal kleinere bedragen opgenomen. Het totaal van de opnames bedraagt €19.480. Over de periode vanaf 1 oktober 2007 zijn geen boekhoudkundige verwerkingen van de kasadministratie aangetroffen, zodat niet kan worden nagegaan of en zo ja, op welke wijze deze opnames in de boekhouding zijn verantwoord.

- 6 ᵉ gedachtestreepje: betreft de overboeking van tweemaal een bedrag van €10.833 van een rekening van bedrijf 1 BV naar bedrijf 4

De activiteiten van bedrijf 1 BV zijn per 1 oktober 2007 ondergebracht in bedrijf 2 CV.

Uit het dossier blijkt dat op 27 november 2007 en 8 januari 2008 zijn twee bedragen van elk €10.833 zijn overgemaakt van de bankrekening van bedrijf 1 BV naar de rekening van bedrijf 4, de commandite van bedrijf 2 CV. Er zijn geen onderliggende stukken (facturen/overeenkomst) aangetroffen inzake de betreffende betalingen. betrokkene heeft over deze twee betalingen ad €10.833 verklaard dat de bedragen door verdachte verdachte zijn betaald. De boekhouding van bedrijf 1 BV is slechts bijgewerkt tot en met september 2007, zodat niet duidelijk is welke titel aan deze overboekingen ten grondslag ligt.

Feit 1 onder C

Naast voorgaande gedachtestreepjes bevat de tenlastelegging onder feit 1 onder C ook het verwijt dat door de stichting en door bedrijf 1 BV niet is voldaan aan de verplichting tot het voeren van een administratie (met name het opmaken en bijhouden van een kasboek) en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers van die vennootschappen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Tijdens de afwikkeling van het faillissement van de stichting heeft curator De Leur een onderzoek ingesteld in de uitgeleverde administratieve bescheiden. De curator heeft vastgesteld dat naast de bankafschriften van 2005 en 2006 ook de jaarrekeningen van 2005 en 2006 ontbraken. Daarnaast is er geen kasboek uitgeleverd. De curator heeft vastgesteld dat de wel uitgeleverde administratie onvolledig en ondoorzichtig is. Ondanks meerdere verzoeken heeft verdachte niet de juiste inlichtingen gegeven.

Tijdens de afwikkeling van het faillissement van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV heeft curator De Vries tweemaal aan betrokkene verzocht om de complete administratie, incl. bankafschriften van de door de ondernemingen aangehouden bankrekeningen en een overzicht van de crediteurenvordering met de adresgegevens van de crediteuren. Curator De Vries heeft in zijn aangifte verklaard dat mevr. betrokkene tegen hem heeft gezegd dat de administratie van bedrijf 1 BV niet op orde was en dat wat er aan administratie voorhanden was in vier verhuisdozen zat die bij haar konden worden afgehaald. De curator heeft vastgesteld dat deze administratie niet volledig was. Er is geen kasboek uitgeleverd. Mevr. betrokkene heeft verder geen antwoord gegeven op de vragen omtrent de administratie. Van verdachte heeft de curator niets vernomen.

Uit het dossier blijkt voorts dat op 3 september 2009 tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en betrokkene aan de adres te plaats in een schuur behorende bij die woning meerdere ordners met diverse administratieve bescheiden, waaronder kasstukken die betrekking hebben op bankopnames en contante betalingen aan schuldeisers van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV. Deze bescheiden maken deel uit van de administratie en zijn, nu deze bij de doorzoeking werden aangetroffen in dit perceel, niet uitgeleverd aan de curator.

Feit 2

Feit 2 onder A

Dit onderdeel van de tenlastelegging betreft het verwijt dat contante inkomsten van de locaties van locatie 1 en locatie 2 ad €90.330,95 niet verantwoord zijn in de boedel van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 1 juni 2007 tot 30 september 2007 drie kasadministraties zijn bijgehouden, te weten de centrale kas, de kas locatie 1 en de kas locatie 2. In deze periode is een kasboek per exploitatie per dag bijgehouden en de overtollige gelden zijn telkens afgestort in de centrale kas. Vanuit die centrale kas werden inkoop- en kostenfacturen betaald en één of enkele keren per week werden overtollige gelden gestort op de bankrekening van bedrijf 1 BV. De gegevens die vermeld staan in de kasadministratie van bowlingbaan locatie 1 en cocktailbar locatie 2 sluiten aan met de gegevens die staan vermeld in de kasadministratie van de centrale kas van bedrijf 1 BV. Met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2007 zijn echter geen boekhoudkundige verwerkingen van de centrale kasadministratie aangetroffen.

De FIOD heeft een overzicht gemaakt van de administratieve kasbescheiden die tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 3 september 2009 in beslag zijn genomen. In dit overzicht, dat ziet op de periode 1 oktober 2007 tot 27 februari 2008 komt naar voren dat het kassaldo van de centrale kas vanaf oktober 2007 stelselmatig oploopt tot een bedrag van €90.330,95 op 17 januari 2008, terwijl de afstortingen op de bankrekening van bedrijf 1 BV in die periode sterk afnemen (zowel in aantal als in omvang). Dit terwijl met name december één van de drukste maanden van het jaar is.

Het verweer van verdachte dat de €90.330,95 in november en december 2007 gebruikt is om leveranciers contant te betalen en dat dit pas later in de administratie is verwerkt verwerpt de rechtbank, nu dit niet zijn bevestiging vindt in de aangetroffen administratie.

Feit 2 onder B

Dit onderdeel betreft het verwijt dat bedrijf 2 CV niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren van een administratie (met name het opmaken en bijhouden van een kasboek) en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers van die vennootschappen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hiervoor onder ‘feit 1 onder C’ weergegeven overwegingen.

Feit 3

Feit 3 van de tenlastelegging ziet op het verwijt dat verdachte als feitelijk bestuurder van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV vragen van de curatoren in de faillissementen van deze rechtspersonen niet (volledig) en/of onjuist heeft beantwoord.

Het bewijs dat verdachte vragen van de curatoren niet (volledig) en/of onjuist zou hebben beantwoord bestaat telkens enkel uit de aangifte van de respectievelijke curatoren. Daarmee wordt niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum van art. 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Feit 4

Feit 4 van de tenlastelegging ziet op een aantal onder A tot en met E genoemde stukken, die valselijk opgemaakt zijn.

Niet ter discussie staat dat verdachte alle genoemde stukken heeft ondertekend c.q. heeft gedateerd. Wel wordt voor een aantal stukken bestreden dat die valselijk zijn opgemaakt c.q. dat verdachte het oogmerk van misleiding heeft gehad. De rechtbank overweegt met betrekking tot de verschillende onderdelen van feit 4 het volgende.

- A: de oprichtingsakte van bedrijf 3 CV

De datum van ondertekening van deze akte is 3 januari 2005. In de akte wordt echter een nummer van de KvK genoemd dat niet eerder dan 4 oktober 2005, de datum van inschrijving in het handelsregister van de KvK, bekend is geworden. Verdachte heeft de geantedateerde akte – na een verzoek daartoe – kort na 13 februari 2006 naar de Belastingdienst gestuurd. Verdachte stelt geen oogmerk tot misleiding te hebben gehad. De rechtbank leidt echter uit het dossier af dat verdachte tot begin oktober 2005 zelf niet handelde alsof de CV reeds bestond. Er is begin 2005 geen fiscaal nummer aangevraagd voor de CV en de CV heeft zich begin 2005 ook niet als startende ondernemer bij de Belastingdienst gemeld. Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte zelf de oprichtingsakte doelbewust geantedateerd heeft om deze vervolgens als echt en onvervalst naar de Belastingdienst te sturen.

- B: de oprichtingsakte van bedrijf 2 CV

De datum van ondertekening van deze akte is 25 september 2007. In de akte wordt echter een nummer van de KvK genoemd dat op 28 september 2007, de datum van inschrijving in het handelsregister van de KvK, bekend is geworden. Verdachte heeft de geantedateerde akte op 2 oktober 2007 ter registratie naar de Belastingdienst gestuurd.

Anders dan in het geval van de oprichtingsakte van bedrijf 3 CV is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte ten aanzien van deze antedatering het oogmerk tot misleiding heeft gehad. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.

- C: vier facturen van bedrijf 5 aan bedrijf 1 BV en

- D: vier creditfacturen van bedrijf 5 aan bedrijf 1 BV

De vier onder C genoemde facturen zijn achtereenvolgens gedateerd op 1 juli 2007, 31 juli 2007, 31 augustus 2007 en 30 september 2007. Op de factuur d.d. 1 juli 2007 is een BTW nummer vermeld staat dat pas op 19 juli 2007 is afgegeven en de andere drie facturen zijn gedateerd zijn na het faillissement van bedrijf 5 op 9 juli 2007.

De vier facturen zijn opgenomen in de administratie van bedrijf 1 BV en hebben betrekking op uitvoeringswerkzaamheden, administratieve ondersteuning en managementopleiding in de maanden juni, juli, augustus en september 2007. De facturen zijn per kas voldaan.

De onder D genoemde creditfacturen zijn alle gedateerd na het faillissement van bedrijf 5 op 9 juli 2007. Deze creditfacturen zijn opgenomen in de administratie van bedrijf 1 BV. Op de facturen staat vermeld dat het totaal van de betreffende factuur verrekend zou zijn met de debet factuur van de desbetreffende maand.

Verdachte heeft verklaard dat hij vergeten is om bij de eerste onder C genoemde factuur de juiste datum in te vullen. De andere drie facturen zijn volgens verdachte wel juist. Hij heeft gesteld dat hij niet wist dat bedrijf 5 failliet was verklaard. Verdachte zou daar pas achter in oktober 2007 achter gekomen zijn. Hij is toen naar Tongeren in België gereden en heeft daar gepraat met de curator, de heer Gerards. Vervolgens zou hij de onder D genoemde creditfacturen hebben opgemaakt, om de situatie weer terug te draaien.

De rechtbank stelt deze verklaring om de volgende redenen als ongeloofwaardig terzijde.

In de eerste plaats stond verdachte van 16 november 2006 tot de datum van faillissement op 9 juli 2007 geregistreerd als zaakvoerder/aandeelhouder van bedrijf 5 en het ligt voor de hand dat verdachte in verband met de faillissementsaanvraag en de faillietverklaring is opgeroepen. Daarnaast zijn de debetfacturen per kas aan verdachte uitbetaald, terwijl op de creditfacturen staat dat deze met de debetfacturen over de betreffende maanden zijn verrekend. Uit het dossier blijkt echter niet dat de contant door verdachte ontvangen bedragen weer zijn terugbetaald aan bedrijf 1 BV.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder C en D genoemde facturen valselijk heeft opgemaakt.

- E: vier overeenkomsten tussen bedrijf 3 CV en bedrijf 1 BV

Deze vier overeenkomsten tussen bedrijf 3 CV en bedrijf 1 BV betreffen de levering van inventaris en goodwill door de CV aan de BV. De facturen zijn valselijk opgemaakt omdat ze zijn gedateerd na 1 juni 2007, zijnde de datum van ontbinding van bedrijf 3 CV. Deze overeenkomsten zijn door verdachte en/of betrokkene aan de Belastingdienst verstrekt.

Verdachte heeft verklaard dat hij na de opheffingsdatum van bedrijf 3 CV nog inventaris tegen kwam op andere locaties. Hij heeft toen de data ingevuld waarop deze inventaris daadwerkelijk aan bedrijf 1 BV is overgedragen.

De rechtbank is met betrekking tot deze overeenkomsten van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte in dit verband het oogmerk van misleiding heeft gehad. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1 en feit 2: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 4: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij horecabedrijven. Daarbij heeft hij meerdere documenten valselijk opgemaakt. Hij heeft schuldeisers van gefailleerde bedrijven door middel van sterfhuisconstructies ernstig benadeeld. Door het manipuleren van verschillende nauw aan elkaar verwante rechtspersonen heeft hij kans gezien om met overheveling van vermogen van de ene naar de andere rechtspersoon en van activiteiten naar weer een andere rechtspersoon, telkens de aansprakelijkheid precies daar te leggen waar de schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, geen verhaal vonden. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De rechtbank gaat bij de strafbepaling uit dat het financieel nadeel ongeveer € 400.000 bedraagt.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens faillissementsfraude & feitelijk leiding geven aan het oplichten van meerdere bedrijven

Rechtbank Midden-Nederland 22 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:4363

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft daarnaast feitelijk leiding gegeven aan het oplichten van meerdere bedrijven. Tot slot heeft de verdachte gebruik gemaakt van valse documenten teneinde op grond van onjuiste gegevens een kredietfaciliteit bij een bank te verkrijgen. Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, aan de verdachte opleggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel civiel bestuursverbod naar Tweede Kamer

Een malafide bestuurder mag straks maximaal vijf jaar geen rechtspersoon meer besturen als de rechter een civiel bestuursverbod heeft opgelegd. De maatregel maakt onderdeel uit van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’ en is gericht op een effectievere bestrijding van faillissementsfraude. Vereist is dat het laakbare gedrag zich heeft voorgedaan binnen drie jaar voorafgaand aan het faillissement van het bedrijf dat door de bestuurder werd geleid. Dit blijkt uit een wetsvoorstel van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) dat bij de Tweede Kamer is ingediend.

De bewindsman wil verhinderen dat malafide bestuurders hun activiteiten kunnen blijven voortzetten door hun fraudeleuze activiteiten te maskeren met een web van rechtspersonen of door steeds nieuwe ondernemingen op te richten en deze vervolgens failliet te laten gaan.

Een bestuurder moet een bijzonder verwijt treffen, wil een bestuursverbod kunnen worden opgelegd. Daartoe behoort onder meer de vaststelling van aansprakelijkheid wegens wanbeleid dat tot een faillissement heeft geleid. Ook kan gedacht worden aan het doelbewust benadelen van schuldeisers door vlak voor een faillissement bedrijfsvermogen weg te sluizen of voor zelfverrijking aan te wenden. Ook zou een bestuursverbod kunnen worden opgelegd als de curator ernstig wordt tegengewerkt, of als sprake is van repeterende faillissementen, d.w.z. als een bestuurder in drie jaar tijd bij drie (of meer) faillissementen betrokken is geweest.

Wordt een bestuursverbod opgelegd, dan kan de betrokkene – tenzij de rechter anders beslist - bij geen enkele rechtspersoon aanblijven als bestuurder. Ook kan hij niet opnieuw als bestuurder of commissaris worden benoemd. Bestuursverboden worden straks ingeschreven bij het Handelsregister. Zo worden belanghebbenden, de notaris en de Kamer van Koophandel in staat gesteld om eenvoudige (online) na te gaan of een persoon die een onderneming wil oprichten of als bestuurder wil worden ingeschreven een bestuursverbod heeft. Is dat het geval, dan werken de notaris en de Kamer van Koophandel niet mee aan de oprichting van de onderneming of de inschrijving van de bestuurder.

 

Print Friendly and PDF ^