Faillissementsfraude, strafmaatappel

Gerechtshof Amsterdam 24 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4674

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de uitspraak openbaar wordt gemaakt in het dagblad De Telegraaf op de door de rechtbank bepaalde wijze met een veroordeling van de verdachte tot het betalen van de kosten van voornoemde publicatie, begroot op € 2500,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de openbaarmaking zal gelasten van de uitspraak op de door de rechtbank gelaste wijze.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte niet gebaat is bij een gevangenisstraf zoals deze in eerste aanleg is opgelegd en dat hij niet de middelen heeft de opgelegde geldboete te betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij reeds 8 jaren niet meer in contact is geweest met politie of justitie in verband met nieuwe strafbare feiten. Een gevangenisstraf zou die positieve wending weer kunnen doorbreken. Gelet op de huidige draagkracht van de verdachte, kan voorts een geldboete ter hoogte van € 50.000,00 niet in redelijkheid aan de verdachte worden opgelegd.

Oordeel hof

De verdachte heeft zich als adviseur voor noodlijdende bedrijven geprofileerd maar heeft zich in die rol als feitelijk leidinggevende van de in financiële moeilijkheden verkerende vennootschap schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door het faillissement en de leegverkoop van de B.V. enkel te bespoedigen en de nog aanwezige gelden weg te sluizen. Tevens hebben verdachte en zijn medeverdachten ervoor gezorgd dat de administratie van het bedrijf is weggehaald en niet meer aan de curator ter beschikking kon worden gesteld. Door het op dergelijke wijze ondermijnen van het faillissementssysteem wordt het vertrouwen dat kredietverlening vereist, beschaamd en wordt de vermogenspositie van schuldeisers geschaad. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 september 2014 is de verdachte eerder voor soortgelijke frauduleuze handelingen onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte. Het spreekt echter voor de verdachte dat hij is verschenen ter terechtzitting in hoger beroep en een verklaring heeft afgelegd. Het hof ziet mitsdien aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, maar acht het van belang, gelet op de justitiële documentatie van de verdachte, dat het voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur van substantiële duur is. Het hof zal daarom te dezen de advocaat-generaal volgen ten aanzien van de gevangenisstraf.

Tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat zijn persoonlijk faillissement eind 2010 is opgeheven. Thans heeft de verdachte een aanzienlijke schuld bij de Nationale Nederlanden. Het gaat om € 300.000,00 en ‘een beetje’, aldus de verdachte. Zijn belastingschuld heeft hij voor een gering bedrag kunnen kwijten na een overeenkomst met de belastingdienst, welke, naar verdachtes eigen zeggen, behelst dat hij niet meer mag handelen in besloten vennootschappen. De verdachte kan nog wel eigen onderneming(en) starten en hij is thans nog altijd bestuurder van verscheidene (in ieder geval twee) vennootschappen. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij (ongeveer) € 400.000,00 in een beleggingspolis heeft zitten, waarmee hij voornemens is zijn schuld bij de Nationale Nederlanden af te lossen.

Nu het draagkrachtverweer van de verdediging niet onderbouwd is, noch getoetst kan worden op grond van door de verdediging overgelegde stukken – evenmin met betrekking tot de overeenkomst die de verdachte met de belastingdienst heeft gesloten –, gaat het hof uit van de hiervoor weergegeven informatie. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding de in eerste aanleg opgelegde geldboete te matigen.

Het hof ziet, mede gelet op het tijdsverloop, geen aanleiding de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak te gelasten overeenkomstig het bepaalde in artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen dat verdachtes reputatie via de gebruikelijke digitale zoekmachines gemakkelijk te vinden is. Een openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak sorteert dan ook geen effect dat van enige meerwaarde kan zijn.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 50.000,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF