Zes gevangenisstraf cel voor grootschalige phishingfraude, gewoontewitwassen van driekwart miljoen euro en computervredebreuk met cryptocurrency-diefstal

Rechtbank Rotterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2697

De rechtbank veroordeelt een verdachte tot zes jaar gevangenisstraf voor grootschalige phishingfraude, deelname aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen van circa 750.000 euro, computervredebreuk waarbij cryptocurrency is weggenomen, het voorhanden hebben van een digitale afbeelding van een vals paspoort en het bezit van een taser. De rechtbank past bij het witwassen het beoordelingskader voor witwassen zonder concreet gronddelict toe en oordeelt dat de verdachte er niet in slaagt het vermoeden van criminele herkomst te ontzenuwen. Bij de computervredebreuk ten aanzien van een van de twee slachtoffers maakt de rechtbank gebruik van schakelbewijs vanwege de kenmerkende gelijkenissen in modus operandi. De verdachte en medeverdachten opereren professioneel en planmatig vanuit luxe appartementen, waarbij zij tientallen bellers aansturen en gebruikmaken van leadslijsten, SMS gateways en phishingwebsites. Twee benadeelde partijen ontvangen schadevergoeding voor de door computervredebreuk geleden materiele schade. De opgelegde straf is conform de eis van het Openbaar Ministerie.

Inleiding en context

De verdachte is een in 1997 geboren man die ten tijde van de uitspraak gedetineerd is. De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht. De zitting vindt plaats op 9 februari 2026 en 18 maart 2026. Het onderzoek draagt de naam Hageheld en richt zich op een grootschalige phishingoperatie waarbij meerdere verdachten betrokken zijn. De verdachte opereert samen met medeverdachten vanuit verschillende locaties in Nederland, waaronder Rotterdam, Zoetermeer, Harderwijk en Zaltbommel. Het strafrechtelijk onderzoek brengt een omvangrijk feitencomplex aan het licht dat zich uitstrekt over een periode van bijna vier jaar, van maart 2021 tot december 2024. Bij een doorzoeking op 3 december 2024 worden onder meer meerdere telefoons, een laptop, een hardware wallet, luxegoederen, simkaarten en een taser in beslag genomen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeven feiten. Het eerste feit betreft het medeplegen van het ter beschikking stellen en voorhanden hebben van technische hulpmiddelen, te weten phishingsites, bestemd voor het plegen van computervredebreuk als bedoeld in artikel 139d lid 1 juncto artikel 138ab lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Het tweede feit betreft het medeplegen van het voorhanden hebben van gegevens, waaronder phishingsites, leadslijsten, phishing records en SMS gateways, bestemd voor het plegen van vermogensdelicten met betrekking tot niet-contante betaalinstrumenten in de zin van artikel 234 Sr. Het derde feit betreft deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. Het vierde feit betreft gewoontewitwassen als bedoeld in artikel 420ter Sr. Het vijfde feit betreft computervredebreuk als bedoeld in artikel 138ab Sr, gericht op de accounts van twee slachtoffers bij een cryptoplatform. Het zesde feit betreft het voorhanden hebben van een vals geschrift, te weten een digitale afbeelding van een Nederlands paspoort, als bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr. Het zevende feit betreft het voorhanden hebben van een taser in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie vordert een bewezenverklaring van alle zeven ten laste gelegde feiten en eist een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van twintig uur. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen ondersteunt het Openbaar Ministerie de toewijzing daarvan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor de feiten 1, 2, 3 en 7 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4, het gewoontewitwassen, bepleit de verdediging vrijspraak. De raadsman voert aan dat van de cryptocurrency niet kan worden vastgesteld dat deze van misdrijf afkomstig is en dat a priori moet worden uitgegaan van een legitieme herkomst. De verdachte heeft volgens de verdediging een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over het traden van cryptocurrency voor derden. Bovendien ontbreekt het vereiste opzet, waarbij het gebruik van een niet-anonieme wallet als contra-indicatie wordt aangevoerd. Ten aanzien van feit 5, de computervredebreuk, bepleit de verdediging vrijspraak voor het onderdeel dat ziet op het tweede slachtoffer. De raadsman stelt dat de onderliggende data van het cryptoplatform ontbreken en dat een bewezenverklaring niet uitsluitend op een samenvattend proces-verbaal kan worden gebaseerd, gelet op het beginsel van dubbele bevestiging uit artikel 344 lid 2 Sv. Ten aanzien van feit 6 voert de verdediging aan dat het primair ten laste gelegde artikel 231 lid 2 Sr zich als specialis verhoudt tot het subsidiair ten laste gelegde artikel 225 lid 2 Sr, waardoor aan de beoordeling van het subsidiaire niet kan worden toegekomen. Op het punt van de strafmaat verzoekt de verdediging om een gevangenisstraf van 21 maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, dan wel een forse matiging van de eis. De raadsman wijst erop dat de deelname aan de criminele organisatie wegens ziekte van de verdachte minder intensief en van kortere duur is geweest en dat de verdachte in de zes maanden voor zijn aanhouding aantoonbaar legale inkomsten genereert.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank verklaart alle zeven feiten bewezen. Ten aanzien van het gewoontewitwassen past de rechtbank het beoordelingskader toe voor witwassen zonder concreet gronddelict. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat voor een specifiek gronddelict, maar constateert dat de bij de Belastingdienst opgegeven omzet van circa 55.000 euro over de periode 2021 tot en met 2023 niet in verhouding staat tot de aangetroffen vermogensbestanddelen ter waarde van enkele honderdduizenden euro's. De rechtbank acht daarmee een vermoeden van criminele herkomst gerechtvaardigd. De verdachte slaagt er vervolgens niet in dit vermoeden te ontzenuwen. De verklaring dat de moeder schenkingen heeft gedaan acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk, nu het totaalbedrag van circa 106.000 euro nagenoeg het gehele inkomen van de moeder in de betreffende periode betreft en de schenkingen niet door belastingaangiften zijn onderbouwd. De verklaring over het traden van cryptocurrency voor derden is onvoldoende concreet nu geen inzicht is gegeven in de inleg. De verklaring over de aankoop en verkoop van goud is eveneens te weinig concreet nu niet is aangegeven op welke momenten het goud is aangekocht. De rechtbank concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat de vermogensbestanddelen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. De luxegoederen, te weten een riem en twee jassen, worden wel van de bewezenverklaring uitgesloten.

Ten aanzien van de computervredebreuk jegens het eerste slachtoffer acht de rechtbank het feit bewezen op grond van de bekennende verklaring van de verdachte in combinatie met digitaal bewijs. Voor het tweede slachtoffer past de rechtbank schakelbewijs toe. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een herkenbaar en gelijksoortig patroon: het betreft hetzelfde cryptoplatform, dezelfde modus operandi van het toevoegen van een nieuw device via het IP-adres van de verdachte met vervolgens telefonisch contact door een zogenaamde medewerker, en de feiten vinden op twee opeenvolgende dagen plaats.

Ten aanzien van feit 6 wijst de rechtbank het specialiteitsverweer van de verdediging af. Na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, waardoor het primair ten laste gelegde artikel 231 lid 2 Sr komt te vervallen, resteert het subsidiaire feit op grond van artikel 225 lid 2 Sr. De rechtbank oordeelt dat een digitale afbeelding van een paspoort een geschrift is dat onder het bereik van dat artikel valt.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart de volgende feiten bewezen:

  • medeplegen van het ter beschikking stellen en voorhanden hebben van phishingsites als technisch hulpmiddel bestemd voor computervredebreuk, meermalen gepleegd (feit 1)

  • medeplegen van het voorhanden hebben van gegevens bestemd voor het plegen van vermogensdelicten met betrekking tot niet-contante betaalinstrumenten, meermalen gepleegd (feit 2)

  • deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven (feit 3)

  • gewoontewitwassen van geldbedragen en bitcoins ter waarde van in totaal circa 750.000 euro (feit 4)

  • computervredebreuk door het binnendringen in de accounts van twee slachtoffers bij een cryptoplatform, meermalen gepleegd (feit 5)

  • het voorhanden hebben van een digitale afbeelding van een vals Nederlands paspoort (feit 6)

  • het voorhanden hebben van een taser in strijd met de Wet wapens en munitie (feit 7)

De verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van de ten laste gelegde luxegoederen (een riem en twee jassen).

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest, conform de eis van het Openbaar Ministerie. Bij de strafmotivering overweegt de rechtbank dat de verdachte en zijn medeverdachten professioneel en planmatig te werk gaan. De verdachte stuurt vanuit luxe appartementen jarenlang tientallen bellers aan om phishingactiviteiten te verrichten. De rechtbank stelt vast dat op basis van de aangetroffen vermogensbestanddelen, bezien tegen de achtergrond van de opgegeven legale inkomsten, grote winsten ten koste van anderen moeten zijn behaald. Hoewel de verdachte niet als leidinggevende van de criminele organisatie wordt aangemerkt, acht de rechtbank zijn rol inwisselbaar met die van de medeverdachte die wel als zodanig wordt verweten. De rechtbank neemt in aanmerking dat het handelen van de verdachte het vertrouwen van burgers in het digitale betalingsverkeer en in financiele instellingen ernstig ondermijnt. Uit het strafblad van de verdachte blijkt geen eerdere onherroepelijke veroordeling voor soortgelijke feiten, zodat dit niet tot strafverhoging leidt.

Naast de gevangenisstraf beveelt de rechtbank de tenuitvoerlegging van een eerder door de politierechter in de rechtbank Overijssel voorwaardelijk opgelegde taakstraf van twintig uur. Ten aanzien van de benadeelde partijen wijst de rechtbank een schadevergoeding van 550 euro toe aan het eerste slachtoffer en een bedrag van 4.134 euro aan het tweede slachtoffer, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het resterende deel van de vordering van het tweede slachtoffer wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De in beslag genomen luxegoederen, waaronder een gouden sieraad, meerdere Cartier brillen, een Louis Vuitton riem en Moncler en Prada jassen, worden aan de verdachte teruggegeven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^